Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

Analyse 15 Nederlandse gedichten

Beoordeling 7.9
Foto van een scholier
  • Gedichtbespreking door een scholier
  • 5e klas vwo | 5646 woorden
  • 17 maart 2019
  • 18 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.9
  • 18 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!

METRUM



V = zwak

Streepje = klemtoom




  • een tweeregelige strofe is een distichon.

  • een drieregelige is een terzine of terzet (in een sonnet)

  • een vierregelige is een kwatrijn.

  • een vijfregelige is een kwintet of kwintijn.

  • een zesregelige is een sextet.

  • een zevenregelige is een septet.

  • een achtregelige is een octaaf.

  • een negenregelige is een novet.




  1. Afsluitdijk

  2. Het huwelijk

  3. De dapperstraat

  4. Bloem

  5. Lachwekkend sonnet

  6. ‘Zal ik nog een eindje met je meelopen?’

  7. Totaal witte kamer

  8. Het kind en ik

  9. De zeer oude zingt

  10. Ik ween om bloemen in de knop gebroken

  11. Zwerversliefde

  12. Melopee

  13. Vertrek van dochters

  14. Een mooie dag om stilte te verscheuren

  15. Ouderdom





GEDICHT 1 - AFSLUITDIJK - M. Vasalis




  • Parafrase:


    • Strofe 1: een bus rijdt over de afsluitdijk en het wordt al langzaam avond. De maan schijnt. Aan haar linkerzijde is de ‘rusteloze zee’ en rechts de bedijkte binnenzee.

    • Strofe 2: Twee matrozen die ook in de bus zitten die over de afsluitdijk rijdt slapen op elkanders schouders.

    • Strofe 3: De busrit maakt een gekke draai. Het lijkt alsof de bus (met de mensen) in het water zijn.  de dichter is de zeemeermin die in het water dobbert. Haar hoofd deint net boven het watervlak.



  • Strofebouw:

    • 3 strofen, kwatrijn - kwatrijn - 12 regels



  • Rijm:

    • Abba (omarmend) cdcd (kruis) effegghhiijj (eerst omarmend, daarna gepaard)



  • Metrium: jambe

  • Beeldspraak:

    • Vergelijking

      • De bus rijdt als een kamer door de nacht



    • Hyperbool

      • Eindeloos



    • Personificatie

      • Zee, getemd maar rusteloos



    • Synesthesie

      • Schijnt zacht





  • Stijlfiguren:

    • Anticipatie

      • Dan zie ik plots, als waar ‘t een droom, in ‘t glas, ijl en doorzichtig aan de onze vastgeklonken, soms duidelijk als wij, dan weer in de zee verdronken de geest van deze bus; het gras snijdt dwars door de matrozen heen.



    • Paradox

      • De zee, getemd maar rusteloos (r. 3)



    • Enumeratie

      • alleen deze tocht, geen toekomst, geen verleden, alleen dit wonderlijk gespleten lange heden (een opsomming van wat er wel en niet is)



    • Antithese

      • Er is geen einde en geen begin

      • Geen toekomst en geen verleden



    • Tautologie

      • ijl en doorzichtig





  • Interpretatie:

    • Het gaat bijna letterlijk over de rit van een bus die over de afsluitdijk rijd.  Het is donker als de bus deze rit maakt, want hij vergelijkt de rit met een kamer door de nacht. De dijk lijkt eindeloos lang en links van hem ligt de zee. Voor hem in de bussen zitten matrozen die op elkaars schouder in slaap vallen. Soms ziet hij een beeld of zijn spiegelbeeld in zee. Dat wordt duidelijk in de 3e strofe. Maar soms verdrinkt dat beeld weer in de zee en is het weg. Het gaat ook om het idee dat de schrijver zich soms ‘verdronken’ voelt en zichzelf even kwijtraakt, refererend naar dat de bus opeens een rare bocht maakt.







GEDICHT 2 - Het Huwelijk - Willem Elsschot




  • Strofebouw:


    • 6 strofes, 4 kwatrijnen






  • Rijmschema:


    • abba cddc effe ghhg ijji kllk






  • Parafrase


    • 1e strofe: De man heeft spijt van zijn huwelijk, nu hij zijn vrouw ziet die aangetast is door ouderdom (huid en blik zijn verouderd).

    • 2e strofe: Hij wond zich op en bekeek haar, maar raakte niet meer opgewonden van haar. Waardoor het minnespel (seks) veranderde in een vervelende plicht waarbij zij op een stervend paard leek.

    • 3e strofe: -

    • 4e strofe: Hij denkt eraan haar te doden, het huis in de fik te steken, zich op te frissen en dan door een onstuimige reis bij een andere liefde in een ander land te belanden.

    • 5e strofe: -

    • 6e strofe: Hij onderneemt geen actie, alles blijft hetzelfde terwijl zijn kinderen groot worden. Zijn kinderen zien hem stil bij de haard zitten, geïsoleerd maar ook nog gevaarlijk.



  • Metrum

    • Jambe



  • Elisie

    • D'ooge (r.2)

    • Vloekte en (r.5)

    • Vervaarlijke’ aanblik (slot)



  • Antimetrie

    • Hij vloekte en ging…

    •  v   - v   v -

    • Maar leefde en bleef gezond

    •    v   - v v     - v -



  • Stijlleer

    • Stijlfiguur

      • Enumeratie

        • 2e strofe





    • Beeldspraak  

      • Metafoor

        • Nevel van de tijd (r.7) → ouderdom

        • al zoog zijn helse mond het merg uit haar gebeente (r.9) → verbaal oefent hij op haar geestelijke terreur uit







  • Wat betekent ‘verkeren’ in regel 7?

    • veranderen in



  • Wat wordt bedoeld met de grootste zonde?

    • Seksuele omgang (waarom zondig → ze is al oud dus voor voortplanting hebben ze geen seks meer, dus is het voor lust en zou het door kerkelijke kringen zondig kunnen zijn)



  • Wat betekent ‘dorst’ in regel 11?

    • Durven



  • Betekenis ‘Tussen droom en daad staan wetten in de weg’

    • Je kunt wel van alles in je hoofd halen, willen, maar het in uitvoering brengen lukt niet, vanwege wetten, het is verboden wat jij wilt.



  • ‘Godvergeten’ en ‘vervaarlijk’

    • Geïsoleerd maar toch nog steeds vol gevaarlijke ideeën.






  • Interpretatie:


    • je ziet alles aan het eind door de ogen van de man, hij is geïsoleerd en eenzaam, heeft nooit wat gedaan Een huwelijk is iets waar je niet meer





onder uit komt eenmaal afgesloten. Een man is uitgekeken op zijn huwelijk…




  • Lettergrepen: 12 - 13 - 13 - 12 Achterhoofd vraag: wie komt er slechter af in het gedicht? De man of de vrouw?





GEDICHT 3 - OUDERDOM - Judith Herzberg




  • Parafrase:


    • Iemand die oud is zit erover na te denken over hoe het zal zijn, de hoop dat degene van wie ze houdt straks ook nog van haar houdt, ondanks ze zou veranderen. Ze  voelt zich dan niet eenzaam maar langzaam ontstaat er een nieuw leven. Het gaat er om dat haar geliefde weet dat ze ouder wordt.






  • Strofebouw


    • Geen naam voor, één strofe van 12 regels



  • Rijm






    • A b c d e f g a g h i j ⇒ geen rijmschema



  • Metrum

    • Geen metrum



  • Enjambement

    • Maar meer een uitgeblazen paarde-

    • bloem. Hoor je me dazen?








    • Effect


      • Bloem krijgt nadruk

      • Woorden beginnen al te breken → latere zin: dazen (onzin uitkramen





  • Alliteratie

    • Schoothond - schrikvel

    • Maar - meer






  • Assonantie


    • Aan - praat

    • Tak - dat

    • (Uitgeblazen - dazen)

    • Daar - gaan



  • Stijlleer






    • Stijlfiguren


      • Paradox:


        • Als je nu kan begrijpen

        • wat ik dan ga bedoelen














      • Retorische vraag:


        • Hoor je me dazen?





    • Beeldspraak

      • Vergelijking

        • Ik-persoon = krakende dorre tak

        • Ik-persoon = uitgeblazen paarde(n)bloem



      • Metafoor

        • Parachuutjes: Dat is het afbrokkelende verstand van de ik-persoon (pluisjes paardebloem). Parachuutjes bij een paardebloem zijn niet definitief eindig, en ze gaan stukje bij beetje de lucht in, ze vormen een nieuw leven

        • (ze vergelijkt zich liever met een paardebloem)







  • Wat betekent ‘ga ik me niet zo afgebroken voelen’?

    • Eenzaam, los van de rest van de wereld

    • Zich niet meer nodig voelen

    • Niks meer kunnen



  • Personages

    • Ik (worstelt met ouderdom, vraagt er begrip voor) en jij/je

    • Echtpaar: (‘later als ik oud ben’ ‘als je me nu kunt begrijpen zul je me later ook begrijpen’ ‘nu en dan’ → weten al dat ze samen een toekomst hebben’)



  • Interpretatie:

    • De schrijver schrijft over al ze oud is, of haar ‘geliefde’ nog steeds van haar houd, ookal gaat ze veranderen, en een oud wijf worden. Ze wil geen tak worden die wordt kapotgemaakt, maar een paardenbloem die mooi zijn blaadjes van het leven kwijt raakt.





GEDICHT 4 - Totaal witte kamer - Gerrit kouwenaar




  • Parafrase


    • 1e strofe: de schrijver wil de kamer nog een keer wit maken, samen met zijn echtgenoot

    • 2e strofe: de tijd zal niet gespaard worden, maar nu wil hij de kamer wit maken, nu en nooit meer later

    • 3e strofe: dat ze nog een keer kunnen praten, alsof het gedrukt staat en heel duidelijk leesbaar.

    • 4e strofe: een laatste keer de kamer wit maken, zoals ze er lagen, liggen en liggen blijven (verleden, heden, toekomst) (houd zich dus niet aan wat hij in strofe 2 gezegd heeft)






  • Strofebouw


    • 3x distichon, 1x terzet






  • Rijmschema


    • Geen rijmschema






  • Assonantie


    • Kamer - maken

    • Volmaakte - napraten






  • Alliteratie


    • Lagen - liggen - liggen






  • Metrum


    • Geen metrum






  • Elisie


    • (Het volmaakte - Als in dat het ‘t volmaakte is)






  • Antimetrie


    • Geen antimetrie



  • Enjambement

    • Dit zal geen tijd sparen, maar nog eenmaal

    • de kamer wit maken, nu, nooit meer later






  • Stijleer


    • Stijlfiguren


      • Repetitio


        • Liggen, liggen

        • Nog eenmaal, nog eenmaal

        • Wit, witter



      • Paradox

        • Nu, nooit meer later





    • Beeldspraak

      • Vergelijking

        • Zoals wij er lagen, liggen, liggen blijven







  • Interpretatie

    • De schrijver beschrijft de dood over zijn vrouw, en hoe kut zijn leven nu eigenlijk is. Hij wil nog een keer de kamer wit maken, nog een keer met zijn vrouw praten en kunnen genieten van het leven.

    • Wit = ‘ontdoen van de bekrassing van de tijd’. ‘Wit is geen kleur maar de zuiverheid waar de kleuren uit te voorschijn komen. Daarmee is het volgens onaangetast door de tijd.’






  • Geschreven n.a.v het overlijden van zijn vrouw


    • ‘In de latere gedichten kwam het accent meer te liggen op vergankelijkheid, op het verdwijnen en behouden van momenten en situaties. Na de dood van zijn vrouw Paula schreef hij bijvoorbeeld de reeks ‘Totaal witte kamer’

    • Ook legde hij zich toe op het ‘stilleggen van de tijd’. Liefde, dood, onrecht en schoonheid zijn de ‘eenvoudige’ thema’s van kunst, zei Kouwenaar.’






  • De dood is zo’n groots thema, dat je de woorden klein moet laten





GEDICHT 5 - De Dapperstraat - J.C. Bloem




  • Parafrase






    • De ik-figuur bedenkt zich het volgende terwijl hij in de regen door de dapperstraat loopt.

    • Ik figuur zegt dat hij niet veel met natuur heeft en dat er bovendien niet meer veel natuur is in Nederland.

    • Hij houdt meer van de stedelijke verschijnselen, in combinatie met natuur.

    • Hij voelt zich gelukkig in de stad.



  • Strofebouw

    • 4 strofen: 2 kwatrijnen en 2 terzetten

    • Sonnet

    • Volta (wending): na regel 8






  • Rijmschema


    • Abba abba (omarmend) cde cde (gebroken)






  • Assonantie


    • Tevredenen - legen

    • Wonderen - verborgen

    • Stedelijke - wegen

    • Nooit zo schoon

    • Wie - niet

    • Wonderen - verborgen






  • Alliteratie


    • Miezerige - morgen

    • Langs - lucht

    • Veel - voor

    • Veel - verwacht

    • Domweg - dapperstraat






  • Metrum








      • Jambe



    • Elisie:

      • De’ in kaden

      • Ze’ omrand

      • Ze’ oppeens



    • Antimetrie:

      • Alles (begint met klemtoon, krijgt nadruk > volta extra benadrukt)

      • Opeens (plotseling gevoel)

      • Domweg (extra nadruk)





  • Stijlleer

    • Stijlfiguren

      • Hyperbool

        • r. 3: ‘Een stukje bos, ter grootte van een krant,’

        • Bos - krant



      • Understatement

        • r. 4 villaatje





    • Beedspraak

      • Het leven houdt zijn wonderen verborgen / toont → personificatie

      • Vergelijking:

        • r. 2: ‘En dan: wat is natuur nog in dit land?’; object: de natuur; beeld: een stukje bos & een heuvel met wat villaatjes ertegen.

        • r. 3: ‘Een stukje bos, ter grootte van een krant,’; object: stukje bos; beeld: grootte van een krant.







  • Interpretatie

    • Kijk om je heen, geniet van de kleine dingen. In de gewoonste dingen zit heel veel schoons verborgen. Je hoeft niet naar gekke plekken, het is er, als je er maar op let en je er oog op hebt.





GEDICHT 6 - Bloem - Esther Naomie Perquin




  • Parafrase


    • 1e strofe: de schrijver vertelt over de natuur, (over heel mooi uitzicht) waarlangs we ons bewegen

    • 2e strofe: ze beschrijft hoe dieren in ons leven voorkomen (als pluche knuffels of goudvissen in de kinderkamer) en vergelijkt een wintergrond met bastogne smaak

    • 3e strofe: ze vertelt eigenlijk over de fantasieën die ze als kind had, ‘zelf vielen we tevoorschijn uit een boek’, bedachten grenzen, tekende kaarten, en hoe het leven eigenlijk verloopt ofzo (want het gaat ook over roken)

    • 4e strofe: dat de evolutie aka het leven haar goed is geweest, en dat achter alle hekken aka een soort van muur die mensen om zich heen bouwen een goed mens zit, en dat wij ‘gezegend’ mogen zijn om van het leven te genieten



  • Versleer

    • Strofebouw:

      • 4 strofes, 4 kwatrijnen



    • Rijm:

      • Abba cddc effe ghhg

      • Omarmend



    • Metrum:

      • Jambe



    • Assonantie

      • Tevreden - legen



    • Alliteratie

      • Vlees - vis

      • Haast - herten

      • Blijkt - bastognesmaak

      • Goed - gezind

      • Ongeslachtelijke - onderbroek





  • Stijllleer

    • Beeldspraak

      • Metafoor

        • ‘Achter de hekken van onze verhalen’



      • Personificatie

        • De evolutie (is ons goed gezind geweest)





    • Stijlfiguren

      • Enumeratie

        • Derde strofe



      • Allusie

        • R.1 - (titel ook wel een beetje) (verwezen naar (gedicht van) J.C. Bloem, ‘De Dapperstraat’







  • Interpretatie (De schrijver/dichter wil duidelijk maken dat.)

    • De schrijfster schrijft over de natuur, en hoe de natuur soms nog een fantasie kan zijn ‘zelfs de stijf bevroren wintergrond blijkt roomijs, met bastognesmaak’.

    • Ze heeft het over ‘achter de hekken van onze verhalen’ waarna ze refereert naar het ‘rugzakje’ van verhalen die ze nu heeft sinds haar jeugd, en dat ze een gelukkig mens is (het gezegende beest).

    • Veel dingen worden omgetoverd naar hoe kinderen het zien of willen ofzo, herten van pluche (knuffels), goudvis in de kinderkamer, de wintergrond blijkt roomijs (ook best kinderlijk).





GEDICHT 7 - Lachwekkend sonnet - Ilja Leonard Pfeijffer




  • Parafrase


    • 1e strofe: De president wordt ontvangen door de wereldleiders in een zaal die door ‘wegbereiders’ in opdracht van het mondiale bestuur gebouwd zijn

    • 2e strofe: de vraag, mag je dan spreken van een mondiale eenheid of is het alleen trump die een eenheid is en waarbij we in een tijd zouden zijn aanbeland waarbij alles angstaanjagend is

    • 3e strofe: de schrijver verteld dat hij opgroeide in vreugde en hoop, dat de toekomst steeds mooier en hoopvoller zou worden

    • 4e strofe: vooruitgang zou in de uitverkoop liggen, dat er dus bijna geen vooruitgang meer te zien is en dat het ‘uit de mode’ is om niet gek in je hoofd te zijn en dat clowns grappen geen normale grappen meer zijn.



  • Versleer

    • Strofebouw:

      • 4 strofes; 2 kwatrijnen en 2 terzieten

      • Sonnet



    • Rijm:

      • Abba cddc efg efg

      • Deels omarmend + deels gebroken rijm



    • Metrum:

      • Jambe

      • Geen antimetrie of elisie



    • Assonantie

      • Lachers - hand

      • Wordt - door

      • Eenheid - spreken

      • Vooruitgang - uitverkoop



    • Alliteratie

      • Globaal bestuur gebouwd

      • Hoop - heugen

      • Geen - grappen

      • Die - door



    • Enjambement

      • Van een globaal bestuur gebouwd zijn, mag

      • (nieuwe alinea)

      • je dan van mondiale eenheid spreken

      • De zin wordt hier dus afgebroken op een rare plek








  • Stijllleer


    • Beeldspraak


      • Metafoor


        • ‘Of wint de clown met lachers op zijn hand?’


          • Clown = metafoor voor Trump



        • Nu ligt vooruitgang in de uitverkoop

          • Vooruitgang is dus te koop, en dat het dus niet meer vooruit gaat. Als het ware ligt het in de koopjes bak, omdat ‘niemand er aandacht aan hecht’





      • Synthesie

        • (Groeide lachend)





    • Stijlfiguren

      • Retorische vraag

        • Of wint de clown met lachers op zijn hand?

        • Is elk ding een angstaanjagend teken?







  • Interpretatie

    • De schrijver beschrijft het aanstellen van trump. Hij laat duidelijk merken dat hij trump een clown vind, en dat er ‘geen hoop’ meer is voor deze maatschappij. Hij groeide zelf op in hoop, dat deze wereld steeds meer vooruit ging, maar nu is hij bang dat de wereld vastloopt door de aanstelling van trump en dat vooruitgang ‘in de uitverkoop’ ligt en dus onbereikbaar is.







GEDICHT 8 - Zal ik nog een eindje met je meelopen? - Hagar Peeters




  • Parafrase






    • Eigenlijk is het hele gedicht een opsomming van tot waar de ‘je-persoon’ mag meelopen, en het wordt steeds verder en langer. Eerst tot het stoplicht, dan om de hoek, dan de volgende dag etc. etc.



  • Versleer

    • Strofebouw

      • Sextet, kwintet, kwintet, kwatrijn



    • Rijmschema

      • Abcdef ghijk lmnop qrst

      • Geen rijmschema



    • Assonantie

      • Ingang - park

      • School - begonnen

      • Derde - rechts

      • Kamer - glaasje

      • Ander - tanden

      • Pauze - houden



    • Alliteratie

      • Mag - meelopen

      • Tot - tanden?

      • Ontwaken - ontbijt?



    • Metrum

      • Geen regelmatig metrum



    • Elisie:

      • Geen



    • Antimetrie:

      • Ook niet, want er is geen metrum





  • Stijleer

    • Stijlfiguren

      • Enumeratie

        • In alle strofen (dus eigenlijk het hele gedicht)



      • Repetitio

        • 1e strofe: ziekenhuis

        • Je mag meelopen / Mag je mee lopen



      • Climax (= hele gedicht)

        • Aan het einde ‘mag je meelopen’ met daarvoor opsommingen waar ze mee mag lopen



      • Paradox

        • Tot na het ontwaken maar voor het ontbijt

        • Tot na het ontbijt maar voor de lunch

        • Tot na de lunch maar voor het avondeten





    • Beeldspraak

      • Personificatie

        • ‘Tot het eerste ochtendlicht over de stoel met kleren valt’







  • Interpretatie

    • Het gedicht gaat over iemand die aan iemand anders uitlegt hoe ver diegene mag meelopen. Het gaat om twee geliefden denk ik die altijd samen gaan zijn ofzo, omdat de schrijver duidelijk uitlegt dat ze overal mee mag lopen? Idk

    • Het gaat om twee geliefden die geen afscheid van elkaar kunnen nemen, die het afscheid maar uit blijven stellen.







GEDICHT 9 - Het kind en ik - Martinus Nijhoff




  • Parafrase






    • 1e strofe: De ik-persoon vertelt over een moment dat hij bij het water van plan was te gaan vissen, omdat hij zich moedeloos voelde en zich beter wilde voelen, of: máár hij voelde zich moedeloos. Hij schuift het kroos aan de kant met zijn hand (→ heeft geen hengel mee)

    • 2e strofe: In de tweede strofe vertelt hij wat hij ziet nu hij de bodem kan zien. Hij ziet een kind dat in een onbetreden tuin staat.

    • 3e strofe: uitleg hoe het jonge kind vroeger aan de schrijftafel aan het schrijven was, en nu wordt echt duidelijk dat hij dat zelf is aangezien hij het geschreven woord herkende als het zijne.

    • 4e strofe: hij vertelt dat het kind iets schrijft dat hij niet geschreven heeft maar wil heel graag zou willen schrijven.

    • 5e strofe: hij vertelt dat de letters worden uitgewist (uit het water, dmv het water laten beven) zodra hij weet wat er staat.



  • Versleer

    • Strofebouw

      • 5x kwatrijnen



    • Rijmschema

      • Abab cdcd efgf hihi hjhj

      • Grotendeels gekruist rijm



    • Metrum

      • jambe



    • Antimetrie

      • Ik voelde mij moedeloos

      • v    - v   v -    v -

      • Er steeg licht op van beneden

      • v     v -     v - v -    v

      • Ik zag een tuin onbetreden

      • v   - v      v - v -   v

      • Met de hand een wak in het kroos

      •  v   v  - v      - v   -



    • Assonantie

      • Voelde - moedeloos

      • Hand - wak

      • Schrijven - lei

      • Woord - onder

      • Nog - ooit

      • Knikte - wist



    • Alliteratie

      • Dat daar

      • Stond - schrijftafel



    • Enjambement:

      • En telkens als ik even,

      • Knikte dat ik het wist

      • (Hoort eigenlijk een doorlopende zin te zijn, maar de nadruk wordt gelegd op ‘even’)










    • Elisie


      • Herkende ik → herkend’ik

      • Tussen de

      •   - v    v …. (twee keer zwak achter elkaar)

      • In het → in’t (één lettergreep)





  • Stijleer

    • Stijlfiguren

      • Anafoor

        • Ik, ik, ik (vooraan eerste 3 regels)



      • Antihese

        • Zonder haast en zonder schroom (haast is snel en schroom is met twijfel, is dus een tegenstelling)





    • Beeldspraak

      • Metafoor:

        • ‘Er steeg licht op van beneden’ is een metafoor voor de weerspiegeling in het water die hij ziet.







  • Interpretatie

    • In het water ziet de ik-persoon een weerspiegeling, van zijn jongere ik. Hij voelde zich nogal moedeloos aan het begin maar door zijn jongere ik is hij weer herinnerd aan zijn dromen die hij nog niet heeft bereikt, waar hij maar heel kort aan herinnert werd (want daarna werd het alweer uitgewist). Misschien is het dus een soort herinnering dat hij niet zo neerslachtig en moedeloos moet doen maar zijn dromen achterna moet gaan.

    • Het kan ook over een dichter/schrijver gaan die geen inspiratie meer heeft, zijn jongere ik ziet, en weer weet waar hij naar streeft en inspiratie krijgt om zijn dromen waar na te jagen.







GEDICHT 10 - De zeer oude zingt - Lucebert




  • Parafrase






    • 1e ‘strofe’: bij weinig is er dus niet meer (vrij logisch), maar er is ook niet minder. Het is nog onzeker wat er wel was. Wat nog moet komen wordt willoos. In het begin als het er is dan is het ernst, belangrijk. Het herinnert zich heilloos (= fataal, negatief) en blijft snel gaan.

    • 2e ‘strofe’: alles wat werkelijk waardevol is - als het er in het leven écht op aankomt - is kwetsbaar. Je kunt het niet 'pakken', niet vasthouden; je kunt het wel áanraken of er door aangeraakt wórden. Die aanraakbaarheid maakt het leven rijk en daarmee gelijk aan al het werkelijk levende.

    • 3e ‘strofe’: benadrukking dat het leven in het nu waarin alles van waarde aanraakbaar is dichterbij is dan je denkt ofzo.

    • Hij geeft het verleden, heden en toekomst weer met ‘was’, ‘is’ en ‘wordt’



  • Versleer

    • Strofebouw

      • 3 strofen

      • Septet, terzet, distichon



    • Rijmschema

      • Geen rijmschema (abcdedf dgg hh)

      • Soms rijmen er 2 woorden



    • Assonantie

      • Blijft - ijlings

      • Bij - weinig



    • Alliteratie

      • Wordt - willoos

      • Herinnert - heilloos

      • Waarde - weerloos

      • Aan - alles



    • Metrum

      • jambe



    • Elisie:

      • (r.5) Is het → is’t



    • Antimetrie:

      • (nadruk op ‘is’, daarna ‘nieuwe zin’)

      • Het herinnert zich heilloos

      •  v   v -   v -     v -

      • Alles van waarde is weerloos

      • -    v v    - v -     v -

      • (nadruk ligt op ‘alles’)





  • Stijlleer

    • Beeldspraak

      • nvt



    • Stijlfiguren

      • Repetitio

        • Als het hart van de tijd

        • Wordt wordt

        • Is is



      • Paradox

        • Er is niet meer bij weinig

        • Noch is er minder

        • Nog is onzeker wat er was

        • (eigenlijk voelt het hele gedicht als een paradox)










  • Interpretatie


    • Een belangrijke zin uit het gedicht is ‘alles van waarde is weerloos’, dit is algemeen bekend.

    • Het lijkt te gaan over het ontstaan van nieuwe dingen, over de ongrijpbaarheid van ‘wording’.

    • Heel experimentele poëzie.







GEDICHT 11 - Ik ween om bloemen in de knop gebroken - Willem Kloos




  • Parafrase






    • 1e strofe: De ik-persoon is verdrietig omdat de bloem niet uit zijn knop is gekomen, niet is gaan bloeien. Voordat de ochtend van haar bloei kwam is ze vergaan. Hij is verdrietig om de liefde die niet kwam, niet ontloken was en zijn hart dat dus niet werd verstaan

    • 2e strofe: ‘Gij’ kwam en gij is weer weggegaan. Hij heeft het bijna niet gezien, niks gezegd. En zat weer stil na het korte waanbeeld en de schaduw van zijn smart gedoken.

    • 3e strofe: zoals een vogel in de stille nacht opeens wakker wordt omdat de hemel gloeit (zonsopkomst) en de vogel denkt ‘het is dag’ en begint de dag door te fluiten

    • 4e strofe: maar voordat hij echt wakker is (de vogel), voordat zijn ogen helemaal open zijn, is het alweer donker, nacht. ‘En droevig vloeit door ‘t sluimerend geblaarte (wtf is dit…) een zwakke klacht’



  • Versleer

    • Strofebouw

      • 4 strofes, 2x kwatrijn, 2x terzines



    • Rijmschema:

      • Abab baba cde edc

      • Gekruist rijm en gebroken



    • Assonantie:

      • Voor - ochtend

      • Die - niet

      • Harte - dat

      • Werd - verstaan

      • Gij - zijt

      • Droevig - vloeit

      • Zwakke - klacht



    • Alliteratie:

      • (Heb - het)

      • (Heft - het)

      • Ontwaakt - omdat

      • Denkt - dag



    • Metrum:

      • Jambe



    • Antimetrie:

      • In de_eeuwge schaduw van…

      • v    ---     v -   v -

      • En denkt, ‘t is dag en heft het kopje_en fluit

      • v      -  v - v    - v -  v -

      • Door ‘t sluimerend geblaarte_een zwakke klacht

      •   v     - v    - v -       v - v   -



    • Elisie:

      • ‘K wist

      • ‘T is een dag

      • ‘T zijn vaakrige

      • ‘T sluimerend geblaarte

      • Eeuwge

      • Nauw → nauwelijks





  • Stijleer

    • Stijlfiguren

      • Personificatie

        • Hemel (die gloeit)





    • Beeldspraak

      • Vergelijking

        • Zo als een vogel in de stille nacht



      • Metafoor

        • De hemel gloeit is een metafoor voor de opkomende zon







  • Interpretatie

    • Het gaat (of course:) om de liefde. De ik-persoon hield van iemand maar dat bleef helaas niet voor lang (de liefde is niet ontloken), de andere persoon kwam en is weer weggegaan uit zijn leven (voor haar ‘bloei’). Na de volta vergelijkt hij zijn situatie met een vogel die op staat en voor hij eenmaal goed en wel begonnen is is het alweer nacht.







GEDICHT 12 - Zwerversliefde - Adriaan Roland Holst




  • Parafrase


    • 1e en 2e strofe: Laten wij zacht zijn voor elkaar, liefelijk. We moeten niet van de liefde spreken omdat dat vaak leidt tot een gebroken hart.

    • 3e strofe: Mensen zijn als bladeren in de wind, alles is onzeker. Soms 'waaien' twee mensen bij elkaar, zijn ze een tijdje samen, raken ze weer uit elkaar. Het is vaak onduidelijk waarom dit gebeurt, dat weet alleen de wind.

    • 4e strofe: Omdat wij eenzaam zijn zoeken we elkaar op, en waaien wij samen in de wind, het pad van de liefde.

    • 5e strofe: In plaats van over liefde te gaan spreken (wat leidt tot teleurstelling en gebroken harten) is het beter om 'zacht te zijn' voor elkaar in de tijd dat je bij elkaar bent.






  • Versleer


    • Strofebouw


      • 5 strofes, 5 kwatrijnen



    • Rijmschema

      • Abba cddc aeea fggf ahha

      • Omarmend rijm



    • Assonantie

      • Onze - moegezworven

      • Laten - maar

      • Trotse - woord

      • Hoeveel - moesten

      • Wij - zijn

      • Maar - blaren

      • Oude - wouden

      • Wind - kind

      • Weten - alleen

      • Wij - zijn

      • Ging - wind

      • Wind - wil

      • Zacht - elkander



    • Alliteratie

      • Zacht - zijn

      • Over - onze

      • Hoeveel - harten

      • Wij - weten

      • Wind - weet

      • Wijl - wij

      • Wind - wil - weten



    • Metrum

      • jambe



    • Elisie:

      • Waaie’ in

      • ‘T oude

      • Same’in

      • Blaren (bladeren)



    • Antimetrie:

      • En wijl wij same’_in ‘t_oude waaien zwijgen

      • v    - v     - v  - v -   v - v

      • En daarom - voor we_elkander weer vergeten -

      • V      - v       - v -    v - v -   v





  • Stijleer

    • Stijlfiguren

      • Repetitio

        • Laten wij zacht zijn voor elkander, kind

        • Wij (9x)

        • Wind (6x)



      • Anticipatie

        • Laten wij zacht zijn voor elkander, kind -





    • Beeldspraak

      • Personificatie

        • ‘Wat de wind wil’







  • Interpretatie

    • In het gedicht is er sprake van een sprekende persoon en een persoon die aangesproken wordt met 'kind'. Het is een liefdesgedicht, dus waarschijnlijk zal het kind een jonge vrouw voorstellen.

    • In de eerste 2 strofen zegt de persoon dat het beter is om niet over de liefde te spreken, want daardoor zijn er al veel harten gebroken geweest in het verleden (vers 7). De persoon wil nog meer verdriet vermijden. Het enige wat ze allebei moeten doen, is zacht zijn voor elkaar. Mensen zijn als de bladeren in de wind (strofe 3). Soms 'waaien' twee mensen bij elkaar, zijn ze een tijdje samen en raken ze vervolgens weer uit elkaar. Het is vaak onduidelijk waarom dit gebeurt, er is een enorme onzekerheid over dat soort dingen. Alleen de wind weet waarom. De titel 'Zwerversliefde' toont aan dat het hier niet gaat om het aangaan van een langdurige relatie, maar wel om tijdelijke relaties, aangezien de wind de blaadjes na een tijd toch opnieuw door elkaar waait. Het is onbegrijpelijk waarom de wind dit doet.

    • Tijdens het zwerven door het leven, kan de verlatenheid en eenzaamheid tijdelijk worden opgeheven door je naar elkaar toe te neigen en zacht te zijn voor elkaar. Maar zekerheid dat je bij die persoon voor de rest van je leven blijft, is er nooit.







GEDICHT 13 - Melopee - Paul van Ostaijen




  • Parafrase


    • 1e strofe: De rivier loopt onder de maan, en de maan gaat over de rivier → onder de maan op de lange rivier schuift de kano naar zee (best wel letterlijk)

    • 2e strofe: langs het hoogriet en de laagwei gaat de kano richting zee, paralel met de maan (die dus ook richting zee schuift). Zo gaan de man, de kano en de maan samen over de rivier naar zee. Waarom schuiven de man en de maan met z’n tweeën naar zee?






  • Versleer


    • Strofebouw


      • 2 strofen, Terzet, septet



    • Rijmschema

      • Geen rijmschema



    • Assonantie

      • Maan - kano

      • Getweeën - gedwee - zee



    • Alliteratie

      • Moede - maan

      • Zo zijn ze gezellen

      • Onder, over, onder

      • Getweeën - gedwee



    • Metrum

      • Geen vast metrum



    • Elisie:

      • Geen elisie



    • Antimetrie:

      • Niet te zeggen omdat er geen metrum is





  • Stijleer

    • Stijlfiguren

      • Repetitio

        • Langs, langs

        • Schuift, schuift

        • Rivier (3x)

        • Naar zee (5x)

        • Kano (4x)

        • Überhaupt de eerste strofe; de zinnen worden achtereenvolgend herhaald en aangevuld



      • Anticipatie

        • De man, het enige menselijke element / personage, duikt pas in versregel 9 op.



      • Retorische vraag

        • Waarom schuiven de maan en de man getweeën gedwee naar de zee?





    • Beeldspraak

      • Metafoor

        • Het hele gedicht is een metafoor voor het leven van de schrijver. “Hij vaart langs hoogte-en dieptepunten (hoogriet en laagwei), maar de kano schuift onherroepelijk naar het einde van de rivier. Sommigen zien in de maan, die meeschuift, vergezelt, maar passief is, een religieus element.De laatste vraag is dan de vraag naar het waarom van het leven







  • Interpretatie

    • Het is een verslag van Paul van Ostaijens leven. Het leven is een reis met een begin, een doorleven en een einde.

    • Het begin van zijn leven ("de lange rivier") wordt in het ongewisse gelaten; het ligt ergens stroomopwaarts. Het einde van zijn leven ("de zee") nadert langzaam: "schuift", "schuivende", "schuiven". Een aantal zaken ("de maan") heeft ervoor gezorgd, dat zijn leven, dat hem veel heeft bijgebracht ("de kano"), er één was van hoogtepunten ("het hoogriet") en dieptes ("de laagwei").

    • Van Ostaijen verzet zich niet tegen het naderende einde. Rustig ziet hij het tegemoet; hij is zich bewust van de zaken die zijn leven hebben beïnvloed en van de elementen die zijn leven zin gegeven hebben. Hoewel hij berust, stelt hij zich toch, maar zonder enige opwinding of ontgoocheling te laten blijken, de vraag naar het waarom van zijn leven.

    • Melopee = ritmitsch gezang (het ritme van het gedicht is ook traag door trage woorden en woorden met lange klinkers). Bij dit gedicht krijg je ook heel erg een rustgevoel wat weer terug komt op het ritmisch gezang







GEDICHT 14 - Vertrek van dochters - Rutger Kopland




  • Parafrase






    • In de eerste strofe zegt de persoon (vader zou kunnen) dat zijn dochters moesten gaan en dat hun gezichten waren veranderd. Eerst waren ze kinderen, nu meer zijn vrienden.

    • In de tweede strofe denkt hij terug aan de herinneringen van vroeger toen ze nog de tijd hadden.

    • In de derde strofe denkt hij aan wat zijn dochters meenemen wanneer ze weg gaan.

    • En in de vierde strofe zijn ze weg en zit hij op hun kamer en ziet hij hetzelfde uitzicht die hij zag van twintig jaar geleden.



  • Versleer

    • Strofebouw

      • 4 strofen, 4 kwatrijnen



    • Rijmschema

      • Geen rijmschema



    • Assonantie

      • Inderdaad - gaan

      • Bedoeld - vroeger

      • Kamers - verzamelden

      • Zijn - kijk



    • Alliteratie

      • Gevoeld - geroken

      • Huid - haar



    • Metrum

      • Geen metrum



    • Elisie:

      • Geen elisie



    • Antimetrie:

      • Geen antimetrie



    • Enjambement

      • Een huid en een haar die niet meer voor mij

      • Waren bedoeld, niet zoals vroeger.

      • Dit is eigenlijk één doorlopende zin, maar afgebroken

      • Dit zie je heel vaak terug in dit gedicht








  • Stijlleer


    • Stijlfiguren


      • Enumeratie


        • Wereld van verlangen, geluk, pijn en verdriet



      • Antithese

        • vroeger - nu

        • Gevoeld - geroken

        • Huid en haar



      • Repetitio

        • Van die van … in die van … (1e strofe)

        • Precies - precies (4e strofe)





    • Beeldspraak

      • Vergelijking

        • ‘Een wereld van verlangen’










  • Interpretatie


    • Zijn kinderen zijn dus ouder geworden, waren eerst zijn kinderen zijn nu meer als vrienden. Hoe ze vroeger met elkaar omgingen doen ze nu niet meer. Zijn dochters nemen de herinneringen mee die ze hadden gemaakt toen ze daar nog woonden. En als laatste zit hij  op hun kamer en ziet hij voor hen hetzelfde uitzicht dat hij had toen hij uit huis ging. Er is zoveel veranderd en eigenlijk toch ook weer niks.







GEDICHT 15 - Een mooie dag om stilte te verscheuren - Ramsey Nasr




  • Parafrase


    • 1e strofe: een dag om de stilte te verscheuren, de dag van de dodenherdenking waarop iedereen stil is. De oud-strijders (uit de oorlog) staan te trillen aan de kant omdat één man iets doet (de man die de 2 minuten stilte verstoorde door te gaan gillen en hiermee veel paniek zaaide).

    • 2e strofe: dit hoort bij de wet van nederland waarbij alles vroeg of laat zal gebeuren, dus ook dit. Ieder zoekt naar het licht, naar de vrijheid (als hamsters in een bak met open deuren)

    • 3e strofe: de ik-persoon heeft zijn oorlogsland herdacht, en in de chaos probeert hij weg te komen, zich te bevrijden en daarbij loopt hij een kind omver.

    • 4e strofe: voor zijn voeten valt er een bejaarde (een oud-strijder), hij huilt. Ik-persoon kijkt naar hem… ‘waar alles mag is ieder vogelvrij’ (een land waarin zo veel mag daar kunnen dit soort dingen gebeuren)






  • Versleer


    • Strofebouw


      • 4 strofen, 2x kwatrijn, 2x terzet

      • Sonnet



    • Rijmschema

      • Geen rijmschema



    • Assonantie

      • Omdat - man

      • Hamsters - bak

      • Blikken - (zwart-)wit

      • Kan - man

      • Moet - vroeg

      • Oorlogsland - herdacht



    • Alliteratie

      • Dus - dan

      • Voort - volle

      • Vlak - voor

      • Voeten - valt

      • Hij - huilt



    • Metrum

      • Jambe



    • Elisie:

      • Geen elisie



    • Antimetrie:

      • Geen antimetrie



    • Enjambement:

      • ‘Valt een hoogbejaarde

      • in zijn soldatenpak’

      • Het gebeurt eigenlijk in het hele gedicht, het is één lopende verhaallijn waarbij de zinnen worden afgebroken door het hele gedicht heen.





  • Stijleer

    • Stijlfiguren

      • Repetitio

        • Omdat, omdat (r4)












    • Beeldspraak


      • Vergelijking


        • Als hamsters in een bak met open deuren







  • Interpretatie

    • Het gedicht gaat over de dodenherdenking. Het gaat om het stilstaan bij een ‘zwarte’ dag. De schrijver schrijft dat ze hun oorlogslanden herdachten, en dat ze nu vrij zijn. Ze staan er stil bij. Hij beseft zich dat hij in een land leeft waarin iedereen vogelvrij is.

    • Een land waarbij iedereen vogelvrij is, maar dat kan ook leiden tot iemand die dan de rust verstoord (die man op de dodenherdenking)




REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.