Meeuwen door J. Bernlef

Beoordeling 6
Foto van een scholier
  • Boekverslag door een scholier
  • 6e klas vwo | 8275 woorden
  • 22 november 2014
  • 7 keer beoordeeld
  • Cijfer 6
  • 7 keer beoordeeld

Boek
Auteur
Genre
Taal
Nederlands
Vak
Eerste uitgave
1975
Pagina's
109
Geschikt voor
bovenbouw havo/vwo
Punten
2 uit 5
Oorspronkelijke taal
Nederlands
Onderwerpen

Boekcover Meeuwen
Shadow
Meeuwen door J. Bernlef
Shadow

De 51-jarige kantoorbediende Arend Wijtman leidt aanvankelijk een rustig bestaan waarin nooit iets opwindends gebeurt. Tot het moment dat hij op een ochtend in paniek wakker wordt, en een bobbel in zijn hals ontdekt. Tot tweemaal toe wordt Wijtman doorverwezen naar een andere arts met telkens een vage diagnose als reden. De derde arts windt er geen doekjes om en deelt mede dat de bobbel een kankergezwel is. Er is wel een redelijke kans om de tumor te kunnen opereren, maar zijn stembanden zullen hierbij verwijderd worden. Hij zal dan waarschijnlijk niet meer kunnen spreken, of met zijn slokdarm moeten leren praten. Het is maar de vraag of dat lukt, want men krijgt het slechts bij een beperkt aantal mensen aangeleerd.





Vanaf dat moment stort de wereld van Arend Wijtman in. In afwachting van de operatie besluit hij om de dagen verlof die hij nog had staan bij zijn werkgever op te nemen en er eens flink tussenuit te gaan. Zijn oog valt op een eiland in het noorden waar slechts 2000 mensen wonen. Hij wil namelijk de drukte van de stad waarin hij woont ontvluchten en de paniek waarin hij verkeert tot rust laten komen op het eiland. Ook neemt Wijtman het besluit om niet meer te spreken om alvast te wennen aan het stemloze leven na zijn operatie. Hij koopt een opschrijfboekje en communiceert, als hij het hoognodig acht, alleen nog maar schriftelijk met mensen. Ook koopt hij, wachtende op het veer wat hem naar het eiland zal brengen, een verrekijker. Dit doet hij om aan zichzelf te bewijzen dat hij de werkelijkheid niet uit het oog aan het verliezen is, maar dat de wereld nog steeds onder handbereik ligt.



Als Wijtman op het eiland is aangekomen, neemt hij zijn intrek in Hotel-Café Biljart Van Dam. De eigenaar van deze gelegenheid, Jan Zijlstra, is al door Arend Wijtman ingelicht over zijn onvermogen om te kunnen praten. Hij is dan ook totaal niet verbaasd als Wijtman het nummer van zijn kamer vraagt door de vraag op het notitieblokje te schrijven.



De komende dagen brengt Arend Wijtman door met rondstruinen over het eiland en in het hotel zitten. Bij de eilandbewoners, die regelmatig kaarten in het hotel, vindt hij in ieder geval geen aansluiting doordat hij in de eerste plaats niet spreekt. Daarnaast blijken zij zeer gesloten te zijn en hebben ze het niet zo op mensen die niet van het eiland komen. De enige bewoner die nog enigszins tegen Wijtman praat is de waard, Jan Zijlstra. Hij brengt hem steeds zijn maaltijden en zorgt ervoor dat Wijtman zich zo prettig mogelijk voelt. Terwijl de waard al deze goede bedoelingen uit begint Arend Wijtman zich juist steeds slechter te voelen. Hij merkt op zijn tochten door de natuur dat hem soms eenvoudige benamingen voor planten en dieren niet meer vanzelf te binnen schieten. Ook openbaren zich soms paniekaanvallen waarbij hij als een razende begint te rennen of schelpen kapot trapt. Op een dag slaat hij zelfs een gewonde meeuw die hij op het strand heeft gevonden met een eind hout dood. Op één van zijn tochten door een natuurreservaat op het eiland, ontdekt Arend Wijtman dat er een bungalow midden in dit natuurgebied staat. Hij sluipt onwillekeurig een duin op zodat hij met zijn verrekijker ongezien naar binnen kan kijken. Hij ziet een corpulente man de liefde bedrijven met een opblaaspop. Verdwaasd aanschouwt hij het tafereel, hij weet niet wat hij ervan denken moet.



Een paar dagen later vertelt Jan Zijlstra slecht nieuws aan Arend Wijtman. Het hele eiland is in rep en roer omdat Anita Peekman, het elfjarige dochtertje van de timmerman vermist is. De eilandbewoners hebben meteen het hele eiland uitgekamd, zonder resultaat. Als Wijtman die dag naar buitengaat, zijn de eilanders in de haven aan het dreggen, omdat Anita volgens hen zou kunnen zijn verdronken. Na dit voorval maken we kennis met Leo Wigman, rechercheur van de politie in de hoofdstad. Zijn chef, van Beem heeft hem op de zaak van de vermiste Anita gezet. Morrend neemt Wigman de zaak aan, terwijl hij zich afvraagt waarom ze juist hem op zo’n godvergeten eiland stationeren. Blijkbaar is het ernst, want Leo Wigman wordt met een helikopter naar het eiland toegevlogen. Hij neemt er zijn intrek bij de enige agent op het eiland, Frits Lozen. Deze agent Lozen is helemaal buiten zinnen als Wigman aankomt, omdat er in geen jaren noemenswaardige gebeurtenissen zijn voorgevallen op het eiland. Sussend spreekt Wigman hem toe dat hij niet zo’n heisa moet maken en dat de zaak spoedig opgelost zal worden. Wigman besluit eerst een nachtje over de zaak te slapen en houdt zich meer bezig met een mening te vormen over zijn nieuwe jas, die naar zijn mening veel te modieus en onpraktisch is.



De volgende dag is er nog geen resultaat geboekt bij de dregactie van de eilandbewoners. Leo Wigman besluit de actie te laten staken, temeer daar een visser hem heeft verteld dat als Anita al verdronken zou zijn, ze zeker niet in de haven zou drijven. De visser kent de stromingen die aan deze kant van het eiland staan uit zijn hoofd, en volgens hem zou het lijk dan al mijlenver uit de kust moeten drijven. Na agent Lozen teleurgesteld te hebben (deze was er heilig van overtuigd dat Anita in de haven had moeten liggen), onderneemt Wigman een tocht over het eiland om naar aanwijzingen te speuren. Als hij op een gegeven moment door hetzelfde natuurreservaat loopt waar Arend Wijtman is geweest, ontdekt ook hij de bungalow die daar staat. Hij tuurt naar binnen, maar ziet dat er niemand is. Alleen een paar groene damesschoenen die op een krukje in de woonkamer staan trekken zijn aandacht. Hij besluit dan toch maar voor de zekerheid een blik te werpen op het naambordje bij de voordeur van de bungalow, er staat J. Ris. Bij navraag op het gemeentehuis blijkt Ris een makelaar in ruste te zijn die op het eiland van zijn oude dag geniet. Hoewel de burgemeester en Ris op slechte voet met elkaar staan, besluit Wigman er geen aandacht meer aan te schenken en het onderzoek te hervatten.



Arend Wijtman intussen plaatst zich steeds meer in isolement. De enige persoon waarmee hij nog communiceert is Jan Zijlstra, en dan alleen voor hoognodige zaken. Als op een avond op zijn kamer zit, begint het bestaan hem steeds zinlozer voor te komen. Om dit gevoel te bestrijden moet hij van de dokter één pil van een slaapmiddel innemen, maar in zijn wanhoop neemt hij er 23 van het middel in. Daarna verlaat hij het hotel en trekt weer de duinen in, om tenslotte op het strand terecht te komen. Hier overvalt de totale wanhoop hem, en als een bezetene begint hij zijn jaszakken te vullen met stenen. Hij legt zijn verrekijker en horloge in het zand en stort zich dan met doodsverachting in zee. De stenen in zijn jas zorgen ervoor dat hij al snel kopje onder wordt getrokken…



Als Wijtman’s lijk door J. Ris, de makelaar, wordt gevonden denken veel mensen dat Anita Peekman door Wijtman is vermoord. Hij zou dan zelfmoord hebben gepleegd uit wroeging. Zelfs van Beem schijnt deze verklaring te zien als aannemelijk, maar Leo Wigman ziet geen verbanden. Dankzij een tip van Jan Zijlstra komt hij erachter dat Arend Wijtman een opschrijfboekje bij zich had waar hij zijn gedachten in neerpende. Dit bewuste boekje is alleen niet gevonden in Wijtman’s jas, waar het in had moeten zitten. Het boekje moet volgens Wigman dus door J. Ris uit de jas gehaald zijn, aangezien het er door de krapte van de jaszak onmogelijk uitgespoeld kan zijn. Als hij Ris bezoekt in zijn bungalow, geeft deze aanvankelijk niks toe. Maar na een paar toespelingen op het opschrijfboekje houdt de man het niet langer, en schuift het boekje met een vuurrood gezicht in de handen van Wigman. Deze slaat vol verwachting het boekje open. Tevergeefs, want het zeewater heeft de letters op de bladzijden al weggespoeld of in grote onduidelijke inktvlekken veranderd. Dan neemt Leo Wigman een stoutmoedig besluit. Hij heeft het boekje niet teruggevonden en het onderzoek naar Anita Peekman verklaart hij voor gesloten…





Literair Historische plaatsing



Dit boek is typisch voor een boek uit de ’70 jaren. Het beeld wat op dat moment heerst in de maatschappij laat de schrijver een mening vormen en deze mening wordt vaak uitgedrukt in het boek. Dit is nieuw aan het begin van de ’70 jaren, maar Bernlef is niet bang om zijn eigen visie te laten blijken in zijn boek. Veel schrijvers hebben in de gaten dat er vervlakking van de maatschappij aan de gang is en dit proces willen ze fel voorkomen door juist diepgang te creëren in hun verhalen.



Een voorbeeld van de visie die Bernlef over probeert te brengen staat in onderstaand stukje.

En de eilandbewoners zijn verstrikt in hun eigen orde. Bernlefs beschrijving van een kerkdienst, die de rechercheur bezoekt om meer informatie te krijgen over de verdwijning van het meisje, blijft steken in een kille constatering van uiterlijkheden, soms ironisch getint. Terwijl de gemeente de handen vouwde en de hoofden boog, leunde Leo Wigman achterover in de harde kerkbank. Met Gods hulp had de rechercheur nog nooit iets weten op te lossen. Wel met geluk en toeval'. Het is duidelijk, dat Bernlef via Wigman laat weten, dat hij geen andere uitweg ziet uit die fatalistische visie op de werkelijkheid.





Formele analyse



Het boek is geschreven in de alwetende vertelsituatie, over alle personen in het boek wordt evenveel informatie gegeven. Het is een fictief boek uit 1975. Het boek bestaat uit een aantal hoofdstukken waar soms de hoofdpersoon per hoofdstuk verandert.



Het boek is geschreven in chronologische volgorde en zonder grote tijdsprongen. Het boek lezen gaat dan ook gemakkelijk zonder al te veel na te denken. Het boek heeft slechts een aantal personages en twee van hen kunnen de hoofdrol in een hoofdstuk hebben. Verder zijn er nog een aantal wat kleinere personages waar je niet veel over te weten komt.



Het thema van het boek is eenzaamheid. Bernlef probeert duidelijk te maken dat de existentiële eenzaamheid van de mens volledig op zichzelf aangewezen is en maar van het leven moet maken wat er van te maken is. Hij maakt dit duidelijk door bijvoorbeeld te laten blijken in het verhaal dat Wijtman steeds verder van de normaal functionerende wereld af komt te staan. Dit begint al met het feit dat hij een tijd door gaat brengen op een bijna geïsoleerd eiland. Het boek heeft een merkwaardig open einde, waar het boek mee eindigt is eigenlijk dat we niets weten. Bernlef geeft hier op de achterflap een vertekend beeld van, hij suggereert dat de lezer ondertussen de enige is die weet hoe het spoor loopt, maar wanneer je het boek leest blijkt dat je evenmin weet wat er gebeurt is.



De titel van het boek is zorgvuldig gekozen, meeuwen is een punt dat vaker terugkomt in het boek. Zoals Bernlef zelf op de achterkant beschrijft; ‘Meeuwen is een sober relaas van geïsoleerde mensen die elkaar soms even tegenkomen. En daarboven zweven altijd wel een paar meeuwen.’





Persoonlijke recensie



‘Meeuwen’ een van de eerste boeken van J. Bernlef is niet zijn pronkstuk. Dat kwam een aantal jaren later. Toch is dit boek een knap stukje schrijfwerk. De manier waarop Bernlef zijn eigen visie probeert over te brengen op de lezer is apart. Door het boek zo onvoorspelbaar en apart te maken wordt de lezer een beetje verward dan wel geïnteresseerd. Dat Bernlef weet dat alles niet vanzelf komt en dat men zelf moet zorgen dat er iets in het leven gebeurd laat hij in het verhaal duidelijk merken. Je kunt alleen invloed uitoefenen op iets wanneer je dat bewust doet.



Wanneer je de achterflap van het boek leest dan denk je als lezer meer te zullen weten dan de personen in het verhaal, maar dit is complete onzin. Doordat Bernlef dit suggereert blijf je als lezer zoeken naar de antwoorden die de personen in het verhaal niet weten. Bernlef wil de mensen hun best laten doen naar iets te zoeken dat ze verwachten in het verhaal. De wisseling van persoon vanuit wie het verhaal voortkomt verandert soms, als lezer is dit amper te merken en mis je vrij weinig van het chronologisch opgebouwde verhaal. Het verhaal is simpel te lezen maar boeit toch. Je wordt als het ware meegesleurd in de eenzaamheid van Wijtman. Soms verlies je even uit het oog dat je zelf niet een van de eilandbewoners bent die alles zelf mee maakt. Maar als het boek af is, realiseer je je toch dat het wel een heel onrealistisch verhaal is met een eind waar niemand ooit weet van zal krijgen.























2 Professionele recensies, noem de 7 argumenten voor een goede recensie



Recensie 1



21 juni 2009 | J. Bernlef (pseudoniem voor Hendrik Jan Marsman) (Sint Pancras, 14 januari 1937) is een Nederlands schrijver, dichter en vertaler. Vanaf 2002 publiceert hij onder het pseudoniem Bernlef (zonder de initiaal J.). Bernlef debuteerde in 1960 als dichter met Kokkels, en in hetzelfde jaar als prozaïst met Stenen spoelen. In 1984 werd hij bij het grote publiek bekend met zijn roman Hersenschimmen, waarin hij het dementeringsproces uitvoerig beschrijft vanuit het oogpunt van een dementerende man.



Als vertaler heeft Bernlef in het Nederlandse taalgebied tal van Amerikaanse en Zweedse dichters geïntroduceerd, onder wie Marianne Moore, Elizabeth Bishop en Tomas Tranströmer. Van de Zweed, die door velen als een van de grootste hedendaagse dichters wordt beschouwd, heeft hij zelfs het hele werk integraal vertaald onder de titel De herinneringen zien mij.



Met die achtergrond als vertaler werpt Bernlef in dit interview met Sharon Hagenbeek nieuw licht op zijn immense oeuvre.





Taal niet iets wat Bernlef zomaar voor lief neemt, hij heeft er juist veel aandacht aan besteed in zijn werk. Hij maakt ons graag bewust van wat de taal representeert, waar het vandaan komt en hoezeer we de taal als de normaalste zaak van de wereld beschouwen. Ook in dit gesprek schroomt Bernlef niet om vergelijkingen te maken tussen de muziek, zijn vertaalwerk, het toneel en zijn eigen verhalen. Het resultaat is een ode aan de taal.

 



In de buurt van een mooie vleugelpiano waar hij zelf graag op speelt spreekt hij over de kunst die hij beoefent. Met een glimlach zegt hij: ‘Nou ja, ik ben geen professional, maar ik ben wel muzikaal.’ Gelukkig schrijft hij verhalen als prachtige muziekstukken waarin de klank van de werkelijkheid maar al te goed klinkt. ‘Je moet altijd oppassen met de vergelijkingen tussen muziek en taal, maar er is wel een gemeenschappelijke basis. Het is heel mooi beschreven in de memoires Hope against Hope en Hope Abandoned van Nadezjda Mandelsjtam. Zij was de weduwe van de Russische dichter Osip Mandelsjtam en ze beschreef in haar memoires ook hoe hij en Anna Achmatova bij elkaar zaten en het hadden over hoe een gedicht begint. Ze hadden het dus over het stadium alvorens je de eerste zin hebt. En Mandelsjtam suggereerde toen dat wat er eerst aanwezig is, een ritmische puls is. Een puls is een wat breder begrip dan alleen maar een maatslag of zo. Een regelmatige terugkerende hartslag of hoe je het noemen wilt, en dan meestal gekoppeld aan een van de klinkers van de betreffende taal. Er is dus eerst het ritme en de klank en dan plotseling in die mal die zich in de hersens bevindt, schiet er plotseling zo’n eerste zin in. Hoe die precies gevormd wordt weet je nooit, dat hangt ook af van alles wat je ervoor gelezen en gedaan hebt.’ 



Bernlef spreekt uitvoerig over de ideeën over de taal zoals die te vinden zijn in de memoires van Mandelsjtam. Misschien verraadt het belang van die memoires iets over de schrijver Bernlef, want terwijl hij vervolgt is het mogelijk om het op zijn verhalen te betrekken. ‘Maar in ieder geval zo gauw als die eerste zin er is, is er ook het begin van de betekenis. Dan worden langzamerhand de mogelijkheden om nog alle kanten op te kunnen steeds kleiner. Hoe meer zinnen je hebt hoe meer het zich samenbundelt tot een uiteindelijk doel. Ik heb dat zelf eens voorgelegd in een gesprek dat ik voerde met de componist Louis Andriessen en de jazzpianist Misha Mengelberg. Toen bleek dat hun ervaringen eigenlijk precies hetzelfde waren. Voordat zij gingen spelen, improviseren of componeren was er dus eerst alleen maar die puls en een bepaalde klank. Alleen wordt dat proces in de muziek op een abstract niveau voortgezet, terwijl als je schrijft er woorden in schieten en vanaf dat ogenblik heb je met betekenissen te maken die noten gewoon niet hebben. Een muziekstuk betekent in weze niets, een echte betekenis heeft het niet, niet zoals een gedicht een betekenis kan hebben.’ 



Al met al staan de literatuur en de muziek dicht bij elkaar: ‘De samenhang van woorden in een bepaald zinsverband - wat we in de literatuur stijl noemen - heeft natuurlijk effect op een lezer. Op grond van die achter elkaar gezette zinnen vormt die zich een bepaald beeld of ondergaat die een bepaalde emotie. En dat is bij muziek eigenlijk nog veel directer, omdat er geen betekenissysteem zoals bij de taal tussen zit, dus je hoeft niets meer te interpreteren, het is er meteen. Dat laatste hangt natuurlijk ook af van je gevoeligheid en je kennis van muziek. Toen ik voor het eerst de twintigste-eeuwse muziek van Schönberg hoorde vond ik het heel chaotische klanken, ik begreep het eigenlijk niet. Door er veel naar te luisteren en erover te lezen leer je dat langzamerhand ook aan. Dan zie je ook de structuur ervan, waarom het zo gemaakt is.’

 



De scherpe kanten van de taal heeft Bernlef in zijn werk als vertaler goed gevoeld. Hij ziet het liefst de mogelijkheden die dat werk oplevert. ‘Ik heb zelf veel vertaald, vooral uit het Zweeds. Ik ben toevallig in Zweden terecht gekomen na mijn militaire diensttijd in 1958. Ik had toen allerlei baantjes, zo werkte ik als ober in een restaurant. Ik sprak geen woord Zweeds en in die tijd spraken lang nog niet zoveel van de Zweden Engels, zoals nu. Ik moest wel zo snel mogelijk de taal leren om daar überhaupt te kunnen werken. Toen ik na twee jaar terug kwam, sprak ik vlot Zweeds, niet vloeiend, maar vlot genoeg om me goed uit te kunnen drukken. En ik dacht: als ik er nu niets aan doe, dan ben ik het over een jaar kwijt. Dus toen ben ik het gaan studeren.’ 



Als geschoolde vertaler kent hij de problemen bij vertalen, daarom schrikt hij niet snel als de vertalers bij zijn eigen werk hun intuïtie gebruiken. ‘Natuurlijk er kunnen er altijd fouten ontstaan, doordat de vertaler een zin verkeerd begrepen heeft of specifiek Nederlandse talige betekenissen. Als vertaler betrek je daarbij graag de oorspronkelijke auteur. Als het mogelijk is dan controleer ik de vertaling. Er zijn een aantal boeken van mij vertaald, de Chinese vertaling neem ik ter kennisgeving aan, maar de Duitse of Engelse lees ik wel door. Maar ik kan toch niet beoordelen of dat boek leest als een Engelse roman, dat kan alleen een zogeheten native speaker.’ 



Daarbij weet hij ook hoe onzinnig het is om te streven naar een precieze vertaling; het is zelfs zonde. ‘Er gaat absoluut iets verloren. Maar vertalen is een kwestie van verliezen en winnen. Een vertaling moet in de eerste plaats in de taal waarin je vertaalt de indruk wekken dat het een origineel is. Niets is vervelender om te lezen dan een boek dat zo overduidelijk een vertaling is. Dat kom je nogal eens tegen, vooral bij detectives. Dan zie je de anglicismen erdoorheen. Dan kun je zo terugvinden wat letterlijk uit het Engels is overgenomen, dat is niet goed natuurlijk. Sommige dingen kun je gewoon niet letterlijk vertalen. Je moet van het origineel af durven gaan en de vrijheid nemen, omwille van een goede vertaling. Dat is vaak wat je juist niet ziet in de academische wereld. Daar zijn ze als de dood om van dat origineel af te wijken, omdat ze er trouw aan willen blijven. Dat is ook wel belangrijk, maar soms is het meer van belang om de juiste afweging te maken. Een woord alleen vertalen gebeurt niet, je vertaalt de zin, de samenhang.’



Ook is het een illusie om te denken dat je in een andere taal kunt gaan schrijven. ‘Het lukt alleen maar als je van heel jongs af aan tweetalig bent opgevoed, dan is dat mogelijk, maar een taal die je je pas later eigen maakt kun je nooit tot in de nuances beheersen. Je moet een taal wel heel goed beheersen voordat je er zoveel kennis van hebt dat je weet waarom men sommige dingen juist weer niet zus of zo zegt. Als je tekst in je moedertaal leest dan roepen die woorden een soort nevel van achterliggende betekenissen op. Die betekenissen zijn weliswaar niet uitgeschreven, maar ze spelen wel een rol bij je interpretatie van de tekst. Met andere vertalers heb ik het wel eens besproken en toen kwamen we tot de conclusie dat een echt goede vertaling ongeveer zeventig procent van het oorspronkelijke werk weet te evenaren. Veel hoger dan dat is onmogelijk met uitzondering van mensen die echt tweetalig zijn opgevoed. Ik denk dat mensen niet begrijpen of niet willen zien hoe belangrijk de moedertaal voor ons is. Dat blijft de grondtoon waarop je alles op afstemt. Het is de gevoelstaal, het roept heftigere emoties op.’

 



Dat de ervaringen die hij heeft opgedaan als vertaler hem sterk beïnvloed hebben blijkt al snel wanneer hij begint te vertellen over zijn werk. ‘Een schrijver gaat anders met de taal om dan wanneer we gewoon met elkaar praten. Het is een magistrale uitvinding van de mens. Je kunt het hebben over dingen die op dat moment niet aanwezig zijn. Het geeft grip op de wereld terwijl je zelf stil staat.’ 



Het bleef voor Bernlef niet bij een loutere bewondering voor de taal, voor hem groeide het van een waar isolement tot essentieel conflict. Hij heeft er zijn handen vol aan: ‘Als je je beroepsmatig met taal bezighoudt, dan is het logisch dat je keer op keer geconfronteerd wordt met de mogelijkheden en onmogelijkheden van taal. Bijvoorbeeld de zin ‘er tekende zich een rij bomen af aan de horizon’. Als mededeling weet dan iedereen waar we het over hebben, maar in een literaire tekst wil je de zintuiglijkheid van zo’n observatie vast leggen - welke bomen zijn het? Het zijn allemaal verschillende bomen, qua soort, vorm, enzovoorts. En de taal heeft de neiging om allerlei individuele aspecten uit te poetsen omwille van algemeen begrip. Het zou ook een onbegonnen werk zijn om voor elk fenomeen een ander woord te hebben, dan kunnen we niet meer met elkaar communiceren. Maar als je een literaire tekst schrijft dan ga je je op een gegeven moment ergeren aan dat hoge abstractieniveau dat in de woorden zit. Je moet als het ware tegen de taal in schrijven en je heel bewust zijn van wat je doet. Je kunt beter niet die algemeenheid omschrijven, maar er juist één saillant detail uithalen, waardoor het plotseling een concrete inhoud krijgt, anders blijft het allemaal abstract.’ 



Dat probleem van het daadwerkelijk vatten van de taal is meermaals een belangrijk thema geweest in Bernlefs romans. In zijn bekendste werk Hersenschimmen verliest het hoofdpersonage langzaam zijn grip op de taal. In Eclips krijgt het hoofdpersonage een beroerte en belandt hij met zijn auto in de sloot. ‘Na uit de sloot te zijn geklauterd, terug in de wereld begint de zoektocht naar de juiste woorden. Hij neemt de werkelijkheid nog wel goed waar, maar hij weet niet welke woorden bij de dingen horen. In het boek laat ik zien hoe hij heel langzamerhand de taal en de dingen weer bij elkaar brengt.’



De herkomst van de taal is een belangrijk element in het werk van Bernlef. ‘Vaak laat ik zien wat er gebeurt als de verbinding tussen taal en de werkelijkheid verbroken raakt, of dat er iets in de hersenen niet meer goed functioneert waardoor je perceptie van de werkelijkheid verandert, waardoor je dingen niet meer kunt benoemen.’ Hij ziet dan ook de betekenis van de taal als ontsprongen uit de hersens. ‘Al in het allereerste stadium beginnen kinderen betekenissen te hechten aan dingen. Pas als ze ouder worden komen ze erachter dat woorden iets betekenen, dat het een instrument is waarmee je de wereld naar je hand kunt zetten. ‘Ik heb honger’.’ 



Bernlef is natuurlijk niet alleen in zijn neurologische interpretatie van de menselijke taal, naast neurologen gingen ook filosofen hem voor. Zo sprak Chomsky over de mogelijkheid van een universele grammatica, die Bernlef vervolgens weer verwerkte in zijn Meneer Toto-Tolk. ‘Chomsky heeft geprobeerd om in de taal universele wetmatigheden te ontdekken. Hij stelt dat er een universele inherent in de mens aanwezige mogelijkheid is om iedere taal te leren waar je als kind mee in aanraking komt. Ik heb geprobeerd zijn theorie te begrijpen, maar wat een universele grammatica nog kan behelzen als je het Chinees met het Nederlands vergelijkt kan ik me niet zo goed voorstellen. Er zijn zoveel verschillende talen. Er is volgens mij wel een inherent vermogen om een taal te leren, dat ligt opgeslagen in de hersens, maar die moet dan wel gestimuleerd worden door de omgeving. Er zijn hele beroemde gevallen beschreven door Freud van mensen die in isolement opgroeien en waartegen nooit gesproken worden, die ontwikkelen dan ook geen taal.’



Al van jongs af aan had hij een fascinatie voor de menselijke hersenen, geeft Bernlef toe. ‘Het gaat aan de filosofie vooraf natuurlijk, zonder brein geen filosofie of welk ander denken dan ook. De werking van de menselijke hersenen heeft me van meet af aan enorm geboeid. Daar komt alles uit voort, de taal, gedachten, de concepten waarmee wij de werkelijkheid in tijd en ruimte indelen. Dat zijn allemaal dingen die zonder een brein niet mogelijk zijn. En al heel gauw kom je dan uit op gevallen waarin er iets misgaat. Want het is natuurlijk curieus dat als het brein goed werkt, het lijkt alsof het een voortdurend proces is. Zoals ik hier nu zit te praten denk ik - of zo komt het mij voor - dat mijn denken en mijn spreken synchroon lopen of deel van hetzelfde proces zijn. Je komt er pas achter bij mensen die door een ongeluk of een beroerte afatisch worden. Die kunnen dan wel heel coherent denken, maar ze zijn niet meer in staat om de juiste woorden te vinden bij wat ze willen zeggen. Het spreken en het denken zijn wel gescheiden processen, maar die zijn in een gezond brein zo goed op elkaar afgesteld, dat ze zich voordoen als één proces. Het paradoxale is dat je alleen door je concentreren op wat er mis gaat in het brein je er iets over te weten kunt komen.’



Ondanks de gebrekkige kennis die wij hebben over de neurologische herkomst van de taal is Bernlef wel een man van de talige wereld. ‘Ik ben in Zweden gaan schrijven. Ik schreef natuurlijk ook wel eens een lullig versje op school, maar in Zweden ben ik pas echt begonnen met schrijven. Er gebeurde iets heel anders, iets heel merkwaardigs. In het begin kende ik niemand die Nederlands sprak, dus ik sprak het helemaal niet meer. Dat isolement van je eigen taal binnen een ander talig universum, maakt je heel erg bewust van je eigen taal. Dat heeft absoluut een rol gespeeld; ik schreef voor het eerst gedichten en verhalen waarvan ik dacht ‘dit is anders, dit is beter’, het communiceerde meer dan dat wat ik daarvoor aan probeerseltjes had gedaan. Juist door het isolement kreeg ik een enorme concentratie op de eigen taal.’

 



Veel behoefte om zich uit het talige isolement te bevrijden had hij niet. In plaats daarvan wilde hij het juist zoveel mogelijk weergeven. Zijn verhalen weten de sfeer te vatten van een stille zaal tijdens een uitverkocht concert van een gerenommeerd orkest. ‘Natuurlijk is er voordat het verhaal aanvangt niets, maar de spanning in de zaal is vaak gebaseerd op het feit dat mensen al weten wat er gaat komen: de muziek. Zo gauw de eerste maat klinkt beginnen de mensen met hun herkenningsplezier. Dat is voor mij ook prima, maar ik wil ook af en toe iets horen wat ik nog nooit gehoord heb. Je schrijft een aantal zinnen achter elkaar en ik probeer ze zo te schrijven dat ze niet helemaal logisch op elkaar aansluiten, dat er als het ware lege plekken tussen ontstaan die door de lezer worden ingevuld. Een soort tweede verhaal dat pas ontstaat als je het leest. Het eerste verhaal heb ik zó geschreven dat mensen er eigenlijk meer uithalen dan dat ik er in de oppervlakte in heb gestopt. Ik houd niet van die romans die alles verklaren, weergeven wat men dacht, wat de personages bewogen heeft. Dat interesseert mij niet. Mijn manier van schrijven is ontstaan uit de orale verteltraditie, wat aan de geschreven verhalen vooraf ging. Mensen gingen bij elkaar zitten en vertelden elkaar verhalen. Inmiddels is dat een haast uitgestorven kunst. Als iemand een verhaal vertelt let de luisteraar niet alleen op de woorden, maar ook op de mimiek, gezichtsuitdrukking en stem van de verteller. Wat dodelijk is voor zo’n verteller zijn die nodeloze uitwijdingen. Als je de orale verhalen die later zijn opgetekend leest, dan zie je ook dat mensen zich beperken tot het vertellen van handelingen. Het waarom van die handelingen wordt niet verteld, daarover uitwijden houdt de lezer alleen maar op. De luisteraar wil weten hoe het verder gaat, hoe het afloopt. Dus het is een tamelijk onpsychologische manier van vertellen, waarbij de luisteraar maar zelf de beweegredenen van de personages moet invullen. Dat vind ik een spannender taalgebruik. Ik kauw het liever niet voor.’ 



Twisten over of het impliciet en expliciet gesteld moet worden is dan ook aan Bernlef niet besteed; het gaat hem om de suggestie. ‘Je suggereert iets zonder het helemaal uit te werken. Als schrijver geef je de aanzet en de uitwerking is aan de lezer. Het is een oude wet natuurlijk, die ook voor het toneel geldt. Toen ik toneel ging schrijven kreeg ik eerste reacties van de acteurs als: ‘het is prachtig geschreven, maar dan kunnen we niets meer spelen, alles staat er al in’. Een toneelstuk moet veel meer zelf in te vullen stukken hebben voor de acteurs, dan een literair verhaal voor de lezer. Toneel kan alleen maar bestaan bij de gratie van dat mensen andere dingen zeggen dan dat ze bedoelen. De toeschouwers voelen en zien aan de houding, de manier van kijken en het gedrag van de acteurs, dat ze eigenlijk iets anders bedoelen. Dat tussengebied tussen wat er gezegd en wat er eigenlijk bedoeld wordt is het gebied waarin een acteur toneel kan spelen, waarin hij of zij de vrijheid heeft om een rol op te bouwen. Dichtgetimmerd op die manier geeft de tekst geen beweegruimte voor de acteur en de lezer. Het is net alsof je met de kaart in je hand alle weggetjes af gaat lopen, alles is al uitgetekend, het is weinig avontuurlijk.’























Recensie 2





J. Bernlef





Bernlef: de schrijver als man van het midden



door: Douwe de Vries





(Bron: Uitgelezen 11, 1991)



Bernlef lezen betekent 'opgescheept' worden met vragen die de essentie van het menselijk bestaan raken. Bernlef is een twijfelaar, een 'man in het midden', zoals hij een tweeluik van 1976 noemt; een schrijver die zich terdege bewust is van het feit dat het leven in diepste grond nauwelijks door taal is vast te leggen. Zijn werk bestaat dan ook voornamelijk uit leesmomenten die in zijn poëzie niet verder komen dan vluchtige indrukken — door het toeval verrassend — en die in zijn romans en verhalen zich aaneenrijgen tot ogenschijnlijk onsamenhangende, maar bij nader inzien weloverwogen gecomponeerde verhaalstructuren.





De achteloosheid waarmee Bernlef zijn werk — niet alleen de poëzie maar ook het proza — schijnt te schrijven brengt de lezer meermalen in verwarring. Het is alsof de auteur zijn lezers een aantal uiterlijkheden aanbiedt met de opdracht de zin daarvan zelf maar op te sporen. Maar de nauwkeurige lezer neemt geen genoegen met die terloopse manier van schrijven. Hij leest, interpreteert, waardeert en ... komt tot de ontdekking, dat er door die schijnbare alledaagsheid een levensgevoel wordt uitgedrukt dat in feite tragisch is.





In het reeds genoemde boek De man in het midden, dat overigens sterk autobiografisch is, schrijft de auteur op blz. 71: 'Mijn enige geloof was de twijfel. Ik noemde mijzelf een waarnemer en de belangrijkste eigenschap van een waarnemer is voortdurende twijfel aan eigen waarnemingen. Eigenlijk kan hij daarom nooit iets zeggen'. Dat wil niet zeggen, dat Bernlef zich in zijn werk nooit uitspreekt over thema's als eenzaamheid, menselijke communicatie, godsdienst en sterven. Maar hij komt nooit verder dan een aanzet, een handreiking van een man die zelf geen raad weet met wat hij naar voren brengt. Een handreiking van een twijfelende waarnemer is geen handreiking in de werkelijke betekenis van het woord. Daarom blijft de lezer veelal achter met een onbevredigd gevoel.





‘De man in het midden', zoals Bernlef zich in zijn werk laat kennen, biedt een scala van mogelijkheden waaruit de schrijver zelf geen keuze heeft gemaakt... In dit opzicht staat Bernlef als auteur niet alleen in de moderne literatuur. Uit de bespreking van een deel van zijn proza zal straks blijken, dat er vele elementen zijn te herkennen die Bernlef maken tot een schrijver die, wellicht meer dan welke tijdgenoot ook, een 'kind van zijn tijd' is.





Enkele biografische gegevens



J. Bernlef (Henk) is het pseudoniem van de op 14 januari 1937 in Sint-Pancras geboren Hendrik Jan Marsman. Hij debuteerde in 1960 met de gedichtenbundel Kokkels, waarin hij is te herkennen als één van de Zestigers, dichters die zich groepeerden rond de tijdschriften Barbarber en Gard Sivik. Het ging er deze groep dichters (onder wie K. Schippers en Bastiaan Vaandrager) om die elementen uit de realiteit om ons heen te beklemtonen die wij, door de dwang der gewoonte, niet meer zien. Twee totaal verschillende zaken kunnen in de poëzie van deze groep dichters in wezenlijk contact met elkaar worden gebracht, waarbij de taal als rela-tiemakend instrument wordt gehanteerd. Het is niet verwonderlijk, dat daardoor verrassende effecten worden bereikt. Het toevalselement in de Zestiger-poëzie is minstens zo belangrijk als het zo helder, zo simpel, zo doodgewoon mogelijk aanduiden van werkelijkheidselementen. Bernlefs gedichten — en dat geldt ook voor zijn proza — bestaan bij de gratie van een 'ondanks', van een minimale zekerheid in een groot veld van betrekkelijkheden, zo staat treffend weergegeven op de achterflap van de gedichtenbundel Ben even weg (1965). Kees Fens schreef eens, dat de meeste verzen van Bernlef even snel vergeten zijn als de eerste indruk aangenaam was. En daarmee zijn ongetwijfeld de intenties van Bernlef (en andere Zestigers) bewaarheid.





Na zijn debuut heeft hij nog verschillende gedichtenbundels geschreven en nog in hetzelfde jaar (1960) liet hij een verhalenbundel, Stenen spoelen, verschijnen. Bernlef beperkte zich niet alleen tot poëzie en proza; ook schreef hij toneel (Sterf de moord in 1973 en 'Deuren' in 1977).



Sinds 1964 wijdt hij zich geheel aan de letteren. Het is in dit kort bestek niet mogelijk het gehele oeuvre in onderdelen bevredigend te bespreken. Daarom beperk ik mij tot een klein deel van Bernlefs proza: De verhalenbundel Onder de bomen (1963) en drie romans: Sneeuw (1973), Meeuwen (1975) en De man in het midden (1976). Deze keuze is niet helemaal willekeurig. We zullen strakszien, dat er herkenbare lijnen lopen van de verhalen, die in het begin van Bernlefs schrijverschap ontstonden, naar de drie romans, waarvan de laatste een dramatisch hoogtepunt vormt.





Meeuwen (1975)



In het verhaal 'For whom the bells tolls' (een citaat van Hemingway) in Onder de bomen wordt reeds gepreludeerd op de grondtoon van Bernlefs roman Meeuwen. Op blz, 68 zegt Göran tegen de ikfiguur: 'Jij bent nog jong, de hele wereld ligt voor je open. Jij bent niet gebonden. Als een meeuw kan je vliegen' en hij strekte zijn armen boven zijn hoofd en maakte er vliegbewegingen mee. In de context van het verhaal is die ongebondenheid van de hoofdpersoon inderdaad concreet: Hij heeft net zijn vrouw verlaten en tracht een nieuwe toekomst op te bouwen. Maar het is ook een zich onttrekken aan alles wat met maatschappelijke verhoudingen te maken heeft. De ikfiguur is er zich echter van bewust, dat er slechts een leegte achterblijft, dat hij eigenlijk niet in staat is die leegte op te vullen. Het optreden van de meeuwen in de gelijknamige roman is meer functioneel. Het doodslaan van een met olie bevuilde en ten dode opgeschreven meeuw op het strand door de hoofdfiguur Arend Wijtman toont enerzijds zijn onmacht om met zichzelf in het reine te komen en anderzijds de nadering van een katastrofe voor hem zelf. Zelfs een meeuw, een zo ongebonden vogel die het menselijk bedrijf nieuwsgierig volgt, maar het desalniettemin volstrekt links kan laten liggen, kan ten offer vallen aan datzelfde bedrijf. En dan kan het nodig zijn, dat de dood een handje wordt geholpen ...





Evenals Sneeuw voltrekt deze roman zich op een eiland. En ook dat is niet toevallig, temeer daar de hoofdpersoon, een éénenvijftigjarige kantoorbediende zich wil afzonderen, nadat de dokter hem heeft verteld, dat hij keelkanker heeft en niet meer zal kunnen spreken. Via de beschrijving van een aantal momenten, indrukken van belevenissen van Arend Wijtman, laat Bernlef de lezer zich vertrouwd maken met de uitzichtloze situatie waarin de hoofdfiguur verkeert. De dokter heeft hem gezegd, dat hij opnieuw kan leren spreken, maar dan wel slechts met de slokdarm. 'We hebben hier een aantal mensen in de nazorg waarmee we heel goede resultaten boeken'.





Wijtman is echter gebroken en hij besluit zich af te zonderen op een eiland (de entourage doet sterk denken aan een Waddeneiland, maar dan wel van enkele decennia geleden; mogelijk wordt Schiermonnikoog bedoeld). Hij probeert zich aan te passen aan zijn toekomstige handicap. Met een opschrijfboekje, een aantal coltruien en een gloednieuwe verrekijker gaat hij naar het eiland. Hij wil zich van tevoren wapenen tegen een leven-zonder-stem en neemt zich voor te doen alsof hij nu al niet meer kan spreken. Hij neemt zijn intrek in het (enige) hotel op het kleine eiland, waar hij aanvankelijk de enige gast is; later komt er nog een vrouw die — zo blijkt later — met haar man overhoop ligt. En dan ontwikkelt zich het drama waarin Wijtman tenslotte letterlijk en figuurlijk niet meer het hoofd boven water kan houden. Hij hanteert steeds langer en steeds vaker zijn verrekijker om met de werkelijkheid, de mensen en de dingen, te communiceren. De afstand tussen beide wordt steeds groter. De eilandbewoners demonstreren een overigens niet-vijandige onverschilligheid jegens hem: 'Ze knikten hem toe als hij binnenkwam, ze knikten hem na als hij wegging. Hij was de man die niet kon spreken. Een vreemdeling bovendien'.





Wijtman communiceert met de mensen via zijn notitieboekje en dan nog wanneer dat hoogstnoodzakelijk is. Het is alsof hij ook niet meer in staat is contact te maken met de dingen. 'Hij pakte een denneappel en gooide hem met al zijn kracht tegen een boom. De denneappel sprong van de stam terug en viel op de grond. Die daad stelde hem gerust. Het was zijn werk. Hij had een denneappel verplaatst. Even had hij het gevoel te passen in het landschap waar hij doorheen liep'. Even is er — ondanks zijn tragische toestand — een superioriteitsgevoel; even heeft hij weer het gevoel deel uit te maken van de werkelijkheid. Dit soort momenten komen herhaaldelijk in het verhaal voor, maar hoe verder het vordert hoe minder frequent. De afstand tussen Wijtman en de buitenwereld wordt steeds groter.





Na een dag of vier blijkt er een elfjarig meisje te zijn verdwenen, het dochtertje van een timmerman. Een tegen zijn pensioen aanlopende politieman, Leo Wigman, komt van de vastewal om het onderzoek naar deze verdwijning te leiden. Het ligt voor de hand te veronderstellen, dat de roman nu een meer detectivistisch karakter krijgt. Bernlef blijft echter bij zijn typische verhaalstructuur: hij presenteert momenten, uiterlijkheden, die Leo Wigman laten kennen als een geroutineerd rechercheur die weliswaar alles doet wat hij in een dergelijke situatie moet doen, maat het totaalbeeld is niet dat van een speurdersverhaal. De rechercheur komt niet verder dan een plichtmatig routine-onderzoek. Hij denkt niet in de eerste plaats aan een misdaad, hoewel het toch voor de hand ligt, dat hij Arend Wijtman als vreemdeling en als potentiële dader aan de tand voelt.





Pas nadat Wijtman zelfmoord heeft gepleegd, krijgt hij interesse voor zijn aantekenboekje. Maar dan blijken alle notities door het zeewater te zijn uitgewist. Niet alleen voor Wigman, maar ook voor de lezer wordt er niets opgelost. Wigman gaat onver-richterzake terug naar de vastewal en de lezer heeft er geen flauw vermoeden van wat er met het spoorloos verdwenen meisje is gebeurd. Bernlef geeft ook geen voldoende informatie over de man die Wijtman door zijn verrekijker zich ziet vermaken met een naakte pop.





Als Bernlef op de achterflap van het boek schrijft, dat 'de lezer intussen de enige is die weet hoe het spoor in werkelijkheid loopt' is deze mededeling niet meer dan een ironische hint waaraan de lezer niets, maar dan ook niets heeft. Trouwens, de lezer hoeft, als het aan de schrijver ligt, niets over de werkelijke toedracht van de verdwijning te weten te komen. De verhaalstructuur laat geen oplossing toe zoals in een speurdersroman. De verdwijning van het meisje, het optreden van Arend Wijtman, de koele machteloosheid van Wigman, de schijnbare onverschilligheid van de eilandbewoners tegenover vreemdelingen, het zijn allemaal verhaalmomenten die tezamen het beeld oproepen van een wereld waar ondanks de afzondering — waarin toch één of andere vorm van communicatie, een op elkaar aangewezen zijn, verwacht mag worden — geen enkel wezenlijk contact tussen mensen mogelijk blijkt te zijn. De escapade van Wigman en de vrouw van de eilandagent Lozen is dan ook slechts een tijdelijke, zeer onbevredigende bevlieging. Het is een moment, zoals andere in dit boek, maar wel concreet in zijn symboliek: de eenzaamheid, de uitzichtloosheid, het fatalisme, waaraan de mensen ten offer vallen.





Wijtman probeert, door zich te isoleren, contact te houden met de werkelijkheid, hoe paradoxaal dat ook klinkt. Maar hij mislukt daarin. Hij ziet uiteindelijk geen uitweg meer, omdat de werkelijkheid niet 'veranderbaar' is. Arend Wijtman trekt zijn noodlottige conclusie. Overigens doet ook Leo Wigman geen poging om zich tegen zijn lot te verzetten. En de eilandbewoners zijn verstrikt in hun eigen orde. Bernlefs beschrijving van een kerkdienst, die de rechercheur bezoekt om meer informatie te krijgen over de verdwijning van het meisje, blijft steken in een kille constatering van uiterlijkheden, soms ironisch getint. Terwijl de gemeente de handen vouwde en de hoofden boog, leunde Leo Wigman achterover in de harde kerkbank. Met Gods hulp had de rechercheur nog nooit iets weten op te lossen. Wel met geluk en toeval'. Het is duidelijk, dat Bernlef via Wigman laat weten, dat hij geen andere uitweg ziet uit die fatalistische visie op de werkelijkheid.





Alle verhaalmomenten die tezamen de structuur van deze roman vormen, werken mee aan die ene draad: De existentiële eenzaamheid van de mens die volledig op zichzelf aangewezen is en maar van het leven moet maken wat er van te maken is. Voor Arend Wijtman past in die visie slechts de uiterste consequentie: zelfmoord. Hoe gemakkelijk dat ging, had hij zelf kunnen 'uitproberen' met een meeuw waarvoor geen hoop op leven meer was: 'Een harde klap met een eind hout. Daar kon geen filosofie tegenop'.





Als Wijtman zich met zijn zakken vol stenen naar zee heeft gesleept en zich heeft verdronken, verwacht de lezer een verband met de verdwijning van het meisje, maar dat verband wordt op geen enkele wijze door de auteur gesuggereerd. Het is alsof de routinier Wigman slechts met tegenzin het geval-Wijtman als een gebeurtenis bekijkt die niet op toeval berust, maar te maken heeft met het vermiste kind. De wereldvreemde makelaar — bewoner van een ietwat afgelegen bungalow — blijkt het notitieboekje uit de binnenzak van Wijtmans jas die hij op het strand aantrof, te hebben gepakt. Waarom hij dat deed, vertelt de auteur niet... Bovendien zijn alle aantekeningen, zoals eerder vermeld, door het zeewater weggewist. Het lijkt erop alsof Bernlef angstvallig vermijdt de lezer een aanwijzing te geven in dit toch wel detectivistisch getinte slot van de roman. Ongetwijfeld past het niet meer leesbare notitieboekje bij het hoofdthema van het verhaal: de volstrekte eenzaamheid van een geïsoleerd mens en zijn onmacht om zich daartegen te verzetten. Er blijft niets over, maar dan ook Niets. Dat is de tragische visie die Bernlef in dit boek indrukwekkend verbeeldt.

































Argumenten uitgelicht





Structureel argument



Alle verhaalmomenten die tezamen de structuur van deze roman vormen, werken mee aan die ene draad: De existentiële eenzaamheid van de mens die volledig op zichzelf aangewezen is en maar van het leven moet maken wat er van te maken is. Voor Arend Wijtman past in die visie slechts de uiterste consequentie: zelfmoord. Hoe gemakkelijk dat ging, had hij zelf kunnen 'uitproberen' met een meeuw waarvoor geen hoop op leven meer was: 'Een harde klap met een eind hout. Daar kon geen filosofie tegenop'.





Realistisch argument



 Terwijl de gemeente de handen vouwde en de hoofden boog, leunde Leo Wigman achterover in de harde kerkbank. Met Gods hulp had de rechercheur nog nooit iets weten op te lossen. Wel met geluk en toeval'. Het is duidelijk, dat Bernlef via Wigman laat weten, dat hij geen andere uitweg ziet uit die fatalistische visie op de werkelijkheid.





Moreel argument



De escapade van Wigman en de vrouw van de eilandagent Lozen is dan ook slechts een tijdelijke, zeer onbevredigende bevlieging. Het is een moment, zoals andere in dit boek, maar wel concreet in zijn symboliek: de eenzaamheid, de uitzichtloosheid, het fatalisme, waaraan de mensen ten offer vallen.





Emotivistisch argument



Al van jongs af aan had hij een fascinatie voor de menselijke hersenen, geeft Bernlef toe. ‘Het gaat aan de filosofie vooraf natuurlijk, zonder brein geen filosofie of welk ander denken dan ook. De werking van de menselijke hersenen heeft me van meet af aan enorm geboeid. Daar komt alles uit voort, de taal, gedachten, de concepten waarmee wij de werkelijkheid in tijd en ruimte indelen. Dat zijn allemaal dingen die zonder een brein niet mogelijk zijn. En al heel gauw kom je dan uit op gevallen waarin er iets misgaat. Want het is natuurlijk curieus dat als het brein goed werkt, het lijkt alsof het een voortdurend proces is. Zoals ik hier nu zit te praten denk ik - of zo komt het mij voor - dat mijn denken en mijn spreken synchroon lopen of deel van hetzelfde proces zijn. Je komt er pas achter bij mensen die door een ongeluk of een beroerte afatisch worden. Die kunnen dan wel heel coherent denken, maar ze zijn niet meer in staat om de juiste woorden te vinden bij wat ze willen zeggen. Het spreken en het denken zijn wel gescheiden processen, maar die zijn in een gezond brein zo goed op elkaar afgesteld, dat ze zich voordoen als één proces. Het paradoxale is dat je alleen door je concentreren op wat er mis gaat in het brein je er iets over te weten kunt komen.’





Er blijft niets over, maar dan ook Niets. Dat is de tragische visie die Bernlef in dit boek indrukwekkend verbeeldt.





Intentioneel argument



Er blijft niets over, maar dan ook Niets. Dat is de tragische visie die Bernlef in dit boek indrukwekkend verbeeldt.





Stilistisch argument



Bijvoorbeeld de zin ‘er tekende zich een rij bomen af aan de horizon’. Als mededeling weet dan iedereen waar we het over hebben, maar in een literaire tekst wil je de zintuiglijkheid van zo’n observatie vast leggen - welke bomen zijn het? Het zijn allemaal verschillende bomen, qua soort, vorm, enzovoorts. En de taal heeft de neiging om allerlei individuele aspecten uit te poetsen omwille van algemeen begrip. Het zou ook een onbegonnen werk zijn om voor elk fenomeen een ander woord te hebben, dan kunnen we niet meer met elkaar communiceren. Maar als je een literaire tekst schrijft dan ga je je op een gegeven moment ergeren aan dat hoge abstractieniveau dat in de woorden zit. Je moet als het ware tegen de taal in schrijven en je heel bewust zijn van wat je doet. Je kunt beter niet die algemeenheid omschrijven, maar er juist één saillant detail uithalen, waardoor het plotseling een concrete inhoud krijgt, anders blijft het allemaal abstract.’ 





Verniewingsargument



Evenals Sneeuw voltrekt deze roman zich op een eiland


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Andere verslagen van "Meeuwen door J. Bernlef"