ADVERTENTIE
Meer kans op slagen?

De gouden tip van docenten: oefen met oude examens. Eindexamensite.nl helpt je daarmee. Via die tool kun je oude examenopgaven oefenen en krijg je feedback over welke onderdelen je nog niet beheerst. Zo leer je super efficiënt. Maak nu een gratis proefaccount of gebruik de kortingscode '5EURO'.

Nu oefenen!

Het zwijgen van Maria Zachea



Formele kenmerken



Auteur

Journaliste Judith Koelemeijer (1967) schreef in 2001 haar debuut Het zwijgen van Maria Zachea, waarin ze aan de hand van haar eigen familiegeschiedenis een tijdsbeeld schetst van de Nederlandse samenleving in de jaren ’50 en ’60. Behalve de NS Publieksprijs 2002 is het boek ook bekroond met de Zaanse Cultuurprijs en het Gouden Ezelsoor 2003 voor het best verkochte literair debuut.



Titel

Het zwijgen van Maria Zachea



Een ware familiegeschiedenis



Eerste publicatie

2001



Omvang

255 bladzijden



Motto

Er is geen motto aanwezig



Opdracht

Er is geen opdracht aanwezig



Aard van het werk

Roman



Wanneer heb je het boek gelezen?

Oktober 2005



Inhoudelijke kenmerken



Korte samenvatting

De ware geschiedenis van een groot katholiek tuindersgezin uit het Zaanse Wormer. Na een hersenbloeding van Maria Zachea, moeder van het gezin, hult zij zich acht jaar lang in een mysterieus stilzwijgen. Haar twaalf volwassen kinderen besluiten om om de beurt voor haar te zorgen. Judith Koelemeijer raakte geïntrigeerd door haar zwijgende oma en ging op zoek naar de geschiedenis van haar familie.

Ze vroeg zich af wat de twaalf kinderen wisten van hun moeder. Wat wisten ze eigenlijk van elkaar? Hoe keken ze terug op hun gezamenlijke jeugd in de jaren vijftig en zestig? Hun verhalen zijn onthullend en herkenbaar. Want hoe dicht ze vroeger ook op elkaar leefden, de broers en zussen blijken elkaar nauwelijks te kennen. Iedereen hield zijn zorgen voor zichzelf en zweeg. En alle twaalf bewaren, zonder het van elkaar te weten, volstrekt andere herinneringen aan hoe het destijds was.



”Het zwijgen van Maria Zachea” is niet alleen de voor velen herkenbare geschiedenis van een groot, katholiek gezin in tijden die verschrikkelijk snel veranderden. Het is ook het eigentijdse verhaal van twaalf broers en zussen, die samen moeten beslissen over leven en dood van hun zwijgzame moeder, en daarbij angstvallig proberen de harmonie te bewaren.



Thema

Het verhaal op zich heeft niet echt een thema. De schrijfster heeft dit boek geschreven omdat ze geïnteresseerd was in de geschiedenis van de familie Koelemeijer. Zijzelf is de dochter van een van de kinderen van Maria Zachea en vond het bijzonder hoe verschillend haar vader en zijn broers en zussen waren en hoe zij deel uit maakten van de Nederlandse geschiedenis. Zij heeft dit boek niet geschreven met een bepaalde grondgedachte of gaat niet uit van een centraal probleem. Toch komen in het boek verschillende thema’s terug. Als hoofdthema’s beschouw ik ‘familiebanden’ en ‘emotie’.



Titelverklaring

De titel “Het zwijgen van Maria Zachea” spreekt voor zich. De moeder van de twaalf kinderen praat na haar beroertes nauwelijks meer. Sommige kinderen denken dat zij dit simpelweg niet meer kan, andere denken dat dit een protest van haar is, tegen haar huidige manier van leven.

De titel slaat ook op de familie Koelemeijer. Bij hen thuis was over emoties praten min of meer taboe. Er werd meer gezwegen dan gepraat. De kinderen zelf denken ook dat komt doordat zij met zovelen waren thuis. Het was zonder een goed gesprek al druk genoeg.



De ondertitel is “Een ware familiegeschiedenis”. Het verhaal is echt gebeurd en bestaat uit herinneringen van een gezin.



Opbouw

Het verhaal bestaat uit twaalf hoofdstukken. Elk hoofdstuk vertelt de herinneringen van een van de twaalf kinderen van het gezin. Het eerste hoofdstuk gaat over de oudste dochter Jo en het begin van de verzorging van hun moeder na haar eerste beroerte. In het laatste hoofdstuk vertelt Guus zijn herinneringen en het einde van het leven van hun moeder. Van oud naar jong hebben ze ieder hun eigen hoofdstuk en vertellen ze allemaal hun eigen verhaal. Dit is een erg geslaagde manier om het verhaal te vertellen. Het verhaal is niet spannend, omdat moe erg langzaam achteruit gaat waardoor er geen onverwachte dingen gebeuren. Er zitten ontzettend veel flashbacks in het verhaal. Dit vond ik best boeiend, want ze verwijzen naar de jeugd van de personages. Het wekt geen verwarring op en ik vind het best overzichtelijk. De opbouw is bij elk kind/hoofdstuk hetzelfde. Er wordt begonnen met vertellen over hun jongste jaren, hoe ze later opgroeiden en de wereld leerden ontdekken en welke beroepen/bezigheden ze hadden. En er wordt meestal afgesloten met de zorgelijke situatie van hun moeder, die steeds zieker wordt. Ze geven ook dan allemaal ook hun visie over waarom hun moeder zwijgt, en over hoe het verder moet. Ook in het slot wordt niet duidelijk waarom moe jarenlang gezwegen heeft. Dit blijft een open vraag.



Hoofdpersonen

Het boek draait om de familie Koelemeijer, vooral moeder Maria Zachea speelt een belangrijke rol. Zij is het middelpunt van het verhaal, om haar draait alles. Maar met haar zijn ook haar 12 kinderen belangrijke hoofdpersonen.

Ik zal de belangrijkste personen omschrijven:



Maria Zachea: Moeder van 13 kinderen, die ze niet allemaal heeft kunnen zien opgroeien.

Haar oudste zoon Jos overleed op 19 jarige leeftijd.

Oma van 29 kleinkinderen.

Maria is getrouwd met Tinus, een liefhebbende, maar strenge, orthodoxe man. Zij houdt haar kinderen geregeld de hand boven het hoofd, als haar man het niet eens is met de daden van een van hen.

Maria heeft in haar leven veel meegemaakt, tijdens haar huwelijk, waarin ze zoals eerder gezegd 13 kinderen baarde, is ze toch met de tijd meegegaan. Haar hele leven heeft eigenlijk in het teken van haar gezin gestaan.



Ze heeft weinig moeite gehad met haar oudste dochters, Jo en Toos, zij deden immers netjes wat pa, ma of de pastoor hen opdroeg. Maar als de meiden van hun vader niet mochten gaan dansen of hun vriendjes niet goedkeurde, nam zij het wel voor hen op. Jo voelde zich zelfs zo erg thuis, dat ze tot haar dertigste bij moeder bleef wonen.



Van Jos, Maarten en Gerard heeft ze ook weinig moeilijkheden ondervonden, hoewel het nogal ongebruikelijk was dat zij gingen studeren, was ze toch erg trots op hen.

Van de onverwachte dood van Jos, heeft Maria veel verdriet van gehad, hoewel ze het niet echt uitte. En doordat er verder niet over gesproken werd, rustte er ook een taboe op om over emoties te praten.

Ook verliepen de keuzes van echtgenotes door deze zonen soepel, zelfs pa had er geen moeite mee.



Jan, Piet, Guus en Martien trokken meer naar hun vader, ze brachten uren met hem door in de tuin. En ze hebben later het bedrijfje van hun vader voortgezet en uitgebreid. Maar nadat Maria verschillende infarcten heeft gehad, en aan de rolstoel is gekluisterd, zijn zij het juist die het meeste optrekken met hun moeder, en met haar een hechte band opbouwen.



Marian, die na zes jongens geboren werd, viel er een beetje buiten. Ze had niet echt een kameraadje in het gezin. Moeder had dit in de gaten, en bracht haar vrije tijd met Marian door. Hierdoor ontstond er een hechte band.

Toen de jongste kinderen (Frans, Lucie en Guus) in de pubertijd zaten, hebben zij Maria en haar man vele kopzorgen bezorgd. Vooral door hun rock’n roll- en popmuziek, de afzetting tegen de kerk, hippie uiterlijk, en de pil.

Hoewel Maria het nooit hardop zou zeggen, was deze tijd haar toch het dierbaarst.



Jo: geboren in 1934, oudste dochter van het gezin.

Jo was de oudste van 13 broers en zussen. Ze schaamde zich vaak voor hun grote gezin, en had er af en toe ook de pest aan. Want ze voelde er niets voor om verantwoordelijk te zijn voor haar broers en zussen.

Omdat het hoogst ongebruikelijk was voor een meisje, om door te studeren na haar lagere school, deed ze dit dan ook niet. Ze ging naar de huishoudschool, en op haar 15e hielp ze haar moeder met het huishouden. Ze vond het niet erg leuk, maar beklaagde zich nooit, want dat zouden vader, moeder en de pastoor haar erg kwalijk nemen.

Ze had af en toe een baantje in een winkel, of als hulp in de huishouding. Maar meestal was ze thuis.

Maar spijt dat ze niet had doorgeleerd had ze nooit. ’s Middags deden moe en zij verstelwerk. Ze luisterden naar de radio of zaten urenlang te kletsen. Haar band met haar moeder was haar dierbaar.

Vanaf haar zeventiende was ze een 2e moeder voor haar jongere broertjes en zusje. Toen Lucie geboren werd, moest zij 2 weken lang het huishouden runnen, dit viel haar erg zwaar. En ze zwoor toen aan zichzelf dat ze niet meer dan 3 kinderen wilde.

Nadat ze op haar dertigste eindelijk trouwde, zat ze haast elke dag nog bij haar moeder.

De beroertes die haar moeder troffen, hebben haar erg geraakt. Maar een echte voorstander van de thuisverpleging was ze niet. Het leek haar nogal griezelig, want het was een grote verantwoordelijkheid.

Jo vond het ook erg dat haar broers ma moesten aan- en uitkleden. Want, zo vond ze, dat was vrouwenwerk. Ze was nogal zakelijk in het verzorgen van haar moeder, en daarom, denk ik, praatte Maria ook niet meer tegen haar oudste dochter. Want de band die ze vroeger hadden, is langzaam stuk gegaan door het sterfbed van haar moeder.

Hoewel Jo de lijdensweg van haar moeder erg zwaar vond, was ze toch tegen het euthanasie-voorstel van Lucie. Maar toen de rest van het gezin vond dat het wel moest gebeuren, gaf ze, hetzij met tegenzin, toe.



Toos: geboren in 1937, één na oudste van het gezin.

Toos is heel anders dan Jo, ze is veel bedachtzamer en voelt zich ook eerder verantwoordelijk. Dat laatste is vooral goed te merken tijdens het sterfbed van haar moeder. Ze schrijft dan ook regelmatig in het “logboek” stukjes zoals deze:

”Gebruik a.u.b. altijd het kamerscherm. Dan hebben we het nog niet eens over hoe ze afkoelt. Koude voeten duurt bij haar de hele ochtend. De pantoffels staan ervoor. Ze wacht, dat weten we allemaal, heel lang voor ze een klacht laat horen.”

Toos had, in tegenstelling tot Jo, wel graag doorgeleerd. Maar dat mocht ze niet. Daarom greep ze ook iedere vrije minuut naar de Deutsche Wortschatz van haar broers, die leerde ze dan uit haar hoofd. Hiervan had ze later veel profijt, als moeder op de avondhavo.

Toos heeft zich eigenlijk altijd een beetje meer gevoeld dan haar broers en zussen, ze leerde zich de lijzige, Zaanse manier van spreken af, en sprak sinds die tijd altijd beschaafd Nederlands.

Ze had wel altijd vriendjes bij de vleet, maar geen van hen vond ze eigenlijk goed genoeg om mee te trouwen. Ze zocht eigenlijk een man die op haar broer Jos leek. De dood van hem heeft Toos erg aangegrepen. Ze was er razend over, ze had het willen uitschreeuwen, ze had willen vloeken, stampen. Maar als de tranen kwamen, rende ze snel naar boven of naar de wc, want huilen deed verder niemand thuis. Toen ze eindelijk een man zoals haar broer had gevonden, vertrok ze al snel uit de Zaanstreek naar een chique buurt in Bussum.

Toen haar moeder ziek werd, was zij een grote voorstander van de thuisverpleging, want zo zouden ze nog meer het ideaalbeeld van het perfecte gezin uitstralen.

Maar toen over het voorstel van euthanasie gesproken werd, was Toos eerst tegen. Maar na een tijdje draaide ze om als een blad aan de boom, want ze zag in dat dit geen menswaardig bestaan voor haar moeder was.



Maarten: geboren in 1939, oudste zoon na de dood van Jos.

Hij was samen met Jos de “bolleboos” van het gezin. Ze waren samen anders dan de rest, slimme boerenjongens te midden van rijkeluiszonen. Elke avond zaten ze te studeren in de voorkamer. Voor Maarten was Jos zijn grote voorbeeld. Hij was drie jaar ouder en wist alles eerder. Hij kon hem alles vragen wat je wilde. Hij was goed en eerlijk.

Maarten had voor de dood van Jos altijd het gevoel gehad dat hij achter Jos aankwam. Maar plots was hij van de ene op de andere dag eerste.

Net als de rest van de familie had hij moeite met het uiten van zijn gevoelens.

Maarten herinnerd zijn vader als een warm en hartelijk figuur, van wie hij de kans kreeg zichzelf te ontplooien, zonder dat hij druk voelde om het bedrijf van zijn vader over te nemen.

Maar tevens voelde hij zich ook buitengesloten, want thuis ging het altijd over het bedrijf. Ook werd hij door de “werkers”, lacherig “Professor”genoemd.

Nadat hij het huis uitging werd de band die hij met zijn familie had, dan ook minder.

De ziekte van zijn moeder bracht het gezin weer bij elkaar, en hier was Maarten wel blij mee. Maar hij vond wel dat de lijdensweg van zijn moeder te lang duurde, en hij was dan ook een van de eerste die in stemde met euthanasie.



Jan: geboren in 1941, vierde kind in het gezin.

Jan herinnerd zijn moeder als nogal gevoelloos. Hij kan zich niet herinneren dat zijn moeder hem ooit had aangehaald, en verjaardagen werden ook nooit gevierd.

Ook als er sprake was van pesterijen in het gezin, schonk moe er geen aandacht aan.

Jan schaamde zich voor de armoe die er in het gezin heerste en hij nam dan ook nooit een vriendje mee naar huis.

Toen Jan veertien werd, kreeg hij van zijn vader een zwart, manchester werkpak, een paar nieuwe klompen en een sigaret. Nu was hij een man.

Vanaf die dag werkte Jan in het bedrijf van zijn pa. Omdat hij zo veel met zijn vader optrok, kreeg hij dan ook een hechte band met hem. En later ook met zijn drie jongere broers die ook in het bedrijf kwamen werken.

Eind jaren ’50 vond de pastoor het tijd worden dat de familie vooruit moest. En dat was niet mogelijk zonder brommer. Hij gaf het gezin een oude Cyclemaster. Deze brommer bracht uitkomst, want nu konden ze ook klussen buiten de Wormerpolder aannemen. Soms hadden pa en hij pech en kregen ze de brommer niet aan de praat. Dan scholden ze samen op “het oude rotkreng”. Dit zorgde voor die hechte band.

De jongeren in het gezin vroegen Jan later, veel later, hoe het mogelijk was dat hij pa’s hand op zijn sterfbed vasthield. Ze waren hierover verbaasd en jaloers. Zelf hadden ze het niet kunnen opbrengen. En als ze ernaar vroegen, vertelde Jan altijd over de oude brommer.

Toen Jan’s moeder ziek werd, greep hij deze kans aan om ook met haar een goede band op te bouwen. Hij had nu zijn moeder eindelijk voor zichzelf.

Hij kon haar nu verwennen en knuffelen, iets wat ze vroeger nooit hadden gedaan.

Met de euthanasie had Jan het zwaar, maar ook hij zag in dat het de beste oplossing was om zijn moeder uit haar lijden te verlossen.



Piet: geboren in 1942, vijfde kind in het gezin.

Hij herinnert zijn moeder als een liefdevolle vrouw, van wie hij vaak iets extra’s toegestopt kreeg. Hij vroeg zich vaak af of hij het lieverdje van haar was.

Toen de tijd van de rock’n roll aanbrak, was hij het die ervoor zorgde, dat ze voor sinterklaas een radiocassetterecorder kregen.

Piet werd door zijn zussen vreselijk verwend, hij kreeg ook van hen allerlei extraatjes. Hij was ook de jongen die het meest modebewust was, en daarom namen zijn zussen hem regelmatig mee uit winkelen.

Piet droomde, in tegenstelling tot zijn broer, er niet van om tuinman te worden. Maar zijn oom Gerrit zat in het bestuur van een nieuwe katholieke landbouwschool, en had nog een leerling nodig om zijn school te kunnen beginnen. Zijn pa vond dit wel sneu voor Gerrit, dus stuurde hij Piet naar deze school. Piet was het er niet mee eens, maar zei niets.

De band met zijn moeder veranderde op het ziekbed. Piet was degene geweest die moe had gevonden toen ze haar eerste beroerte had gehad. Hij mocht van haar geen dokter bellen. Toch was hij er niet gerust op, en tenslotte belde hij zijn oudste zus Jo. Zij aarzelde geen moment, en belde de dokter. In het ziekenhuis werd moe geopereerd aan haar hersenen. Maar tijdens de operatie ging er iets mis, waardoor ze nu met de brokken zaten, vond Piet. Moe had het hem nooit vergeven.

Tijdens de eerste jaren van haar ziekte, was moe zo razend geweest dat ze geen woord meer tegen hen sprak.

Piet was dan ook de eerste die toestemming gaf voor de euthanasie.



Nico: geboren in 1943, zesde kind in het gezin.

Nico herinnerd zijn jeugd als erg zwijgzaam, want er werd nooit over dingen gesproken die iemand dwars zaten. Zelfs toen hij op een dag helemaal overstuur thuiskwam, omdat hij de schuld van iets had gekregen wat hij helemaal niet had gedaan, schonk moe geen aandacht aan de kleuter.

Nico was een slimme jongen, die dan ook mocht gaan studeren in Amsterdam. Tijdens het eerste jaar van zijn studie, kregen ze thuis, als laatste van de buurt, ook een tv. Dit was het begin van het einde van het geloof.

Zijn vader keek altijd naar de missen die op tv werden uitgezonden, de kinderen keken braaf mee, maar waren eigenlijk al lang niet meer zo gelovig.

Nico kreeg ook in de gaten dat het anders kon, toen hij op een keer een studentenecclesia bezocht. Deze priester die deze mis voorleidde, preekte met grote bezieling. Dit had Nico nog nooit meegemaakt, en hij was er helemaal van ondersteboven.

Ook veranderden door de komst van de televisie zijn denkbeelden over het huwelijk en sex.

Toen zijn moeder ziek werd, vond Nico het erg om haar zo te zien lijden. Toen Lucie voor het eerst het onderwerp euthanasie met hem besprak, moest hij er even over nadenken, en wilde hij er meer informatie over inwinnen. Maar uiteindelijk ging hij toch overstag, want ook hij zag in dat het geen menswaardig bestaan voor zijn moeder meer was.



Gerard: geboren in 1945, zevende kind in het gezin.

Gerard was ook een slimme jongen, en ook hij kreeg de gelegenheid te gaan studeren. Hij koos voor de studie rechten, want al van jongs af aan kon hij niet tegen onrecht.

Gerard leek erg veel op zijn moeder, hij had haar zachtaardige karakter, kon niet tegen onrecht en hield niet van ruzie. Gerard kreeg ook als eerste van de kinderen de nieuwtjes van zijn moeder te horen. Zijn moeder vroeg hem zelfs om raad, toen ze erachter was gekomen dat de vriendin van Piet zwanger was.

Gerard werd toen hij ging studeren, een rebelse student, net zoals Nico. Ze zagen beiden in dat lang niet alles klopte wat de kerk predikte. Als ze het er thuis over hadden, dan snerpte pa altijd dat ze net communisten waren. Nico ging er dan nog wel eens tegen in, maar hij hield liever zijn mond om de vrede te bewaren.

Toen zijn moeder ziek werd, was hij het geweest die vond dat ze allemaal een steentje moesten bijdragen aan de verzorging van hun moeder. Hij maakte de “oppas”-schema’s. Hij vond wel dat zijn moeder nog lang bleef leven, maar dat mocht van hem nog wel voortduren, zolang ze niet ondraaglijk leed.

Toen er over euthanasie werd gesproken, was Gerard fel tegen. Hij was de laatste die zich had laten overhalen.



Martien: geboren in 1946, achtste kind in het gezin.

Martien herinnerd zijn moeder als iemand die weinig aandacht aan haar kinderen schonk. Zijn eerste herinnering is: hij was een jaar of drie en moe had hem achter op het pleintje aan een boom gebonden. Zijn neefje stond er ook. Ze speelden samen met elkaar, en raakten hopeloos verstrikt en krijsten het uit.

Martien was een pientere jongen, maar desondanks zag hij niets in verder studeren. Hij wilde liever de tuinbouw in, maar pa was er tegen. En omdat hij niet naar de tuinbouwschool mocht, deed hij in de vijfde klas helemaal niets meer. Hij zakte van de beste van de klas naar een 25e plaats. Maar ook dat hielp niet. Maarten moest hem van zijn pa bijles geven, maar hij hield zich dom. Al hielp dat ook niet, hij werd toch aan genomen op de vervolg school waar Maarten en Nico ook hadden gestudeerd. Martien was het na een tijdje zo beu, dat hij gewoon niet meer ging. Op dat moment zag ook pa in dat het zo niet verder kon. Hij nam Martien toch maar in het bedrijf.

Martien vond het verschrikkelijk om moe zo te zien aftakelen. De ziekte sloopte haar volkomen. Hij hoopte voor haar dat de dood niet lang meer op zich liet wachten. En toen er over euthanasie gesproken werd, was Martien al direct een groot voorstander.



Marian: geboren in 1947, negende kind in het gezin.

Marian was een stil, verlegen kind. Marian werd door haar moeder, samen met Frans, Lucie en Guus, erg voorgetrokken, voor hen werden er uitstapjes en logeerpartijen bij de vele tantes in de buurt georganiseerd.

Doordat Maria zo stil was, werd er niet erg op haar gelet. Daardoor kwam het waarschijlijk dat ze zoveel van anderen meekreeg. Zo was ze bijvoorbeeld de enige die pa en moe ooit heeft zien huilen, zij was het ook die wist waar moe de sinterklaascadeautjes verstopte, en zij wist waar Jo en Toos hun liefdesbrieven bewaarden.

Marian was ook de eerste geweest, die met een “foute” jongen, in de ogen van haar vader, trouwde. Haar man was protestants opgevoed, en haar vader was fel tegen dit huwelijk.

Marian kreeg na de dood van haar vader, een hechte band met haar moeder. Ze deed wekelijks het huishouden voor haar moeder, en ze kwamen ook regelmatig bij elkaar over de vloer.

Ze zag het verzorgen van haar moeder, na haar ziekte, als iets gewoons. Ze zag natuurlijk wel dat het slecht ging met moe, maar ze zou uiteindelijk vanzelf doodgaan. Toen Lucie het voorstel euthanasie met haar besprak, raakte ze in de war. Was dit wel wat haar moeder zou hebben gewild? Maar uiteindelijk ging zij ook, hetzij als een van de laatsten, akkoord.



Frans: geboren in 1949, tiende kind in het gezin.

Frans was een snuggere jongen, die nergens erg veel voor hoefde te doen. Hij koos voor de studie Sociologie.

Frans kreeg weinig aandacht in zijn jeugd, zijn ouders waren het zat, na elf kinderen. Maar dat vond hij niet erg, hoe minder op hem gelet werd, hoe gelukkiger hij zich voelde.

Hij vond dat zijn ouders een instelling hadden gekregen van “je ziet maar wat je doet, ga je gang maar”. Terwijl zijn oudere broers en zussen nog van alles hadden gemoeten. Die moesten een goede, katholieke echtgenoot vinden, de eerste en beste student van het dorp zijn of bewijzen dat ze de zaak zelf konden runnen. Maar nu waren de meeste verwachtingen ingelost, het geld was verdiend en pa en moe waren de zestig gepasseerd.

Toen Frans 18 was, ging hij samen met Lucie en Guus op vakantie naar Texel. Hij zag daar dingen die hij nog nooit had gezien. Hij hoorde nieuwe muziek, rookte wiet en zag welke gevolgen de seksuele revolutie had.

Hij was de tweede in het gezin die een niet katholiek meisje huwde, maar hij ging nog een stapje verder dan Marian. Hij ging eerst met haar samenwonen, en trouwde daarna pas. Pa kon hier geen begrip voor opbrengen.

Hij vond het vreselijk om zijn moeder te verplegen toen ze ziek werd, hij kon het gewoon niet aanzien haar zo te zien liggen, terwijl ze vroeger zo’n actief mens was geweest.

Frans was de eerste die het met Lucie eens was, over het euthanasiebesluit



Lucie: geboren in 1951, elfde kind in het gezin.

Lucie ervoer haar jeugd als prettig. Ze was “het kleintje” en mocht overal bij zijn. Ze was ook de eerste geweest die zwemles kreeg, na school naar gym, gitaarles of naar een vriendinnetje ging. Pa bemoeide zich niet veel met haar.

De fijnste herinnering aan haar vader was toen deze haar vroeg of ze het feuilleton voor hem uit de krant wilde knippen. Ze voelde zich vereerd, want nog nooit had haar pa haar nodig gehad.

Lucie was het eerste meisje van Koelemeijer dat professor werd. Zelfs pa had er niets op tegen gehad.

Lucie kreeg iets met een getrouwde man, die voor haar zijn huwelijk verbrak. Toen ze hem voor het eerst mee naar huis nam, was het enige verzet wat ze te horen kreeg: “Wat moet je toch met een man die getrouwd is geweest?” “Je bent zo’n mooie meid, je kunt toch wel wat beters krijgen?” Het viel haar nogal mee, haar ouders hadden zeker geen zin om weer de strijd aan te gaan.

Lucie was degene die het besluit om euthanasie te plegen, met de dokter besprak, kennelijk moest zij het initiatief nemen. Ze had altijd al de rol van bemiddelaarster gehad.

De dokter was het niet met haar eens, en steunde haar ook niet. Tenslotte sprak ze erover met een bevriende huisarts, deze gaf haar het advies om telkens weer tegen de dokter te blijven zeggen dat haar moeder pijn had. Dan moest hij de dosis paracetemol wel verhogen, en als dat ook niet hielp, moest hij overstappen op morfine en deze dosis zou ook weer verhoogd moeten worden. Zo zou ze een zachte dood tegemoet gaan.

Lucie vond dat ze het moest doen, voor haar moeder.



Guus: geboren in 1953, twaalfde kind in het gezin.

Guus werd gezien als het nakomertje, niemand bemoeide zich met hem.

Guus was een pientere knaap, maar omdat pa zei dat hij verder moest leren, wilde hij niet. Hij ging liever naar de LTS.

Toen hij een jaar of zeventien was, nam Frans hem mee uit. Hij kwam in aanraking met intellectuele figuren, die niet slimmer waren dan hij. En dus besloot Guus dat hij toch maar moest gaan studeren. Hij koos voor rechten, en ging later als financieel en juridisch adviseur in het familiebedrijf werken.

Guus las graag, en bezocht verschillende discussiegroepen over anti-psychiatrie en geesteszieken. Al snel had hij in een van deze groepen een vriendin gevonden: een meid die aan de pil was en die wist wat ze wilde.

Natuurlijk was zijn vader er tegen, maar veel invloed had hij toch niet op hem.

Zijn enige herinnering aan zijn vader is dat toen zijn vader een tijdje ziek was, hem regelmatig bij hem op bed trok, over zijn hoofd aaide en hem liefkozend “kleinste kleintje” noemde.

Nadat zijn moeder ziek werd, en na verloop van tijd niet meer tegen hen sprak, had Guus dat niet erg gevonden. Het was nooit anders geweest. Vroeger bewaarde ze de harmonie door haar mond te houden en nu had ze stilzwijgend de familie bij elkaar gehouden. Hij vond dat haar zwijgen haar liefde was geweest.

Toen moe uiteindelijk stierf, ontbraken Piet, Jan en Marian aan haar sterfbed, de rest van het gezin, inclusief haar verzorgsters waren er wel.

Moe was vredig heengegaan.



Dat is de hele familie Koelemeijer. Die bestaat uit:

Vader (Tinus), moeder (Maria) en de kinderen Jo, Jos, Toos, Maarten, Jan, Piet, Nico, Gerard, Martien, Marian, Frans, Lucie en Guus. Jos overlijdt al in zijn studententijd, dus is er van hem geen afzonderlijk hoofdstuk met levensverhaal.



Ik heb ervoor gekozen om de personen te bekijken na afloop van het hele verhaal, dus in 2001. Het zou te ingewikkeld en moeilijk worden om van elk kind afzonderlijk zijn levensverhaal samen te vatten. Hierdoor is de weergave helaas wat minder detaillistisch, maar naar ik denk wel beter te overzien en te begrijpen.



Tijd waarin het verhaal zich afspeelt

Het verhaal speelt zich af in de periode 1934 t/m 2001.

Het gaat dus over de tweede wereldoorlog, de armoe hierna, de loodzware handkar waarmee pa regelmatig mee uitwerken ging, de aanschaf van de eerste brommer, de komst van rock’n roll, de invloed van de televisie en het onderwijs, de generatie kloof, de kinderen die niet meer naar de kerk wilden (en hun woedende, orthodoxe vader), de eerste Vietnam-teach in, het grote geld en de nieuwe hobby tuinen, de bevrijding die de pil gaf, de popmuziek, de drugs en “de ontwikkeling van jezelf”, tot het sterfbed van hun moeder.

Je kan, als je het rijtje afgaat, bij elke volgende broer of zus de maatschappelijke omwentelingen het gezin zien binnendenderen.



Plaats waar het verhaal zich afspeelt

Het verhaal speelt zich vooral af in de Wormerpolder, gelegen in Noord-Holland.

Vooral de plaats Wormer speelt een belangrijke rol, dit is de woonplaats van de familie Koelemeijer, en tevens ook de plaats waar Jan en Piet hun eerste tuincentra opbouwden.

Maar ook Amsterdam is belangrijk, hier gingen namelijk Jos en Maarten studeren. Jos was zelfs de eerste katholieke jongen van Wormer geweest, die uberhaupt ging studeren. Later, in eind jaren ’60 en begin jaren ’70 gingen ook de 3 jongste kinderen, Frans, Lucie en Guus, hier studeren.

Een andere stad, waar de 2 oudste dochters gingen verder leren, was Zaandam.

Hier gingen Jo en Toos naar de huishoudschool.

De familie Koelemeijer heeft het niet erg breed, wat niet zo verwonderlijk is als je 12 kinderen moet zien groot te brengen. Iedereen in het dorp weet dat, en als er iets gedaan moest worden, zoals huishoudelijk werk of iets in de tuin, dan werden de kinderen van de Koelemeijers altijd eerst gevraagd, want zij konden iets extra’s altijd wel gebruiken.

Het sociale leven van de kinderen is voor de oudste zes niet echt uitgebreid, en zeker voor de meiden niet. Het beperkte zich tot de wekelijkse vrouwenavonden, georganiseerd door de kerk en ze gingen, als hun vader het goedkeurde, zo af en toe dansen in een nabij gelegen dorp.

Het sociale leven van de jongste drie is veel uitgebreider, zij gingen vaak op stap in Amsterdam, Haarlem of Veendam.



Genre

Het hoofdgenre is lyriek, het verhaal draait om hoe de kinderen zich gebeurtenissen uit hun jeugd herinnerden. Hun emoties spelen een grote rol, de personen vertellen echt hun kant van het verhaal.

Het subgenre is historische roman. Het boek gaat over een echte familiegeschiedenis, waarin je door de ogen van de personen de Nederlandse cultuur ziet ontwikkelen. En omdat een familie wordt beschreven, is het ook een familieroman.



Perspectief

Elk hoofdstuk gaat over de herinneringen van een van de twaalf kinderen. Je ziet de gebeurtenissen door de ogen van het kind van dat hoofdstuk. Het is echter geen ik-perspectief, maar een personele vertelsituatie die telkens verandert.

Een voorbeeld hiervan komt uit hoofdstuk 1 Jo (1934): “Toen Jo op haar dertigste trouwde, had ze nog lang heimwee gehad naar haar familie. Ze was de oudste van dertien broers en zussen. De jongste was pas tien op het moment dat zij de deur uit ging. Er gebeurde nog van alles thuis. De tijden veranderden snel. Maar zij was er niet meer bij. Voor Jo bleef haar familie een licht verbleekte foto uit de jaren vijftig.” (bladzijde 13)



Het verhaal is fragmentarisch opgebouwd, elk kind vertelt een stukje van de familiegeschiedenis. Deze geschiedenis ontwikkelt zich langzaam in het boek. Hoe jonger het kind, hoe verder het verhaal is over het ziektebed van de moeder, in dat opzicht is het verhaal in sujet geschreven. Tussendoor vertellen de kinderen hun eigen verhaal over hun jeugd.

Het begin is ab ovo. De geschiedenis begint bij het oudste kind Jo en het begin van de verzorging van de moeder. Er is grotendeels sprake van een gesloten einde, de moeder is dood en alle kinderen hebben hun verhaal verteld.



Vertelde tijd

Het verhaal speelt vanaf de geboorte van het eerste kind Jo in 1934, tot Maria’s dood in 2001. Dus zo’n kleine 70 jaar.



Plaats te midden van ander werk van de auteur

Judith Koelemeijer werd geboren in 1967. Ze is in het dagelijks leven journalist voor onder andere de Volkskrant. ‘Het zwijgen van Maria Zachea’ is pas haar eerste boek. Vandaar dat ik ook niets kan zeggen over haar andere werken, en de plaats van dit boek daarin.



Plaats binnen een literaire stroming

Het werk is in 2001 in voor het eerst gepubliceerd en won in 2002 de prijs van ‘Boek van het jaar 2002’. Dit is de bekende NS Publieksprijs. Het was de eerste keer dat een debutant de prijs won. Verder werd dit boek bekroond met de Zaanse Cultuurprijs en het Gouden Ezelsoor 2003 voor het best verkochte literair debuut. Je kan dus zeker zeggen dat het zeer goed werd ontvangen en beoordeeld.

Judith Koelemeijer werd geboren in 1967. Ze is in het dagelijks leven journalist voor onder andere de Volkskrant. ‘Het zwijgen van Maria Zachea’ is pas haar eerste boek. Het boek is geschreven in 2001 en is gebaseerd op het leven van de familie van Judith Koelemeijer. Haar vader is namelijk Piet, een van de kinderen van het gezin Koelemeijer. Ze heeft samen met een nichtje alle broers en zussen van haar vader en natuurlijk haar vader zelf uitgehoord en daarna hun belevenissen en gedachtes in het boek beschreven.

Het werk is ook niet typerend voor de tijd waarin we leven. Het is eerder een terugblik op de vorige eeuw, waarin veel zaken zijn veranderd zoals de invloed van de kerk bijvoorbeeld.



Evaluatie

Ik vind dit boek erg bijzonder. Het is erg mooi hoe elk kind beschreven wordt, elk kind is op zoek naar het antwoord op de vraag waarom moeder zwijgt. In elk hoofdstuk wordt ook de jeugd van ieder kind beschreven. Hierdoor krijg je een goed tijdsbeeld van de vorige eeuw. Zie je de mensen veranderen en zie je ook verandering komen in de wereldmaatschappij. Ik vond het hoofdstuk over Frans het leukste, hij sprak me het meest aan. Hij is ook heel anders dan zijn oudere broers en zussen. Je merkt aan hem dat hij minder serieus is en veel lol wil maken in het leven. De oudere broers en zussen zijn vooral serieuze, en vooral harde werkers. Bij hem zie je dat minder, hij probeert duidelijk meer van het leven te genieten. Ik vond dat er geen vervelend of saaie stukken in het boek zaten. Het was allemaal zeer goed te lezen. Ik kan me niet inleven in het probleem in het boek, want ik kom uit een heel andere tijd. Toch vond ik het boek ontzettend mooi, maar denk ik wel dat het voor mensen die zelf uit die tijd komen nog mooier is, omdat zij vast heel veel dingen herkennen uit hun eigen jeugd. Het verhaal blijft interessant, omdat het niet alleen mooi en leuk is, maar je leert ook heel veel over de vorige eeuw. Op school leer je altijd wel van alles over geschiedenis, maar nu zie je al die gebeurtenissen uit de geschiedenis vanuit de belevingswereld van personen. Je merkt zo hoe zij tegen bepaalde ontwikkelingen aankijken en komt ook te weten dat er in de vorige eeuw drastische veranderingen plaats hebben gevonden. Het taalgebruik is heel goed, dit boek is voor iedereen goed te lezen. Er zitten ook geen archaïsche woorden in, die uit de vorige eeuw stammen. Het boek leent zich uitstekend om vlot doorgelezen te worden, de zinsstructuur is eenvoudig en simpel, maar dat maakt het juist alleen maar beter. Je kan namelijk lekker doorlezen en dat komt het verhaal ten goede. Samenvattend vond ik het een geweldig boek en ik heb er echt van genoten. Andere mensen zou ik dit boek ook kunnen aanraden, omdat het makkelijk leesbaar is en ook nog eens zeer interessant. Je leest een mooi boek met heel veel feiten en meningen van andere mensen. Zo kan jij je ook een beeld vormen over een groot aantal zaken, waar je nog niet genoeg van af wist. Dit boek is echt een aanrader voor iedereen.


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.