Lesuitval, een mondkapjesplicht, onzekerheid over de eindexamens... Wij zijn benieuwd hoe jij met de coronacrisis omgaat en wat jij vindt van de maatregelen. Doe mee met ons corona-onderzoek! 😷🦠🏫 We zoeken nog extra jongens!

Doe mee


ADVERTENTIE
1500 euro winnen met je pws of sectorwerkstuk?

Check de online masterclasses van het Rijksmuseum waarin experts hun kennis en tips delen, zodat jij tot een goed onderwerp komt. En wist je dat je mee kunt doen aan de Rijksmuseum Junior Fellowship wedstrijd? Je maakt dan met jouw pws of sectorwerkstuk kans op 1500 euro en een traineeship!

Bevolkingsberekeningen met promillen.

(een aanvulling bij de Basisboeknummers 81 en 84)



Soms moet je bij het vak Aardrijkskunde een beetje kunnen rekenen. In de eerste klas heb je schaalberekeningen gemaakt. In de tweede klas komen bevolkingsberekeningen aan de orde. Willen we namelijk iets over de ontwikkeling van een bevolking kunnen zeggen, dan moeten we dit kunnen “bewijzen” met cijfers. Voor al diegenen die het in de tweede klas hebben gemist, komt hier de herhaling……..



Dit stencil is vooral bedoeld voor die leerlingen die moeite hebben met berekeningen waarin procenten of promillen voorkomen. Je kunt dit stencil zelfstandig doorwerken, de antwoorden van de vragen en oefeningen staan op de laatste bladzijde.





¨ Wat is een “promille” (‰)?



Een promille is één-duizendste gedeelte van een totaal. (“pro” = ”per” en “mille” = “duizend”).



Dus als een totaal 100.000 is > dan is 1‰ > 100.000 gedeeld door 1.000 > dus 100. Voor de berekening van 1‰ moet je dus altijd het totaal delen door duizend.



OPMERKING: Evenals 1% is 1‰ een relatief cijfer. Het zegt iets alléén iets als je het totaal kent. Bijvoorbeeld als ik zeg dat jij morgen 1‰ van mijn salaris krijgt, dan weet je nog steeds niet hoeveel je krijgt. Pas als je mijn salaris kent, weet je hoeveel je krijgt! Als mijn salaris

¦ 4.000, -- per maand is dan krijg jij ¦ 4,-- (¦ 4.000,-- gedeeld door 1.000).



OEFENING 1



Vraag 1: Als mijn salaris nu eens ¦ 5.500,-- per maand is. Krijg je dan ook ¦ 4,--?

Vraag 2: Waarom niet?

Vraag 3: Hoeveel krijg je dan wel (schrijf de berekening er bij!)?



¨ Het geboortencijfer en het sterftecijfer



De bevolking van een land kan groeien of afnemen doordat er baby’s worden geboren en er mensen doodgaan. Om hier mee te kunnen rekenen gebruiken we twee begrippen:



Het geboortencijfer is het aantal geboorten per jaar per 1.000 inwoners.





Het sterftecijfer is het aantal sterfgevallen per jaar per 1.000 inwoners.



Zowel de geboortencijfers als de sterftecijfers zijn dus een relatief cijfers. Je moet eerst weten hoeveel inwoners een land heeft voordat je kunt zeggen hoeveel baby’s er geboren worden of hoeveel mensen er dood gaan.









OPMERKING: Geboortencijfers en sterftecijfers worden altijd in promillen (per1.000 inwoners) aangegeven. Dus als er niets achter het geboorten- of sterftecijfer staat bedoelt men altijd ‰!!

Men gebruikt liever ‰ (promillen) dan % (procenten) omdat je dan niet met “komma’s” hoeft te werken. Bijvoorbeeld: de meeste geboortencijfers liggen tussen de 10‰ en de 50‰. Je zou met procenten dan telkens 1,0% en 5,0% moet schrijven.



TIP VOORAF: Bij bevolkingsberekeningen gaat het meestal om enorme aantallen, omdat landen nou eenmaal vele miljoenen inwoners hebben. Om niet te weg kwijt te raken in al die “nullen” helpt het als je “puntjes” zet bij de duizendtallen. Dus niet 10000000 voor 10 miljoen, maar 10.000.000.



WAARSCHUWING: Bij proefwerken Aardrijkskunde telt alléén het goede antwoord en niet de berekening. “Bijna goed” bestaat niet! Een “nul” teveel of te weinig is helemaal fout, ook al is de berekening verder correct. Het maakt nogal wat uit voor een land of er 12.000 baby’s geboren worden of 120.000! Het scheelt maar één nul, maar het is wel tien keer zoveel!



Bij de volgende berekeningen gaan we steeds uit van het geboortencijfer. Uiteraard is de berekening van het sterftecijfer dezelfde!



1) De eerste berekening (van ‰ naar aantal):

Bijvoorbeeld: Een land heeft 5.000.000 inwoners. Het geboortencijfer is 10‰. Hoeveel baby's worden er nu geboren?



Stel jezelf altijd de volgende vier vragen:

1) Wat is het totaal aantal inwoners?

In dit geval 5.000.000.

2) Wat is 1‰ van het totaal aantal inwoners?

In dit geval 5.000.000 gedeeld door 1.000 is 5.000.

3) Wat is het geboortencijfer?

In dit geval 10‰

4) Hoeveel baby’s worden er dus geboren?

In dit geval 10 maal 5.000 is 50.000 baby’s



OEFENING 2:



Een land heeft 8.000.000 inwoners en het geboortencijfer is 6‰. Reken het aantal baby’s uit dat geboren wordt. Doe dat door de vier vragen te beantwoorden (wen jezelf aan dit “stap- voor-stap” denken).

Antwoorden op de laatste bladzijden van dit stencil!





2) De tweede berekening (van aantal naar ‰):

Je kunt de berekening ook omdraaien. Stel dat je het totaal aantal inwoners van een land kent en je weet hoeveel baby’s er geboren worden. Dan kun je het geboortencijfer uitrekenen.

Bijvoorbeeld: Een land heeft 3.000.000 inwoners en er worden in dat jaar 18.000 baby’s geboren. Wat is nu het geboortencijfer?



Stel jezelf altijd de volgende vier vragen:

1) Wat is het totaal aantal inwoners?

In dit geval 3.000.000.

2) Wat is 1‰ van het totaal aantal inwoners?

In dit geval 3.000.000 gedeeld door 1.000 is 3.000.

3) Hoeveel baby’s worden er geboren?

In dit geval 18.000

4) Wat is dus het geboortencijfer?

In dit geval 18.000 gedeeld door 3.000 is 6‰



OEFENING 3:



Een land heeft 16.000.000 inwoners en er worden in dat jaar 64.000 baby’s geboren. Reken het geboortencijfer uit. Doe dat door de vier vragen te beantwoorden (wen jezelf aan dit “stap- voor-stap” denken).

Antwoorden op de laatste bladzijden van dit stencil!



3) De derde berekening (van aantal en ‰ naar totaal):

Stel nou eens dat je het totaal aantal inwoners niet kent. Maar je weet wel het geboortencijfer en het aantal baby’s dat geboren wordt. Dan kun je het totale aantal inwoners uitrekenen.

Bijvoorbeeld: In een land is het geboortencijfer 12‰ en je weet dat dat overeenkomt met 24.000 baby’s die geboren worden.

Stel jezelf altijd de volgende vier vragen:

1) Wat is het geboortencijfer?

In dit geval 12‰

2) Hoeveel baby’s worden er geboren?

In dit geval 24.000

3) Hoeveel is in dit land 1‰

In dit geval 24.000 gedeeld door 12‰ is 2.000

4) Hoeveel is dus het totaal aantal inwoners?

In dit geval 2.000 maal 1.000 is 2.000.000 (immers: 1‰ is een duizendste gedeelte van het totaal!!)



OEFENING 4:



In een land is het geboortencijfer 36‰. Je weet dat dat overeenkomt met 144.000 baby’s. Reken nu de totale bevolking van dit land uit. Doe dat door de vier vragen te beantwoorden (wen jezelf aan dit “stap- voor-stap”denken).

Antwoorden op de laatste bladzijden van dit stencil!







¨ Natuurlijke bevolkingsgroei.



De natuurlijke bevolkingsgroei is het verschil tussen de geboorten en de sterfgevallen.



Deze natuurlijke bevolkingsgroei kun je op twee manieren uitdrukken: in aantallen en in promillen.



De absolute natuurlijke bevolkingsgroei: dit is het verschil tussen het aantal geboorten en het aantal sterfgevallen.



De relatieve natuurlijke bevolkingsgroei: dit is het verschil tussen het geboortencijfer en het sterftecijfer.



Het geboortenoverschot: We spreken van een geboortenoverschot als het verschil tussen geboorten en sterfgevallen positief is. Er worden dus meer baby’s geboren dan er mensen doodgaan.



Het sterfteoverschot: We spreken van een sterfteoverschot als het verschil tussen geboorten en sterfgevallen negatief is. Er gaan dus meer mensen dood dan er baby’s geboren worden.



Natuurlijk kun je zowel het geboortenoverschot als het sterfteoverschot uitdrukken in aantallen (absoluut) en in promillen (relatief).



Berekening:



Het enige dat je moet doen om de natuurlijke bevolkingsgroei uit te rekenen is dus het sterftecijfer (of aantal) af te trekken van het geboortencijfer (of aantal).

Bijvoorbeeld: In een land worden 120.000 baby’s geboren en gaan er 40.000 dood.

120.000 min 40.000 is 80.000. De (absolute) natuurlijke bevolkingsgroei is dus positief en er is sprake van een geboortenoverschot.

Bijvoorbeeld: In een land is het geboortencijfer 21‰ en het sterftecijfer is 29‰.

29‰ min 21‰ is -8‰. De (relatieve) natuurlijke bevolkingsgroei is dus negatief en er is sprake van een sterfteoverschot.



OEFENING 5



In een land worden 58.000 baby’s geboren en gaan er 13.000 mensen dood.

Vraag 1: Hebben we het hier over absolute cijfers of relatieve cijfers?.

Vraag 2: Bereken de natuurlijke bevolkingsgroei.

Vraag 3: Is dit een geboortenoverschot of een sterfteoverschot?



OEFENING 6



In een land is het geboortencijfer 34‰ en het sterftecijfer 38‰

Vraag 1: Hebben we het hier over absolute cijfers of relatieve cijfers?.

Vraag 2: Bereken de natuurlijke bevolkingsgroei.

Vraag 3: Is dit een geboortenoverschot of een sterfteoverschot?



En nou wordt het moeilijk!



¨ De natuurlijke bevolkingsgroei over meerdere jaren



De meeste rekenproblemen ontstaan als je moet uitrekenen wat de bevolkingsgroei is over meerdere jaren!



Wat is het probleem?

Na de vorige oefeningen kun je het geboortencijfer of geboortenaantal uitrekenen. Je kunt het sterftecijfer of het sterfteaantal uitrekenen. En je kunt de natuurlijke bevolkingsgroei uitrekenen. Aan het eind van een jaar is dus de bevolking toegenomen of afgenomen. Je moet deze natuurlijke bevolkingsgroei dus optellen (of aftrekken) van de totale bevolking.

HIERMEE VERANDERT DUS DE TOTALE BEVOLKING, DUS OOK 1 ‰ VAN DE TOTALE BEVOLKING!!! Bij de cijfers van het volgende jaar moet je dus uitgaan van het nieuwe totaal (en dus ook 1‰ nemen van dit nieuwe totaal)



Voorbeeld 1:

Om dit duidelijker te maken even een voorbeeld van een spaarrekening. Stel je hebt ¦ 100,-- op de bank staan. Je krijgt per jaar 10% rente. 1% (één honderdste gedeelte) is dan ¦ 1,-- Aan het eind van het eerste jaar heb je dus 10 maal ¦ 1,-- is ¦ 10,--.

Tot zover duidelijk? Maar je neemt de rente niet op, dus is je nieuwe totaal ¦ 100,-- plus

¦ 10,- is ¦ 110,--. HET TOTAAL IS NU VERANDERD, DUS VERANDERD OOK 1%!

Stel dat in het tweede jaar de rente gelijk blijft (10%). Hoeveel rente krijg je nu aan het eind van het tweede jaar? En hoeveel is je totaal aan het eind van het tweede jaar?

1% rente van ¦ 110,-- is nu ¦ 1,10 (één honderdste gedeelte). De rente is dus in het tweede jaar 10 maal ¦ 1,10 is ¦ 11,-- (en niet ¦ 10,--!). Aan het eind van het jaar heb je dus ¦ 110,-- plus ¦ 11,-- is ¦ 121,--



Voorbeeld 2:

Nu een voorbeeld uit de bevolkingsberekeningen. We nemen een stad met 200.000 inwoners. Het geboortencijfer is 24‰ en het sterftecijfer is 9‰. Daar gaan we weer: 1‰ is 200.000 gedeeld door 1.000 dus 200. Er worden dat jaar dan 24 maal 200 is 4.800 baby’s geboren. Er gaan 9 maal 200 is 1.800 mensen dood. De natuurlijke bevolkingsgroei is dus 4.800 min 1.800 is 3.000 mensen.

Goed, nu heb je in die stad aan het eind van dat jaar dus 200.000 plus 3.000 mensen is 203.000 mensen.

Het jaar daarop veranderen de geboorten- en sterftecijfers niet. Maar nu is 1‰ van de totale bevolking 203.000 gedeeld door 1000 dus 203!!. Hoeveel baby’s worden er nu geboren? 24 maal 203 is 4.872. Het aantal mensen dat dood gaat is 9 maal 203 is 1.827. En de natuurlijke bevolkingsgroei is 4.872 min 1.827 is 3.052. En de totale bevolking aan het eind van het tweede jaar is dus 203.000 plus 3.052 is 206.052.





OEFENING 7



Een land heeft aan het begin van een jaar een bevolking van 1.200.000. In dat jaar is het geboortencijfer 30‰ en het sterftecijfer 25‰. Het jaar daarop veranderen de geboorten- en sterftecijfers niet.

Vraag 1: Wat is het aantal baby’s dat geboren wordt in het eerste jaar?

Vraag 2: Wat is het aantal sterfgevallen in het eerste jaar?

Vraag 3: Wat is de natuurlijke bevolkingsgroei in het eerste jaar?

Vraag 4: Wat is de totale bevolking aan het eind van het eerste jaar?

Vraag 5: Wat is 1‰ van de nieuwe totale bevolking?

Vraag 6: Wat is het aantal baby’s dat geboren wordt in het tweede jaar?

Vraag 7: Wat is het aantal sterfgevallen in het tweede jaar?

Vraag 8: Wat is de natuurlijke bevolkingsgroei in het tweede jaar?

Vraag 9: Wat is de totale bevolking aan het eind van het tweede jaar?



OEFENING 8



Iets moeilijker, nu veranderen de geboorten- en sterftecijfers wel in het tweede jaar. Mochten er in de berekeningen “cijfers achter de komma” voorkomen, dan mag je die niet afronden!!



Totale bevolking: 1.800.000 JAAR 1 JAAR 2

Geboortencijfer 42 38

Sterftecijfer 15 13



Maak dezelfde vragen als in oefening 7



¨ Migratie.



Behalve door de natuurlijke bevolkingsgroei kan de bevolking van een land, stad of een andere gebied ook groeien of afnemen door de mensen die zich daar vestigen of die daaruit vertrekken. Om daarmee te rekenen gebruiken we de volgende begrippen:



Vestigingscijfer: Het aantal mensen dat zich in een land (of stad, etc.) vestigt per jaar per 1000 inwoners.



Vertrekcijfer: Het aantal mensen dat uit een land (of stad, etc) per jaar per 1000 inwoners.



OPMERKING Ook de vestigingscijfers en vertrekcijfers worden meestal in promillen uitgedrukt. Maar als het om te grote aantallen gaat (zoals bijvoorbeeld bij een snel groeiende stad) worden ook wel procenten gebruikt.



TIP: Let dus altijd goed op of het om promillen gaat of procenten. Bij de geboorten- en sterftecijfers is dat meestal geen probleem, die staan bijna altijd in promillen. Bij de vestiging- en vertrekcijfers moet je wel opletten!!



Natuurlijk gaan de berekeningen precies hetzelfde als bij de geboorten- en sterftecijfers.

¨ Het Migratiesaldo.





Het migratiesaldo is het verschil tussen de mensen die in een land (of stad welk gebied dan ook) binnenkomen en de mensen die vertrekken.



Deze migratie kun je natuurlijk ook op twee manieren uitdrukken: in aantallen en in promillen.



Het absolute migratiesaldo: dit is het verschil tussen het aantal mensen dat binnenkomt en het aantal mensen dat vertrekt.



Het relatieve migratiesaldo: dit is het verschil tussen het vestigingscijfer en het vertrekcijfer.



Het vestigingsoverschot: We spreken van een vestigingsoverschot als het verschil tussen het aantal mensen dat zich vestigt en het aantal mensen dat vertrekt positief is. Er vestigen zich dus meer mensen dan er vertrekken.



Het vertrekoverschot: We spreken van een vertrekoverschot als het verschil tussen het aantal mensen dat zich vestigt en het aantal mensen dat vertrekt negatief is. Er vertrekken dus meer mensen dan er zich vestigen.



Natuurlijk kun je zowel het vestigingsoverschot als het vertrekoverschot uitdrukken in aantallen (absoluut) en in promillen (relatief).



Berekening:



Op dezelfde manier als je de natuurlijke bevolkingsgroei uitrekent.



OEFENING 9



Een stad heeft 300.000 inwoners. Het vestigingscijfer is 62‰ en het vertrekcijfer is 19‰.

Vraag 1: Hoeveel mensen vestigen zich in deze stad?

Vraag 2: Hoeveel mensen vertrekken uit deze stad?

Vraag 3: Hoe groot is het migratiesaldo?

Vraag 4: Is dit een vestigingsoverschot of een vertrekoverschot?

Vraag 5: Hoeveel inwoners heeft de stad aan het eind van dat jaar?



¨ De totale bevolkingsgroei



De totale bevolkingsgroei is het verschil tussen de natuurlijke bevolkingsgroei en het migratiesaldo.



TIP: Bij de berekening moet je goed opletten op de “plussen” en de “minnen”. Bijvoorbeeld als in een stad een natuurlijke bevolkingsgroei is van + 40.000, maar het vertrekoverschot is 60.000 mensen (een migratiesaldo van -60.000) dan daalt de totale bevolking met (40.000 - 60.000) 20.000 mensen.



Op deze en volgende bladzijden vind je nog een paar oefeningen met bevolkings-berekeningen. Op de laatste bladzijden staan ook weer de antwoorden, maar nu zonder uitleg. Mocht je toch een antwoord fout hebben, bekijk dan nog eens de aanwijzingen bij dat onderdeel in dit stencil. Blijf zorgvuldig werken!



Succes met alle proefwerken waarin je met bevolkingscijfers moet rekenen!!



en



BEWAAR DIT STENCIL GOED !!



EXTRA OEFENINGEN



OEFENING 10



Totale bevolking: 8.000.000 1998 1999

Geboortencijfer 34‰ 28‰

Sterftecijfer 17‰ 12‰



Vraag 1: Hoeveel baby’s worden er in 1998 geboren?

Vraag 2: Hoeveel mensen sterven er in 1998?

Vraag 3: Hoe groot is de natuurlijke bevolkingsgroei in 1998?

Vraag 4: Hoeveel inwoners zijn er op 1 januari 2000?



OEFENING 11



Van land A weet ik dat het 6.000.000 inwoners heeft. Er worden in dat jaar 186.000 baby’s geboren en er gaan 126.000 mensen dood. Van land B weet ik dat er 156.000 baby’s geboren worden en dat dat overeenkomt met een geboortencijfer van 22‰. Ook weet ik dat het sterftecijfer in land B 10‰ is.



Vraag 1: Bereken het geboortencijfer van land A

Vraag 2: Bereken het sterftecijfer van land A

Vraag 3: Bereken het totale aantal inwoners van land B

Vraag 4: Bereken het aantal sterfgevallen in land B

Vraag 5: In welk land komen er de meeste mensen bij?

Vraag 6: In welk land is er een snellere bevolkingsgroei?



OEFENING 12



Van land A is het geboortencijfer 40‰ dit komt overeen met 85.000 mensen. Het sterftecijfer is 19‰. Land B heeft 34.000.000 mensen en er worden elk jaar 1.190.000 baby’s geboren. Het sterftecijfer in land B is 17‰.



Vraag 1: In welk land komen er de meeste mensen bij?

Vraag 2: In welk land is er een snellere bevolkingsgroei?



ANTWOORDEN



OEFENING 1



Vraag Antwoord Toelichting

1 Nee Zie vraag 2

2 Omdat het totaal nu ¦ 5.500,-- is. En dan is één-duizendste gedeelte ook anders.

3 ¦ 5,50 Eén-duizendste gedeelte van ¦ 5.500,--! Dus 5.500 gedeeld door 1.000 is ¦ 5,50



OEFENING 2



Vraag Antwoord Toelichting

1 8.000.000

2 8.000 Namelijk 8.000.000 gedeeld door 1.000

3 6‰ Vergeet nooit “‰” erachter te zetten!!

4 48.000 Namelijk 6‰ maal 8.000



OEFENING 3



Vraag Antwoord Toelichting

1 16.000.000

2 16.000 Namelijk 16.000.000 gedeeld door 1.000

3 64.000

4 4‰ Aantal geboorten gedeeld door 1‰ dus 64.000 gedeeld door 16.000. En vergeet NOOIT om hier “‰” achter te zetten!



OEFENING 4



Vraag Antwoord Toelichting

1 36‰

2 144.0000

3 4.000 Als 144.000 baby’s overeenkomt met 36‰, dan moet 1‰ dus 144.000 gedeeld door 36 zijn!

4 4.000.000 Immers 1‰ is één-duizendste gedeelte van een totaal. Als één-duizendste gedeelte 4.000 is, dan moet het totaal dus 4.000 maal 1.000 = 4.000.000 zijn.





OEFENING 5



Vraag Antwoord Toelichting

1 absolute cijfers Het gaat hier om aantallen. Zodra er sprake is van echte aantallen noemen we dit absolute cijfers.

2 45.000 De aantallen geboorten min de aantallen sterfgevallen, dus 58.000 min 13.000

3 Geboortenoverschot Er worden immers meer baby’s geboren dan er mensen doodgaan.



OEFENING 6



Vraag Antwoord Toelichting

1 relatieve cijfers Het gaat hier om cijfers die iets zeggen over een totaal. Zodra er sprake is van zulke cijfers, noemen we dit relatieve cijfers. Procenten en promille zijn dus relatieve cijfers.

2 - 4‰ Het geboortencijfer min het sterftecijfer, dus 34‰ - 38‰. Let op dat je het “min-teken” niet vergeet!

3 Sterfteoverschot Er sterven immers meer mensen dan er baby’s geboren worden.



OEFENING 7



Vraag Antwoord Toelichting

1 36.000 Want 1‰ van 1.200.000 is 1.200, dus het geboortencijfer is 30 maal 1.200 is 36.000

2 30.000 Nog een keer: 1‰ van 1.200.000 is 1.200, dus 25 maal 1.200 is 30.000

3 6.000 Namelijk 36.000 min 30.000

4 1.206.000 Die 6.000 mensen tel je op bij het totaal van 1.200.000

5 1.206 Let op! Je moet nu één-duizendste gedeelte van het NIEUWE totaal nemen. Het nieuwe totaal is 1.206.000! en dat gedeeld door 1.000 is 1.206

6 36.180 Namelijk 30 maal 1.206

7 30.150 Namelijk 25 maal 1.206

8 6.030 Namelijk 36.180 min 30.150

9 1.212.030 Die 6.030 mensen moet je optellen bij het totaal van het eerste jaar van 1.206.000 mensen.



















OEFENING 8



Vraag Antwoord Toelichting

1 75.600 Want 1‰ van 1.800.000 is 1.800, dus het geboortencijfer is 42 maal 1.800 is 75.600

2 27.000 Nog een keer: 1‰ van 1.800.000 is 1.800, dus 15 maal 1.800 is 27.000

3 48.600 Namelijk 75.600 min 27.000

4 1.848.600 Die 48.600 mensen tel je op bij het totaal van 1.800.000

5 1.848,6 Let op! Je moet nu één-duizendste gedeelte van het NIEUWE totaal nemen. Het nieuwe totaal is 1.848.600! en dat gedeeld door 1.000 is 1.848,6! De 6 achter de komma moet je laten staan (ook al bestaan 0,6 mensen niet!)

6 70.246,8 Namelijk 38 maal 1.848,6. Let op dat hier het geboortencijfer verandert is! Ook hier laat je het cijfer achter komma staan!

7 24.031,8 Namelijk 13 maal 1.848,6. Ook hier is het sterftecijfer anders en laat je het cijfer achter de komma staan.

8 46.215 Namelijk 70.246,8 min 24.031,8

9 1.894.815 Die 46.215 mensen moet je optellen bij het totaal van het eerste jaar van 1.848.600 mensen.



OEFENING 9



Vraag Antwoord Toelichting

1 18.600 Weer eerst 1‰ nemen! 300.000 gedeeld door 1.000 is 300. 62 maal 300 is 18.600.

2 5.700 Zelfde berekening!

3 12.900 Namelijk het vestigingscijfer min het vertrekcijfer, dus 18.600 min 5.700.

4 Vestigingsoverschot Er vestigen zich immers meer mensen dan er vertrekken

5 312.900 Namelijk 300.000 plus het vestigingsoverschot van 12.900



OEFENING 10



Vraag Antwoord Problemen?

1 272.000 Zie oefening 1

2 136.000 Zie oefening 1

3 136.000 Zie oefening 5

4 8.266.176 Heb je er op gelet om voor 1999 nu 1‰ te nemen van het nieuwe totaal? Zo niet maak dan berekening opnieuw, of bekijk nog eens de toelichting op oefening 8!











OEFENING 11



Vraag Antwoord Problemen?

1 31 Zie oefening 2

2 21 Zie oefening 2

3 7.000.000 Zie oefening 3

4 Land B Namelijk 84.000 ten opzichte van 60.000

5 Land B Namelijk 12‰ ten opzichte van 10‰



OEFENING 12



Vraag Antwoord Problemen?

1 In land B Namelijk 1.190.000 min 578.000 = 612.000

2 In land A Want in land A is de groei 40‰ min 19‰ = 21‰ en in land B is de groei 35‰ min 17‰ = 18‰. Hier zie je dus hoe belangrijk het is dat je met promillen werkt! Ondanks dat er in land B veel meer kinderen worden geboren, is de groei in land A toch sneller. Dat komt natuurlijk omdat land B bijna tien keer zo groot is! Door het werken met promillen kun je de bevolkingsgroei toch vergelijken, ondanks het enorme verschil in aantal.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

M.

M.

ik had op school geen goede uitleg gehad. over hoe ik de natuurlijke bevolkingsgroei het best kan berekenen. door deze opdrachten deed ik het helemaal snappen. het ook aan mijn cijfer te zien een 9,6 heel erg bedankt de mensen van deze site!!

9 jaar geleden