Mensen die ik ken die mijn moeder hebben gekend door Arjen Lubach

Beoordeling 8.1
Foto van Cees van der Pol
  • Boekverslag door Cees van der Pol
  • Docent | 4234 woorden
  • 10 juli 2007
  • 147 keer beoordeeld
  • Cijfer 8.1
  • 147 keer beoordeeld

Eerste uitgave
2006
Pagina's
252
Geschikt voor
bovenbouw havo/vwo
Punten
2 uit 5
Oorspronkelijke taal
Nederlands
Literaire thema's

Boekcover Mensen die ik ken die mijn moeder hebben gekend
Shadow
Mensen die ik ken die mijn moeder hebben gekend door Arjen Lubach
Shadow
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!




Zakelijke gegevens
Eerste druk: augustus 2006
Gebruikte druk: serie Toplijsters, Wolters-Noordhoff (2007)
Aantal bladzijden: 199
Uitgever: Meulenhoff, Amsterdam (oorspronkelijk 250 pagina’s)

Gegevens voorkant
Een vrouw met veel zwarte krullen staat op de toplijsters-editie afgebeeld. Het meest ligt het voor de hand dat met deze afbeelding Lotte wordt bedoeld.

Genre
Een psychologische roman waarin de hoofdfiguur Benjamin een schuldgevoel van zich wil afschrijven. Er is ook sprake van een coming-of age-roman: de hoofdfiguur die zich door de puberteit worstelt om het ware leven te ontdekken.

De flaptekst eerste druk
Op zijn vierentwintigste is Benjamin al een half leven wees. Een groot schuldgevoel heeft hem naar het buitenland gedreven, waar hij de tijd doorbrengt in gezelschap van toevallige vriendinnen en zijn eigen gedachten. Op een dag ontvangt Benjamin op zijn hotelkamer in Barcelona een brief van Lotte, zijn Grote Liefde uit vroeger tijden. De brief voert hem terug naar het verleden en naar de oorsprong van zijn schuldgevoel. Met onderkoelde humor vertelt hij over zijn leven en de mensen die daarin een belangrijke rol hebben gespeeld. Over Lotte, die op een dag zijn leven binnendenderde als een vrachtwagen een benzinestation. Over zijn vader, die hij nooit heeft gekend maar op wie hij erg lijkt – volgens mensen die zijn vader hebben gekend. En over zijn moeder, die hij wel heeft gekend, maar niet lang genoeg om zoveel over haar te weten als haar broer, oom Otto, over haar weet.
Zijn wereldvreemde oom Otto praat alleen nooit over zijn verleden. Tot hij op een dag ineens begint te vertellen, en na dit verhaal verandert alles. Benjamin realiseert zich dat hij een enorme schuld te vereffenen heeft. Mensen die ik ken die mijn moeder hebben gekend is een even grappige als tedere, van eenzaamheid doortrokken roman over liefde en verlies, en over een schuldgevoel dat je leven voorgoed kan veranderen. Arjen Lubach is een meesterlijk observator van het absurde in het alledaagse menselijke verkeer, waarin we voortdurend naar een ander hunkeren en desondanks van onszelf en van elkaar vervreemd blijven.



Motto en opdracht
“Mensen die ik ken die mijn moeder hebben gekend” heeft een opdracht: “Voor Hadeweij”

De roman heeft een Duitstalig motto van Heinrich Heine (Uit: “Memoiren”)

Wie dem auch sei, dieser Großohm hat die
Einbildungskraft des Knaben außerordentlich
beschäftigt. Alles was man von ihm erzählte,
machte einen unauslöslichen Eindruck auf
mein junges Gemüt, und ich versenke mich
so tief in seine Irrfahrten und Schicksale,
Dass mich manchmal am hellen, lichten
Tage ein unheimliches Gefühl ergriff und
es mir vorkam, als ich nu reine Fortsetzung
des Lebens jenes längst Verstorbenen.! “


Dit motto past heel goed bij de hoofdpersoon Benjamin. Hij heeft een oom Otto aan wiens bestaan hij een groot schuldgevoel heeft overgehouden. Zijn oom heeft hem na de dood van zijn moeder als erfenis gekregen en hij heeft op een moment in zijn puberteit gehoord dat die erfenis het door zijn oom gewenste leven noodlottig heeft beïnvloed. Het voelt voor Benjamin aan alsof hij daarna twee levens heeft te dragen. Ook zijn oom is reeds overleden, maar hij heeft zich nog niet van het schuldgevoel weten te verlossen. Dat is precies waar Heines motto overgaat. Dat heeft Lubach dus heel zorgvuldig uitgekozen.

Structuur en verhaalopbouw
De roman is vrij gecompliceerd opgebouwd. Er zijn 22 getitelde hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk stelt de verteller dat hij een schudgevoel van zich wil afschrijven. Hij doet dit in Kopenhagen in de bibliotheek. Er zijn veel dingen gebeurd die hij zich kan herinneringen, maar het moeilijkste is om er een volgorde in aan te brengen ,
Het allermoeilijkste is het aanbrengen van een volgorde. Om met een botte naald een draad te rijgen door alle jaren om te komen waar ik nu ben en te weten wat ik nu weet (blz. 9)


Dat uit zich in de structuur van de roman waarin in bijna elk hoofdstuk vijf tijdlagen worden gemixt.
- Er is een tijdlaag waarin Benjamin (24 jaar) in Kopenhagen zijn verhaal over zijn schuldgevoel opschrijft. Uit een intertekstueel gegeven blijkt dit in november 2003 moet zijn gebeurd ( de beroemde albino gorilla Sneeuwvlokje in Barcelona is een week ervoor overleden. Dat geschiedde in november 2003 –blz. 194) Benjamin is 24 jaar.
- In 2002 brengt Benjamin een tijdje in Barcelona door met een niet al te veel zeggend meisje. Hij wacht daar op de komst van Lotte (een ex-schoolvriendin) die hem een brief heeft geschreven waarin ze aankondigde dat ze zou komen. Benjamin moet dan 23 jaar zijn.
- Wanneer hij zestien jaar is, komt het meisje Lotte zijn leven binnendenderen. Ze komt voor een groot deel van de tijd inwonen bij oom Otto. Het moet dan 1995/1996 zijn.
- Wanneer hij twaalf jaar is, sterft zijn moeder en krijgt oom Otto hem als erfenis. (1992)
- de vroegste tijdlaag is wat hij zich kan herinneren van zijn tijd die hij met zijn moeder heeft meegemaakt. Zijn vader is na de bruiloft bij een auto-ongeluk om het leven gekomen : dat was in juli 1978 (blz. 158) Dan wordt Benjamin dus in 1978 eind of begin 1979 geboren. Eind 1978 lijkt meer te kloppen met de tekstgegevens aan het eind waar op blz. 199 staat dat hij inmiddels 25 jaar is geworden.

In veel hoofdstukken komen elementen uit de vijf tijdlagen voor. Soms worden ze aangegeven met een typografisch teken. Een aantal overgangen is op associatieve wijze gebaseerd. Door deze structuur kan Lubach zijn gegevens stukje voor beetje aan de lezer prijsgeven, wat natuurlijk de spanning ten goede komt. Zoals het een goede schrijver betaamt, weeft hij de vijf tijdlagen door elkaar heen en zo komen verleden en heden steeds dichter bij elkaar te liggen. In de roman komen de passages over de dood van Benjamins moeder en de onthulling van oom Otto dan ook vrijwel direct na elkaar, omdat in de erfenis die Otto krijgt het schuldgevoel van Benjamin gelegen is.
Op zich vind ik de structuur van “Mensen die ik ken die mijn moeder hebben gekend” vrij hecht.

Perspectief
Het perspectief berust bij Benjamin Dusarduyn. Hij is 24 jaar wanneer hij in Kopenhagen zijn levensverhaal en zijn verhaal over zijn schuldgevoel opschrijft. Hij heeft zijn biologische vader nooit gekend, omdat die voor zijn geboorte in juli 1978 bij een auto-ongeluk in Friesland om het leven is gekomen. Hij groeit op bij zijn moeder totdat hij twaalf jaar is en zij aan de gevolgen van kanker sterft. Daarna woont hij bij zijn oom Otto Hoff, een wat wereldvreemde man, die hem op zijn zestiende vertelt hoe alles enkele jaren geleden gegaan is. Dat bezorgt Benjamin het schuldgevoel waarmee hij zijn verdere leven worstelt.
Benjamin vertelt in de ik-vorm: in Kopenhagen vertelt hij het verhaal-nu in de o.t.t. maar hij beschrijft de lotgevallen van zijn leven uiteraard in de o.v.t. als een achterafverteller die overzicht heeft op wat er in de jaren die voorafgaan, is gebeurd.

Titelverklaring
De titel “Mensen die ik ken die mijn moeder hebben gekend” is diverse keren in de roman terug te vinden. Als kind heeft Benjamin er namelijk een gewoonte van gemaakt om in een schoolschrift enig systeem in zijn leven aan te brengen. Hij heeft een rijtje mensen die hij zelf kent en die zijn moeder hebben gekend. (blz. 19 en blz. 198) Varianten op dat rijtje zijn de rijtjes, waarin hij opschrijft welke mensen hij kent en die oom Otto hebben gekend en welke mensen zijn vader hebben gekend.

Tijd en decor
Over de tijd van de roman is onder de kop “structuur” een aantal belangrijke gegevens verstrekt. Benjamin schrijft het verhaal op in 2003. In 1990 komt er echter een belangrijk keerpunt in zijn leven wanneer zijn moeder overlijdt en hij door zijn oom Otto in huis wordt genomen. Vier jaar later komt Lotte in zijn leven. Nadat ze voor de eerste keer seks hebben gehad in Zwitserland, verdwijnt ze weer uit zijn leven. In 2002 verwacht hij dat ze hem in Barcelona komt opzoeken, maar dat gebeurt niet.

Samenvatting van de inhoud
Omdat de structuur vrij ingewikkeld is en er steeds vijf tijdlagen in de hoofdstukken als een weefdraad door elkaar lopen, is er in de onderstaande samenvatting voor gekozen om een logischer verband in het verslag te geven. Dat loopt daarom niet helemaal parallel met de inhoud van de 22 hoofdstukken.

Tijdlaag 2003: de bibliotheek in Kopenhagen
In Kopenhagen is de 24-jarige jongeman Benjamin Dusarduyn al enige maanden bezig in de bibliotheek bezig om zijn levensverhaal over zijn jeugd en zijn schuldgevoel in het leven te beschrijven. Hij heeft een niet al te benijdenswaardige baan: hij ruimt tafels op in een café. Hij wil zijn verleden opschrijven om het later nog eens als gegeven te kunnen gebruiken in een door hem zo geliefd genre als de kostuumfilm. Daar hoort dan natuurlijk zijn grote liefde Lotte bij. Een meisje dat op zestienjarige leeftijd zijn leven kwam “binnendenderen, zoals een vrachtwagen een benzinestation. ” Ze zat in de schoolbus waarmee hij naar huis reed en was plotseling gaan huilen. Hij had zich een beetje om haar bekommerd.

Tijdlaag 2002: het hotelletje in Barcelona
In een klein hotelletje in Barcelona dicht bij de Ramblas heeft Benjamin in 2002 een meisje mee naar zijn hotel genomen dat zich graag bij hem wilde douchen. Ze blijft enige tijd bij hem. Van de hoteleigenaar heeft Benjamin een brief gekregen dat zijn oude vriendin Lotte hem zal bezoeken. Steeds maakt hij opmerkingen tegen het meisje over zijn vriendin die er aan komt.
Het meisje wil graag met hem wandelen in een Park (Guell ?) of naar de dierentuin waar ze een heel beroemde albino gorilla (Sneeuwvlokje) hebben. Ook vraagt ze op een keer of ze hem moet pijpen. Hij heeft geen bezwaar tegen het voorstel, maar het maakt evenmin een onuitwisbare indruk en ook het meisje doet daarna alsof er niets is gebeurd. Benjamin hoopt nog steeds dat Lotte hem zal opzoeken.

Tijdlaag 1994: ontmoeting met Lotte
Lotte is een dag na de eerste ontmoeting bij het huis waarin Benjamin opgroeit (namelijk het huis van zijn zonderlinge oom Otto Hoff) aan komen bellen. Ze heeft een hekel aan haar eigen vader en wil zo veel mogelijk uit diens buurt blijven. Er gebeurt eigenlijk niet zo veel als ze er is. Wel zoent ze hem als beloning dat ze bij oom Otto wordt ontvangen. Sinds zijn twaalfde jaar verblijft Benjamin in het huis van zijn vreemde oom: die viert nooit zijn verjaardag en hij maakt nooit zijn post open. Lotte vertelt Benjamin dat ze al heel lang op zoek is naar een Duitstalig liedje over een meisje dat Lotte heet. Ze eten vaak in een restaurant dat De Kale Jonker heet. Op een dag valt Benjamin van de trap. Hij heeft zijn arm bezeerd en zijn oom Otto bestelt een grote Mercedes om hem naar het ziekenhuis te vervoeren. Maar deze taxi rijdt de Botenbar binnen, waarna ze allemaal hun wonden moeten laten hechten in het ziekenhuis.

Oom Otto krijgt een nieuwe werkster Rina. Ze kan hard werken, maar heeft een vervelend hondje. Benjamin vertelt aan Lotte dat hij intussen weet wat hij wil worden, nl. publicist. Zijn eerste publicatie wordt door de redactie van een krant teruggestuurd vanwege de grote langdradigheid. Daarna solliciteert hij op een advertentie waarin een programmamaker voor radio en tv. wordt gevraagd. Het gesprek verloopt goed, maar hij krijgt nooit meer iets te horen. Intussen heeft hij ook een keer kaasfondue voor zijn vriendin en oom Otto gemaakt: hij vindt dat een nieuwe identiteit voor hemzelf: de kaasfonduekoning.

Tijdlaag van zijn jeugd
Steeds heeft Benjamin tussendoor herinneringen aan zijn jeugd met zijn moeder. Zijn vader heeft hij nooit gekend, want deze Christiaan Dsarduyn is voor zijn geboorte na een paar maanden huwelijk (het huwelijk was een gevolg van een zwangerschap van Benjamins moeder) bij een auto-ongeluk om het leven gekomen. Hij fietst met zijn moeder o.a. naar zee.
Hij is ook een keer met zijn moeder naar de dierentuin gegaan, waar hij zoek raakt. Hij mag dan van de receptioniste zelf een bericht omroepen waarin hij vraagt of ze hem komt ophalen. Zo kan hij de eerste keer de aandacht van een groot publiek op zich vestigen. De basis voor het publiceren is gelegd. Ook vindt hij een brief van zijn vader Christiaan die aan zijn moeder is gericht. Hij verneemt later dat zijn vader van een viaduct is gereden. Hij weet ook dat hij met zijn moeder een keer in een hotel in Zwitserland is geweest, waar een mijnheer Sieber hem de “zoon van Almhof “heeft genoemd.

Tijdlaag na 1994
Oom Otto gaat met de werkster Rina, Lotte en Benjamin in het heel kleine autootje van Rina op vakantie. In de auto hoort Lotte het Duitstalige liedje waarna ze al heel lang op zoek is. Benjamin moet de woorden snel opschrijven. Ze komen uiteindelijk in het hotelletje in Almhof aan. Heer Sieber zwaait daar nog steeds de scepter. Benjamin is in het hotel geïnteresseerd naar wat oom Otto zelf heeft willen worden. Benjamin heeft nog steeds het idee om publicist te worden: een beroep waarvan hij steeds meer dingen afweet. In het hotel vertelt Oom Otto zijn levensverhaal. Hij was tijdens zijn studententijd heel erg verliefd op een meisje (Louise Roodt), dat eigenlijk onbereikbaar voor hem was. Tegelijkertijd had hij twee nieuwe priemgetallen ontdekt wat een wiskundige sensatie was. Maar hij had het idee “verkocht”aan Louise die haar broer Ferry die ook studeerde een goede naam bij haar vader wilde geven. Ze zou zich een jaar lang aan hem geven. Het hele jaar maakt ze trouwens niet vol en ze verdwijnt uit zijn leven. Otto had daarna zijn studie niet afgemaakt en zich voorgenomen om heel veel geld te gaan verdienen, zodat hij op zijn 43e zou kunnen stoppen met werken, waarna hij heel de wereld zou gaan bekijken.

Flashbacks wisselen elkaar in de roman dan steeds vaker af.
In het verleden wordt de moeder van Benjamin veertig jaar. Hij is dan zelf ongeveer tien jaar en ziet op de verjaardag van zijn moeder voor het eerst zijn bijzondere oom Otto. Later wordt zijn moeder ziek: ze ziet vlekken, moet een ooglapje dragen, en ze sterft aan de gevolgen van kanker en een overdosis morfine die ze krijgt toegediend. Ze had intussen een vriend Steven die veel karweitje bij haar in huis opknapte. Hij is eigenlijk een beetje haar minnaar.
Er zijn veel mensen op de begrafenis: het hele dorp is uitgelopen. Otto krijgt na haar dood Benjamin toegewezen.

Tijdlaag na 1994
Dat vertelt Oom Otto ook wanneer ze in Almhof zijn en dan beseft Benjamin voor het eerst in zijn leven heel goed dat hij er de schuld van is dat zijn oom Otto niet heeft kunnen bereiken wat hij vroeger zo graag gewild heeft. Benjamin heeft het gevoel dat hij nu twee levens moet dragen en dat is een zware last. Die vertelling in 1996 verandert zijn leven. Een dag later heeft hij voor het eerst seksueel contact met Lotte. De volgende dag wil Rina terug naar huis, Lotte ook, maar zijn oom wil het liefst verder trekken. Benjamin wil zijn oom steunen wat hem op een onenigheid met Lotte komt te staan. Omdat de auto van Rina is, wordt toch de terugweg
aangevangen. Opnieuw wordt Benjamins schuldgevoel groter, want opnieuw kan zijn oom niet doen wat hij graag wilde doen: de wereld bekijken. Benjamin voelt dat hij dat moet goed maken. Hij zal verder moeten gaan in de voetsporen van zijn oom. Opzijn achttiende probeert hij dat ook waar te maken. Hij vertelt dat plan aan Lotte die het maar een absurd plan vindt. Benjamin krijgt van zijn oom een bankpas van een rekening die door zijn oom bij elkaar gespaard is, waardoor hij een tijdje kan teren op diens kosten. Ze bezoeken nog een keer een plaats uit zijn jeugd: het Rode Strand, maar het strand is verdwenen om plaats te hebben gemaakt voor een jachthaven. Het is de volgende desillusie. Lotte geeft aan dat ze niet meewil naar het buitenland. In Benjamins zak zitten inmiddels de tickets voor Barcelona. Daar ontmoet hij het “nietszeggende meisje”. Ze is 18 jaar en hij 23: hij zet haar op het vliegtuig. Lotte is nooit naar Barcelona gekomen.

Kopenhagen 2003
Benjamin zit in Kopenhagen. Ook hier heeft hij een nieuwe vriendin Lene, maar ook nu is ze niet het meisje van zijn dromen. Ze hebben weliswaar seks met elkaar maar ja …..Hij doet zijn werk in een café. Hij moet de tafels schoonmaken. Misschien kan hij nog wat promotie maken. Oom Otto is inmiddels overleden: Rina had nog een advertentie in de krant laten zetten. Ze had Benjamin pas na de crematie mogen waarschuwen. Aan een waarzegster vraagt hij hoe oud hij zal worden. Tegen haar zin antwoordt ze dat hij 41 jaar wordt. Benjamin vraagt zich af of dat het leven van oom Otto is dat dan zal sterven en of hij dan zelf zijn eigen leven van Benjamin kan gaan leiden.


Thematiek en symboliek
- “Mensen die ik ken die mijn moeder hebben gekend” is natuurlijk vooral een boek over schuldgevoelens. E zijn dan ook veel citaten te vinden die over het schuldgevoel gaan.
- Enkele voorbeelden:
- Er is natuurlijk ook een verwijzing naar het motto van Heinrich Heine (zie hierboven)
- Benjamin begint zijn verhaal met Dit is het verhaal van mijn schuldgevoel: gedeeltelijk zoals het was en hoofdzakelijk zoals ik het me herinner. (blz.9)
- (blz. 11 ) Lotte was de ballenjongen van mijn schuldgevoel
- (blz. 50) Niemand had het toen nog over schuld. Het schuldgevoel was nog te klein en lag als een smeulende sigaret in een bos te wachten op een windvlaag.
- (blz. 74) Mevrouw Rina is de nieuwste schakel in het verhaal van mijn schuldgevoel. Ze kwam de lawine een zetje geven , om mee te rollen tot we tot stilstand kwamen in het dal. “
- (blz. 128) Misschien ben ik door de dood van mijn vader met een schuldgevoel geboren. Sommige mensen worden geboren met een zesde nagel aan hun rechterhand en anderen met een schuldgevoel. Ik weet niet wat ik liever had gehad: een schuldgevoel of een zesde nagel aan mijn rechterhand. Toen mijn moeder een piraat werd begon de schuld te groeien. Mijn moeder als piraat was de voorbode van het schuldgevoel dat nu mijn leven bestuurt.
- (blz. 170-171) De discussie wordt gevoerd tussen Benjamin en Lotte. Benjamin probeert Lotte ervan te overtuigen dat hij schuld heeft aan het verwoeste leven van oom Otto Ik heb het leven van oom Otto afgenomen en het mijn eigen leven gemaakt […..] Het is verdomme niet jouw schuld ! riep ze. Lotte heeft het die nacht nog een keer of vierhonderd gezegd, maar het schuldgevoel is niet verdwenen.

Naarmate de roman gaandeweg vordert, wordt het voor de lezer steeds duidelijker wat het schuldgevoel van Benjamin heeft veroorzaakt. Ook al is alles een schakel in een keten van oorzaken en gevolgen, het feit dat hij op zijn twaalfde jaar aan zijn oom Otto werd toegewezen omdat zijn moeder aan kanker was gestorven, heeft het leven van oom Otto heel erg beïnvloed. Hij moest zijn plannen om de wereld te verkennen laten varen. Benjamin voelt zich daarover dusdanig schuldig dat hij op zijn achttiende besluit uit plaatsvervangende schuld het leven te gaan leiden dat zijn oom had willen leiden. Met geld van zijn oom Otto vertrekt hij naar Barcelona, waar hij een leeg en inhoudsloos leven leidt met als symbool daarvan de tijd die hij met een nietszeggend (en dus naamloos) meisje doorbrengt. Daar in de wereldstad wacht hij op zijn grote liefde die niet komt. Lotte hangt steeds boven de episode uit Barcelona maar uiteindelijk komt ze niet meer in het verhaal terug.

In feite is het leven dat Benjamin leidt er dan ook één van grote leegte en eenzaamheid. Ook in Kopenhagen waar hij als 24-jarige zijn leven op schrift en dus in kaart probeert te brengen, beseft hij dat hij het niet ver geschopt heeft. Erg trots kan hij niet zijn op wat hij heeft bereikt: hij heeft een meisje (Lene) met wie hij naar bed gaat maar van wie hij niet echt houdt, zijn baantje bestaat uit het schoonmaken van tafels en veel verder zal hij daarin niet komen. Het leven is een desillusie geworden. Maar hij hoeft gelukkig nog maar zestien jaar, want een waarzegster heeft voorspeld dat hij 41 gaat worden. Of het moet het leven van oom Otto zijn dat hij dan van zich af zal werpen. Het lijkt er eerder op dat Benjamin op een “losers”-achtige manier inderdaad zonder veel indruk te hebben gemaakt het leven zal verlaten. Wie zal er dan een lijstje gemaakt hebben met “Mensen die Benjamin gekend hebben.” ? Het leven is een desillusie . Het zit in de genen van de familie. Zijn vader kwam om het leven voordat hij zijn zoon kon leren kennen. Ook oom Otto is van een koude kermis thuisgekomen. Zijn ontdekking met de twee priemgetallen bleek uiteindelijk niet veel waard te zijn: Louise had hem na een jaar verkering als troostprijs maar al te gemakkelijke laten stikken.

Veelzeggend is ook de opsomming van Benjamin die naar de titel verwijst. In het rijtje met namen die hij kent en die ook zijn moeder hebben gekend staat alleen nog maar Benjamin. Toch min of meer ook het symbool van het Oedipuscomplex waaraan Benjamin lijdt. De moeder die aan een tumor lijdt en vlekken voor haar ogen krijgt, draagt daarvoor een ooglapje. Ze ziet eruit als een piraat. Benjamin voelt zich door het ooglapje schuldig (zie hierboven de citaten). Deze passage lijkt een regelrechte verwijzing (maar dan in de omgekeerde situatie) naar de roman “Opwaaiende zomerjurken” van Oek de Jong. Daar is het jongetje dat een Oedipuscomplex lijdt, de drager van het ooglapje.

Zo is “Mensen die ik ken die mijn moeder hebben gekend” een roman over schuld, eenzaamheid, verloren liefde en vooral ook desillusie.

Recensies
"De roman doet een beetje denken aan Ronald Giphart (de lolligheid), de Cees Nooteboom van Philip en de anderen (het gevoel van ontheemding, de meisjes, de buitenlandse reizen, en de wereldvreemde maar misschien juist wereldwijze oom), de Marcel Möring van Het Grote Verlangen (de doorwerking van het vroege verlies van de ouders), en verder aan Remco Campert (de vaderlandse grondlegger van de geslepen nonchalance). Gezwegen nog van Arnon Grunberg, die door Lubach herhaaldelijk wordt geïmiteerd: ‘Er zat een meisje op mijn kamer op het moment dat het verleden aan de deur zou komen kloppen. En ik zou het verleden verwelkomen als een oude vriend. Misschien een licht gestoorde vriend, maar toch een vriend.’ Net Grunberg, maar dan in een krachteloze variant. En dat geldt voor alle andere voorbeelden. Vergeleken bij Lubach is zelfs vlieggewicht Giphart nog een verademing.[…..] En vooral: het pakt niet. Lubach wil maar niet leuk worden. ‘Een geluid kan zowel hard als zacht zijn, afhankelijk van de omgeving waarin het klinkt. Iets is herrie of onverstaanbaar, maar toch even luid.’ Dit is niet alleen niet leuk, maar ook geen Nederlands. " (Arjan Peters, in zijn niet al te positieve recensie in de Volkskrant van 25 augustus 2006)

In het NRC van dezelfde datum trekt ook Pieter Steinz de vergelijking met Arnon Grunberg. Maar Lubach is Grunberg niet. Om te beginnen letterlijk: sommige mensen zullen hem kennen als cabaretier, of misschien als de radiomaker die vijf jaar geleden onder het pseudoniem Slimme Schemer een nummer-2-hit had met een parodie op het Eminem-nummer “Stan'. En daarnaast niet als literator. Zijn proza is af en toe wel érg kortademig. Het verhaal over Benjamin Dusarduyns ongelukkige jeugd en moedercomplex mist de spanning die Grunbergs oeuvre kenmerkt, en wordt tegen het einde zelfs een beetje saai. En het schuldgevoel waarvan Benjamin de mond vol heeft, wordt nergens invoelbaar, laat staan pregnant.
Dat wil niet zeggen dat Lubach niet kan schrijven. Mensen die ik ken die mijn moeder hebben gekend bevat een paar prachtig melancholieke passages en ontlokt de lezer regelmatig een glimlach om de absurdistische observaties van Benjamin “Er zijn mensen die bijna alles aan het leven interessant vinden, maar ik heb besloten ergens een grens te trekken'). Maar een voldragen roman is het niet. Daarvoor is Benjamin als personage te oninteressant, en leunt het proza van Lubach te zwaar op dat van zijn grote voorbeeld.


Soms weet een schrijver taal zo te gebruiken dat het lijkt of je een woord voor het eerst leest. Dat is niet zo, want je kende het al, maar het klinkt nog zo vers uit de verpakking. Dit soort vondsten gebruikt Arjen Lubach voortdurend in zijn debuut Mensen die ik ken die mijn moeder hebben gekend. Als het verhaal niet steeds uitnodigde om door te lezen, zou ik alsmaar hebben teruggebladerd om die frisheid nog eens te beleven.’ - Recensieweb

Over de schrijver
Bron: www.arjenlubach.nl
Arjen Lubach (1979) is schrijver, tv- en theatermaker. Na een drietal onafgemaakte studies en een nummer-twee hit in de top 40 werkte hij als programmamaker en presentator bij 3FM, waarvoor hij in 2004 werd genomineerd voor een marconi-award in de categorie aanstormend talent. In 2006 verscheen zijn goed ontvangen debuutroman “Mensen die ik ken die mijn moeder hebben gekend” en werden er al binnen enkele maanden rond de 4000 exemplaren verkocht. Zowel CJP magazine als NL20 riepen hem uit tot hét literaire talent van 2007.
Ook in 2007 werd “Mensen die ik en die mijn moeder hebben gekend” gekozen als 'lijster' en verschijnen er 12.000 extra exemplaren voor middelbare scholieren.
Arjen Lubach leest voor in het land, speelt theatervoorstellingen, schrijft aan columns, satire en niet te vergeten: zijn tweede roman.

Bibliografie
“Mensen die ik ken die mijn moeder hebben gekend” is Lubachs debuutroman. In 2008 moet zijn tweede roman “Basterdsuiker” op de markt worden gebracht.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

T.

T.

ty for dit heeft me geholpen snapte niks van de structuur

11 jaar geleden

Andere verslagen van "Mensen die ik ken die mijn moeder hebben gekend door Arjen Lubach"

Ook geschreven door Cees van der Pol