Gegevens van het boek
Auteur: Italo Calvino (1923 – 1985)
Oorspronkelijke titel: Fiabe Italiane
Voor het eerst gepubliceerd in: 1956
Nederlandse titel: Italiaanse Volkssprookjes
Uitgeverij: Het Spectrum NV, Utrecht/Antwerpen, 1977, 2e druk, Prisma Pocket 1817
Aantal pagina’s: 187
Genre: sprookjes
Samenvatting van het boek
In het eerste sprookje (“De laars met juwelen”) krijgt de koopmanszoon Don Giuseppe het aan de stok met de schilddrager van de koning van Spanje. De schilddrager is namelijk jaloers op Giuseppe, omdat hij zo’n mooi handschrift heeft en daardoor erg in de gunst staat van de koning. Giuseppe heeft zijn mooie zuster in Palermo achtergelaten en de schilddrager doet het voorkomen alsof hij een relatie met haar heeft gehad. De zaak escaleert en de koning bepaalt, dat Giuseppe onthoofd zal worden. Op het laatste moment weet zijn zuster dit te voorkomen door te stellen, dat de schilddrager haar andere met juwelen bezette laars gestolen heeft. De schilddrager ontkent echter haar te kennen. Daar doet hij zichzelf de das mee om, omdat hij eerder had gesteld een relatie met haar gehad te hebben. Broer en zus worden weer met elkaar verenigd en de schilddrager sterft op het schavot.
In het tweede sprookje (“Erretje en de os”) worden de wonderlijke avonturen van Erretje verteld. Erretje is van oorsprong een erwtje, dat veranderd is in een kind. Hij helpt zijn moeder en zijn vader en beleeft vervolgens allerlei avonturen. Zo helpt hij de diefstal van diverse dieren te voorkomen, belandt in de buik van een wolf en weet een zak geldstukken van een dief te bemachtigen. Zijn ouders zijn hier erg blij mee.
In het derde sprookje (“De cycloop”) komen twee monniken in het hol van een cycloop terecht. De cycloop eet eerst de dikste monnik op. De andere monnik voelt de bui al aankomen en verzint een list. Hij verstopt zich tussen de schapen en weet de volgende dag op listige wijze in een schapenvacht te ontsnappen. Door de toverkunsten van de cycloop kost het de monnik echter wel een vinger.
In het vierde sprookje (“De ossen en het lammetje”) worden twaalf broers door een heks veranderd in elf ossen en een lammetje. Hun zusje trouwt met een prins en wordt zelf ook bijna het slachtoffer van de heks. De prins komt hier op het laatste moment achter en laat de heks verbranden. Daardoor krijgen de broers hun menselijke gedaante weer terug.
In het vijfde sprookje (“Het hoofd van de tovenares”) gaat een jonge prins achter het hoofd van een tovenares aan. Wie haar aankijkt verandert in een stenen beeld. Door in een spiegel te kijken slaagt de prins erin de tovenares te doden. Hij erft daardoor het koninkrijk van zijn grootvader.
In het zevende sprookje (“Een nachtje in het hiernamaals”) beloven twee mannen elkaar om getuige te zijn bij het huwelijk van degene die het eerst trouwt. Dan overlijdt een van hen. Wanneer de ander vervolgens trouwt, wil hij zijn belofte houden. Hij gaat naar het graf van de gestorven man en legt hem zijn vraag voor. De dode man staat op en is getuige bij het huwelijk van de nog levende man. Na het huwelijk moet de dode man weer terug naar het hiernamaals en de levende man vergezelt hem naar diens graf. De levende man is nieuwsgierig hoe het is in het hiernamaals en vraagt er de dode man naar. Deze vraagt of de levende man niet even wil komen kijken. Dat wil de levende man wel en hij volgt de dode man in het graf. Het hiernamaals blijkt vervolgens heel mooi te zijn. De levende man ziet prachtige kristallen paleizen, rivieren van wijn en vloeren van kaas. Er zijn ook engelen die muziek maken. Kortom, het leven is er buitengewoon aangenaam. De levende man heeft het er eigenlijk best naar zijn zin, maar beseft op een gegeven moment, dat hij terug moet naar zijn wachtende bruid. Dat zegt hij ook tegen de gestorven man en deze brengt hem via zijn graf weer naar buiten. Daar blijkt alles echter te zijn veranderd. Er zijn opeens auto’s, vliegtuigen en grote gebouwen. Het dorp is een stad geworden. De man gaat op onderzoek uit en via een bisschop verneemt hij, dat er inmiddels driehonderd jaar voorbijgegaan zijn. Van de bisschop hoort hij, dat er een oud verhaal uit die tijd is, waarin een man tijdens zijn bruiloft wegging naar het kerkhof en niet meer terugkeerde. Zijn bruid stierf toen van verdriet.
In het achtste sprookje (“De reiziger”) lijdt een koopmanszoon uit Turijn, Giuseppe, op weg naar Constantinopel schipbreuk en komt op een eiland terecht. Het eiland wordt bewoond door wilden en Giuseppe weet vriendschap met hen te sluiten. Hij wordt er verliefd op een mooi meisje, maar moet in plaats van met haar met de lelijke dochter van de koning trouwen. Na het huwelijk overlijdt zij. Giuseppe wordt dan met de dode bijgezet in een grot, want dat is op het eiland de traditie. De oorspronkelijke geliefde van Giuseppe trouwt intussen met een visser. Als deze ook sterft, volgt zij hem eveneens in de grot voor de overledenen. Daar ontmoet ze Giuseppe die een uitweg uit de grot gevonden heeft. Ze nemen diverse schatten uit de grot mee en vluchten. Na een tijdje in een naburig koninkrijk geleefd te hebben, vertrekken ze per boot naar Constantinopel. Uiteindelijk komen ze weer in Turijn terecht en ontmoet de zoon zijn vader weer.
In het veertiende sprookje (“Het luizevel”) houdt een koning een luis als huisdier. Hij mest het vet en slacht het beest op een gegeven moment. Het vel laat hij prepareren. Vervolgens belooft hij de hand van zijn dochter aan degene die raadt van welk dier het vel afkomstig is. Wie het echter niet raadt wordt onthoofd. De dochter van de koning vertelt haar geliefde van welk dier het vel is, zodat hij naar haar hand kan dingen. Deze conversatie wordt echter afgeluisterd door een arme en gebochelde schoenlapper. Deze stapt naar de koning en wint zijn dochter. De schoenlapper wordt koning, maar zijn koningin kwijnt weg. Als er op een gegeven moment drie gebochelde clowns aan het hof verschijnen, krijgt de koningin haar goede humeur terug. Ze verbergt hen echter voor haar man. Als ze om die reden echter alle drie tijdelijk opgesloten worden in een koffer, stikken ze. De koningin raakt dan in paniek, maar haar kamenierster helpt haar op vernuftige wijze de lijken kwijt te raken. Daarbij wordt en passant ook de koning gedood, zodat de koningin weer vrij is en alsnog met haar geliefde kan trouwen.
In het vijftiende sprookje (“Het kan altijd nog erger”) blijkt een man met een domme vrouw getrouwd te zijn. Hij vindt ook haar ouders dom. Hij besluit dan de wijde wereld in te trekken en wil alleen terugkeren naar zijn vrouw als hij drie nóg dommere mensen tegenkomt. Dat blijkt al gauw het geval te zijn, zodat de man snel weer terugkeert naar zijn echtgenote.
In het eenentwintigste sprookje (“De knappe hotelhoudster”) laat een knappe hotelhoudster haar dochter opsluiten in een hutje aan zee als zij mooier wordt dan haar moeder. Toch gebeurt het dan nog, dat hotelgasten de dochter zien en zeggen, dat zij mooier is dan haar moeder. De hotelhoudster wil haar dochter daarom laten ombrengen en ze schakelt daarvoor de keukenjongen in. Deze heeft echter medelijden met de dochter en laat haar in het bos achter. De dochter komt dan bij een grot terecht, waarin twaalf rovers wonen. Zij wordt vervolgens hun huishoudster. Als een van de rovers in het hotel komt en zegt, dat zijn huishoudster mooier is dan de hotelhoudster, weet laatstgenoemde, dat haar dochter nog leeft. Ze schakelt een heks in die haar dochter met een haarpen vermoordt. De rovers begraven haar in een boom en als er op een keer een prins langskomt en haar vindt, wordt hij smoorverliefd op de dode dochter. Hij neemt haar mee naar zijn paleis. Als in haar hoofd de haarpen gevonden en verwijderd wordt, herleeft de dochter en trouwt zij met de prins.
In het tweeëndertigste sprookje (“De drie kastelen”) treedt een jongen als schapenhoeder in dienst van een koning. Tijdens het hoeden van diens schapen doodt hij een driekoppige slang die onder een grote steen vandaan komt. In iedere kop zit een sleutel: een kristallen, een zilveren en een gouden. Deze sleutels passen op een deur onder de steen en geven vervolgens toegang tot een kristallen, een zilveren en een gouden paleis. In deze paleizen bevinden zich grote schatten. Tijdens een toernooi dat de koning afkondigt treedt de jongen met respectievelijk een kristallen, zilveren en gouden paard en dito wapenuitrusting op en verslaat alle tegenstanders. Daardoor mag hij met de dochter van de koning trouwen en wordt daarna zelf koning.
In het vierendertigste sprookje (“De taal der dieren”) leert de zoon van een rijke koopman, Bobo genaamd, de taal van de dieren spreken. Zijn vader is daarover zo boos, dat hij hem door zijn knechten wil laten doden. Omdat Bobo van de dieren hoort wat zijn vader van plan is, weet hij te ontsnappen. Hij trekt dan van hoeve tot hoeve en helpt de mensen met zijn kennis. Hij wil echter nooit enige beloning hebben. Op een keer ontmoet hij twee mannen die naar Rome gaan. De paus is namelijk overleden. Bobo gaat met hen mee. De duif die losgelaten wordt op het Sint Pietersplein gaat vervolgens op het hoofd van Bobo zitten en daardoor wordt hij de nieuwe paus.
In het zesendertigste sprookje (“Veertien”) krijgt het veertiende kind van een echtpaar de naam Veertien. Hij wordt heel sterk en kan voor veertien mannen werken en eten. Als hij bij een rijke boer gaat werken, wil die hem uiteindelijk niet betalen. Hij zendt hem met een smoesje naar de hel om daar veertien kuipen met goud van de duivel Lucibel te vullen. De boer denkt, dat Veertien het dan niet zal overleven. Veertien slaagt er echter door een list in het goud te krijgen. Als tegenprestatie neemt Lucibel de rijke boer mee naar de hel. Veertien is nu heel rijk.
In het negenendertigste sprookje (“Het land waar men nooit sterft”) gaat een jongeman op zoek naar een land waar men nooit dood gaat. Uiteindelijk komt hij aan in een prachtig paleis, waarin een oude man woont. Deze zegt tegen de jongeman, dat hij bij hem aan het goede adres is. De jongeman blijft bij hem. Na een tijdje wil de jongeman zijn familieleden weer eens zien. De oude man zegt dan, dat deze al lang dood zijn. De jongeman houdt echter vol en mag uiteindelijk het paleis verlaten. Hij krijgt daarbij een toverschimmel mee, maar mag niet van het paard afstappen, omdat hij anders direct zal sterven. Hij laat zich echter op een gegeven moment door een karrevoerder met een kar vol schoenen verleiden hem te helpen. Als de jongeman van zijn paard afstapt, openbaart de karrevoerder zich als de Dood. Eindelijk heeft hij de jongeman dan te pakken. De Dood heeft namelijk al die schoenen al versleten om de jongeman te pakken te krijgen!
In het drieënveertigste sprookje (“De koning der dieren”) hoedt de knappe Stellina in de bergen de schapen van haar tante, die een fee is. Stellina heeft van haar een toverring gekregen die haar in nood zal helpen. Dan komt er opeens een knappe jongeman die Stellina vraagt met hem mee te gaan. Ze komen in een schitterend paleis aan waar het Stellina aan niets ontbreekt. Haar bedienden zijn en blijven echter onzichtbaar. De knappe jongeman komt haar alleen ‘s-ochtends opzoeken en daarna ziet Stellina hem niet meer. Na twee maanden gaat het leventje in het paleis Stellina vervelen. Met behulp van de ring maakt ze haar persoonlijke bediende zichtbaar en raakt met deze hofdame bevriend. Ze verkennen de omgeving en komen dan de zoon van de koning van Indië tegen die hen waarschuwt voor de knappe jongeman. De jongeman is namelijk de koning der dieren die mensen in dieren verandert en dan opeet. Met hulp van de prins en de toverring ontsnappen Stellina en haar hofdame aan de koning der dieren, waarna Stellina met de prins uit Indië trouwt.
In het zesenveertigste sprookje (“Het paleis met de apen”) moeten twee prinsen, de tweeling Giovanni en Antonio, de wijde wereld intrekken om een bruid te zoeken. De bruid die hun vader het mooiste geschenk zal brengen zal de bruid van de troonopvolger zijn. Giovanni trouwt met de dochter van een markies. Antonio trekt veel verder weg en komt bij een paleis, dat door apen bewoond wordt. Als Antonio met een aap trouwt, zal deze hem helpen met het geschenk voor zijn vader. Antonio stemt toe en trouwt met een aap. Op dat moment verandert de aap in een prachtig meisje. Ook de overige apen veranderen weer in hun menselijke gedaanten. Het geschenk van Antonio’s bruid is mooier dan dat van Giovanni’s bruid, maar Antonio wil het rijk van zijn vader niet hebben. Hij heeft het rijk van zijn bruid al als bruidschat gekregen. Zo kan Giovanni zelf ook koning worden.
In het vijftigste sprookje (“De commandant der dieven”) trouwt de knappe dochter van een wasvrouw met een prins. Als deze oorlog moet gaan voeren tegen de koning van Afrika en vertrekt, probeert een minister de nieuwe prinses te verleiden. De prinses weigert en de minister gaat dan kwaad van de prinses spreken, waardoor zij door de koning verstoten wordt en in een bos omgebracht zal worden. Twee boeven moeten daarvoor zorgen. De boeven laten de prinses echter in leven. Ze verkleedt zich vervolgens als man en sluit zich als de “Grote Narbon” aan bij een dievenbende. Ze wordt zelfs hun commandant. Als de prins terugkeert van de oorlog en hoort, dat zijn vrouw dood is, is hij erg verdrietig. Tijdens een jachtpartij wordt hij door de dieven gevangen genomen. De prinses laat hem de slechte minister uitnodigen en tijdens een maaltijd laat zij deze de prins vertellen wat hij gedaan heeft. Als hij de waarheid vertelt heeft, snijdt de prinses hem het hoofd af en verkleedt zich weer als vrouw. De prins herkent nu zijn vrouw, schenkt de dieven genade en keert met zijn vrouw weer terug naar zijn paleis, waar hij nog lang en gelukkig met haar leeft.

Beoordeling van het boek
In dit boek zijn vijftig sprookjes samengebracht die de schrijver in de loop der jaren verzameld heeft uit alle gedeelten van Italië. De oorspronkelijke Italiaanse uitgave bevat tweehonderd sprookjes. Calvino begon met het verzamelen van de sprookjes in 1954 en publiceerde ze in 1956. Hij maakte hierbij gebruik van wat reeds door diverse folkloristen was gepubliceerd en veranderde hun sprookjes vervolgens om ze leesbaarder te maken. Ik vind het jammer, dat over dit proces van verzamelen en veranderen door de schrijver in het boek helemaal niets is te lezen. Een inleiding of toelichting ter zake ontbreekt geheel. Ik vind dat echt een gemis. Ook over de selectie van juist deze vijftig sprookjes ontbreekt iedere informatie. Ik geloof graag, dat het een representatieve selectie is, maar ik zou hier graag wat meer informatie over gehad hebben.
Om dit boekverslag een beetje binnen de perken te houden heb ik slechts van een aantal sprookjes de (korte) inhoud beschreven. De gemaakte selectie is uiteraard geheel gebaseerd op mijn persoonlijke voorkeur en zegt natuurlijk niets over de kwaliteit van de sprookjes. De sprookjes in dit boek zijn overigens zeer divers van aard. Van traditioneel tot fantastisch zou ik haast zeggen. Zo vind ik het zevende sprookje een bijzonder fraai voorbeeld van de laatste categorie. Leuk vind ik ook, dat je in een aantal sprookjes reeds zeer oude elementen aantreft. Zo is het derde sprookje rechtstreeks ontleend aan de beroemde “Odyssee” van Homerus. Daar stoot de held Odysseus ook een spies in het ene oog van de cycloop, waardoor deze blind wordt. Het vijfde sprookje bevat elementen van het bekende Medusaverhaal. Medusa is een figuur (“gorgo”) uit de klassieke Griekse mythologie. Haar blik deed mensen verstenen. Zij werd uiteindelijk gedood door de held Perseus. In het zeventiende sprookje (“De onechte grootmoeder”) vinden we elementen van het sprookje van Roodkapje en in het eenentwintigste zowel van Sneeuwwitje als van Ali Baba en de veertig rovers. Hieruit blijkt wel hoe archetypisch sprookjes kunnen zijn. Je treft praktisch overal ter wereld dezelfde elementen aan.
Ik heb de sprookjes met veel plezier gelezen. Ze zijn vlot geschreven en lezen heel gemakkelijk. Omdat ze heel verschillend van aard zijn, zal iedereen die deze bundel leest er wel iets van zijn of haar gading tussen vinden. En je kunt ze natuurlijk ook heel goed voorlezen aan kinderen!

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.