ADVERTENTIE
Open Avond = ontdekken of jij hier past Leren is keuzes maken. Continu blijven zoeken, twijfelen, vallen en opstaan. Dát leren, dat leer je bij Hogeschool Inholland. Tijdens onze Open Avond op woensdag 30 oktober staan onze studenten en docenten klaar om al je vragen te beantwoorden. Kom langs en ontdek of jij hier past.

Meer info!
Leesverslag “Karel ende Elegast”

Technische Gegevens:

Schrijver: Onbekend
Titel: Karel ende Elegast
Vertaald door: Karel Eykman
Inleiding & aantekeningen: A.M. Duinhoven
Druk: 1998 [Eerste Druk]
Uitgeverij: Prometheus/Bert Bakker uit Amsterdam

Motto en opdracht:

Niet aanwezig

Titelverklaring:

Het zijn de namen van de twee hoofdrolspelers. Het was ook de titel in de Middeleeuwen.

Soort literatuur:

A. Karelroman/Frankische ridderroman
Kenmerken:
- Hoofdfiguur (Karel) heeft echt bestaan
- Eergevoel (angst voor schande)
* Karel is bang voor schande, omdat hij moet gaan stelen.
* Karel wil liever vechten dan zijn naam te zeggen.
* Elegast groet iedereen, behalve Eggeric.
* Eggeric wil niet met Elegast vechten, omdat hij een dief is.
- Wraak
* Alle verraders worden opgehangen.
- Strijd
* Het gevecht van Elegast en Karel.
* Het gevecht van Elegast en Eggeric.
- Slechte behandeling van de vrouw
* De vrouw van Eggeric wordt geslagen en uitgehuwelijkt.
B. Sprookje (-voor een deel  het sprookje van de meesterdief)
- Elegast is die meesterdief. Hij kan met een of ander kruid, de dieren verstaan. Hij betovert (met een gebed) de mensen in het kasteel in slaap. Hij steelt het zadel uit de slaapkamer van Eggeric (de meesterproef).
- Elegast = Elve-gast = Heer van de Elfen.

Structuur:

- 1431 rijmende regels
- Het verhaal is niet ingedeeld in hoofdstukken of delen

Samenvatting:

Koning Karel wordt in zijn slaap gewekt door een engel. De engel zegt dat hij van God aan Karel moest zeggen dat hij moest gaan stelen. Als hij dit niet doet, dan zal hij door God worden gestraft. De koning denkt dat hij droomt, en wil weer gaan slapen. Maar dan zegt de engel voor de tweede keer dat hij moet gaan, anders kost het hem zijn kop. Maar Karel zegt dat het helemaal niet nodig is, omdat hij al zo rijk is. Hij zegt dat hij wel zeven stenen burchten aan de Rijn zou willen bouwen, als hij kon voorkomen dat hij moet gaan stelen. Als de engel voor de derde keer komt zeggen dat hij op pad moet gaan, legt Karel zich hierbij neer, en vertrekt dan ook.
Als hij zijn kasteel uitloopt, merkt hij dat niemand hem opmerkt. Hij kan lopen waar hij wil, zonder gezien te worden door zijn wachters of personeel. (Hij wordt geholpen door de kracht van God). Hij loopt het kasteel uit door de poort en maakt zijn paard klaar. Hij doet dit zo zonder enige attentie van zijn mannen op te wekken. Nu Karel onderweg is, merkt hij pas hoe moeilijk het leven van dieven moet zijn. Hij neemt zich ook van nu af aan, dan hij nooit meer dieven zal straffen voor een kleinigheidje. Meteen als hij dit denkt, denkt hij aan Elegast, een ridder die hij destijds van zijn naam heeft beroofd, omdat hij een kleinigheidje had gedaan. Hij krijgt spijt van deze actie. Ook weet hij van Elegast dat hij geen arme mensen overvalt, maar alleen rijke mensen zoals bisschoppen, abten, monniken, dekens, heren, enz. Elegast staat erom bekend dat hij heel sluw is maar tegelijkertijd ook heel sympathiek.
Karel schreeuwt nu uit dat hij hoopt dat hij Elegast tegenkomt, en zijn metgezel wordt. Dan ziet de koning een man te paard aankomen, die helemaal gekleed is in het zwart. De “zwarte ridder” wil Karel gaan overvallen, omdat Karel er zo rijk uitziet. Hij heeft een groot paard en grote dure wapens. Als Karel de man ziet, denkt hij dat het de duivel is. De zwarte ridder vraagt aan de koning waar hij naartoe gaat, en wat zijn naam is.
Karel wil hierop niet antwoorden dus komt er een gevecht. Het gevecht duurt heel lang. (Net zo lang als je een mijl kan lopen). Maar dan slaat de zwarte ridder zijn zwaard op Karels helm kapot. De koning wint, maar slaat zijn tegenstander niet dood. Hij wil weten wie die man is. De ridder vertelt dat hij Elegast heet. Hij heeft een bende van twaalf rovers. Ze overvallen, alleen uit noodzaak, bisschoppen, kanunniken, abten, dekens, monniken, priesters en pastoors. Alles wat ze daaraan verdienen, delen ze over de twaalf rovers.
Nu Elegast zijn verhaal heeft verteld, moet Karel dit ook doen. Karel weet dat als hij de waarheid vertelt, Elegast niet met hem meegaat. Dus verzint hij een leugen. Hij zegt dat hij een heel slechte dief is, en dat zijn naam Adelbrecht is. Hij breekt in, in kerken en kloosters en besteelt geestelijken. Hij steelt van de rijken én de armen, liegt hij. Hij vraagt aan Elegast of deze zijn compagnon wil worden, voor een klus. Maar Elegast wil eerst weten hoe en wat. Karel wil in zijn eigen kasteel inbreken, het kasteel van Koning Karel. (Zo vangt hij drie vliegen in een klap: Hij voldoet aan de eis van God, hij kan het weer goed maken met Elegast, en het kan geen kwaad om van zichzelf te stelen, dat krijgt hij toch weer terug.). Het verloopt echter niet zo simpel, Elegast wordt boos als Karel dit voorstel doet. Hij is heeft ooit onder het gezag van Koning Karel gewerkt en, al heeft hij hem dan zijn land en leven afgenomen, hij blijft zijn koning altijd trouw. Hij is dus vierkant tegen het voorstel van Karel. Nu Karel dit hoort, dat Elegast hem nog steeds trouw is, zweert hij dat als alles eenmaal achter de rug is, hij hem zal belonen. En wel zo belonen, dat hij nooit meer hoeft te roven en te stelen.
Elegast legt het voorstel op tafel om bij Eggeric van Eggermonde in te breken, want hij zou zich hebben schuld gemaakt aan verraad, en zelfs hebben geprobeerd de koning te vermoorden. De koning vindt dit een goed idee, want de vrouw van Eggeric van Eggermonde, is zijn zus!
Als ze onderweg zijn naar het kasteel van Eggeric, komt Karel erachter dat hij helemaal geen gereedschappen heeft om ergens in te breken. Als hij langs het veld komt, ziet hij een oude ploeg staan. Hij loop ernaar toe, en neemt een deel van de ploeg mee, dat dan maar als gereedschap moet dienen. Als ze bij het kasteel zijn aangekomen, gaan ze een gat in de muur maken, om naar binnen te komen. Dan ziet Elegast wat voor gereedschap Karel heeft. Hij lacht hem hard uit, en vraagt waar hij dat vandaan heeft. Karel verzint dat hij zijn echte gereedschap (zijn koevoet enz.) heeft moeten achter laten, omdat hij achtervolgd werd door een stel rovers. Het ding wat hij nu heeft, is zijn tijdelijke gereedschap.
Als het gat in de muur groot genoeg is om door naar binnen te kruipen, pakt Elegast een potje uit zijn zak, waar een kruid inzit. Hij stopt dit kruid in zijn mond. Nu kan hij alles horen wat de dieren tegen elkaar zeggen. Hij hoort een haan tegen een hond zeggen dat de koning buiten staat. Elegast rent weer door het gat naar buitenom tegen Karel te vertellen wat hij net heeft gehoord. Karel zegt dat daar helemaal niets van kan kloppen, en daagt hem uit om door te gaan.
Nu krijgt Karel ook een stuk van het kruid in zijn mond. Maar als Elegast het kruid weer terugvraagt, komt Karel tot zijn grote verbazing erachter, dat het kruid uit zijn mond weg is. Weer lacht Elegast hem hard uit, omdat hij het kruid allang uit zijn mond heeft gehaald en zegt: “Ben jij nou een echte dief?”
Voordat ze weer naar binnen gaan, spreekt Elegast een gebed uit, waardoor hij iedereen in slaap tovert! Zodra iedereen slaapt, steelt hij alles uit de schatkamer. Maar net als hij met alles terugkomt, wil hij wéér terug naar binnen, om ook het zadel van Eggeric uit zijn slaapkamer te stelen. Dit is heel moeilijk, want het zadel is van goud, en er zitten allerlei belletjes aan, en als hij daarmee teveel geluid maakt, wordt Eggeric wakker. Elegast pakt het zadel, maar maakt toch teveel lawaai, en Eggeric wordt wakker. Meteen pakt hij zijn zwaard, maar net op tijd kan zijn vrouw ingrijpen. Ze zegt dat hij droomt, hij doet namelijk al zolang zo raar. Hij zegt dat hij Koning Karel wil gaan vermoorden. Maar zijn vrouw (Karel’s zus) wil dat dit absoluut niet gebeurt en wordt daarom ook boos. Eggeric wordt kwaad, en slaat zijn vrouw in het gezicht. Ze begint te bloeden, maar om niet op de lakens van het bed te knoeien, buigt ze haar hoofd over de rand van het bed. Elegast ziet dit, en weet het bloed, dat uit de neus van Eggeric’s vrouw sijpelt op te vangen. Op dat moment spreekt Elegast weer een gebed. Eggeric en zijn vrouw vallen weer in slaap, en Elegast weet het zadel én het zwaard van Eggeric mee te nemen.
Als Elegast na een tijdje weer buitenkomt, vraagt Karel waar hij al die tijd gebleven was. Elegast zegt dat hij nog even naar binnen moet om het hoofd van Eggeric eraf te hakken. Als Karel vraagt waarom, vertelt Elegast waarom Eggerics hoofd eraf moet. Nu weet Karel waarom God hem uit stelen stuurde: om te voorkomen dat men hem zou doden. Karel zegt tegen Elegast dat het toch helemaal niet uitmaakt als Koning Karel dood zou gaan. “Laat hem maar lekker doodgaan” zegt Karel. Dan wordt Elegast woedend. Nu komt Karel erachter dat iemand die hij vertrouwde (Eggeric van Eggermonde) hem wil gaan vermoorden, en de man die hij niet vertrouwde (Elegast) zijn beste vriend is.
Karel zegt tegen Elegast dat hij Eggeric niet moet vermoorden, Karel zegt zelf wel tegen Koning Karel dat Eggeric hem wil vermoorden. Op dit moment scheiden hun twee wegen. Elegast gaat terug naar zijn vrienden, en Karel gaat snel naar zijn kasteel, om te zorgen dat niemand weet dat hij heel de nacht weg was geweest.
Als Karel thuiskomt, slaapt iedereen nog. Hij heeft nog net tijd om zijn paard weer in de stal te zetten, zijn wapens op te ruimen, en zijn bed in te kruipen, voordat de hoorn wordt geblazen dat er een nieuwe dag is aangebroken.
Als hij wakker wordt, roept hij meteen zijn Geheime Raad bijeen om het aanvalsplan van Eggeric van Eggermonde neer te slaan. Ze beslissen dat ze met veel manschappen een verdediging achter de poorten opbouwen. Bij de poort staan ongeveer zestig man die elk groepje vijanden binnenlaten, fouilleren, en in de cel zetten. Ze komen erachter dat het een echte verrassingsaanval was. De mannen hadden namelijk gewoon burgerkleren aan, met daaronder de wapens zoals scherpe, puntige messen. Als alle groepen zijn geweest, komt achter aan Eggeric met het laaste groepje de poort binnen. Hij wordt gearresteerd en in de cel gezet. Eggeric moet nu voor de rechtbank komen, en omdat er geen bewijs is, worden er verschillende bodes het bos in gestuurd, om Elegast te vinden en mee te nemen.
Als Elegast aankomt, laat hij het bloed zien wat hij heeft opgevangen toen Eggeric zijn vrouw sloeg. Nog steeds ontkent Eggeric alles. Dus komt het erop neer dat er een gevecht moet plaatsvinden. (Godsoordeel, God bepaalt wie er wint) Ze hebben tot het donker is, en als er dan nog niemand heeft gewonnen, gaat Eggeric vrijuit.
Elegast is helemaal in het wit gekleed als ze beginnen. Het is een lang gevecht, maar na een tijd ziet Elegast kans om Eggeric van zijn paard af te steken. Maar Eggeric geeft niet op, hij pakt zij zwaard en gaat voor Elegast staan: “Kom van je paard af, dan zal ik zijn leven sparen” roept hij. Maar omdat Elegast bekend staat om zijn sympathieke houding, laat hij Eggeric weer opstijgen (hij is dus heel erg ridderlijk). Hij springt weer op zijn paard, en ze vechten een eindeloze strijd. Dan bidt de Koning van Frankrijk tot God om het gevecht te eindigen. Meteen heft Elegast zijn zwaard, en slaat, met de kracht van God, Eggeric’s hoofd in tweeën. Eggeric is dood. Hij wordt achter een paard gebonden, en als een pop door het hele dorp getrokken. Uiteindelijk hangen ze hem ook nog op. Elegast wordt beloond door Koning Karel. Hij krijgt de vrouw van Eggeric.

Tijd:

- Het is chronologisch en continu verteld
- De vertelde tijd is ongeveer 24 uur:
- Avond (nacht)
- De volgende dag (middaguur (noen), vespertijd (begin van het gevecht ongeveer 17.00 uur).
- Aan het slot is een soort “toegift”.
- Alle verraders worden gedood.
- Elegast leeft zijn verdere leven met de vrouw van Eggeric.

Ruimte:

- Kasteel van Karel
- Bos
- Kasteel van Eggeric
- Kasteel van Karel
Dit is een cyclische structuur.

Figuren:

Karel: - Een ontwikkeling naar een round character (Hij verandert van gedachten over de dieven en over Elegast).
- Het type van de ideale ridder. (Hij doodt Elegast niet als die zijn zwaard kapot heeft geslagen).

Elegast: - Flat character (er zijn weinig gegevens, en geen veranderingen)
- Hij is ook het type van de ideale ridder. (Hij is trouw aan de koning die hem slecht heeft behandelt; hij strijdt eervol, want Eggeric mag weer op zijn paard klimmen.

Eggeric: - Flat character
- Het type van de ontrouwe ridder.
“… hij zwoer mijns heren dood zonder bedwang of nood…”

Auctoriale vertelsituatie:

- Hij is alwetend (voor het gevecht van Karel en Elegast, weet je van allebei de gedachten.
- De lezers worden regelmatig toegesproken.

Stijl:

- Er is sprake van rijmdwang.
(De inhoud wordt aangepast, omdat het rijmen moet  Elegast rijmt altijd op vast)

Thema:

- Tegenstelling van goed en kwaad.
- Tegenstelling van trouw en ontrouw.

Symboliek:

- De heilige getallen
A. drie: - De engel komt drie keer.
- Elegast gaat drie keer het kasteel van Eggeric binnen.
- Eggeric heeft al drie dagen en nachten niet geslapen of gegeten.
B. zeven: - Zeven kastelen langs de Rijn.
C. twaalf: - Elegast heeft een bende van twaalf rovers.

Biografische en bibliografische gegevens:

Onbekend

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.