Heb lief en zie niet om door Willem G. van Maanen

Beoordeling 7.5
Foto van Cees van der Pol
  • Boekverslag door Cees van der Pol
  • Docent | 6738 woorden
  • 14 januari 2007
  • 41 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.5
  • 41 keer beoordeeld

Eerste uitgave
2006
Pagina's
206
Geschikt voor
bovenbouw havo/vwo
Punten
4 uit 5
Oorspronkelijke taal
Nederlands
Literaire thema's

Boekcover Heb lief en zie niet om
Shadow
Heb lief en zie niet om door Willem G. van Maanen
Shadow
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!
Zakelijke gegevens
Verschenen: november 2006
Gebruikte druk: 1e
Uitgever: De Bezige Bij
Aantal bladzijden: 207

Beschrijving voorkant
Een jongen met zijn achterkant naar de lezer gericht schrijft met een krijtje een wit rondje op een grauwe muur.

Genre
De [waarschijnlijk] laatste roman van Willem G. van Maanen is een psychologische roman waarin net als in vroeger werk de oorlogsthematiek een belangrijke rol speelt.

[Niet] Geschikt voor……
Van Maanen schrijft literatuur voor de ware liefhebber en de kenner. Eigenlijk is hij onbekend bij het grote publiek (dat van Kluun, Saskia van Noort etc) Zijn werk krijgt niet altijd een herdruk, maar de kwaliteit van het werk is zonder uitzondering hoog. Van Maanen is een oude meester die aan zijn werk schaaft en schaaft en uiteindelijk een kwaliteitsproduct aflevert.


Vijfentwintig jaar geleden studeerde ik af op zijn werk omdat hij in publicaties (behalve wat recensies) nauwelijks werd genoemd. In een overzicht van zijn werk kon ik me heel goed verdiepen in zijn thematiek van oorlog, liefde, incest, en fantasie en werkelijkheid (het oerthema van literatuur) In één van zijn brieven die ik van hem ontving, gaf hij aan het spel met de lezer volop aan te willen gaan en in vrijwel elke roman moet de lezer aan de bak om zijn werk te begrijpen. In deze tijd van de zapcultuur zal dat zijn populariteit bij het grote publiek niet hebben vergroot, maar onder de bekende literatuur-recensenten van de grote, landelijke bladen is alom waardering voor zijn werk terug te vinden. Ook met literaire prijzen is het best goed gesteld. In 2004 ontving Van Maanen de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre en dat is natuurlijk een respectabele beloning. Wel blijf ik het jammer vinden dat deze m.i. grote schrijver onderbelicht is gebleven in de hedendaagse literatuur.

Ook deze nieuwe roman is een zogenaamde “kuitenbijter”en zeker geen “pageturner.” De lezer zal weer de nodige moeite moeten doen om het spel te doorgronden en dan nog weet je nooit zeker of je het allemaal wel hebt begrepen. Van Maanen houdt van vals spelen. Toch behoort hij m.i. tot de grootste en dus beste Nederlandse schrijvers van deze eeuw. Wellicht heeft hij met “Heb lief en zie niet om” zijn laatste roman geschreven, want inmiddels is hij 86 jaar. Grijp dus als je van echte literatuur houdt je kans en leer een grote schrijver kennen. Het zit er dik in dat je daarna ook ander werk van de auteur gaat lezen. Aan te raden in dit opzicht zijn de mooie romans “Helse Steen “(over een incestueuze relatie tussen moeder en zoon tijdens de oorlog) en “Hebt u mijn pop ook gezien” (een roman over “Dichtung und Waarheid, toneelspel en oorlog) Die thematiek zit ook maar implicieter in “Heb lief en zie niet om” .

Ik zou de roman zonder meer vier punten willen geven op onze literatuurlijst. Ik besef wel dat alleen eindexamenkandidaten vwo en heel goede lezers van het havo de strijd kunnen aangaan. Maar toch doen: “Talpaliteratuur” kun je ook nog wel eens in je vakantie en na je eindexamen lezen.

De onderstaande samenvatting en analyse wil je op weg helpen om de roman beter te begrijpen, maar heeft niet de pretentie een volledige en misschien volledig juiste interpretatie van de twee delen te geven. Daarvoor is het werk van Willem G. van Maanen te ingewikkeld. Herlezen van de delen van de roman zal zeker noodzakelijk zijn om te voorkomen dat je als bespreker door de auteur op het verkeerde been wordt gezet.


De cirkels is rond
Willem G. van Maanen debuteerde met “Droom is het leven.” En in zijn laatste roman zou je mogen zeggen dat het tweeluik het motto “ Het leven is een droom” kan meekrijgen. Want het leven van de hoofdfiguur in deel 2 is het leven in literatuur als in een droomwereld. Daarmee zou je kunnen stellen dat de cirkel in het werk van Willem van Maanen rond is. Zijn hele oeuvre heeft daarmee een cyclisch karakter gekregen. Is het te ver gezocht door de tekening van het jongetje op de voorkant van de laatste roman als symbolisch te beschouwen. Die tekent immers een rondje op de muur.

Verder durf ik wel te beweren dat een van de adviezen die Van Maanen aan zijn lezers als les voor het leven zou willen meegeven, kan luiden: “Heb lief en zie niet om. “Ofwel: geniet van de mensen in liefde om je heen , kijk vooruit en niet altijd meer naar het verleden. Ook al blijft hij zelf in zijn romans dat altijd wel doen.



flaptekst
In het het tweeluik Heb lief en zie niet om vertelt Willem G. van Maanen op overtuigende en melodische wijze het verhaal van een begaafde toneelspeler die tijdens de Duitse bezetting trouwt met een joodse actrice, maar die zich ook aanmeldt bij de Kultuurkamer. Op de eerste bladzijden van deze roman wordt de zoon van zijn buurvrouw op straat neergeschoten. Zij verwerkt haar leed door een monoloog te schrijven, die zij de acteur ter hand stelt. In die monoloog gaat een joodse man na de oorlog op zoek naar de plek waar hij ondergedoken heeft gezeten. Zo spiegelen de twee delen van deze roman zich in elkaar, en vormen samen het ontroerende en onwrikbare bewijs van de onmogelijkheid en onwil van de mens om onder extreme omstandigheden te kiezen.

Motto
Deel II begint met een motto van Harry Mulisch uit diens toneelroman: “Hoogste tijd “
Het luidt: Men hoeft niet te weten wat men is om het te zijn'. Een heel mooi motto voor deze roman, en zeker al voor een roman met een protagonist als toneelspeler.

Titelverklaring
Het citaat, waarnaar de titel verwijst, staat op pagina 31 van het boek. ‘Heb lief, dat is het enige, denk er niet bij na, heb lief zo hard, zo diep, zo intens als je kunt, houd er anders mee op.’ Het is een citaat van Sarah tegenover de ik-verteller. Ze verklaart dat ze niet een heel leven lang aan dezelfde man wil zitten.

Elsbeth Etty schrijft in haar recensie in NRC De uitdrukking ?Doe wel en zie niet om' betekent in modern Nederlands: doe het goede zonder daar een beloning voor te verwachten. Oorspronkelijk werd er echter mee bedoeld dat iemand die wél doet, niet bang hoeft te zijn later akelige gevolgen van zijn daden te ondervinden. In Willem G. van Maanens nieuwste roman wordt de uitdrukking die hij in de titel heeft verbasterd tot Heb lief en zie niet om in beide betekenissen gebruikt.

Maar de titel is bovendien zo dubbelzinnig als wat. Heb lief en zie niet om: de personages in de roman doen juist niet anders dan omkijken. De acteur in deel 1 kijkt om naar zijn eerste ontmoeting met Sarah, Sarah blijft in contact met haar Duitse minnaar Kasper en vertrekt tegen het einde van de oorlog naar Engeland. Judith, de buurvrouw, kijkt achterom met het schrijven van de monoloog over haar doodgewaande zoon en Sol kijkt in deel II, de bewuste monoloog, na veertig jaar terug op wat er in het verleden is gebeurd en hij gaat zelfs naar de plek terug. Kortom, het motto van de auteur uit de titel wordt door zijn personages in de wind geslagen.

Structuur en verhaalopbouw
De roman bestaat uit een tweeluik. Het eerste deel dat in twee hoofdstukken (niet genummerd en niet getiteld) is onderverdeeld, betreft een achteraf verteld ikverhaal van een jonge toneelspeler. Hij schrijft over de eerste oorlogsdagen tot aan de periode net na de Tweede Wereldoorlog. In een flashback beschrijft hij de eerste kennismaking met zijn joodse vrouw.
In dat eerste deel wordt een buurjongen van de verteller door Duitse soldaten doodgeschoten en zijn moeder Judith begraaft het lijk in de tuin. Daarna wordt ze min of meer psychotisch. Om het allemaal te verwerken, beschrijft ze in een monoloog voor de toneelspeler wat er had kunnen gebeuren als zoon Sally niet was doodgeschoten. Na de oorlog geeft ze de monoloog aan de acteur die vanwege zijn lidmaatschap van de Kultuurkamer tijdelijk zonder werk zit.

Deze hardop uitgesproken monoloog is het tweede deel van de roman. Daarin wordt het verhaal verteld van een man die 40 jaar na de oorlog teruggaat naar de plek waar hij tijdens de oorlog heeft doorgebracht. Deze monoloog heeft een proloog en een monoloog.
In zijn recensie in De Volkskrant van 3 november 2006 schrijft recensent Arjan Peters: Eén ding is zeker: dubbelzinnigheid voert de boventoon. Dit project mag Van Maanens hommage aan het schrijverschap heten. ‘Gedaanteverandering is de grondslag van alle verhalen,’ oreert de acteur, en daar kan zijn geestelijk vader zich ongetwijfeld in vinden – zelf levenslang schatplichtige aan Franz Kafka, die Die Verwandlung schreef. Een verhaal dat zekerheden ondermijnt, is een goed verhaal. In de herfst van zijn carrière, Van Maanen is van 1920, legt hij met diabolisch plezier zijn kaarten op tafel.
Om zo’n voorbeeld van “vals spelen” van Willem G. van Maanen te geven. Sol, de man die na de oorlog dus op zoek gaat naar zijn verleden, is dus eigenlijk doodgeschoten en wordt de hoofdfiguur van de monoloog die zijn moeder in de oorlog over hem schrijft en die ze direct na de oorlog aan de acteur geeft om er een optredens in monoloogvorm mee te houden. Maar die citeert op blz. 181 in een discussie met twee andere personages, Anna en Justine, een zin van Gabriël Garcia Marquez, de Nobelpijswinnaar voor de literatuur in 1982. Dat kan ze heel formeel natuurlijk niet weten in 1945. Ongemerkt wordt de lezer in dit spel dus gemanipuleerd.

Perspectief
Deel I wordt verteld door de 24-jarige acteur in de ikvorm, maar hij doet dit in de o.v.t. waardoor hij enkele keren kan vooruitgrijpen in de tijd. Hij vertelt o.a. in een flashbackvorm hoe hij Sarah , zijn joodse vrouw, heeft leren kennen. Doordat we hem van binnenuit kunnen volgen, weten we hoe hij over bepaalde zaken in de oorlog denkt. Hij is geen held, maar ook geen echte verrader.

In het tweede deel is het perspectief ingewikkelder. Er is sprake van een monoloog (toneeltekst) die door buurvrouw Judith in de oorlog geschreven is na de dood van haar zoon Sally. Maar in de monoloog gaat het leven van deze jongen (Sol genoemd) verder en er wordt verteld in de ikvorm met deze jongen als protagonist, wat hij allemaal zou hebben kunnen beleven in de ogen van Judith. Dat is natuurlijk een erg ingewikkeld perspectief, maar dat is niet vreemd als je naar het totale oeuvre van Willem G. van Maanen kijkt. Hij is in veel romans bezig geweest met verteltechniek, die altijd in dienst heeft gestaan van zijn grote thema: “schijn en werkelijkheid? De monoloog wordt voorgelezen door de tijdelijk op non-actief gezette acteur. Hij spreekt herhaaldelijk “mevrouw” aan. En dan is deze acteur natuurlijk de ikfiguur.

Opnieuw dringt zich hier de vraag op. Welk spel in dubbele bodems speelt Van Maanen hier met de lezer? Hij is immers een meester in perspectiefwisselingen en heeft hij ons in het eerste deel niet op het spoor door mee te delen dat niet de acteur in de huid van zijn personage kruipt maar Hamlet in de huid van de toneelspeler.

Arjan Peters in De Volkrant van 3 november hierover: Alle leed is te dragen als we er een verhaal van maken,’ meent de acteur eveneens, maar dat zou wel eens hovaardij kunnen zijn. Want hoewel leed in een verhaal onder woorden kan worden gebracht, het kan zich binnen die fictie ook vertakken en elke hoop op overzicht of verlossing doven. Een acteur hoort doorlaatbaar te zijn, ‘niet hij kruipt in Hamlet, Hamlet kruipt in hem’, en de auteur die een acterend acteur het woord geeft, speelt een nog gelaagder spel: wiens woorden lezen wij nu eigenlijk, in de roman met die ontoelaatbaar opgeruimde titel? Die van het jongetje Sally, van zijn moeder, van de acteur, of van de schrijver die toestaat dat de acteur in wie Sally (via zijn moeder, die vooruitblikt op hoe het kind later zou terugblikken) postuum is gekropen, in zíjn onzichtbare huid kruipt?


Tijd
In deel I is de tijd niet moeilijk te analyseren. De roman begint in de eerste oorlogsdagen in mei 1940. Dan wordt de buurjongen neergeschoten en de vertelling loopt de gehele oorlog door. Over echte oorlogstoestanden wordt niet al te veel gesproken en de acteur weet zijn bestaan te redden door een contract met de Kultuurkamer aan te gaan. Die werd in 1941 door de Duitsers ingesteld, Deel I loopt enige maanden na de oorlog af: de ik-verteller is drie maanden speelverbod aangekondigd en in die tijd houdt hij zich bezig met het voorlezen van monologen. Deel I speelt zich dus af tussen 1940 en 1945. Een grote flashback verhaalt de eerste ontmoeting tussen de acteur en zijn joodse vrouw Sarah. Die vindt plaats in 1938, wanneer de Oostenrijkse Anschluss heeft plaatsgevonden.

In deel II reist het slachtoffer van deel I, Sally veertig jaar na de oorlog terug naar de plaats waar hij in het nonnenklooster heeft ondergedoken gezeten. In de oorlog was hij twaalf jaar en hij zal dus in dat deel 52 zijn. Dat houdt ook in dat dit fictieve deel in ieder geval na 1985 speelt. Op blz. 181 verwijst de ik-verteller naar een schrijver die de Nobelprijs voor literatuur krijgt in wie de lezer Gabriël Marquez zal weten te herkennen. Die kreeg in 1982 de Nobelprijs voor literatuur.

Decor
Het decor van de roman is niet zo goed te bepalen. Deel I speelt zich zeer waarschijnlijk wel af in Nederland. De acteurs die willen blijven doorspelen, moeten immers lid worden van de Kultuurkamer en één van de acteur zegt dat hij graag naar Engeland wil vluchten. Het lijkt erop dat deel I in een grote stad in Nederland speelt. Maar het belangrijkste decor is natuurlijk dat van de Tweede Wereldoorlog: nl. het decor waartegen Van Maanen vrijwel al zijn romans laat opvoeren.

In deel II is het ook niet zeker waar het decor is. Ook hier is de symbolische ruimte (het nonnenklooster ) belangrijker dan de geografische ruimte. Vooral uit de natuurbeschrijving van het laatste gedeelte van de roman zou je wellicht kunnen afleiden dat dit niet in Nederland speelt. De namen Guy en Céline als klasgenoten en Hilde, Anna en Christine (als namen voor de nonnen) wijzen wellicht op de Ardennen resp. Duitsland. Er is een gevaarlijk stromende beek waarin Hilde tenslotte omkomt en dat zou kunnen wijzen op de Ardennen dan wel in de streek van de Eifel. Op mij als lezer komt die omgeving minder Nederlands voor.


Thematiek en symboliek

Dichtung und Waarheid
Dat is het sleutelthema tot het werk van Willem G. van Maanen. Vanaf zijn debuut “Droom is’t leven” heeft hij dit thema in diverse toonaarden bezongen. Vrijwel altijd gekoppeld aan het thema van de oorlog die in het leven van Van Maanen een grote rol heeft gespeeld. Deze twee thema’s worden in de (misschien?) laatste roman opnieuw gekoppeld. Het thema van de oorlog komt in beide delen van het tweeluik naar voren. In deel I wordt de buurjongen Sally door de bezetter doodgeschoten en de ik-verteller zelf (een jonge acteur) is getrouwd met een jodin, de oudere Sarah. (“Ik had je moeder kunnen zijn.”) Net als de Bijbelse Sarah wordt ze dus op latere leftijd zwanger en brengt Imre ter wereld. ( de zoon van de acteur?) Op zich is het huwelijk hem aangepraat door een bevriende toneelmeester, het is niet echt een heldendaad en de verteller treedt ook in het huwelijk uit eigenbelang. Daartegenover staat dat de acteur geen stelling neemt tegen het nazisme. Hij blijft tijdens de oorlog toneelspelen want hij sluit zich aan bij de Kultuurkamer en wanneer twee van zijn joodse collega’s niet verder mogen spelen van de Duitse bezetter, weigert hij opnieuw stelling te nemen. Hij tekent een ariërverklaring en weet ongeschonden de oorlog door te komen. Natuurlijk wordt hem dan na de oorlog wel verweten dat hij “een beetje fout “ geweest en hij krijgt een speelverbod van enkele maanden. Op dat moment heeft zijn buurvrouw echter de monoloog klaar die ze over de dood van haar overigens niet eigen zoontje heeft geschreven. Deze Judith (ook een joodse vrouw) heeft net een psychose achter de rug en onderhoudt inmiddels een relatie met de verteller, die dan door zijn vrouw verlaten is, omdat die weer in contact met haar oude minnaar Kasper goede dingen doet voor de geallieerden. Zo heeft ook in dit eerste deel van de roman Van Maanen weer zijn motto neergezet: geen mens is helemaal goed of fout. In ieder mensen zitten goede en slechte kantjes: de waarheid is niet zwart en niet wit, maar ergens daar tussenin en dan weer met vele varianten grijs. Dat maakt de romans van de oude meester zo waardevol.

Maar Van Maanen zou Van Maanen niet zijn als hij het spel met de lezer niet tot het einde toe speelde. Natuurlijk moet het oerthema van zijn werk “Dichtung und Waarheid”ook in zijn laatste roman naar voren komen. In het tweede deel wordt immers de waarheid in het perspectief van de monoloog van de buurvrouw gezien en blijft/blijkt de gedode Sally (nu Sol geheten) in leven en gaat die veertig jaar na de oorlog naar zijn verleden op zoek. Niet toevallig laat Van Maanen die queeste plaatsvinden in gezelschap van een journaliste (de zoekers naar de waarheid). Dan ontrafelt zich een ingewikkeld spel van vertellingen en spiegelingen. Zozeer zelfs dat er een mogelijkheid bestaat dat je het deze keer als lezer van de schrijver verliest. (schaakmat of uitgepokerd) Door zijn verteltrucs word je gemanipuleerd. Ooit vertelde de schrijver mij zelf dat dit zijn ultieme motivatie voor het schrijven van romans was: het manipuleren van de lezer..
In de “Proloog” voorafgaande aan de verhaallijn in deel II zegt de acteur: “ Een verhaal vol leugens is boeiender dan een droom vol waarheden.”

In het tweede deel van de roman keren de thema’s weer terug. Ook hier is er weer sprake van dat mensen nooit helemaal goed zijn en nooit helemaal slecht. Soms hebben ze iets van God en daarna weer iets van de duivel meegekregen. Dat kun je bijvoorbeeld zien aan de vader van Guy, de voerman die op Joden scheldt, maar op het ultieme moment toch zijn verantwoordelijkheid neemt om de nonnen van het klooster te waarschuwen voor de inval van de Duitsers. (vgl. blz. 186 : de vader van Guy, in wie god en de duivel, goed en kwaad zijn levenlang hebben gevochten
Datzelfde geldt voor Céline: ze kwetst Sol door hem tijdens een wreed spel waarin de kruisiging wordt nagebootst zijn broek te laten uittrekken om te bekijken of hij besneden is , maar ook zij waarschuwt voor de inval van de Duitsers. Niemand is helemaal goed of slecht in zijn leven, is Van Maanens boodschap in meer van zijn romans.

Ook het motief van zich schuldig voelen aan de dood van een ander keert terug. Sol is van mening dat hij schuldig is aan de dood van enkele nonnen. Hij is in het klooster opgenomen, dat daarna wordt overvallen. Als hij er niet was geweest, zouden de nonnen nog geleefd hebben. Maar nog erger is, dat zijn vlucht in het klooster helemaal niet nodig zou zijn geweest, omdat zijn jood-zijn in feite een leugen om bestwil is geweest. Hij was geen joodse jongen, want zijn echte moeder was Nelly. Omdat die te jong zwanger was, werd de leugen geschapen om te vertellen dat hij een kind was van het joodse echtpaar Sachs. Zo’n leugen kan ook weer tot fatale gevolgen leiden.

De verwisseling van personages in vertellers en andersom is ook in deze roman zichtbaar. Natuurlijk heeft de acteur er in zijn monoloog zelf al op gewezen dat een personage als Hamlet zelf in de huid van de speler kruipt, maar gaandeweg de vertelling in het tweede deel lijkt hij veel eigenschappen van Sol over te nemen. Bovendien is Sol net zo klein van stuk als hij zelf is: ze lijken in elkaar op te gaan.


Nog een keer de belangrijkste motieven op een rijtje:
- Dichtung und Waarheid (fantasie= literatuur & werkelijkheid)
- De Tweede Wereldoorlog
- Jodenvervolging
- Het schuldgevoel van de overlevende
- Liefde en bedrog (ontrouw)
- Seksualiteit en incestueuze verhoudingen
- Leugen en bedrog
- De zoektocht naar het verleden



Samenvatting van de inhoud
De roman heeft twee delen:
Deel 1 omvat bladzijde 7 tot en met 80

In deel 1 is de ik-verteller een kleine 24-jarige acteur.(hij is 1 m. 60): het is een achterafverteller en hij vertelt over de eerste oorlogsdagen. Hij is getrouwd met de joodse oudere vrouw Sarah, die Duitse boeken vertaalt, zoals bijvoorbeeld van Bertold Brecht “Mutter Courage.” . In het begin van de roman wil zijn geliefde de relatie verbreken om naar haar Duitse minnaar te gaan en ze pakt haar koffertje in. Maar ze komt al weer snel terug bij hem terug, omdat haar minnaar Kasper gevlucht is. Ze besluit daarom bij de acteur te blijven, vooral ook omdat het voor een joodse vrouw beter is om met een niet-joodse man getrouwd te zijn. Op de eerste dag van de oorlog wordt de zoon van buurvrouw Judith, Sally, doodgeschoten. Hij danst voor de Duitse soldaten en maakt de fatale fout om de loop van een geweer te grijpen. De ik-verteller is helemaal van slag: hij spoedt zich naar buiten om Sally op te rapen en brengt de jongen naar zijn moeder. Die is buiten zinnen: later blijkt dat het niet eens haar eigen zoon is, maar de zoon van haar inmiddels vertrokken vriend. Ze begraaft de jongen illegaal in haar tuin. De ik-verteller besluit daarover te zwijgen.

Hij vertelt in een flashback van de eerste ontmoeting met Sarah, in 1938, had hij haar ontmoet op een feestje bij Oostenrijkers. Zij had gedacht dat hij ook een jood was, maar dat was niet zo. Ook geeft ze aan dat ze wel zijn moeder kan zijn. Na het feestje gaan ze met elkaar naar huis en vrijen ze voor de eerste keer. Dat wordt heel impliciet beschreven. De acteur is geen geweldige minnaar, maar het kan er allemaal wel mee door. Ze krijgen een verhouding en op aanraden van zijn oude toneelmeester Oskar trouwt hij met Sarah. Op diens vrouw heeft Sarah het intuïtief niet zo begrepen. De Duitsers zullen waarschijnlijk niets doen met jodinnen die met een niet-joodse man zijn getrouwd.

Het gezelschap waarvan de acteur deel uitmaakt, komt voor heel wat keuzes van de toneelstukken te staan. De “Dodendans 1 en 2 “ (Strindberg) wordt ingewisseld voor de “Midzomernachtsdroom” (Shakespeare) en daarna voor “Tartuffe.” (Molière) te staan. Zo wordt het repertoire steeds lichter, omdat de mensen volgens de regisseur in oorlogstijd steeds meer behoefte hebben aan ontspanning dan aan inspanning. Maar het is natuurlijk ook een manier om tegemoet te komen aan de eisen van de Duitsers. Op een zeker moment moeten twee joodse spelers (Louis en Emmy) het gezelschap verlaten – ze mogen niet meer toneelspelen van de Duitsers. De niet-joodse Betty verlaat daarna uit principe ook de club, maar de ikpersoon heeft niet de moed om dit te doen. Ook als hij gevraagd wordt het lidmaatschap voor de ‘Kultuurkamer’ te tekenen en daarbij een ariërverklaring doet hij dit. Hij voelt zich later wel schuldig, maar wil ook gewoon blijven toneel spelen. Hij wil graag een held zijn, maar blijkt dit niet te zijn.

Met buurvrouw Judith gaat het steeds slechter: ze krijgt de terugslag van de dood van Sally te verwerken. Sarah en de ik-verteller bezoeken haar regelmatig Zoals gezegd was volgens Sarah Sally niet haar zoon, maar die van een minnaar die de benen heeft genomen. Judith schrijft intussen aan een verhaal over het incident, waarbij haar zoon gedood werd. Ze doet dat om de situatie te verwerken. In het verhaal doet ze voorkomen dat haar zoon is blijven leven. Op een gegeven moment wordt Judith opgenomen in een psychiatrische inrichting, omdat ze de weg helemaal kwijt is. De ik-verteller gaat haar een keer opzoeken en mag van de psychiater naar haar kijken door een luikje.

Sarah is in de oorlog in verwachting geraakt en bevalt daarna van een zoon, die ze Imre noemt. Het huwelijk is in seksueel opzicht zeker verzand geraakt . Bovendien merkt de verteller dat ze berichten krijgt van haar gevluchte minnaar die inmiddels in Engeland voor de geallieerden werkt. Ze kunnen daar wel iemand gebruiken die Duitse teksten kan vertalen en Sarah krijgt het aanbod om naar Londen te komen. Ze overweegt dat serieus en de verteller laat haar tenslotte gaan. De verlaten acteur bemoeit zich inmiddels met andere vrouwen (een jongere vriendin van Sarah en Judith , die inmiddels genezen verklaard is) met wie hij ook seksueel contact heeft. Na de oorlog wordt het hem niet in dank afgenomen dat hij de verklaring van de Kultuurkamer ondertekend heeft en hij wordt voor drie maanden uitgesloten. Louis kan hem nog wel vergeven, maar Betty niet, ook al omdat Emmy zelfmoord gepleegd heeft. In die tijd gaat hij op een school verhalen voorlezen, maar dan krijgt hij van Judith de monoloog op schrift Hij mag die haar voorlezen. Ze is zijn publiek,

Deel II begint met een motto van Harry Mülisch uit diens toneelroman: “Hoogste tijd “
Het luidt: Men hoeft niet te weten wat men is om het te zijn'. Een heel mooi motto voor deze roman, en zeker al voor een toneelspeler.

Deel II blz. 83-207
Het tweede deel is in feite en in fictie de geschreven de monoloog van Judith. De toneelspeler leest de monoloog aan Judith voor. Herhaaldelijk spreekt hij haar aan met “mevrouw”
Aan de echte monoloog gaat een “Proloog” van twee bladzijden vooraf , waarin hij aangeeft dat hij zich afgedankt voelt.

In het eerste deel maken we kennis met de fictieoverleefde versie van Sally, die zich sinds zijn ‘vlucht’ Sol noemt. ‘Tante Nelly’ brengt hem naar een klooster waar hij kan onderduiken. Een voerman met een paard en wagen wacht hem op en brengt hem naar een klooster. Daar ontmoet hij een liefdevolle zuster Hilde en een even aardige zuster Anna die voornamelijk in de keuken werkt, maar er is ook een door hem gehate zuster Christine, die hem na een tijdje voor de eerste keer naar school brengt langs een geheim pad met 14 afgebeelde kruisen. Bij een van de kruisen (het elfde) duwt hij het hoofd van de zuster in de doornen van de kroon en nu moet ze met ontbloot hoofd zonder hoofdsluier verder. Dat neemt ze hem niet in dank af. Bovendien lijken de zuster Hilde en Christine niet zo goed met elkaar op te kunnen schieten en de jongen mag zich in de belangstelling verheugen van zuster Hilde en zuster Anna die voornamelijk in de keuken helpt. Je zou zelfs kunnen spreken van seksuele belangstelling maar Van Maanen is nooit heel expliciet in dit soort toespelingen, maar een nauwkeurige lezer heeft slechts een half …”lid” nodig. Zo heeft Sol een doosje uit de kamer van Hilde weten te bemachtigen: Hilde weet het en in het soosje zit een foto waarop Hilde met ontblote borsten te zien is. Ze laat zich fotograferen door haar broer Hugo en heel impliciet wordt gesteld dat ze iets seksueels met elkaar hadden. (incestmotief) , waardoor ze misschien wel in het klooster beland is.

Op school is Sol niet direct de jongen met wie zijn klasgenoten weglopen. Een paar klasgenoten hebben het plan opgevat om het kruisbergspel te spelen . Dit Jezusmotief (de onschuldige die moet hangen) komt in meer werk van Van Maanen voor. Het is een wreed spel en de jongens (vooral Guy) gaan zelfs zo ver dat men hem op aanraden van de dochter van de onderwijzer Céline zijn pantalon uittrekt om te bekijken of hij als jood wel echt besneden is. Het aardige is nu juist dat hij wel besneden is, maar dat later blijkt dat hij weer geen jood was en dat hij eigenlijk niet had hoeven onderduiken. Ja, om het maar wat ingewikkelder te maken, lezer.
Hier dringt zich natuurlijk ook nadrukkelijk de vergelijking op met de figuur van de acteur (die nu het verhaal leest en in de huid gekropen is van Sol) maar in deel I zelf door Sarah voor een jood wordt versleten omdat ze ziet dat hij besneden is, maar ook de acteur is geen jood. Guy, de zoon van de voerman die Sol heeft afgehaald, is daarbij zijn grote tegenspeler. Hij is ook verliefd op Céline, die tegen Sol heeft gezegd dat zij op haar beurt verliefd is op Sol. Later blijkt uit de verhalen van Anna, dat Guy zijn moeder heeft opgestookt met de mededeling dat er een jood in het klooster werd verborgen en zij hebben dat doorgegeven bij de Duitsers. Maar omdat Céline er lucht van had gekregen dat Guy de nonnen zou verraden, had zij op haar beurt weer de vader van Guy ingelicht en zij hadden samen weer de leiding van het klooster ingelicht om ervoor te zorgen dat Sol nog zou kunnen vluchten.
Dat gebeurt dan ook en in de kleren van Céline (dus als meisje verkleed) gaat Hilde met Sol op het bewuste moment uit het klooster.

In de monoloog kijkt Sol in feite terug op zijn verleden. Samen met een journaliste, Justine, (let op de naam: de rechtvaardige die op zoek is naar de waarheid) gaat hij veertig jaar later op zoek naar een vrouw die hem nadat hij uit het klooster was gegaan, had opgevangen tot na de oorlog. Hij vindt zuster Anna in de boerderij van haar ouders terug. Die vertelt hem wat er is gebeurd, toen de Duitsers het klooster waren binnengevallen, omdat Sol verraden was. De aanwezige nonnen werden gemarteld en verkracht, maar Sol had net op tijd met Hilde weg kunnen glippen uit het klooster, omdat anderen weer aan de nonnen verteld hadden dat er een razzia op komst was.

Dan vertelt Anna hem ook over zijn afkomst: hij is helemaal geen Joodse jongen geweest. Zijn echte moeder is Nelly geweest. Maar die was op jonge leeftijd zwanger en door haar vader het huis uitgezet en van school gestuurd. Ze was terechtgekomen bij een joods echtpaar Sachs dat besloten had om het kind te adopteren, omdat ze zelf kinderloos waren. Nelly was een vroegere jeugdvriendin van Nelly. Sol voelt zich nu toch wel heel vreemd: hij moest onderduiken, terwijl hij geen jood was, het klooster is overvallen door de Duitsers om hem en een aantal nonnen is verkracht en vermoord. Hij voelt zich nu schuldig, terwijl hem in feite geen blaam treft. De journaliste Justine kan er natuurlijk wel een mooi verhaal van maken. Dat doet ze ook in de krant of in een reportage van een vrouwenblad. Ook ontmoet Sol zijn oude liefde Céline nog die toch getrouwd is met Guy en heel dik geworden is. De vrouw krijgt bovendien een epileptische aanval. Op dat moment besluit Sol zijn zoektocht naar de vrouw te staken en zichzelf af te danken.

Maar in het laatste deel van de roman wordt de vlucht vanuit het klooster verteld. Hilde wekt Sol uit zijn slaap en trekt hem de kleren van Céline aan. Ze nemen de kruisweg uit het klooster en bij het kruis waarvan Sol gehoord had dat er iemand begraven onder lag, vertelt Hilde dat haar broer Hugo daar door de Duitsers is geëxecuteerd. Ze vertelt hem dan meteen dat ze naar het huis gaan van haar schoonzus Claudine, de vrouw van Hugo. Het is een moeizame tocht over gevaarlijk stromende beken, maar Hilde levert hem veilig af.

Epiloog
Claudine ontfermt zich over de twaalfjarige jongen. Drie dagen later komt het lijk van Hilde bovendrijven in de wild stromende beek bij het huis van Claudine. Ze heeft de terugreis niet overleefd. Claudine neemt daarna Sol ook lichamelijk in bezit.
De acteur die de monoloog opvoert, zegt dan dat hij begrijpt dat de “mevrouw” tegen wie hij spreekt zal denken dat hij niet de ultieme zoektocht naar de vrouw, moeder heeft willen volbrengen, maar om haar te verleden en het aloude spel (van liefde en seks) te spelen.

Zijn slotwoorden en die van de gehele roman zijn: Ziedaar: voor de één is de oorlog verzet geweest, voor de ander verraad, voor de volgende onverschilligheid of gelatenheid, voor de laatste vervolging en vernietiging, voor mij , als ik mijn doden met rust laat, niet meer of minder blijkbaar dan ontwakende en tenslotte ontwaakte sensualiteit, rijping en rotting, geloof ondanks alles in die lieve leugen die we ons en elkaar maar moeten vergeven.”

Als hij daar aankom,t spoelt de zuster een paar dagen later aan. Ze is verdronken. Ook komt hij erachter dat een hele hoop zusters zijn vermoord en gemarteld, toen hij niet in het klooster bleek te zijn. Daar voelt hij zich schuldig over, vooral omdat hij erachter komt dat hij niet joods is en dat zijn echte moeder de zo geliefde tante was.


Recensies
Een roman van Willem van Maanen is altijd een heerlijke gerecht voor literaire fijnproevers. Het is daarom ook dat de roman in de smaakbepalende rubrieken van de grote dagbladen wordt beoordeeld, vrijwel direct na de verschijningsdatum.

Op 3 november 2006 is Arjan Peter degene die het spits der recensenten afbijt. Natuurlijk is hij lovend over de roman: “ Wat een bende. En wat een heksentoer om hier nog chocola van te maken. Je zou van de weeromstuit denken dat die romantitel zo dom niet is – als dát kan, liefhebben en niet omzien, dan blijft ons veel leed bespaard. Helaas, met onwetendheid vrede hebben is slechts weinigen gegeven, en met Van Maanen raak je verder van huis dan ooit. Als hij niet zo verdraaid goed schreef, zou ik hem om deze meesterlijk geregisseerde waanzin hartgrondig hebben vervloekt.

Ook Elsbeth Etty is heel positief in haar uitvoerige oordeel over de nieuwste roman van Willem van Maanen: in NRC/Handelsblad van 10 november 2006 schrijft ze: . “Door het droomgedeelte, de monoloog van Sal, te analyseren krijg je als lezer greep op de alledaagse werkelijkheid van de acteur die in het realistische eerste deel van de roman aan bod komt. Personages waarvan de functie in die eerste helft onduidelijk is, winnen in de vermomming van droomgestalten aan betekenis. Maar wat de twee delen vooral met elkaar verbindt is de welluidende, krachtige taal waarin Van Maanen zijn verteller zowel diens echte als gedroomde werkelijkheid laat uitbeelden. Zonder ook maar één keer gebruik te maken van dialogen of gekunstelde oneliners, hakken zijn melodieus klinkende zinnen erin als de clausen in onsterfelijke toneelstukken (of dichtregels) waar hij, al dan niet met bronvermelding, naar verwijst.
Willem G. van Maanens romans geven hun geheimen nooit gemakkelijk prijs. Ook dit razend knappe, extreem dubbelzinnige maar daarom juist tot de verbeelding sprekende gedroomde oorlogsboek doet dat niet. Om het te doorgronden dient er veelvuldig en liefdevol naar te worden omgekeken.


Op 14 november 2006 geeft Jaap Goedegebuure in Brabants Dagblad zijn mening: Willem van Maanen heeft het palet van grijstinten goed benut, al moet daaraan meteen worden toegevoegd dat overzichtelijkheid en bevattelijkheid van zijn verhaal af en toe een beetje in de knel komen. De behoefte om de warboel van het intermenselijke verkeer niet te ontrafelen maar juist intact te laten, verleidde hem tot het construeren van een intrige die vooral in het tweede deel steeds complexer wordt, zonder dat de lezer er gemakkelijk is te overtuigen is dat het zo moet en niet anders.
Opvallend is het aanleunen tegen een paar historische voorbeelden. De man die een joodse vrouw uit de klauwen van de nazi’s redde en tegelijkertijd collaboreerde met de bezetter doet me onweerstaanbaar denken aan dichter en Shakespearevertaler Bert Voeten, echtgenoot van schrijfster Marga Minco.
En wat de acteur betreft die vanwege een compromitterend verleden niet meer zijn draai kan vinden bij toneelgezelschappen en dus zijn heil zoekt in eenmansvoorstellingen: wie zou daarbij niet denken aan Jules Croiset, die in zijn joodse afkomst de legitimatie vond om een rechts-extremistische actie tegen zijn persoon te ensceneren?

Waarmee maar gezegd wil zijn dat zelfs de meest barre en gezochte fictie wortelt in een werkelijkheid die met zwart, wit en grijs voor nog geen tiende recht wordt gedaan.

Vier dagen later bespreekt Jann Ruyters de roman in “ Trouw” De delen van dit tweeluik hebben met elkaar gemeen dat hun morele kern aanvankelijk verhuld wordt: dat gebeurt zowel in het realistische eerste deel, als in het associatieve, droomachtige tweede deel. Toch is de boodschap in beide delen verwant. ?Alle leed is te dragen als we er een verhaal van maken'', suggereert de verteller in deel twee, maar die ordening sluit ook het onzegbare - de liefde, de zinnelijkheid - buiten.
De verteller in het eerste deel verliest zijn geliefde nadat hij heeft ingestemd met het verhaal dat haar tot Joods reduceert. De verteller in deel twee ontdekt al omziend dat zijn zinnelijke reacties, zijn kinderlijke intuïties, betrouwbaarder waren dan de verhalen die hem zijn verteld: verraders blijken helden, leugenaars worden beschermers, de diepst aanbeden hoedster was zijn moeder.
“Gedaanteverandering is de grondslag van alle verhalen'', zegt de verteller in deel een. Van Maanen is een meester in de gedaanteverandering, hij ontglipt je, maar hij houdt je ondanks zijn kalme, uitgebalanceerde woordenvloed, ook aan het zoeken.


Max Pam is op 17 november 2006 in “HP/De Tijd” er niet zeker van dat hij alles heeft begrepen. Ik hoop dat ik alles goed heb begrepen en het ook nog eens goed heb uitgelegd. Want beseffend dat verhaal in het verhaal, in het verhaal, ook nog eens door de buurvrouw verzonnen is, vergt van de lezer wel het vermogen om literatuur te beschouwen als een wereld in zichzelf. De literatuur verbeeldt hier in laatste aanleg een loodzware werkelijkheid, waarmee niet te spotten valt. Je moet wel een zekere aanleg hebben om dit soort literatuur te kunnen waarderen. Dat was al zo in Droom is ’t leven.
“Afgedankt is het woord, mevrouw, “ik heb mezelf afgedankt”, is de pathetische aanhef van het tweede deel in Heb lief en zie niet om. Je bent geneigd om te denken dat de 86-jarige schrijver hier nog niet voor zichzelf spreekt, maar het gedicht van Jan Luiken leert ons dat tenslotte alles verguigelt in de wind.


Ook op www.recensieweb.nl is de roman positief besproken. Op 21-12-2006 bespreekt Pieter Wybenga de roman. Hij concludeert Van Maanen maakt met “Heb lief en zie niet om” lezen tot meer dan een plezierige bezigheid. Hij geeft je prachtige stof tot nadenken. Dat is volgens mij precies wat hij wil, dat, gelijk Brecht, de mens zich niet zomaar door een verhaal laat meeslepen, maar erbij stilstaat, met kritische en bewuste blik de wereld tegemoet treedt. Met zijn laatste roman bewijst Van Maanen dat het jammer en onterecht is dat hij niet, zoals Siebelink, signeermarathons moet houden. Dat door zijn onbekendheid bij het grote lezende publiek hem een plaats tussen de groten wordt onthouden. De reden hiertoe moet waarschijnlijk bij hemzelf worden gezocht: ‘kostje voor fijnproevers, niet voor aardappeleters’.

Over de schrijver
Willem Gustaaf van Maanen werd geboren in Kampen op 30-9-1920. Nederlands schrijver, was eerst werkzaam als journalist; later kreeg hij een aanstelling bij de Wereldomroep. Zijn romans beogen variaties te zijn op een grondslag van werkelijkheid, de eerste twee, Droom is 't leven (1953) en De onrustzaaier (1954), neigend naar het surealisme, de latere, De dierenhater (1960) en De verspeelde munt (1964), duidelijk satiren. De onrustzaaier, waarin verhaald wordt hoe een idealistisch onderwijzer de besloten stad (Kampen) in beroering brengt door de wijze waarop hij niet alleen de kinderen maar ook hun ouders wil trachten tot denkende wezens te maken en zijn smadelijke aftocht nadien, bezorgde de schrijver in 1955 de Van der Hoogtprijs; met De dierenhater verwierf hij de Romanprijs van Amsterdam.
Hij won diverse literaire prijzen. Vooral de Constantijn Huygensprijs is een heel waardevolle en verdiende beloning voor zijn gehele werk.
• 1955 - Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor De onrustzaaier
• 1962 - Prozaprijs van de gemeente Amsterdam voor De dierenhater
• 1983 - Ferdinand Bordewijkprijs voor Het nichtje van Mozart
• 1998 - Charlotte Köhler-prijs voor Literatuur voor Vrouw met Dobermann
• 2001 - Sjoerd Leikerprijs voor zijn gehele oeuvre
• 2004 - Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvr

Bibliografie
• 1953 Droom is 't leven (debuutroman)
• 1954 - De onrustzaaier
• 1956 - Al lang geleden
• 1960 - De dierenhater
• 1960 - Taal noch teken
• 1964 - De verspeelde munt
• 1966 - Een onderscheiding
• 1970 - Helse steen
• 1973 - De hagel is gesmolten
• 1974 - Hebt u mijn pop ook gezien?
• 1981 - Een eilandje van pijn
• 1983 - Het nichtje van Mozart
• 1988 - Etty (toneelstuk)
• 1990 - Valsheid in geschrifte, of De vrouw met de schaar
• 1994 - Dubbele inktpot, enkele pen
• 1994 - Vertelde tijd
• 1995 - Meneer Grönloh
• 1997 - Vrouw met Dobermann
• 2000 - Een huis van lief en leed
• 2006 - Heb lief en zie niet om

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Ook geschreven door Cees van der Pol