Evolutionisme of creationisme

Beoordeling 5.2
Foto van een scholier
  • Keuzeopdracht door een scholier
  • 4e klas vwo | 1637 woorden
  • 3 december 2002
  • 53 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.2
  • 53 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ANW
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!
Evolutionistische argumenten

Chemische reactie

In de 20ste eeuw zijn er veel proeven gedaan om het ontstaan van het begin van het leven te ontdekken. Een van de bekendste proeven is die van Harold Urey en Stanley Miller. De proef bestond uit een kolf, waarin water en een mengsel van gassen zat. Dit mengsel bestond methaan, ammonia en waterstofgas. Dit waren de gassen waaruit de oeratmosfeer hoofdzakelijk uit bestond. In de kolf wekten ze elektrische vonken op om bliksem na te bootsen. Na een paar dagen ontstond er een rozige gloed. Deze gloed bestond uit aminozuren; de bouwstoffen van cellen. Veel andere onderzoekers hebben deze proeven gedaan met kleine verandering. Bij hen ontstonden ook basen van RNA en DNA en suikers.

Komeetinslag

Een andere manier om het leven te verklaren is door een komeetinslag. Tussen de sterren zijn op sommige plekken grote stof- en gaswolken. Deze bestaan grotendeels uit waterstofgas, water, ammonia, methaan en koolstofmonoxide. Door allerlei omstandigheden kunnen daar ook aminozuren en organische basen ontstaan. Deze kunnen terechtkomen op kometen die toevallig door de wolken vliegen. Zo komen er organische stoffen op de komeet. Als de komeet in de nog onbeschermde aarde slaat, dan komen die organische stoffen vrij.


Deze feiten verklaren het ontstaan van kleine organische stoffen, maar niet het ontstaan van de cellen waaruit ieder levend wezen uit bestaat. Hier zijn theorieën over bedacht.

Van organisch molecuul tot mens

De eerste theorie is dat er in wolken, die ontstonden uit de stoom die uit de vulkanen vrijkwam, organische moleculen aanwezig waren. Tijdens een heftige regenperiode vielen deze moleculen met de regen neer op het land, waarna het water zich ging verzamelen op de lager gelegen delen van de aarde.
Deze oceanen of meren met veel organische stoffen wordt ook wel de oersoep genoemd. Onder water is de gevaarlijke UV-straling, die toen groter was, omdat het ozonvormende element zuurstof er toen nog niet was, velen malen minder. Waar hoge concentraties organische moleculen waren, werden eencelligen gevormd. Die eencelligen zorgden voor fotosynthese. Zo ontstond er zuurstof en werd er een ozonlaag gevormd, waardoor het leven aan de oppervlakte van het water mogelijk werd. Al snel ontstonden er uit de fotosynthetische wezens ook zuurstofconsumerende organismen. Later ontstonden er uit die wezens, vissen en die ontwikkelden zich weer verder. Tot uiteindelijk de mens zich daaruit ontwikkelde.
Deze theorie heeft zo zijn bezwaren. Volgens sommige wetenschappers waren de oceanen te groot voor de organische moleculen om elkaar tegen te komen. Daarom zijn er weer verschillende andere theorieën bedacht om dit te verklaren.

Tidal pools

De eerste theorie is dat er in kleine poelen, die in de wetenschap tidal pools worden genoemd, organische stoffen aanwezig waren. Door de verdamping van water konden de organische stoffen dichterbij elkaar komen en daardoor eiwitketens vormen en uit deze ketens zijn dan de eencelligen ontstaan.

Mineralen als katalysator

Een andere theorie is dat de kleine organische stoffen op zeemineralen vastplakten en daar elkaar ontmoetten. De mineralen dienden vervolgens als katalysator, waardoor de aaneenschakeling van de stoffen versnelde. Zo ontstonden er bijvoorbeeld eiwitfragmenten uit aminozuren.


Diepzeekraters en geisers

De laatste theorie is dat er rond diepzeekraters en geisers, waar ook veel aminozuren ontstaan, de concentraties daarvan zo hoog zijn dat er kleine eiwitfragmenten kunnen worden gevormd. Deze eiwitfragmenten klonterden dan samen en zo zouden dan cellen zijn ontstaan.
Deze theorie is degene die het meest kan kloppen, want bij de andere theorieën zijn er ook weer veel bezwaarpunten.

Leven uit de ruimte

Er bestaan nog veel meer theorieën. Sommige ervan zijn erg omstreden. Zo hadden de Britse astrofysicus Fred Hoyle en Chandra Wickramasinghe, sterrenkundige uit Sri Lanka een theorie over dat het leven niet op aarde is ontstaan, maar uit de ruimte kwam, als bacteriën en virussen. Deze theorie lost de vraag over het ontstaan van het leven niet op, maar verplaatst de vraag naar een andere plek en een andere tijd.


Creationistische argumenten

Er zijn veel argumenten tegen de evolutietheorie. Als eerste de argumenten tegen de oersoeptheorie.

Oersoep

De proef van Miller heeft aangetoond dat het inderdaad mogelijk is organische stoffen te maken in de ideale atmosfeer, zoals die door evolutionisten wordt voorgesteld. Deze atmosfeer zou zonder zuurstof zijn en door straling en elektrische ontladingen zouden aminozuren gemaakt kunnen worden. Maar de gemaakte stoffen zouden meteen weer worden vernietigd, als Miller niet een soort val had ingebouwd, waarin de moleculen werden opgevangen. In de natuur zouden de gemaakte aminozuren door de straling weer meteen vernietigd worden. En in een atmosfeer met zuurstof (en dus geen straling) kunnen aminozuren niet ontstaan. Bovendien zijn er sterke bewijzen dat die zuurstofloze atmosfeer nooit bestaan heeft.

Daarbij komt nog dat Miller niet alleen bouwstenen voor het leven had gemaakt, maar ook stoffen die erg gevaarlijk zijn voor het leven.
Verder staat een eenvoudige organische stof nog heel ver af van een ingewikkelde cel. Neem nu een bacterie. Een bacterie bestaat uit ongeveer 1500 verschillende eiwitten. Elk eiwit bestaat weer uit honderden aminozuren. De kans dat een eiwit van 200 aminozuren toevallig ontstaat is één op 20^200. En dan heb je er pas één.

Dan is er nog een aspect wat de christenen onder de creationisten toevoegen. Zij zeggen dat Millers experiment alleen maar bewijst wat ze al jaren zeggen, namelijk dat leven alleen kan ontstaan uit materie én energie én intelligentie.

Meteorieten

Wetenschappers beweren dat ze organische stoffen hebben gevonden op meteorieten. Zij zien dat als een argument voor de evolutietheorie. Maar hierbij houden ze geen rekening met het feit dat organische stoffen nog ver weg staan van een levende cel. Ook is de hoeveelheid materiaal veel te laag, en dus niet toereikend voor het ontstaan van levende cellen. Daarbij komt nog dat, zelfs als de hoeveelheid genoeg was, de stoffen snel uiteenvallen.

Mars

Evolutionisten zeggen dus dat het leven ‘vanzelf’ is ontstaan. Midden jaren zeventig stuurde de NASA ruimtevaartuigen naar Mars om daar naar leven te zoeken. Wetenschappers beschouwden Mars als dé plek om buitenaards leven te vinden. Daar waren de omstandigheden namelijk net zo gunstig als op de leraarde en men nam aan dat Mars ook ongeveer even lang bestond. Sommige wetenschappers riepen zelfs dat als er niets gevonden zou worden, het bewijs geleverd was dat de evolutietheorie niet klopt. Er werd niets gevonden.

Natuurwetten

Hoe kon dat? Dat heeft te maken met natuurwetten. Volgens deze wetten (de zogenaamde entropiewet) kan materie zichzelf niet ‘omhoog-organiseren’, dat wil zeggen, materie kan niet spontaan complexer worden of meer informatie bevatten. Het is zelfs zo dat stoffen juist minder complex worden.
Evolutionisten werpen tegen dat deze wetten omschreven zijn voor een zogenaamd gesloten systeem, als er geen energie met de omgeving wordt uitgewisseld. En de aarde is een open systeem. Maar daarbij vergeten ze dat overal in de natuur deze wet blijkt te kloppen, hoewel er helemaal geen gesloten systemen bestaan.

Alleen energie helpt niet. Zelfs als de zon er duizenden jaren op zou schijnen, zou uit een hoop stenen en hout nooit spontaan een gebouw ontstaan. In levenloze stof zit geen informatie voor de eigen ontwikkeling. Zit die informatie wel in levende wezens, dan moet die er van buitenaf ingebracht zijn. Intelligentie.

God en de bijbel

Die intelligentie zoekt men vaak bij God. Naast de wetenschappelijke weerlegging van de evolutietheorie, is er voor creationisten vaak nog een tweede reden niet in die theorie te geloven. De bijbel.
In de bijbel zijn volgens hen veel aanwijzingen te vinden die heel wat vraagtekens uit de weg ruimen. Er staan dingen in die wij nu ook weten, maar de mensen in de oudheid niet. Over het water bijvoorbeeld. God liet de wateren samenvloeien op één plaats. Daardoor kwam het droge land tevoorschijn. Het water rust dus volgens de bijbel op de aarde, terwijl de oude volken dachten dat het land op het water dreef.

Een tweede opvallendheid is dat het water op één plaats samenkomt. Het droge moet dus één geheel zijn geweest. En dat is precies wat wetenschappers zeggen over de tektonische platen. De continenten zoals we ze nu kennen zijn uit elkaar gedreven. Ze waren één geheel.

Watergewelf

Een ander interessant ding heeft ook te maken met water. ‘God maakte het uitspansel en Hij scheidde de wateren die onder het uitspansel waren, van de wateren die boven het uitspansel waren; en het was alzo.’
God scheidde dus de waterdamp van het vloeibaar water. Maar de hoeveelheid waterdamp die er tegenwoordig in de lucht zit is zo laag, dat er van ‘scheiden’ geen sprake kan zijn. Daarbij komt nog dat het tijdens de zondvloed veertig dagen en nachten lang regende op de hele aarde. Dat kan nooit met die paar wolkjes.
Het moest dus iets anders geweest zijn. Een gewelf van waterdamp bijvoorbeeld, een dikke laag waterdamp om de hele aarde heen. Zo’n gewelf zou veel dingen verklaren.

· Door een laag waterdamp zou er een broeikaseffect optreden. Daardoor zou het overal op aarde ongeveer even warm worden. Uit onderzoeken aan de aardlagen blijkt dat het klimaat overal op de wereld, zelfs op de zuidpool, ooit tropisch was. Er zou geen regen zijn en alle diersoorten zouden op elke plek op aarde kunnen leven.
· De ozonlaag zou veel dikker zijn. De schadelijke straling kon daardoor veel beter tegengehouden worden. In combinatie met het gunstige klimaat kon dit wel eens de reden zijn dat mensen voor de zondvloed veel langer leefden. (600 was meer regel dan uitzondering)
· Dit gewelf zou ook verklaren dat sommige dieren zo groot werden. Door het klimaat konden ze ongestoord door blijven groeien en overleven.

Na de zondvloed was er van dit gewelf weinig meer over. Alles was op de aarde neergekomen.

De bijbel heeft in deze zaken de waarheid misschien goed weergegeven. De argumenten zijn wel overtuigend. Je zou nu kunnen denken dat de bijbel ook gelijk heeft met het ontstaan van het eerste leven. Misschien vind je het vergezocht. Maar is de evolutieleer dat niet?

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.