I Beschrijving

Naam van auteur: Louis Couperus
Titel van het boek: De stille kracht
Plaats: Amsterdam
Jaar van verschijning: 2003
Eerste druk: 1900
Druk: 1ste , omdat hij is overgenomen door de salamanderreeks
Bladzijden: 249
Punten: 2+
Motivatie
Ik hoorde van mijn moeder dat het een mooi boek was. Het boek zou mooi uit kunnen leggen wat de verschillen zijn tussen de Europese en de Indonesiese cultuur. Omdat ik deels Indo ben en dus ook Indonesiese eigenschappen heb, is het leuk om te weten hoe Indonesiërs echt zijn en wat hun ‘stille kracht’ is. Doordat ik afgelopen vakantie in Indonesië geweest ben, kreeg ik een extra motivatie om dit boek te lezen voor mijn leesdossier.
Persoonlijke reactie
In eerste instantie vond ik het boek een beetje tegenvallen. Dit viel me al op in de eerste pagina’s: moeilijk en ouderwets taalgebruik (ook maleis!) en veel lange passages die vrij weinig te vertellen hadden. Meestal gingen die passages over de omgeving, waarin het verhaal zich afspeelde, dat is prima zolang het niet te lang duurt. In ‘de stille kracht’ duurde zulke stukjes meer dan anderhalve pagina, en dat gaat je wel parten spelen. Nog vervelender vind ik dat het verhaal vaak kort verteld wordt. Weinig gesprekken, die kort samengevat worden door de schrijver, terwijl het leuker is om zelf het gesprek te ervaren.
De gebeurtenissen in het boek zijn nogal meer vreemd dan echt spannend. Ik snap bijvoorbeeld nog steeds wat nu precies gebeurde toen Léonie in de badkamer bespuwd werd met sirih en wat sirih is weet ik ook nog steeds niet.
De personages zijn goed beschreven, mooi uitgelegd tot in details. Een pluspunt.
Ook de opbouw van het verhaal is chronologisch en hierdoor goed te begrijpen. Als er flashbacks in hadden gezeten was ik zeker de weg kwijt geraakt.
Al met al een niet erg geweldig boek, omdat het taalgebruik en de weinige spanning zorgen voor een ongemakkelijke ervaring.
II Verdieping
Tijd
De volgorde van de gebeurtenissen zijn chronologisch weergegeven.
Er is weinig verschil tussen fabel en sujet, omdat de gebeurtenissen chronologisch lopen en goed in elkaar overgaan.
Het verhaal is niet-continu verteld, er zijn vaak stukken weggelaten, ook al merk je dit niet zo goed. Dat komt omdat er nergens tijden vermeld worden en nooit gesproken wordt over ‘een week later’ of ‘na drie uur’.
In het verhaal zitten geen flashbacks, terugverwijzingen en vooruitwijzingen.
Het verhaal speelt zich af in de koloniale tijd. Een precies jaartal wordt niet gegeven, maar het zal zich rond de 19de eeuw hebben afgespeeld.
Personages
De belangrijkste personages in het verhaal zijn:
Otto van Oudijck, 48 jaar en resident van Laboewangi, een plaats een Indonesië. Hij is een man, die niet geloofd in het paranormale en erg besluitvast is. Hij heeft een vrouw en twee kinderen, maar toch voelt hij zich nog eenzaam en leeft zijn eigen leven, vaak afgesloten van vrouw en kinderen. Hierdoor heeft hij ook niet door dat zijn vrouw eerst een relatie heeft met zijn zoon en later met een andere jongeman uit Laboewangi. Eerst gelooft hij niet in de stille kracht, maar in het laatste deel van het verhaal breekt de stille kracht hem. Dit geeft hij ook toe als hij vertrekt uit Laboewangi.
Léonie van Oudijck, de vrouw van de resident. Ze is 32 jaar, maar ziet er veel jonger uit. Het is een knappe vrouw met een mooie glimlach. Er wordt veel kwaad over haar gesproken achter haar rug om, maar als ze haar dan weer tegenkomen, verdwijnt dit kwaad als sneeuw voor de zon door haar betoverende zachtheid en haar mooie glimlach.
Léonie had een verhouding met de zoon van de resident en later ook nog met de indo Addy.
Doddy van Oudijck, de dochter van de resident. Een meisje van zeventien jaar met een vaste mening. Ze was al verliefd op Addy sinds haar dertiende en wilde met hem trouwen. Als ze merkt dat Léonie steeds meer met Addy omgaat, wordt ze jaloers en is ze niet te genieten.
Theo van Oudijck, de zoon van de resident. Hij is 23 jaar en zoon van Otto’s eerste vrouw. Theo heeft een hekel aan zijn vader en een geheime relatie met zijn stiefmoeder. Als zijn stiefmoeder deze relatie verbreekt, gaat Theo iedereen haten. Zijn vader, zijn moeder, zijn zus, Addy, iedereen.
Otto van Oudijck is de hoofdpersonage is het boek, hoewel het verhaal ook van de kant van de andere personages wordt bekeken. Otto’s grootste wens was om resident eerste klas te worden. Dit lukt hem niet doordat de stille kracht hem wegjaagt van Laboewangi, het wordt zelfs nog erger doordat hij scheidt van zijn vrouw, en zich afscheid van zijn zoon en dochter.
Ik denk dat Otto een mooi voorbeeld is van een karakter. Zoals hij is in het begin, standvastig en resoluut, zo verandert hij in de loop van het verhaal naar een soepeler persoon met geloof in de stille kracht. Ook de rest van de belangrijkste personages vind ik karakters, omdat ze allen in de loop van de tijd hun mening over de stille kracht en de Indonesiërs veranderen. Als ze beginnen te begrijpen hoe ze eigenlijk echt zijn. Addy daarentegen vind ik een echt type, een macho, die niets anders doet dan vrouwen versieren.
Opbouw
Het boek is vrij normaal opgebouwd met normale volgorde zoals een echt leven ook is. Tussen de hoofdstukken in echter is het mogelijk dat er een tijd tussen zit, je kan namelijk niet opmaken wanneer alles gebeurt. In het boek wordt op geen enkele manier gesproken van tijd of datum, waardoor je niet weet hoe veel later de volgende gebeurtenis zich afspeelt.
Het verhaal begint redelijk vaag. Als een mist die steeds verder optrekt. In het begin wordt verteld over de omgeving, twee bladzijden lang. Dan wordt gesproken over een resident zonder verdere namen te noemen. Slechts beschrijvingen. Later in het verhaal wordt duidelijk wie al deze personages blijken te zijn.
Het boek wordt opgebouwd met de sterkte van de stille kracht mee. In het begin van het verhaal is het nog weinig van te merken, maar naarmate het verhaal vordert vertonen zich steeds meer vreemde gebeurtenissen, die slechts uitgelegd kunnen worden als ‘de stille kracht’.
Vertelsituatie
De vertelsituatie is erg apart. Het verhaal wordt namelijk van alle mogelijke kanten bekeken en niet slechts van de kant van de hoofdpersoon. Ook worden bijvoorbeeld de denkwijzen van de andere personages belicht. De verteller is alwetend, hij weet precies wat er gebeurd is en wat er afspeelt in de hoofden van de personages, die hij dan ook uitlegt. Hij doet ook alsof hij precies weet wat de stille kracht is, maar vertelt het uiteindelijk niet precies.
Door een alwetende verteller wordt de situatie wel erg betrouwbaar, het ene deel van het hoofdstuk praat hij over hoe de een zich voelt en bij een ander deel hoe het andere personage zich voelt. Dit is tegelijkertijd een minpunt vind ik, omdat je weet waarom en hoe alles gebeurt is de spanning ook grotendeels weg bij de verschillende personages. Anders had je misschien wel pas op het einde geweten dat Léonie een relatie had met Theo en Addy.


Thematiek
Ik vind dat het thema duidelijk cultuurverschillen is, met de bedoeling op de verschillende tussen Nederland en Indonesië. Ik weet, omdat ik zelf in Indonesië ben geweest hoe het daar is. En als je daar bent voel je dat de mensen daar heel anders zijn. Ze zijn daar stil in de zin van weinig spontaniteit. En dat vind je ook mooi terug in het boek. Het is niet voor niets ‘de stille kracht’. De mens in Indonesië is ook veel bescheidener dan in Nederland, een voorbeeld daarvan is Addy, die weinig loopt te patsen met zijn schoonheid.
Ruimte
De ruimte waar het verhaal zich voornamelijk afspeelt is het stadje Laboewangi. Grotendeels buiten en in het huis van de resident, maar ook bij andere bewoners thuis. De functie van het grotendeels buiten afspelen van het verhaal, is denk ik om duidelijk te maken dat de meeste dingen buiten gebeuren in de warme tijd. In de moessontijd is het juist het tegenovergestelde en dan wordt er ook voornamelijk verteld over het huis van de resident en wat daar gebeurt.
Taalgebruik
In het volgende stukje zijn de volgende dingen op te merken:
Oude spelling komt dikwijls voor in dit boek, ook op deze bladzijde:
• Hun = hunne
• Woorden met een ‘s’ worden met een ‘z’ geschreven. Fantazie, prezenteerbladeren.
• Elkander
• Der bedienden, der buren.
• Zeide, nadoende
• Woorden met lange ee’s en aa’s worden met dakjes geschreven: meêgerekend, elkaâr, meê.
In dit stukje komt ook naar voren op welke manier de schrijver omgaat met het vertellen van de omgevingssituatie. Bij het eerste gemarkeerde stukje zie je bijvoorbeeld hoe de schrijver vertelt over de plek van Léonies kamer. Dan wordt er nog verteld over de kamer van haar man, over die van haar dochter en van de jongens Ricus en René. Dat is allemaal leuk, maar dat is niet interessant om te weten en je bent het toch zo weer vergeten.
Op de tweede bladzijde wordt verteld wat de twee jongens allemaal voor kattenkwaad uithalen. Ik vind het opvallend dat de schrijver hier zoveel aandacht aan besteed, als het slechts een zijweg is van het hoofdverhaal. En het hoofdverhaal wordt dan weer minder gedetailleerd verteld. Dat vind ik zonde.
Literaire kritiek
Schrijver Couperus, Louis
Titel Stille kracht, De
Jaar van uitgave 1900
Bron NRC Handelsblad
Publicatiedatum 01-09-1972
Recensent Marja Roscam Abbing
Recensietitel De Stille Kracht van Indië
"De volle maan, tragisch die avond, was reeds vroeg, nog in de laatste dagschemer opgerezen als een immense, bloedroze bol, vlamde als een zonsondergang laag achter de tamarindebomen der Lange Laan en steeg, langzaam zich leuterende van haar tragische tint, in een vage hemel op." Zo begint Louis Couperus "De Stille Kracht", en wie dat taalgebruik niet meer zo helder voor ogen had moet bij herlezing even iets wegslikken. Veel moeite kost dat niet: Couperus hanteert zijn persoonlijke grammatica en vocabulaire zo onontkoombaar, dat de lezer zich na drie pagina's gewonnen geeft. Hij vertrekt geen spier meer als er voor de zoveelste keer een mysterie uit de tuin komt aandonzen en kan zich ongehinderd op de roman concentreren. Die is na vijftig jaar nog buitengewoon leesbaar: om het plot, om de niet makkelijk te vergeten hoofdpersonen, om de perfecte schets van de Nederlanders in Ons Indië aan het begin van deze eeuw.
Het verhaal: Van Oudijck, resident van de provincieplaats Laboewangi, wordt na een vete met de plaatselijke Indische regentenfamilie geconfronteerd met de "stille kracht"; de residentie verandert in een spookhuis, de nuchtere, integere Hollandse resident in een uitgeblust ambteloos burger.
Zowel Van Oudijck als zijn losbandige vrouw Leonie zijn figuren die bij Couperus vaker voorkomen: "lfij was de man van het heldere, logisch doordenkende, mannelijk eenvoudige plichtsbesef, de man van het heldere eenvoudige leven. Dat schuilen onder het eenvoudige leven al de krachten, die tezamen zijn de almachtige stille kracht, zou hij nooit weten". En Leonie: "Er was in deze vrouw iets sterks; iets machtigs van louter onverschilligheid : er was in haar iets onkwetsbaars. (... ) Zij zag er uit of zij niet kon lijden en het was of zij glimlachte en zo tevreden was, omdat er voor haar geen ziekte, geen leed, geen armoede, geen ellende bestond.
Een uitstraling van glanzend egoisme was om haar." Noch dat mannelijk eenvoudige plichtsbesef noch het glanzende egoïsme blijken opgewassen tegen de "stille kracht".
TAFELDANSEN
Wat verstaat Couperus onder die stille kracht? Hij onthoudt zich steeds van commentaar, draagt alleen feiten aan, de stille kracht manifesteert zich nu eens bij het tafeldansén van de Europeanen, lacherig begonnen spelletje tegen de tropenverveling met macabere resultaten, dan weer in de zwarte kunst van de inlanders. Die laatste is prachtig beschreven: de scene waarin Leonie van Oudijck in haar badkamer bespuwd wordt met " sirih " en tenslotte gillend en bezwadderd in het zwembad springt is Couperus op zijn best. (Het blijft ontzettend jammer dat Fons Rademakers, die in 1964 toestemming vroeg De Stille Kracht in Indonesië te verfilmen, door minister van buitenlandse zaken Soebandrio werd geweerd. De spuwscène roept om verfilming ). Ondanks zulke dramatische taferelen is de stille kracht een zwakke titelrol.
Zonder van een schrijver te willen vergen dat hij alles verklaart, vind ik dat Couperus hier te veel vertrouwt op het "mysterie van het Oosten"; voor hem behoeft het geen nadere toelichting dat zijn personages de stille kracht voelen als zij over de Javazee staren - terwijl het vanzelfsprekend is dat niemand iets dergelijks ervaart bij een blik op het IJsselmeer. Ik geloof daar niet zo in, en herinner mij Forster A Passage to India, waar het mysterie weliswaar evenmin wordt verklaard, maar tenminste algemeen, menselijk is, niet typisch iets voor zwartjes. Couperus is in zijn behandeling van de mystiek gemakzuchtiger dan Forster.
Dit mystieke mankement hindert nauwelijks, omdat de roman zich even goed laat lezen als profetie van de ondergang van Nederlands Indië. De ambivalentie van koloniaal Nederland heb ik nergens beter beschreven gezien. Couperus'instrument bij zulke beschrijvingen is vooral Eva Eldersma, de vrouw van Van Oudijck's secretaris- Eva is kunstzinnig, min of meer intellectueel, neemt de sociale plichten van de indolente Leonie met enthousiasme over. Zij maakt het beste van Indië en voelt zich falen als in de regentijd haar piano ontstemd raakt: "En geheel de esthetische filosofie, waarmede zij eerst zich geleerd had van Indië te houden, te waarderen het goede in Indië, te zoeken ook in Indië naar de mooie lijn, uiterlijk, en naar het inwendige mooi, van ziel, was niet meer bestand tegen het stromen van het water, tegen het uiteen kraken van haar meubels, tegen het vlakkig worden van haar japonnen en handschoenen, tegen al de vocht, schimmel en roest, die haar bedierf haar exquise omgeving, die zij om zich heen als troost had ontworpen, geschapen, als troost voor Indië. " Alleen op Eva's partijtjes werden de heren verwacht in rok, alleen haar man kleedde zich voor het eten - nu duldt zij hem in nachtbroek en kabaai: "Zij vond dat iets vreesfijks, iets onzegbaar verschrikkelijks, het schokte geheel haar beschaving, maar heus, hij was te moe, en het was te drukkend zwoel om anders van hem te vergen. En zij - pas twee jaren in Indië - begreep meer en meer het zich laten gaan - in kleding, in lichaam, in ziel - nu zij iedere dag iets meer verloor van haar Hollandse frisse bloed en haar Westerse energie, nu zij wel toegaf, dat men in Indië werkte als misschien in geen ander land, maar, alleen werkte, met dat doel voor ogen: positie - geld - ontslag - pensioen - en terug, terug naar Europa."
Eva is ook de enige figuur die gebukt gaat onder de kleinzieligheid van haar omgeving en onder haar eigen kleine ziel. Zij zoekt wat tegenwicht in een lome belangstelling voor sociale rechtvaardigheid - als pendant van Constance (in de Kleine Zielen zelf) met haar verliefdheid op de radicaal Brauws en van Comélie (in Langs lijnen van geleidelijkheid ) met haar feministische brochure.
Couperus had, ondanks zijn gevarieerde onderwerpen en locaties - de Haagse romans, de Indische, die uit de Oudheid en die van de Riviera - een beperkt aantal karakters tot zijn beschikking, die hij dan ook geheel beheerste.
AIs zijn personen enige belangstelling aan de dag leggen voor de buitenwereld, zijn dat altijd vrouwen (als Eva) - zijn andere vrouwtype is daarentegen hersenloos, zinnelijk en gehuld in pastelkleurig negligee; zijn mannen zijn of sympathiek maar fantasieloos (Van Oudijck) of wellustelingen die dan ook altijd als dieren worden voorgesteld. Bijna cliché's, net niet helemaal: Dankzij Couperus'talent voor psychologisch detail en kleine waarneming totaal geloofwaardig.
DIALOOG
Zoals in de koloniale verhalen van Somerset Maugham het "going native", is in De Stille Kracht het "verindischen " een voortdurende vrees. De kleding aan het diner, de tongval van de kleuters is voor alle Nederlanders in Laboewangi een grote zorg. Couperus geeft een scala van alle varianten van "verindischen " dat een zeer authentieke indruk maakt, zijn taalgebruik wordt dan plotseling realistisch - terwijl de oer-Hollanders romantisch gonzende volzinnen produceren, stoten "nonna's" en "indo's" zinnetjes uit waarin (zonder fonetische krachttoeren) het accent doorklinkt. Couperus had kennelijk een uitstekend oor voor dialoog, maar hij vond het niet de
moeite waard dat te gebruiken bij "normale" Europese conversatie. Hoe boeiend de persoonlijke perikelen van de familie Van Oudijck ook mogen zijn, die algemeen Nederlands-Indische fragmenten maken De Stille Kracht voor mij het aantrekkelijkst. Daarbij blijft het de vraag waar ik die indruk van authenticiteit vandaan haal - hoe kan iemand die nooit een voet in Indonesië, laat staan in Nederlands Indië gezet heeft, zo'n dat klopt gevoel hebben? Heeft de waarheid een eigen overtuigingskracht (wat - een mooie, ethische gedachte is), of kan Couperus zo, schrijven dat zelfs een misschien geheel verdraaide Couperus-werkelijkheid de indruk van waarheid vestigt? Veel ooggetuigen van de Stille Kracht-samenleving zullen er niet meer zijn; en toen Couperus in 1922 een lezing hield in Soerabaja, kreeg de "verwijfde Hagenaar" slaande ruzie met zijn gastheren, terwijl de pers hem belachelijk maakte. Misschien pleit die Indische weerzin voor De Stille Kracht.
De recensent is zeer positief over het boek. Ze vindt het zo goed dat de roman na 50 jaar nog steeds toegankelijk is voor de gewone mens. Om het plot om de niet makkelijk te vergeten personages en de perfecte schets van Nederlands-Indië in die tijd. Ze vindt vooral het stukje waarin Léonie bespuwd wordt met sirih een prachtig stuk: Louis Couperus op zijn best. Ze vindt het alleen jammer dat L. Couperus de stille kracht slechts bereikbaar maakt voor de zwarte mens, zoals zij dat noemt. En dat het niet te begrijpen is voor de Westerling. Het beste personage is voor haar Eva Eldersma, die zich zo goed weet aan te passen aan de Indische omstandigheden. Dat ze op een gegeven moment toegeeft aan de problemen als een ontstemde piano en aangevreten kleren.
De recensent vertelt als achtergrond informatie dat de personages Otto en Léonie vaker voorkomen in de verhalen van Louis Couperus. Of de sympathie en fantasieloosheid van Van Oudijck of hersenloosheid, zinloosheid bij vrouwen. Ook vertelt de recensent dat Louis Couperus tijdens een lezing in Soerabaja slaande ruzie kreeg met zijn gastheren en de pers hem belachelijk maakte.
Ik ben het niet helemaal eens met de dingen die de recensent noemt. Bijvoorbeeld het taalgebruik vind ik persoonlijk een groot struikelblok wat het plezier van het lezen al aardig afneemt en ik vind het dus niet toegankelijk voor de mens nu. Het stukje waarin Léonie bespuwd wordt met sirih is inderdaad een van de betere stukken in het boek, omdat hier enige spanning wordt opgewekt. Maar in de rest van het boek is dit zodanig weinig dat het logisch is dat dit een van de betere stukken is.
Verwerkingsopdracht
De relatie tussen het gelezen werk / en leven en opvattingen van de schrijver
De relaties tussen het boek ‘de stille kracht’ en het echte leven van Louis Couperus zijn erg groot. Het boek geschreven in de tijd dat Louis Couperus in juni 1899 in Nederlands-Indië was. Hij heeft toen nog gelogeerd bij de resident Gerard Valette.
Ik heb uitgevonden dat het boek ‘de stille kracht’ berust is op waargebeurde feiten, die hij zelf heeft meegemaakt en ook van andere heeft gehoord tijdens zijn bezoek aan Nederlands-Indië.
Bijvoorbeeld de scène waarin Léonie en Addy betrapt werden door Otto. En Léonie die dan als smoes gebruikt dat Addy om de hand van Doddy kwam vragen. Dit is in het echt ook gebeurt met een dame die volledig vertrouwd werd door haar man. Dit speelde zich alleen af in Batavia. Deze vrouw zei toen ze betrapt werd met de heer Tropcourt van Singapore door haar man dat de heer Tropcourt van Singapore haar om de hand vroeg van haar oudste dochter. Net als in het verhaal gebeurde wat de vrouw verzonnen had. De heer Tropcourt van Singapore trouwde met de vrouw haar oudste dochter en het vertrouwen van de man in haar bleef onbeschaamd.
Ook het geheimzinnige steen werpen en sirih spuwen is in het echt voorgekomen, maar ook in een andere plaats waar Louis Couperus is geweest: Preanger. Ook bij hen was het een groots mysterie. Een aantal compagnieën soldaten, onder het gezag van generaal Michiels zijn het huis wezen bewaken, maar toch bleef het verschijnsel dag en nacht, wekenlang voortduren. Hoe de mensen zich ook inspanden, het mysterie bleef onopgelost.
Hieronder volgt een lijstje van jaartallen waarin Louis Couperus in het voormalige Nederlands-Indië is geweest.
10 juni 1863 Louis Couperus geboren te Den Haag. Zijn vader was een gepensioneerde raadsheer in de beide Hoge Gerechtshoven in Nederlands-Indië.
8 november 1872 Vertrek met zijn ouders naar Batavia
1878 Terug in Nederland
1891 Louis Couperus trouwt met Elisabeth Wilhemina Johanna Baud, die geboren is in Batavia.
Februari 1899 Vertrek naar Nederlands-Indië, verblijf in Tegal en Pasoeroean.
Juni 1899 Logeert bij zijn zwager en resident Gerard Valette en zijn echtgenote Trudy, zuster van Couperus, te Tegal; na overplaatsing van de resident logeren ze te Pasoeroean. Begint met schrijven van De stille kracht
Maart 1900 Terug in Nederland
September-oktober 1900 Stille kracht is af
November 1900 Stille kracht uitgegeven door L.J. Veen
Oktober 1921 Vertrek naar Java, Bali, Sumatra als correspondent
1922 Verblijf in Japan
1923 Overlijdt in Den Haag
Bronnen:
http://www.geocities.com/siebrenkuipers/couperus.html = recensie
http://www.louiscouperus.nl/

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

I.

I.

prima

10 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast