ADVERTENTIE
Waarom je twee keer per week een zelftest moet doen!

Ein-de-lijk mag je weer naar school! Zonder afstand, maar met gratis zelftesten. Maar waarom je twee keer per week een zelftest moet doen lees je in ons artikel! 


Feitelijke gegevens over het boek
Titel: De intrede van Christus in Brussel (in het jaar 2000 en oneffen ongeveer)
Oorspronkelijke taal van de uitgave: Nederlands
Verschijningsdatum 1e druk: september 2011
Gebruikte druk voor het verslag: 1e gebonden druk
Aantal bladzijden: 173
Uitgeverij: Contact
Genre
Het boek is een satirische verhandeling over de Belgische samenleving. Maar tegelijkertijd is het ook een loflied van Verhulst op het Belg-zijn.
Hoe ziet de cover eruit?
Op de cover staat een gedeelte van de afbeelding van James Ensor : ‘De intrede van Christus in 1889”.


Uit de recensie van De Volkskrant: “ In 1888 schilderde de Belg James Ensor (1860-1949) wat gezien wordt als zijn meesterstuk, 'De intrede van Christus in Brussel'. Op het doek is een bijeen geperste menigte te zien. Een kleurige massa met hoedjes en maskers. De fanfare is erbij, een rechter, militairen, een groep vrouwen, iemand van de kerk, zelfs de dood is van de partij. Ook Christus staat afgebeeld, op een ezeltje. En er is een vaandel te zien, rood van kleur, ietwat smoezelig, met de tekst Vive la Sociale, waarmee de schilder spottend z'n commentaar leverde op de stad waar hij nu juist weinig sociale betrokkenheid had gezien.
Opdracht
De opdracht is aan Chris, Gerard en Lieven.
De flaptekst
Wanneer wordt aangekondigd dat Christus op 21 juli, in volle komkommertijd, Brussel zal bezoeken, ondergaat de Belgische hoofdstad een metamorfose. De gevels worden opgeknapt, bloembakken geplaatst en de criminaliteitscijfers duiken plotsklaps naar het nulpunt. Terwijl de beleidsmensen bakkeleien over wie een persoonlijk onderhoud met de profeet verdient en discussiëren over de route waarlangs Jezus lopen moet, krijgt de stad almaar een menselijker gelaat met oog voor de dakloze, de illegaal, de dronkaard en de armoe-oogster. De metro ruikt niet langer naar pis, de hoop is onder het volk. En dan breekt de grote dag zelf aan.
Op weergaloze wijze becommentarieert Verhulst de hedendaagse samenleving.

Samenvatting van de inhoud
Het verhaal wordt verteld in 14 korte hoofdstukken:


Statie 1
Het sensationele bericht wordt in België via internet verspreid dat Jezus Christus op 21 juli a.s. Brussel zal bezoeken.
In den beginne was er het woord en het woord las men, zoals altijd, op internet: ‘Daar stond het, weggemoffeld tussen een bericht over een wereldrecordpoging hotdogs eten en de immer op de voet gevolgde strapatsen van een zangeres. Christus zou naar Brussel komen, de eenentwintigste juli aanstaande, de bron was betrouwbaar doch onbekend, maar dat Hij komen ging was een vaststaand feit, nadere informatie volgde later.’
In eerste instantie lijkt het bericht echter weinig ophef te weeg te brengen. De ik-figuur koopt echter wel bloemen voor zijn vrouw, met wie hij blijkbaar een wat minder goede periode doormaakt. Je weet het maar nooit, als Jezus naar je stad komt. Hij doet wel een uithaal naar sms’en als middel voor het verspreiden van berichten. Met raketsnelheid verspreidt het nieuws zich, maar het wordt, zoals wel vaker voorkomt in de journalistiek, door niemand nader gecontroleerd.
Statie 2
De Heilige Familie heeft de hoofdstad al vaak met een bezoek vereerd. De Maagd Maria is al vele keren aan mensen verschenen. Maar nu is het andere koek, want Jezus zelf komt. In de media wordt die avond wel veel aandacht besteed aan de komst van Christus. Het is namelijk komkommertijd. Er zijn passages waaraan is af te lezen dat Verhulst zijn pijlen richt op media die onzin oplepelen. Zo moeten actualiteiten entertainen, ongedwongen en vederlicht zijn. Welke vraag zal de talkshow-host Christus stellen: 'Die apostelen van u, zaten daar niet een paar nichten bij?'
Maar de Heilige kerk van Rome en zijn vertegenwoordigers zwijgt voorlopig in alle talen. De verteller ziet dit als een gevolg van de laatste berichten over het seksueel misbruik door functionarissen van de kerk.
Statie 3
De ik-figuur ziet een bedelares bij het Koninklijk Paleis in een tentje haar opwachting maken op de komst van de Heiland. Dat brengt hem op de gedachte om zijn moeder te bezoeken en te vragen of ze ook Jezus wil zien op 21 juli. Dat wil ze echter niet en diezelfde dag sterft ze . Hij vertelt dat zonder emoties en hij hoopt dat hij nog een foto van zijn tot dusver onbekend gebleven vader in haar nalatenschap zal aantreffen.
Statie 4
Eerst beschrijft de ik-figuur de functie van Manneken Pis in Brussel. Het is wel een lullig beeldje in dubbel opzicht, maar het geeft eigenlijk de vrijheid van de mens weer. Daarna geeft hij zijn kritiek op de verloren generatie en levert meteen zijn kritiek op de diverse oorlogen die er nog steeds in de wereld woeden. (In Afrika de diverse burgeroorlogen waar stammen elkaar afslachten en in Europa bijvoorbeeld Sebrenica)
Statie 5
De politici beginnen te krakelen over wie Jezus bij zijn komst mag ontvangen. Ineens zijn er natuurlijk veel gegadigden om zich daarvoor aan te melden. Ook begint men zich af te vragen wie de taal van Christus (het Aramees) machtig is. Daarvoor moeten ze naar iemand op zoek die in een transitocentrum zit. (Wij zouden dat in Nederland een asielzoekerscentrum noemen.)
Statie 6
De kermis doet net als elk jaar zijn intrede in de stad. De verteller verheugt zich daarop. Hij wil daarom in die periode in Brussel blijven en niet op vakantie gaan. Zijn vrouw moet hij zien te overtuigen: ze heet Veronique en uit sommige passages blijkt dat ze wat de echte liefde betreft op elkaar zijn uitgekeken. Maar deze zomer zullen ze in Brussel blijven, spreken ze af.
Statie 7
De 11-jarige Ohama wordt de uitverkoren illegaal. Ze komt te logeren in het duurste hotel van Brussel (7800 € per nacht) Het meisje droomt dat ze Jezus moet ophalen van het station. Ze laat de Heiland de slechtste wijken van de stad zien. (met o.a. de hoeren, de junks, de toestand van de illegalen) Dan ineens blijkt Jezus in haar droom een controlerend ambtenaar te zijn die haar opdraagt de goede dingen van Brussel aan Jezus te tonen. Voor straf moet ze terug naar het transitocentrum. Gelukkig is het maar een droom voor Ohama.
Statie 8
Op 21 juli is het toevallig ook de Nationale feestdag in België. Er wordt daarom geopperd om de Militaire Parade tegelijk te houden met de optocht voor de Heer. Dan worden er maar één keer kosten gemaakt. Er zijn dan ook al mensen die plaats nemen langs de route en ook de handelaren zien hun kansen schoon met het maken van allerlei troep. In deze statie haalt Verhulst ook uit naar het Koningshuis: Albert is de goedzak met zijn verlopen fotomodel Koningin Astrid.
Statie 9
Omdat de mensen in Brussel de Heer vrezen, gaan ze zich wat beter gedragen uit angst voor een afrekening van de Heiland. Zo gaat de verteller nooit op vriendschappelijke basis om met zijn norse buurman. Die nodigt hem echter uit om bij hem te komen eten. Veronique en hij gaan er op in en de man onthult dat hij kort ervoor zijn vrouw vermoord heeft. De verteller weet niet zo goed daarmee om te gaan. Hij zou ook wel een zonde willen opbiechten, maar hij weet zo gauw niets te noemen.
Statie 10
In dit hoofdstuk gaat het over het Volkslied (zie het motto). Omdat België drietalig is, zingt niemand de echte tekst. Men doet alleen maar “la, la , la etc.” Daarom wil men tijdelijk een nieuw volkslied laten componeren. Maar het eindresultaat is zo slecht en zit vol plagiaat dat men van hogerhand besluit om dan maar het Onze Vader op muziek te laten zetten. Dat zal Christus bekend in de oren klinken. Ook de ik-figuur en Veronique hebben een inzending gedaan, maar tot hun spijt zijn ze geen winnaar geworden.
Statie 11
De ik-figuur moet de woning van zijn moeder leeghalen, maar bij nader inzien wil hij geen spullen van haar behouden. De mensen mogen alles meenemen wat ze willen hebben. Binnen een vloek en een zucht is het huisje geruimd. Het huis wordt gestript. Wat overblijft brengt hij naar de vuilstort. Zijn vrouw belt hem op en zegt dat de binnenstad zal worden afgesloten voor autoverkeer. Hij heeft geen papieren bij zich. Maar van een ineens aardige agent mag hij toch verder rijden.
Op de autoradio hoort hij dat in een klooster de nonnen zich massaal hebben opgehangen. Waarschijnlijk hebben ze dat gedaan uit angst voor het oordeel van de Heer vanwege hun seksueel misbruik van de hun toevertrouwde kinderen. Het is één van de hardste maar ook meest satirische passages van het boek.
Statie 12
Het is 20 juli en 30 graden Celsius in de stad. Sommigen leggen verband met de komst van Christus. Er is nu sprake van een mediahype, ook in het buitenland. De media krijgen er door de verteller flink van langs. Een hippie wordt aangezien voor Christus en beleeft daardoor enige moeilijke momenten. Zijn kleren worden van zijn lichaam gerukt, hij wordt naar een psychiatrische inrichting gestuurd, waar hij nog lang denkt dat hij Christus is. De auto’s worden niet meer toegelaten en het treinpersoneel grijpt zijn kans. Het staakt, omdat het nu de macht in handen kan krijgen. De rechten van de televisie-uitzending zijn verkocht aan de commerciële omroep. De ik-figuur denkt dat hij ook maar op televisie naar de intrede zal kijken.
Statie 13
Maar toch gaan ze samen op 21 juli de straat op. Er zijn veel mensen op de been en er verschijnt eerst een reclamekaravaan die erg sterk doet denken aan de komst van de renners bij de Tour de France. Er wordt veel troep uitgedeeld. Dan zijn er ineens talloze misdadigers op straat die in het openbaar boete doen voor hun daden (grote criminelen, maar hij ziet ook zijn berouwvolle buurman in de stoet open)
Tenslotte komt het meisje Ohama. Ze wordt door een ieder aangeraakt in de hoop een soort kracht aan haar te kunnen ontlenen. Ohama neemt plaats op het podium naast de Koning. Iedereen is nu in afwachting van de komst van de Messias.
Statie 14
Maar Christus komt niet. De Brusselaars zijn beetgenomen door een verspreid gerucht. De ik-figuur haalt meteen uit naar de humorloosheid van zijn stadgenoten. Ze kunnen er maar niet om lachen. Ze zijn verzuurd en er breken in de stad rellen uit. Het meisje Ohama wordt van het podium gerukt: ze zal het land meteen moeten verlaten en de gedane beloften aan haar zijn gewoon weer vergeten. Ook zijn eigen vrouw zit vol kritiek: door hem hebben ze hun vakantie niet door laten gaan. Hij vermoedt dat ze weinig meer samen zullen doen in de toekomst. In de tram terug is de verzuurdheid onder de mensen weer terug. Een mooi meisje dat in het Frans iets vraagt, wordt meteen weer terechtgewezen dat men in Brussel Vlaams hoort te spreken. Ze stapt uit en de ik-figuur durft niet achter haar aan te gaan. Hij is te laf om te leven.
Titelverklaring
In de media wordt het gerucht verspreid dat Christus zijn intrede zal doen in Brussel op 21 juli. Daarover gaat het gehele boek.
Motto
Het motto is
La la la la la la la la la la la
La la la la la la la la la la

Dit wordt later in Statie 10 verteld. Omdat België drietalig is, kent vrijwel niemand de woorden van het volkslied en kan niemand ze nazingen.
Daarom zingt iedereen maar “la….. etc.” Dit wordt in hoofdstuk (Statie) 10 besproken.
Aan het einde van het boek staat nog een motto.
Pilatus antwoordde; Wat is geschreven heb, dat heb ik geschreven. ‘(Johannes 19:22)
Het citaat verwijst naar de berechting van Christus door Pilatus op Goede Vrijdag.
Het volledige citaat luidt 19 En Pilatus schreef ook een opschrift, en zette dat op het kruis; en er was geschreven: JEZUS, DE NAZARENER, DE KONING DER JODEN.
20 Dit opschrift dan lazen velen van de Joden; want de plaats, waar Jezus gekruist werd, was nabij de stad; en het was geschreven in het Hebreeuws, in het Grieks, en in het Latijn.
21 De overpriesters dan der Joden zeiden tot Pilatus: Schrijf niet: De Koning der Joden; maar, dat Hij gezegd heeft: Ik ben de Koning der Joden.
22 Pilatus antwoordde: Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven.

Structuur
Het verhaal wordt verteld in veertien hoofdstukken die Verhulst Staties noemt. Dat is wel een toepasselijke benaming, want de kruisiging van Christus wordt immers in een aantal staties verteld in de leer van de Rooms-katholieke Kerk. In dit boek gaat het om de komst van Christus naar Brussel.
In elke statie neemt de verteller een stukje van de Belgische samenleving op de hak. Dat doet hij op satirische wijze. Christus komt ook uiteindelijk helemaal niet naar Brussel: het blijkt een mediastunt te zijn.
Perspectief
Er is een ik-verteller die verder niet bij name wordt genoemd. Gemakshalve zou je kunnen aannemen dat Verhulst hier zelf als verteller fungeert, omdat hij gewoon over het verhaal van Christus heen de Belgische samenleving wil bekritiseren. Hij vertelt in de o.v.t. als achterafverteller.

De tijdlagen van het verhaal
Er is een tijdsverloop van enkele weken. Er wordt aangekondigd in Statie 1 dat Christus naar Brussel zal komen . Daarna wordt er achter elkaar doorverteld naar 21 juli, de dag waarop dat zal gebeuren. (Statie 14)
In de ondertitel staat dat dit in het jaar 2000 of oneffen ongeveer is. Een echt jaartal wordt niet genoemd, maar uit één tekstgegeven zou je toch kunnen opmaken dat het een heel actueel verhaal is, want er staat in het verhaal dat België het wereldrecord regering samenstellen heeft verbroken en dat gebeurde in de werkelijkheid in 2011. Op het moment dat het boek verschijnt, is er namelijk nog steeds geen nieuwe Belgische regering.
Het decor van de handeling
Het decor is niet moeilijk vast te stellen, want het verhaal speelt zich geheel af in Brussel.
Thematiek
Het gaat in dit boek eigenlijk helemaal niet over de komst van Christus. Verhulst grijpt het verhaalelement aan om de Belgische samenleving te bekritiseren.
Hij haalt in het boek achtereenvolgens uit naar:
- Het gebruik van sms-berichten om met elkaar te communiceren (Statie 1)
- Het seksueel misbruik van de functionarissen in de RK-kerk dat men het liefst in de doofpot wil stoppen. (Statie 2 en vooral Statie 11). Giftig commentaar geeft Verhulst wanneer hij schrijft dat de slachtoffers van seksueel misbruik werd wijsgemaakt dat zíj zich moesten schamen. 'Niet de verkrachter maar de verkrachte was het die tekortschoot als christenmens, omdat hij in de onmogelijkheid verkeerde om zijn beulen te vergeven'.
- Het voeren van onzinnige oorlogen in Afrika en Europa (Sebrenica) (Statie 4)
- Het afkraken van de diverse politici die zich buigen over de vraag wie Christus mag ontvangen en kritiek op de zwakke positie van de illegalen in België (Statie 5)
- Het Koningshuis (Albert en Astrid) krijgt er van langs in Statie 8.
- Kritiek op opportunistische houding van de gewone mens: onder invloed van de naderende komst van Christus gaan ze zich aardiger tegenover elkaar gedragen, maar zo gauw als duidelijk wordt dat Hij niet komt, doen ze weer onaardig tegen elkaar. (Statie 9 en 14) De buurman biecht onverwacht een moord op zijn vrouw op. De politieagenten doen ineens erg aardig op straat.
- Kritiek op het niet te zingen volkslied (La la la la ……)
- Kritiek op de hebzucht van mensen (het leegruimen van het huisje van zijn moeder, Statie 11)
- Kritiek op de massahysterie en de mediahype ( Statie 12) Een citaat uit deze statie over dit motief is En zoals ik al eerder heb geschetst, we leefden in een tijdperk waarin het nieuws van elke scheet zonder nadere verificatie in gigantische veelvouden werd gemultiplieerd. Elk geruchtje werd in het rond getweet, getwitterd, geskypet, gemaild, gebiebt, gepiept of ouderwets getoeterd indien men zonder batterijen zat. Waardoor de massa’s zich door de stad verplaatsten volgens de waan van de seconde. “
- Kritiek op de commercie die overal winst wil uitslaan (Statie 13)
- Kritiek op het opportunisme van de mensen (Statie 14)
Enkele voorbeelden van de stijl van Verhulst in dit boek.
Evenals de schilder Ensor destijds is Verhulst liefhebber van het groteske, en dol op de overdrijving als stijlvorm. Dat past natuurlijk ook bij de satire die immers dicht tegen het genre van de column aanschurkt.
Enkele voorbeelden van de satirische stijl die Dimitri Verhulst in zijn laatste boek aan de lezer prijsgeeft:
a. Statie 11 : ‘Vervolgens boog de nieuwslezer zich over een zopas binnengelopen bericht, een lugubere ontdekking in het klooster van Kortrijk, waar de nonen zich gezamenlijk hadden opgeknoopt aan de balken van de zoldering. Je zag zo het beeld voor je: al die wiebelende zwarte rokken met daar pril ontbindende nonnen in, bungelend aan het plafond. Je kreeg onmiddellijk goesting om zo’n tafereel te schilderen. Stilleven met dode nonnen.
b. In dezelfde Statie. Hun kanten kappen hadden laatstleden nog onze cartoonisten geïnspireerd toen het bekend raakte hoezeer deze bruiden van de heer de weeskinderen, voor wie ze enige decennia terug de volle verantwoordelijkheid droegen, seksueel hadden misbruikt. Getuigenissen van jongens, inmiddels mannen met mankementen, die gedwongen werden onder die muffe nonnenrokken te kruipen in het duister, en daar aan die behaarde gabbe te likken tot Moeder Overste opgehouden was met trillen.
c. Over de hippie die door de menigte wordt aangezien voor Christus. “Ik heb me laten vertellen dat de ongelukkige hippie vrij kort na deze akelige ervaring is overgeschakeld op harddrugs, en dat hij zijn hersens dermate gretig om zeep heeft gesnoven dat hij ondertussen het gros van zijn dagen doorbrengt in de tuin van een psychiatrie, op de schommel, overtuigd van zijn eigen goddelijkheid. “ (Statie 12)
d. In Statie 13 schrijft hij over de reclamekaravaan die aan de komst van Christus voorafgaat: “Kushandjes werpende meisjes met ondeugende blikken slingerden eindjes salami in het publiek, gratis en voor niks, en het waren welgekomen hapjes die het wachten enigszins verlichtten. ‘Voor wie wil weten hoe het is te leven als God in Frankrijk: proef de saucisson van Cochonou!’ Natuurlijk, een publiciteitskaravaan!’
e. De komst van Christus doet de verteller terugdenken aan de beruchte Europa Cup I finale in Brussel tussen Liverpool en Juventus. We waren jong en trots dat onze stad de finale van de toen nog bestaande Europacup I organiseerde. Mocht organiseren. Maar de collecte van dode voetbalsupporters naast het veld. 39 in totaal, blauw, versmacht, vertrappeld, slappe zakken die niet meer opsprongen toen Michel Platini zijn ploeg op voorsprong trapte…. Het zijn beelden die de geschiedenis van Brussel mede markeren en flarden ervan schieten nog dikwijls door mijn hoofd, zeker wanneer de massa’s onze avenues opvullen. Ik ruik de dood in elke menigte, sindsdien. (Statie 12)
Beoordeling scholieren.com
De nieuwste literaire pennenvrucht van Dimitri Verhulst is een zeer vermakelijk boek wanneer je tenminste van de stijl van de schrijver houdt. Diverse keren heb ik hardop moeten lachen om de overdreven teksten die meer op cabaret dan op literatuur lijken.
Vooral zijn kritiek op de RK-kerk en het seksuele misbruik is niet mals, maar de manier waarop de zelfmoord van enkele nonnen wordt aangeduid, is een echt voorbeeld van zwarte humor. Het verhaal over de komst van Christus stelt op zich niet zo veel voor, maar Verhulst grijpt de kans aan om zijn “spotlicht’ te laten schijnen over de Belgische samenleving en hij doet dat met een genadeloos fileermes.
Dat maakt het boek amusant om te lezen. Wel deed de stijl me sterk denken aan het eerder bekroonde boek ‘Godverdomse dagen….’ dat de geschiedenis van de mensheid als thema had.
Voor wie ervan wil genieten, is ‘De intrede van Christus in Brussel.”een leuk boek om te lezen. Maar je moet wel tegen een beetje spotten kunnen (en dus van cabaret of columns houden).
Het boek is m.i. geschikt voor havo- en vwo-leerlingen.
Amusementswaarde voor de liefhebbers van het genre: hoog.
Literaire waarde : twee punten.

Recensies
Dimitri Verhulst is de laatste jaren een van de bekendste Vlaamse schrijvers. Zijn boek “Godverdomse dagen……etc. dat ik ook op onze website besprak, heeft zeker ook een doorbraak in Nederland teweeg gebracht, niet in de laatste plaats omdat het boek de Libris Literatuurprijs won.
In De Volkskrant van zaterdag 26 september 2011 bespreekt Daniëlle Serdijn de roman positief. Het is niet ingewikkeld je te verplaatsten in de wereld van Verhulst. En dat is, hoe aangenaam het ook is hem weer te lezen, tegelijkertijd een bezwaar: je kunt het moeilijk oneens zijn met hem. Wat in de tijd van Ensor misschien een schok teweegbracht is vandaag de dag business as usual. Wantrouwen ten opzichte van instanties als kerk en overheid, en het beschimpen en het leveren van commentaar op tal van zaken, is de laatste jaren niet ongebruikelijk onder burgers. Verhulst staat in dat opzicht niet alleen. Wel verwacht je dat de kritiek van deze auteur dieper zou graven, of een andere kant zou laten zien dan het eigen gelijk. Daar staat tegenover dat Verhulsts proza een feestelijke aangelegenheid blijft: muitend, licht anarchistisch, geestig en met een zweem folklore. Dat volstaat ruimschoots.
Ook in Trouw van 1 oktober 2011 wordt het boek besproken. In veertien hoofdstukken, gemodelleerd naar de veertien staties van Christus’ kruisweg roept Verhulst een barokke wereld van bizarrerieën en malle gewoontes op, maar steeds met liefde. Het zou me niet verbazen als deze komst van Christus heel in de verte geïnspireerd blijkt door de magisch-realistische komst van Joachim Stiller in de befaamde roman van Hubert Lampo, maar dan is het daar toch wel de aardse variant van. Trouwens, wat zich in het begin al laat raden: Christus komt helemaal niet. De hele kermis blijkt op een verzinsel te berusten en morrend en verongelijkt zetten de Belgen hun verhoopte ‘claim to fame’ weer bij de grote
voorraad desillusies. Dimitri Verhulst heeft trouwens, ondanks zijn ontkenning, wel degelijk
iets van een volkszanger in het literaire. Hij herinnert aan schrijvers als Hendrik Conscience en Felix Timmermans maar dan toegerust met hedendaags relativeringsvermogen. Geen diepzinnig en analytisch schrijver over België, maar wel plastisch en geestig. Met een ongeëvenaarde neus voor saillante details.

Arjen Fortuin bespreekt het boek in het NRC op 23 september 2011 “De intrede van Christus te Brussel hoort in de tweede groep, in veertien statiën beschrijft Verhulst hoe Brussel (en België en Europa) steeds meer in de ban raakt van het bezoek van de allerhoogste. Het geeft hem de gelegenheid om bijtende spot over zijn landgenoten uit te storten, te beginnen in een formidabele openingsscène waarin de lezer vanuit de hemel wordt meegetroond richting Brussel, de stad waar het op dat moment niet regent. Nee, het regent echt niet, herhaalt de verteller zo vaak dat het gaandeweg toch een tikje klam gaat aanvoelen. Brussel is niet voor niets de stad van Pieter Brueghel de Oude, de man die de Toren van Babel schilderen.[…..] Met de maskers en de dromen neemt Verhulst je meteen mee in de clownesk-onbehaaglijke sfeer van het grote schilderij van James Ensor, waar de roman op is geïnspireerd. De vrolijkheid is zo uitzinnig dat het eng wordt: onder elk masker schemert een skelet. Na Verhulsts prachtige verhalenbundel zeven laatste zinnen is De intrede van Christus te Brussel het tweede boek waarin de Christusfiguur boven de vertelling zweeft. […..]Op een vergelijkbare wijze toont Verhulst zijn humanisme in een lange scheldkannonade, zoals Godverdomse dagen op een godverdomse bol. Wie de mens zoveel kwalijk neemt moet wel met hem begaan zijn.
Zo heeft ook De intrede van Christus in Brussel een stevige morele bodem, een iets te stevige bodem eigenlijk. Want de golf van medemenselijkheid die de Brusselaars overvalt bij het Christusbezoek, wordt wel gerelativeerd (alles is tijdelijk), maar niet geproblematiseerd. Daardoor lijkt de boodschap van Verhulst aan de brave kant: het zou ons goed doen wanneer Christus eens naar Brussel kwam.
Maar Dimitri Verhulst is nu eenmaal meer een schrijver van het hart dan van het academisch discours. En de moraal mag eenvoudig zijn, in de verpakking toont Verhulst dat hij niet alleen in kwantiteit een van de prominentste schrijvers van het moment is: door de scherpte waarmee hij de onhandige, wrede en aandoenlijke mens te lijf gaat – en door de spanning die hij er tot het laatst in weet te houden, bij de lezer en de reikhalzende burgers in de straten van Brussel.

Op de bekende website www.recensiewb.nl is de recensent niet zo positief. Dat is direct het zwaktebod in De intrede van Christus in Brussel. De stijl waarin Verhulst verhaalt over de lachwekkend pijnlijke geschiedenis van de huidige status quo in Europa is geweldig vermakelijk, maar zijn vlakke personages bieden te weinig tegenwicht om zijn politieke standpunten gewicht te geven. En dat terwijl de lelijkheid van de hedendaagse wereld toch pas werkelijk zichtbaar wordt op het in elkaar geslagen gezicht van de onschuldige buschauffeur – en niet in het nietsontziende taalspel van Verhulst, hoe rijk dat ook is.
De ik-figuur verheugt zich op de botsauto’s op de kermis, die anders dan andere jaren is, zo denkt hij. ‘Het was een kermis die zichzelf verdiende, gerechtvaardigd was, omdat er, simpelweg, iets te vieren viel.’ Verhulst geeft je niet veel om te vieren noch om te huilen. Wel om te lachen: al terugbladerend door het boek kom ik in de kantlijn voortdurend mijn eigen aantekeningen tegen: ‘haha!’ Het zijn ‘hahaha’s’ die het ‘la la la’ overtreffen, maar Verhulst voldoet vooral aan datgene wat zijn ik-verteller de media verwijt: ‘Actualiteit moest entertainen.’ Met De intrede van Christus in Brussel doet Verhulst precies dat – en daar is niets mis mee.

Op de site van www.8weekly.nl wordt het boek op 20 oktober 2011 door Frank Heinen besproken: De intrede van Christus in Brussel is een experiment waar weinigen in het Nederlands taalgebied zich aan zouden durven wagen. De absurditeit van het uitgangspunt en de serieusheid waarmee dit verder wordt uitgewerkt, vormen een paradox die werkt. Tegelijk is het, net als in Verhulsts vorige literair experiment Godverdomse dagen, toch weer zijn onnavolgbare stijl die veel van de aandacht opeist. In lange, ritmische zinnen vol vet-Vlaams en archaïsche uitdrukkingen, toont Verhulst zich in de eerste plaats een uitstekend stilist, op de voet gevolgd door zijn rol van cultuurkritische essayist. De minder interessante persoonlijke beslommeringen rond de Brusselse ik-verteller dragen aan deze boeiende vertelling daarentegen relatief weinig bij.
Rest nog slechts de vraag of Dimitri Verhulst eens drie jaar uittrekt voor de Grote Belgische Roman. Alle aspecten van zijn schrijverschap en zijn persoonlijk leven (opgegroeid in Vlaanderen, woonachtig in Wallonië) doen vermoeden dat Het Verdriet van het 21ste-eeuwse België zich nog in zijn pen verborgen houdt.

Op de website van het Belgische opinieblad “Humo“ wordt de roman natuurlijk ook besproken. “ De voorbereidingen van Christus' komst worden in het boek verspreid over veertien staties, da's een christelijke manier van vooruitgaan, en over die staties verspreidt Verhulst zijn maatschappijkritiek, met handlangersdiensten van een ik-verteller, een Brusselaar die geen naam krijgt, niet eens ''t'. Die kritiek kan grote of kleine dingen betreffen, ze komen zoals het hoort in een zot tableau allemaal naast elkaar te staan, de hitsige bisschoppen, de kakkineuze fingerfoodeters, de gifspuiters op het net, de immer stakende treinbestuurders, de onmachtige politici, de amechtige journalisten. Het is een groot doek dat Verhulst schildert (alweer de 2,58 bij 4,31 meter van Ensor achterna), er is zelfs een hoekje voor Pieter De Crem. In een parabel is er plaats voor herhaling en overdrijving en het cliché: ook Manneken Pis doet mee. De som is geen systematische aanklacht (al moet Bart De Wever vrij constant dekking zoeken), eerder gaat het om snapshots van een hysterisch landje.
Wat Verhulst hier over Brussel en België bij elkaar brengt is verstandig en mooi. Ik geef van elk een voorbeeld. Mooi is een karakteristiek van het hedendaagse tv-wezen als die zo terloops geformuleerd kan zijn als hier: 'De chef-kok verdween van het televisiescherm, een dierenchirurg nam zijn plaats in.' En heel verstandig is volgend antwoord op de eeuwige vraag of België zal ophouden te bestaan: 'Natúúrlijk zou België ooit ophouden te bestaan en worden vervangen door iets anders dat evenmin de eeuwigheid was gegund.'Wees gerust, uiteindelijk komt Christus natuurlijk niet. In dat opzicht kan je 'De intrede van Christus in Brussel' niet spannend noemen, maar het schrijverschap van Verhulst wordt dat met de jaren meer en meer.

Maar Frank Hellemans is op de site van knack.be helemaal niet positief over dit boek en hij adviseert Dimitri Verhulst een sabbatical jaar te nemen. Hoe banaal deze moraal klinkt, zo flets is Verhulsts calvarietocht zonder ziel. De lofzang op de kermis van Brussel en haar botsauto's klinkt flauw en futloos. Het dwepen met de Brusselse, Franstalige plaatsnamen en de occasionele sneren naar de zelfgenoegzaamheid van 'de noorderlingen' of hun barbaarse leeuwenvlag komen nergens origineel of echt provocerend over. Laat staan de obligate studentikoze grapjes over pedofiele geestelijken of oversekste nonnen.
De misantropie van Verhulst die in Godverdomse dagen sporadisch gensters sloeg, maakt een vermoeide, uitgebluste indruk. Ja, de aap probeert nog zijn kunstjes en haalt vergezochte woorden (gabbe, apocope, fiool) en ouderwets klinkend taalgebruik ('de bejaardheid onzer kernreactoren') van stal, maar de drive die in Godverdomse dagen pulseerde, is weg.
Wie dus absoluut een nieuwe Verhulst wil lezen, kan beter terecht bij zijn Monoloog, ook al lijdt de tweede helft van de novelle aan hetzelfde euvel als deze hele Intrede: een inspiratieloos afraffelen van het verhaal naar een snel einde.
Misschien moet Verhulst maar eens denken aan een sabbatical. Geef nog vlug die twee interviews aan de bevriende pers en hang dan de lier voor minstens een jaar aan de wilgen. Van deze kruisweg zonder kloten - om het in Verhulsts pseudobaldadige kunsttaaltje te zeggen - wordt niemand beter.


Over de schrijver en eerder gepubliceerde werk

Bron: website uitgever
Dimitri Verhulst (1972) debuteerde in 1999 opgemerkt met de roman De kamer hiernaast, en acht jaar later heeft hij daar al zeven andere titels aan toegevoegd. Behalve proza schrijft Verhulst ook poëzie (Liefde, tenzij anders vermeld, genomineerd voor de Buddinghprijs), columns (voor de krant De Morgen) en theater (zoals het toneelstuk Aalst dat de halve wereld rondreisde en in 2007 nog werd opgevoerd door het National Theatre van Schotland).
Hoewel zijn roman Problemski Hotel uit 2003 inmiddels in meer dan tien talen leverbaar is, breekt Verhulst bij het grote publiek pas door met De helaasheid der dingen, een roman waarvoor hij de Gouden Uil Publieksprijs 2007 kreeg, Humo's Gouden Bladwijzer en de Inktaap, en waarvan een verfilming op komst is. Zijn novelle Mevrouw Verona daalt de heuvel af is genomineerd voor de AKO Literatuurprijs 2007. Beide boeken stonden meer dan een jaar in de Vlaamse Boekentoptien.
Voor De helaasheid der dingen heeft Verhulst de Inktaap 2008 ontvangen.
Voor zijn boek, Godverdomse dagen op een godverdomse bol, heeft Verhulst de Libris Literatuurprijs 2009 ontvangen. Het juryrapport: "Verhulst is een getalenteerde durfal."
Het werk van Verhulst is in vele talen vertaald, o.a. naar het Duits, Engels, Frans en Italiaans.
Bibliografie
Assevrijdag, 1992, verhalen
De kamer hiernaast, 1999, verhalen
Niets, niemand en redelijk stil, 2001, roman
De verveling van de keeper, 2002, roman
Problemski Hotel, 2003, roman
De helaasheid der dingen, 2006, roman
Mevrouw Verona daalt de heuvel af, 2006, roman
Godverdomse dagen op een godverdomse bol, 2008, roman
De laatste liefde van mijn moeder, 2010, roman
De intrede van Christus in Brussel, 2011


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.