Gegevens van het boek
Auteur: Pär Lagerkvist (1891 – 1974)
Oorspronkelijke titel: Dvärgen
Voor het eerst gepubliceerd in: 1944
Nederlandse titel: De dwerg
Uitgeverij: Heideland, Hasselt (België), 1959, 1e druk, Pantheon der Winnaars van de Nobelprijs voor Literatuur, deel 14
Aantal pagina’s: 178
Genre: roman

Samenvatting van het boek
Het verhaal speelt zich af aan een middeleeuws renaissancehof ergens in Italië en wordt in de ik-vorm verteld door de dwerg Piccolino. Piccolino begint het boek met een beschrijving te geven van zichzelf. Hij vermeldt expliciet, dat hij geen nar is, want dat vindt hij een vernederend beroep. Piccolino heeft aan iedereen een hekel, behalve aan zijn vorst. Dat komt voornamelijk door het valse karakter van de vorst. Piccolino is namelijk een negatieve persoonlijkheid met een voorkeur voor het negatieve in de mens. Piccolino stelt, dat hij zijn vorst weliswaar niet door en door kent, maar dat deze wel een imponerende persoonlijkheid heeft. Aan de vrouw van de vorst, Theodora, heeft de dwerg een uitgesproken hekel. Hij vindt haar een hoer en hoopt, dat ze in de hel zal branden. Desondanks fungeert hij wel als haar liefdesboodschapper, want hij brengt haar brieven aan haar minnaars. Waarom Piccolino dat eigenlijk doet, is hem zelf ook een raadsel. Piccolino verbaast zich er ook over, dat zijn vorst zo gelijkmoedig blijft onder het bedrog van zijn vrouw en vraagt zich af of deze eigenlijk wel op de hoogte is van haar overspel.
Aan het hof verblijven veel kunstenaars, filosofen en sterrenkundigen. Piccolino heeft aan allen een hekel. Hij beschouwt hen vooral als bedriegers. Ze doen zich geleerd voor, maar weten in feite niets of slechts heel weinig. Het irriteert hem dan ook, dat zijn vorst hen desondanks toch graag ontvangt. Piccolino verkeert altijd in het gevolg van zijn vorst. Tegen de vorst zijn de mensen vriendelijk en voorkomend, maar tegen Piccolino niet. Ze schelden hem uit en jagen hem weg. De meeste mensen houden niet van dwergen en wanneer er ergens een in een gezin geboren wordt, wordt deze snel verkocht. Zo is het met Piccolino zelf ook gegaan. Hij werd na zijn geboorte door zijn moeder voor een gering bedrag aan de vorst verkocht. Piccolino beschouwt dwergen overigens als een superieure soort die al duizenden jaren bestaat. Piccolino heeft ook een hekel aan Angelica, het dochtertje van de vorst en de vorstin. Zij wil altijd, dat hij met haar en haar poppen en dieren speelt en dat vindt Piccolino verschrikkelijk. Hij beschouwt spelletjes doen als nutteloos bezig zijn met niets. Natuurlijk kan Piccolino de verzoeken van Angelica niet weigeren. Wel heeft hij een keer wraak genomen door van een van haar katjes de hals af te snijden. Angelica is nu vijftien jaar en laat Piccolino tot zijn grote vreugde verder met rust.
Piccolino vraagt zich af wat het nut van de godsdienst is. Hij heeft er diep over nagedacht, maar kan het antwoord niet vinden. De vorstin is erg religieus en dat vindt de dwerg, gelet op haar overspel, maar vreemd. Van de vorst weet hij niet of deze erg godsdienstig is. De vorst liet Piccolino echter wel in de boeien slaan toen deze tijdens het laatste carnaval bij wijze van spel als bisschop de mis celebreerde en dat vervolgens uit de hand liep. Piccolino is nu de enige dwerg in het paleis. Vroeger waren er meer, maar Piccolino heeft ze allemaal weggewerkt. Ze ergerden hem en hij houdt van de stilte en de eenzaamheid. De op een na laatste dwerg aan het hof, Josafat, heeft hij in een worstelwedstrijd persoonlijk gewurgd.
Dan komt er een voornaam geleerde aan het hof, meester Bernardo. De vorst praat veel met hem en laat hem zelfs aan zijn eigen tafel plaatsnemen. Piccolino weet niet goed wat hij van Bernardo moet vinden. Ergens vindt hij hem wel sympathiek, omdat Bernardo erkent, dat hij niet alwetend is. Bernardo heeft een veelzijdige belangstelling. Hij schildert, bestudeert de vogels en de sterren en determineert planten. Hij ontleedt zelfs een terechtgestelde misdadiger. Piccolino vindt dat laatste vreselijk ongepast. Bernardo praat enthousiast over zijn ontdekkingen met de vorst. Hij denkt, dat deze het leven zinvoller kunnen maken. Piccolino vindt dat onzin; volgens hem is het leven volstrekt zinloos. Piccolino wordt door de vorst op een keer naar Bernardo gezonden die in het klooster Santa Croce bezig is het laatste avondmaal van Christus en zijn discipelen te schilderen. Bernardo wil Piccolino tekenen en daarvoor moet deze zich uitkleden. Piccolino is zwaar beledigd en wil dat niet. Hij vindt namelijk, dat hij uitsluitend van zichzelf is en door hem te tekenen zou Bernardo zich een gedeelte van hem toe-eigenen. Bernardo gebruikt echter geweld en tekent Piccolino vervolgens. Piccolino moet het noodgedwongen toestaan, maar raakt bijna bewusteloos van woede. Hij kijkt tijdens het poseren naar de schildering van het laatste avondmaal en maakt zich boos op Christus. Christus staat namelijk symbool voor de liefde. Hij is liefdevol verzorgd en gezoogd door Maria, terwijl Piccolino opgevoed en gezoogd is met haat.
Piccolino merkt, dat aan het hof veranderingen op til zijn. Er komt oorlog. De vorst beraadslaagt met zijn raadgevers achter gesloten deuren en is onrustig als een leeuw. Hij doet in dat opzicht zijn familienaam - Leone - eer aan. Piccolino is blij, dat er oorlog komt. Hij vindt oorlog goed voor de mensen. De vorst en zijn leger vallen de naburige vorst Lodovico Montanza aan. De vorst maakt daarbij gebruik van oorlogsmachines die door Bernardo ontworpen zijn. De vorst is aan de winnende hand. Piccolino wil graag mee doen. Hij wil bloed zien en zelf iemand doden. De vorst houdt hem echter, zeer tot zijn ongenoegen, achter de frontlinie. De strijd voorloopt voorspoedig, maar op een gegeven moment heeft de vorst geen geld meer om zijn huursoldaten te kunnen betalen. De vorst probeert geld van de doge van Venetië te lenen. Intussen slaagt Piccolino erin een vurig gekoesterde wens in vervulling te doen gaan. Hij heeft bij een achtervolging een van de dwergen van Montanza aan zijn zwaard weten te rijgen. Dan ontvangt de vorst bericht van de doge. Deze weigert hem verder nog geld te lenen. Piccolino is daar zeer verbolgen over, want nu moet de strijd gestaakt worden. Hij vindt dat bitter en onbegrijpelijk. Ook de vorst is razend, maar hij kan er niets aan veranderen.
De vorst besluit een eeuwigdurende vrede met Lodovico Montanza te sluiten. Er worden festiviteiten georganiseerd en Montanza komt met een groot gevolg bij de vorst op bezoek om het vredesverdrag te ondertekenen. Er wordt een enorm feestmaal georganiseerd. De meest verfijnde gerechten worden klaargemaakt en de meest uitgelezen wijnen worden uitgezocht. Piccolino ergert zich enorm aan het vredesverdrag en vindt, dat zijn heer erg diep gezonken is. Maar als de vorst de dwerg zijn ware bedoelingen vertelt, vindt hij zijn heer opeens weer een groot vorst. Tijdens het feestmaal vult Piccolino als wijnschenker de bekers van Montanza en zijn edelen. De wijn is echter vergiftigd, zodat Montanza en de zijnen sterven. Een aantal van hen weet echter al vechtend te ontsnappen. Ook Don Ricardo, de minnaar van de vorstin, drinkt van de vergiftigde wijn en sterft. De vraag is of dit opzettelijk gebeurd is. Wellicht wilde de vorst ook van hem af. Als de feestzaal leeg is en Piccolino naar de ravage en de toegetakelde lijken kijkt, schampert hij over de zogenaamde liefde tussen mensen en de eeuwige vrede die men van plan was te sluiten. De vorstin is door de dood van haar minnaar zeer geschokt en trekt zich in zichzelf terug.
Het volk van Montanza schreeuwt om wraak en begint een oorlog tegen de vorst. Het leger van de vorst wordt steeds meer teruggedrongen. Uiteindelijk raakt de hoofdstad van de vorst omsingeld en begint de stad gebrek te lijden. Dit wordt nog verergerd door de vele vluchtelingen die een toevlucht in de stad zoeken. Ze bedelen om voedsel en vervuilen de stad. Piccolino vindt al die bedelaars en hun stank onverdraaglijk. Ook breekt de pest uit. De toestand in de stad verergert met de dag en er heerst nu hongersnood, behalve in het paleis van de vorst. Op een nacht zit Piccolino in zijn dwergenkamer in de toren van het paleis en kijkt naar het vijandelijke legerkamp buiten de stad. Hij ziet dan een schim naar het paleis gaan en via een achterdeurtje het paleis binnengaan. Hij gaat kijken en het blijkt Giovanni Montanza, de zoon van de vermoorde Lodovico te zijn. Giovanni gaat op bezoek bij Angelica die zijn geliefde blijkt te zijn. Piccolino gaat de vorst waarschuwen die op dat moment bij een hofdame, Fiammetta, de nacht doorbrengt en brengt hem op de hoogte. Giovanni en Angelica liggen inderdaad samen in Angelica’s bed te slapen en de vorst slaat in zijn woede Giovanni het hoofd af. Hij laat zijn lijk eerst op de mesthoop gooien en later in de rivier. De vorstin is inmiddels zo overtuigd, dat alle ellende door haar liefde voor Don Ricardo veroorzaakt is, dat ze ernstig boete is gaan doen. Ze maakt zich niet meer op, eet haast niet meer en ligt alleen maar voor haar crucifix. Piccolino schept daar een haast satanisch genoegen in, vooral ook omdat hij dat vuur in haar aangewakkerd heeft. Angelica herstelt intussen van het haar overkomen leed, maar doet er verder het zwijgen toe. Ze zit veel aan de rivier over het water te turen.
Op een gegeven moment berooft Angelica zich van het leven door in de rivier te springen. Ze laat een afscheidsbrief achter, waarin ze aangeeft niet zonder Giovanni te willen leven. Haar leven zonder hem is zonder zin. Daarom heeft ze tot God gebeden en God heeft haar gezegd, dat hij haar met Giovanni zal verenigen. Daarom hoeft niemand om haar dood bedroefd te zijn, aldus Angelica. Dat zijn de vorst en vorstin natuurlijk wel. Vooral de vorstin raakt hierdoor nog meer van de kaart. Ze eet nu helemaal niets meer, wil geen mensen meer zien en vervuilt ernstig. Ze geselt zichzelf en bidt nog vuriger tot de Gekruisigde, maar - zoals de dwerg cynisch vaststelt - deze antwoordt niet. Piccolino is nog de enige die bij de vorstin mag komen, maar in plaats dat hij haar troost, scheldt hij haar uit voor hoer, zegt dat ze nog meer boetedoening moet doen en geselt hij haar. De vorstin laat dat allemaal berouwvol over zich heen komen. De pest maakt intussen steeds meer slachtoffers. Ook Fiammetta en de kamenier van de vorstin sterven aan deze verschrikkelijke ziekte.
Dan breekt de vijand het beleg van de stad op. Het leger van Montanza heeft namelijk geen zin zelf het slachtoffer te worden van de pestepidemie. De oorlog is daarmee voorbij en laat de twee landen geruïneerd achter. Vervolgens sterft de vorstin. Ze was helemaal uitgeteerd, maar schijnt wel vergeestelijkt gestorven te zijn. Bernardo maakt van de vorstin een schilderij, dat bij de bevolking zeer populair wordt. Piccolino merkt vervolgens, dat hij de vorst niet meer hoeft te bedienen. Op een gegeven moment wordt hij zelfs door de beulsknechten opgepakt. Hij blijkt er dan van te worden verdacht verantwoordelijk te zijn voor de dood van de vorstin. Piccolino wordt ook gemarteld, maar weigert een bekentenis af te leggen. Een rechtbank veroordeelt hem vervolgens tot levenslange opsluiting in de kerkers van het paleis van de vorst. Hij wordt aan de muren vastgeklonken en slijt zijn verdere leven in het donkere gevangenishol. Hij blijft echter hopen, dat zijn vorst hem op een keer weer zal laten roepen om hem te bedienen en dat alles dan weer wordt zoals het was.

Beoordeling van het boek
Opvallend aan het boek is, dat het in het geheel niet onderverdeeld is in hoofdstukken of paragrafen. Het is een aaneenschakeling van stukken en stukjes tekst. Het zijn in feite dagboeknotities die de dwerg bij wijze van terugblik heeft opgeschreven. Zo presenteert de dwerg zijn notities ook. Het voordeel van deze techniek is, dat je een vloeiend geheel en een zekere eenheid krijgt. Het verhaal loopt immers aan een stuk door en stopt niet.
Het boek zit vol met symbolische verwijzingen. Zo is Piccolino, behalve een persoon, ook een symbool. Hij staat voor het kwaad en het negatieve in de mens. Hij lijkt totaal geen menselijke emoties te kennen, hoewel hij daar af en toe toch iets van laat doorschemeren. De vorst is het symbool van het gezag, maar ook van de (politieke) sluwheid. Zijn dochter Angelica staat voor puurheid, reinheid en onschuld. Je zou Angelica overigens ook als symbool van naïveteit kunnen zien. Meester Bernardo - die overigens duidelijk gemodelleerd is naar Leonardo da Vinci (1452 – 1519) - staat symbool voor de “uomo universale”, de universele en zoekende mens die al zijn vaardigheden ontwikkelt. Hij heeft een positieve uitstraling, zij het dat hij wel allerlei oorlogstuig voor de vorst ontwerpt.
Het boek is geschreven in 1944. De Tweede Wereldoorlog liep toen ten einde. Het is m.i. zonneklaar, dat het boek naar de verschrikkingen van deze oorlog verwijst. Niet alleen staat in het boek een oorlog tussen twee vorsten centraal, maar ook wordt al het kwaad dat daarbij hoort gepersonifieerd in de dwerg. Al het negatiefmenselijke treffen we aan in de dwerg. Je krijgt als lezer ook automatisch een hekel aan de dwerg. Je zou zelfs zo ver kunnen gaan door de dwerg te vergelijken met de Duitse dictator Adolf Hitler (1889 – 1945).
Ik heb dit boek met stijgende bewondering gelezen. Het is een apart, maar zeer pakkend verhaal, dat geen seconde verveelt. Het verhaal is van begin tot einde boeiend. Dat komt waarschijnlijk doordat alles zo herkenbaar en oermenselijk is. Het kwaad is immers van alle tijden en iedereen krijgt daar vroeg of laat een keer mee te maken. Verder is het taalgebruik sober. De zinnen zijn kort en afgemeten, maar ze passen uitstekend in dit verhaal. Ook voor de historisch geïnteresseerde lezer is het boek interessant, vooral vanwege de beschrijvingen van het dagelijkse leven en de oorlogvoering. Tot slot nog een opmerking over de rol van de religie. Ik denk, dat we in dit boek de persoonlijke worsteling van Lagerkvist met het geloof kunnen zien. Van hem was immers bekend, dat hij moeite had met godsdienst. De religie komt er in het verhaal ook niet zo best vanaf. De dwerg vraagt zich namelijk diverse keren af wat het nut van religie is. Hij komt niet tot een positief antwoord. Je kunt dat ook vaststellen bij de worsteling van de vorstin met het geloof. Haar boetedoening leidt niet tot haar verlossing, tenzij je haar dood als zodanig zou willen zien.
Lagerkvist ontving in 1951 de Nobelprijs voor literatuur. De Nobel-Commissie voor Literatuur gaf als motivatie hiervoor: “Voor het overtuigend kunstenaarschap en de ware vrijheid van geest waarmee hij oplossingen zoekt voor de eeuwig menselijke problemen”. Ik vind dit een terecht en zeer treffend oordeel. Ik beveel dit boek dan ook graag en van harte aan.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.