Alleen vmbo'ers gezocht! Waar denk jij aan bij duurzaamheid? Vul de vragenlijst in en maak kans op een Bol.com bon van 15 euro

Meedoen

Module 1 opdracht 13: Renaissance

Beoordeling 6.6
Foto van een scholier
  • Gedichtbespreking door een scholier
  • 4e klas vwo | 2611 woorden
  • 26 januari 2002
  • 53 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.6
  • 53 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
‘Sonet’ van Jonker Jan van der Noot

Zoals de titel al zegt is dit gedicht een sonnet. Dat zie je aan de opbouw: veertien versregels, verdeeld in een octaaf en een sextet. Octaaf en sextet hebben meestal een ander rijmschema en vaak is er ook een inhoudelijke tegenstelling tussen het octaaf en het sextet. De ‘breuk’ tussen octaaf en sextet, na regel 8, wordt wending, val, chute of volta genoemd.
Bij dit sonnet is de val wel duidelijk. Dat zie je niet aan het rijmschema, want er is geen duidelijk rijmschema; eigenlijk is er weinig rijm. Er zijn wel veel overeenkomsten in klank, vooral in de zinnen zelf, maar niet zozeer aan het einde van de versregels. Bijvoorbeeld: ‘pijn’ in regel 7 en ‘mijn’ in regel 9. Er worden ook veel woorden herhaald, dat zorgt ook voor overeenkomsten in klank.


De val in dit gedicht zie je dus niet door het verschil in rijmschema, maar wel door de inhoudelijke en structurele tegenstelling tussen octaaf en sextet. In het octaaf stelt de ikfiguur zichzelf veel vragen, een beetje filosofisch, en hij beklaagt zichzelf. In de laatste zes regels geeft hij min of meer antwoord op de vragen die hij eerder stelde en hij stopt met klagen; hij beseft dat hij ten onrechte klaagt en de liefde ten onrechte lastert. Omdat de ikfiguur zichzelf eerst veel vragen stelt eindigt elke zin van het octaaf met een vraagteken of uitroepteken. Het zijn geen lange of ingewikkelde zinnen en ze lopen niet door aan het eind van de regel. In het sextet gebeurt dat wel. Dan staat er wel een komma maar de zin is dus niet afgelopen. En één keer moet je wel meteen doorlezen naar de volgende regel, bij vs. 9-10.

Dit sonnet is zowel inhoudelijk als in vorm petrarkistisch. Het petrarkisme was in die tijd ‘mode’ in de liefdeslyriek. Het is genoemd naar de Florentijnse dichter Petrarca. Het petrarkisme gaat uit van een platonische liefdesopvatting: de geestelijke, zuivere liefde was belangrijker en beter dan de lichamelijke liefde. Dit herken je niet zo duidelijk in het sonnet van Jonker Jan van der Noot, omdat de ikfiguur het niet heeft over de manier waarop hij verliefd is of over de reden waarom hij op de vrouw valt. Hij heeft het niet over zijn geliefde, maar over de liefde zelf. Het onderwerp is dus de liefde, en de manier waarop zij de ikfiguur beïnvloedt. De minnaar beklaagt zichzelf. Dat is wel een kenmerk van het petrarkisme: de liefdesklacht van de wanhopige minnaar staat centraal. Daarnaast is de aanbeden vrouw onbereikbaar of houdt zij de man af. Dit wordt niet gezegd in het gedicht maar je kunt het wel afleiden uit de dubbelzinnige gevoelens van de ikfiguur. Als de vrouw van zijn dromen niet onbereikbaar was zou hij zichzelf niet zo beklagen. Tot slot is het kenmerkend voor het petrarkisme dat de ikfiguur iets of iemand aanspreekt. Hier spreekt hij de liefde soms aan
(‘Levende dood! Hoe vermag je tegen mijn wil zoveel over mij?’). Ook typerend voor het petrarkisme is het gebruik van tegenstellingen en paradoxen (schijnbare tegenstellingen: twee tegengestelde begrippen worden met elkaar verbonden, ze staan dus niet tegenover elkaar). Deze geven de posities weer. Bv: zij is als ijs, hij als vuur, of: de liefde is pijn en genot. Er staan er heel veel in dit sonnet:
In vs. 3 en 5 staan tegenstellingen: ‘Zoet en goed’ tegenover ‘hard’ en ‘met mijn instemming’ tegenover ‘ontzet’. In regel 4 vind je er ook één: ‘wreed tegenover ‘zoet’. Ook in de regels 9 en 10 staat een tegenstelling: ‘tegen mijn wil’ tegenover ‘willens’.

Het gedicht bevat de volgende paradoxen: ‘zoet geweld’ in vs. 4, ‘levende dood’ in vs. 9, ‘goed en kwaad’ en ‘onaangenaam en aangenaam’ in vs. 12, ‘geluk en ongeluk’ en ‘zuur en zoet’ in regel 13, en ‘ik zoek vrijheid en span mij in om slaaf te worden’, vs. 14. Regel 4 en 8 bevatten beiden een tegenstelling en twee paradoxen: de twee zinsdelen/zinnen zijn een tegenstelling, en de woorden waaruit ze bestaan paradoxen (‘pijn vol vreugde’, ‘vreugde vol pijn’ en ‘droefheid vol blijdschap’, ‘wrede blijdschap’).

‘Gezwinde grijsaard […]’ van P.C. Hooft


Dit gedicht is ook een sonnet. Het heeft een duidelijke val. Inhoudelijk zie je dat omdat de ikfiguur zich in het octaaf richt tot Vader Tijd, en in het sextet tot zijn geliefde. In het octaaf spreekt hij Kronos aan en vertelt hij over kenmerken van Vader Tijd. In regel 8, net voor de val dus, vindt de inhoudelijke verandering al gedeeltelijk plaats: hij vertelt daar over zichzelf en dat de tijd zo langzaam lijkt te gaan. In het sextet kom je te weten waarom en vertelt hij vooral over hoe hij zich voelt.

De val in dit sonnet kun je ook zien aan de verschillende rijmschema’s. In het octaaf is het rijmschema ABBA ABBA. In het sextet is het rijmschema, als je sextet en octaaf afzonderlijk bekijkt, AAB CCB. Het hele gedicht heeft dus het rijmschema ABBA ABBA CCD EED.

In dit sonnet gebruikt Hooft een aantal tegenstellingen, zoals: ‘Voor iedereen te snel—hoe valt gij mij zo traag?’ Hooft gebruikt ook paradoxen, schijntegenstellingen, zoals: ‘Gezwinde grijsaard’, wat snelle of rappe grijsaard betekent. ‘Dat ik den tijd, die ik verkorten wil, verlang.’ bevat een paronomasia, want de woorden ‘verkorten’ en ‘verlang’ lijken in klank wel op elkaar (‘ver-’), maar ze betekenen het tegenovergestelde. Paronomasia is namelijk het gebruik van klankverwante, maar in oorsprong en betekenis sterk van elkaar verschillende woorden.

In dit gedicht richt de ikfiguur zich tot Vader Tijd. In de Griekse mythologie was Kronos, de vader van Zeus, de god van de tijd. Volgens de mythen slokte Kronos zijn eigen kinderen op. Hij was gulzig en wild. In dit sonnet heeft Kronos de volgende namen: Gezwinde grijsaard (vs.1), Doodvijand van de rust (vs.4), Onachterhaalb’re Tijd (vs.5) en den Tijdgod (vs.12). ‘De schoorvoetige tijd’, in regel 10, zou je ook kunnen zien als een naam voor Kronos, maar dit lijkt meer op een aanduiding voor de tijd in het algemeen, niet voor Vader Tijd. Het is niet met hoofdletters geschreven, en de ikfiguur bedoelt ook niet dat hij Vader Tijd verdrijft, maar dat de tijd zo langzaam gaat voor zijn gevoel en dat hij probeert bezig te blijven zodat de tijd sneller zal gaan.

P.C. Hooft vertelt in dit sonnet niet de mythe over Kronos, over hoe hij zijn eigen kinderen verslond, maar hij roept wel het beeld op van een gulzige eter door zijn woordkeus. Zo zegt hij in een omschrijving van Vader Tijd: ‘wiens hete honger graag verslokt, verslindt, verteert al wat er sterk mag lijken’ (vs. 6). Honger, verslokken, verslinden, verteren: het beeld van Kronos die zijn kinderen verslindt komt hier duidelijk naar voren.

In dit gedicht kun je veel aspecten van het petrarkisme herkennen:
-Het gedicht behandelt een onbereikbare liefde. Zij is voor enige of
langere tijd (misschien wel voorgoed) verdwenen uit het leven van de ikfiguur;
-Er worden veel tegenstellingen en paradoxen gebruikt;
-De klagende minnaar wordt wanhopig, doordat de tijd hem te langzaam gaat.
Het gedicht is dus een soort klaagzang van de minnaar. Dat is erg petrarkistisch.
-Petrarca gebruikte graag aansprekingen en personificaties. Dat doet Hooft hier ook, want hij geeft de tijd weer als een persoon, Vader Tijd, en hij spreekt hem aan.

Hooft toont zich in dit gedicht een echte Renaissancedichter, omdat het sonnet (=typerend voor de Renaissance!) bovengenoemde kenmerken van het petrarkisme vertoont. Bovendien bevat het gedicht aspecten uit de Griekse mythologie (Kronos), en de Griekse en Latijnse culturen waren helemaal ‘in’ tijdens de Renaissance. In die tijd was het pronken met kennis van mythologie en het gebruik van ingenieuze woordspelingen of dubbelzinnigheden geliefd.

‘Op de dood van Sterre—24 januari 1638’ van Constantijn Huygens

Dit sonnet schreef Huygens in 1637, het jaar waarin zijn vrouw Susanna van Baerle overleed. Hij noemde haar Sterre.

Dit gedicht heeft een duidelijke val. Je kunt de val allereerst herkennen aan het rijmschema. Dit is ABBAABBA CDDCDC. Het octaaf heeft dus een ander rijmschema als het sextet. Verder kun je het ook aan de inhoud zien. Voor de breuk vraagt de ikfiguur zich af waar zijn geliefde, zijn "Sterre", heen is. Aan het eind van het octaaf beseft hij (5-6) dat ze dood is en na de breuk roept hij de dood aan, omdat hij met zijn Sterre verenigd wil worden; hij wil dus ook sterven.

Dichters uit de Renaissance vonden dat het taalgebruik van poëzie vol ingenieuze woordspelingen en dubbelzinnigheden moest zitten. In de vorige twee gedichten was dat duidelijk te merken en ook Huygens voldeed aan deze wensen. Zo staat er in dit sonnet een paar keer een paronomasia. In vs. 10 staat er één; de woorden ‘steen’ en ‘gesteen’ lijken erg op elkaar in klank, maar ze betekenen iets heel anders. Met ‘steen’ wordt een zucht bedoeld, met ‘gesteen’ gesteente (steen). Hetzelfde vind je in vs. 12. Daar gebruikt Huygens de woorden ‘korts’ en ‘koortsen’. Ook deze woorden zijn verwant in klank, maar betekenen iets anders. ‘Korts’ betekent binnenkort (snel).

In de laatste regel van het gedicht staat dubbelzinnig taalgebruik, het is niet helemaal duidelijk wat de schrijver bedoelt. ‘Mijn heil’ verwijst naar ‘mijn God’, ‘mijn lief’ verwijst naar ‘mijn Sterre’ en ‘mijn lijf’ naar ‘mij’. Met de woorden voor de dubbele punt bedoelt Huygens dus datgene wat er achter de dubbele punt staat (in dezelfde volgorde).

Dit gedicht van Huygens is wel een sonnet, maar voor de rest is het niet petrarkistisch, zoals de vorige twee gedichten. Constantijn praat hier niet over een onbereikbare liefde, maar over zijn vrouw, die is overleden. Het gaat dus niet om een vrouw die de minnaar afhoudt of aan het lijntje houdt, want hij was wel met de vrouw, over wie hij het heeft, getrouwd. Hij mist haar omdat ze gestorven is. Verder kun je wel kenmerken van het petrarkisme herkennen in dit sonnet, zoals het gebruik van paronomasia en het feit dat het ook een soort klaagzang is van de minnaar. Maar omdat het over zijn overleden vrouw gaat is het funeraire poëzie. Dat wil zeggen, poëzie geschreven naar aanleiding van een sterfgeval. Meestal zit er ook een wijze les in zulke poëzie, ondanks het persoonlijke aspect rondom het overlijden van een dierbare. De wijze les in dit gedicht is de in die tijd eigenlijk vanzelfsprekende opvatting dat goede mensen na hun dood in de hemel komen bij God, en dat het daar zeer aangenaam is. De ikfiguur (Huygens zelf dus) verlangt ernaar om met zijn Sterre in de hemel te zijn, waar ook zijn God is. Dan moet hij dus eerst sterven, en daar verlangt hij ook naar. In dit gedicht geldt dus de opvatting dat het leven na de dood iets is om naar uit te kijken (voor de gelovigen tenminste, maar dat wordt er niet bij gezegd).

Van der Noot, Hooft en Huygens

Pieter Cornelis Hooft (1581-1647) heeft gestudeerd aan de Latijnse school te Amsterdam. Vervolgens is hij gaan reizen door Frankrijk, Italië en Duitsland. Teruggekomen in Nederland is hij vervolgens rechten gaan studeren in Leiden. Hooft was eerst geschiedschrijver en in 1609 werd hij Drost in Muiden en baljuw van Gooiland. Uit het feit dat hij gestudeerd heeft aan de Latijnse school te Amsterdam blijkt dat hij tot de (geletterde) elite hoorde. Niet veel mensen hadden het voorrecht dat zij mochten studeren in die tijd.

Constantijn Huygens (1596-1687) heeft een jaar rechten gestudeerd alvorens hij naar Engeland en Venetië vetrok. Daar werd hij in 1625 secretaris van de Raad van State en dat bleef hij tot aan zijn dood in 1687. Uit zijn studie en zijn beroep blijkt dat ook Huygens tot de elite behoorde.

Jonker Jan van der Noot (1539-1595) vluchtte wegens zijn deelneming aan een calvinistische oproer te Antwerpen naar Londen. Later keerde hij als katholiek naar Antwerpen terug, waar hij zich definitief vestigde. Later is hij burgemeester geworden. Dat hij tot de geletterden behoorde betekent dat hij nu niet direct arm te noemen is, en ook hij behoorde tot de elite.

De liefdeslyriek was voornamelijk bedoeld voor een publiek van jongelui die genoeg geld hadden om zich goed te vermaken en die interesse hadden in liefdesaangelegenheden, maar die tegelijkertijd moesten leven met een strenge moraal t.o.v. sex voor het huwelijk. Rijke jongeren trouwden vaak pas laat. Tot die tijd was de liefdeslyriek nuttig om erotische spanningen te kanaliseren. Hooft, Van der Noot en Huygens schreven veel petrarkistische liederen. Het ging hierbij vooral om een literair spel voor een literaire elite. Dit betekent dat het publiek van de schrijvers aansloot bij hun eigen sociale milieu. Het publiek was
geletterd, en behoorde tot de (rijke) elite.

We gaan nog één sonnet bespreken en dat is er één die we zelf hebben uitgezocht:

AEN EEN NIEUWGEBOREN JONGEN

O jongen, versse vrucht, die uit het slaeprigh leven,
In moeders schoot geleefd, door spooren van den tijdt,
Die niet in stilte laet, tot ouders vreughde zijt
In der zinnen gewoel en ’t waekend licht gedreven:
Nu heeft u de geboorte aen ’t Luck overgegeven,
Dat school van wissel houdt, de droevighe verblijdt,
De blijde droevigh maeckt, verheft en nedersmijt,
En tussen hoop en vrees doet alle sielen sweven.
Op onversufte moed de zegherijcke Godt
Geef u te schutten af de pijlen daer het lot
In sijn verbolghenheidt u meede sal beschieten;
Oock haere gaeven, als ’t mildelijck bedenkt,
En rijkdoom, wellust, eer uit volle vaeten schenckt,
Met danckbaere genoeght voorsichtigh te genieten

P.C. Hooft

(Spooren: aansporen
Niet: niets
Der zinnen gewoel: het gewoel der menselijke strevingen
Luck: lot
School van wissel houdt: (steeds) veranderingen oplegt
r. 9-11: zinsconstructie: de zegherijcke Godt geeft (= geve) u, de pijlen daer (=waar) het lot in zijn verbolgenheidt u meede sal beschieten af te schutten (= te doen afstuiten) op onversufte (= niet verslappende) moed
Oock: ook (geve hij u); haere: zijn, ’t het (lot)
Wellust: genot
Genoeght: tevredenheid)

Het gedicht gaat over de pasgeboren zoon van Ida Quekel, die korte tijd relaties had met Hooft en later trouwde met zijn neef. Het vertelt over de geboorte en over de toekomst, over het lot dat de pasgeboren baby wacht, de dingen die God hem zal schenken of heeft geschonken. Er volgt dan een beschrijving van het lot en van God.

De val in dit gedicht is duidelijk zichtbaar. Het rijmschema is: ABBAABBA CCDEED. Er is dus een verandering in het rijmschema. Ook inhoudelijk is de val te herkennen: in het octaaf spreekt de ikfiguur de pasgeboren baby aan. Hij heeft het over deze baby en zegt dat deze nu onderhevig zal zijn aan het lot (wat iets naars is, want je weet dan nooit wat je te wachten staat). In het sextet komt dan de blijde mededeling dat God hem zal beschermen tegen (de ‘pijlen’ van) het lot, en dat deze hem goede dingen zal schenken.

Dit sonnet kun je in verband brengen met het petrarkisme. Het gaat niet over een onbereikbare liefde en het is geen klaagzang van een minnaar, maar het heeft wel enkele kenmerken van het petrarkisme in zich. Ten eerste dat het een sonnet is, maar er zijn meerdere redenen. Zo gebruikt Hooft tegenstellingen (‘dat de droevige verblijdt, de blijde droevig maakt’) en spreekt hij iemand aan, namelijk de baby. Aanspreking is iets wat Petrarca graag deed. Hooft geeft het Lot hier ook een beetje weer als ware het een persoon. Zo zegt hij dat het lot van veranderingen houdt, en dat het mensen (figuurlijk) neersmijt en verheft. Personificatie was ook iets wat Petrarca vaak in zijn gedichten liet voorkomen.

Tot slot: waarom hebben we deze opdracht gekozen? We wilden liever niet zingen, maar verder maakte het ons niet zoveel uit welke opdracht we gingen doen, dus we vonden deze wel goed. We vonden deze gedichten best mooi dus die wilden we wel wat beter bestuderen.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.