Kleding in de Barok

Voor de adel was de kledij heel belangrijk, het was een manier om hun welvaart te uiten. Ze wilden ook de kledingstijl van Lodewijk de Veertiende, hun grote voorbeeld, volgen. Het begint allemaal bij de kleermaker, hij maakte vooral de mannenkleding. Voor dames- en kinderkleding moest je naar de wollennaaister. De kledij bestond voornamelijk uit zijde en was versierd met kant. Zijde was in die tijd heel duur, daarom droegen alleen rijke mensen het. De armen mensen droegen geen zijde, maar linnenkledij en het was meestal gescheurd en ze droegen geen schoenen. De adel had het echter beter en ze maakten er zelfs een competitie van om zo mooi en duur mogelijke kledij te dragen. Op dit schilderij zie je duidelijk het contrast tussen rijke en armen, de vrouw, welgesteld en modieus gekleed, draagt een hoog opgewerkt fontangekapsel en haar overrok is van achter opgenomen in een poef. De winkelier draagt een pruik, zijn vrouw een neepjesmuts. De bedelende jongen in de deuropening is blootsvoets; zijn kleren zijn gescheurd en duidelijk versteld. We gaan nu beginnen spreken over de mannen en vrouwen apart, en Jens begint met de mannen. Jens, het woord is aan jouw.
De heren droegen een vest met daaronder een just-au-corps: dat was een gedetailleerde nauwsluitende jas met veel knopen. Daarboven droegen ze, zoals ik al zij, een vest die rijk versierd was met bloemmotieven uit kant. Deze jas heeft grote zakken en erg wijde mouwen. In die tijd mocht alles een maatje groter zijn. Vandaar dat de vest tot aan de knieën reikte. Daardoor kon je nauwelijks zien dat de heren een broek droegen. Toch droegen ze een broek: een kniebroek. Dat was een sobere broek zonder al te veel decoratie. De kniebroek was een broek die, zoals de naam het al aangeeft, een broek die tot aan de knieën reikte. Vanaf daar waren mooie witte kousen te bewonderen. Die kousen waren aan de enkels geborduurd. Boven hun kousen droegen ze natuurlijk schoenen. Mannen droegen in die tijd schoenen met hakken. Dit deden ze om groter te lijken. Aan het Franse hof was het de gewoonte om bloedrode hakken te hebben. Deze mode ontstond doordat Gaston van Orléans, broer van Lodewijk de Veertiende, op een dag naar het Louvre moest. Op weg naar het Louvre passeerde hij een slachthuis, waardoor zijn hakken dus rood werden. Voor de rest mocht ook de shawl ( een soort sjaal) mocht niet ontbreken, ook afgewerkt met kant. Soms droeg men boven die shawl ook een erg grote strik. In de Barok werd mode voor mannen dus belangrijk. De mannen dachten ook dat ze Lodewijk de Veertiende moesten volgen op gebied van kleding, hij was zowat het model van die tijd. Er ontstond zelfs een competitie onder de adel om zo mooi en duur mogelijke kledij te dragen, en dus zo goed mogelijk op Lodewijk de Veertiende te lijken. Maar die mooie kledij was ook aantrekkelijk voor het vrouwvolk. Er waren wel verstandshuwelijken bij de adel, maar een minnares hier en daar was niet abnormaal. De minnaressen, de vrouwen dus, daarover gaat Simon het nu hebben.
Wat kleding betreft leek de baroktijd op de Renaissance. Dure, lichte stoffen, borduursels en veel kant werden gebruikt voor de kleding. Parijs werd de hoofdstad van de haute-couture.
De kleding van de vrouw was in de barok wel niet meer zo stijf en breed zoals in de Renaissance. Bovendien werd het meer versierd met kant. De halsuitsnijding werd vaak bedekt met een halsdoekje. De basis vormde nog steeds een strak lijfje met een wijde rok.
De damesmode bestond uit veel onderdelen en accessoires. Vrouwen droegen een japon bestaande uit een lijfje met een vierkante halsuitsnijding, versierd met kant. De japon werd achteraan afgewerkt met een sleep. In zo'n japon werden vele meters dure stoffen verwerkt; zijde uit Lyon was heel populair en gewild. Lange handschoenen en een mof waren ook altijd binnen handbereik. Waaiers werden gemaakt uit verschillende stoffen, die desgewenst konden worden verwerkt. Ook vermelden we het verschijnsel van de "tâche de beauté"; het fameuze schoonheidsvlekje. De huid werd zo bleek mogelijk gemaakt met allerlei poedertjes. De damesmode wordt nog gekenmerkt door een vrijere versie van de strakke hofkledij, over de onderrokken wordt nu een lange jurk gedragen die van achter wordt samen genaaid in de zogenaamde watteauplooien. Het decolleté is meestal vierkant. Later in de 18e eeuw wordt de jurk steeds breder en pompeuzer, de stijl wordt soms ook vernoemd naar koningin Marie-Antoinette. In de eerste helft van de 17e eeuw verminderde de macht van Spanje. Daarom moest de Spaanse kleding aangepast worden. De opvullingen verdwenen, waardoor kleding veel natuurlijker werd. Ook de kleuren veranderden, ze werden lichter en vrolijker. De molensteenkragen werden zonder steun en stijfsel gedragen. Kenmerkend voor Nederland bijvoorbeeld is de ‘vlieger’, een zware mantel voor de vrouw van zwarte stof. Het lijfje was een los kledingstuk wat aan de ‘vlieger’ werd vastgespeld.
In de tweede helft van de 17e eeuw komt Franse hof onder leiding van Lodewijk XIV. De renaissance is nu echt overgegaan in het tijdperk genaamd: Barok. De vrouwenkleding wordt statig, maar ook zeer indrukwekkend. Alle versieringen zijn zwaar en symmetrisch. Er wordt veel gebruik gemaakt van tegenstellingen in vormen, maar ook in kleuren. De kleuren zijn dieper en warmer. Kleding straalt macht en trots uit. De kleding van de vrouw wordt weer deftiger en stijver. De taille moet weer smal zijn en wordt ingesnoerd. De rok is weer stijf en kegelvormig, maar hij is aan de onderkant minder wijd dan in het begin van de 16e eeuw. De diepere kleuren worden veel gebruikt en men draagt vaak fluweel. De japon sloot netjes aan en de hals was diep uitgesneden. Rondom de diep uitgesneden hals was een smal stukje kant. Het lijfje was versierd met een driehoekig borststuk en halflange mouwen met brede stroken kant. De rok was van voren gespleten en naar achteren omgeslagen, hierdoor was de voering zichtbaar. Vaak was de kleur van de voering contrasterend met de kleur van de rok. Op de onderrug werd een versteviging aangebracht. De rok sleepte aan de achterkant over de grond. De kleding van de vrouw is ook in onze streken wat gewaagder en eleganter geworden. De kleding wordt gemaakt van soepele, lichte stoffen zoals zijde en satijn. De mouwen zijn een stuk korter en ze heeft bijna ontblote schouders. In 1789 barst de Franse revolutie uit. De invloed van de adel vermindert.
De kleding gaat mee met deze ontwikkelingen. Tijdens de regeerperiode van Lodewijk XIV was de kleding statig, deftig en fors. Tijdens de regeerperiode van Lodewijk XV was de kleding vrouwelijk, lichtzinnig en luchtig. Er werd veel zijde in pastelkleuren gedragen. De symmetrie van de versiering verdwijnt. Het tijdperk Rococo is aangebroken. Dit tijdperk werd ook Regence of laatbarok genoemd. Lodewijk XIV, de Zonnekoning zag zichzelf als middelpunt van de wereld. In zijn paleis werd de mode bepaald, die in heel Europa gedragen werd. Na zijn aftreden versoberde de mode, maar dat was niet van lange duur. Rond 1730 in de Rococoperiode komen de opvallende kleuren, ruches en accessoires terug.
Er ontstond in de 17de eeuw ook een nieuw beroep: de coeffeur ofwel de kapper. Het beroep was niet zoals het vandaag is: de coeffeur moest zich meer bezighouden met het opsteken van pruiken. Dat was toen in de mode. En hoe hoger de pruik, hoe rijker je was. In deze tijd heerste de overtuiging dat niets de mannelijke schoonheid en waardigheid zo bevorderde als rijkelijk lang haar. De pruiken die de mannen droegen, van jongs af aan, waren dan ook voorzien van lange krullen. Ook hier wouden ze Lodewijk de Veertiende volgen: ook hij had pruiken met krullen. De pruik was erg kostbaar: een pruik was meestal duurder dan een heel kostuum! Het werd gemaakt van paardenhaar, jakhaar of mensenhaar. Haar van mensen was het meest waardevol, en daarom alleen voor de rijksten. De pruiken waren een echt mode-item. Bv. Bij het begin van de 18de eeuw waren witte pruiken in de mode, terwijl er daarvoor de pruiken een natuurlijke kleur hadden. Nog later droeg men pruiken in blauw, geel of roze, maar wit bleef het meest gebruikt. Bij de vrouwen waren er soms ook versieringen bij zoals pluimen, bladeren… De gewoonte was ook om de pruik lang op te houden, waardoor dat het wel kon stinken als je ze afdeed. Doordat de pruiken zo veel werd gedragen, werd die periode ook wel eens de pruikentijd genoemd. Er werd gezegd: Een man zonder mooie haren was als een pauw zonder veren! Na de dood van Lodewijk de 14de verandert de kledij zoals Ella al zei, en dus ook de pruiken. De kapsels van de adellijke vrouwen werden torenhoog. Ze konden bijna 1 meter hoog worden. Het waren kunstwerken gemaakt uit echt haar, paardenhaar en een constructie van metaal of kussens. Ze waren versierd met parels, juwelen, pluimen en stukken stof. Soms beeldden ze zelfs oorlogen uit. Door deze hoge kapsels en pruiken moesten ook de koetsen hoger gemaakt worden, want men wou niet dat de pruik beschadigd raakte bij het in- en uitstappen.
In de 17de eeuw waren de schoenen van zijde of satijn, vaak prachtig geborduurd of afgezet met kant. Sommige van deze schoenen waren zo duur dat een gewone familie van dat bedrag een jaar had kunnen leven. Aan de hoogte van de hak kon je zien of iemand van adel was. Die hakken waren dan bovendien, samen met de zolen, rood geverfd. De iets minder deftige mensen deden de hoogste kringen weer na. Hoe belangrijk die hoge hak was, kon je zien aan de overschoenen die de mensen droegen. Een dergelijk overschoen had echter ook een hak. Dat betekent dus dat iemand met twee hakken boven elkaar moest proberen te lopen! In de 17de eeuw werden ook veel laarzen gedragen, het waren stoere exemplaren met een brede leren kap en sporen, gemaakt van stevig leer. Maar er waren ook laarzen waarmee je naar een feest kon gaan. Die zagen er heel verfijnd uit en waren gemaakt van zacht leer. Heren droegen er een soort kous in die met kant was afgezet.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.