De ideale dahlia door Belcampo

Beoordeling 7.5
Foto van een scholier
  • Boekverslag door een scholier
  • 6e klas vwo | 2871 woorden
  • 12 april 2007
  • 16 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.5
  • 16 keer beoordeeld

Boek
Auteur
Genre
Taal
Nederlands
Vak
Eerste uitgave
1968
Oorspronkelijke taal
Nederlands

Boekcover De ideale dahlia
Shadow
De ideale dahlia door  Belcampo
Shadow
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!
Titel: De ideale dahlia
Auteur: Belcampo
Aantal bladzijden: 124
Jaar eerste druk: 1968
Druk: 3e druk, maart 1969
Uitgeverij: Uitgeverij Kosmos Amsterdam/Antwerpen

Motto: geen

Het boek
De ideale dahlia heb ik gekozen omdat het thema van mijn scriptie in de soms behoorlijk absurde verhalen van Belcampo een belangrijke rol speelt. De verhalen zweven op de grens tussen geloofwaardig en volkomen onmogelijk. Veel verhalen zouden echt gebeurd kunnen zijn, maar je voelt aan dat het aan de andere kant toch weer zó onwaarschijnlijk is, dat het eigenlijk uitgesloten is. Dit is een interessant gegeven voor mijn scriptie.

Samenvatting
Proloog
De titel zou doen vermoeden dat dit verhaal een inleiding is op de overige verhalen, maar eigenlijk is dit een verhaal op zich. Het gaat over de schrijver. De schrijver is een lafaard, iemand die observeert maar weinig doet of zegt. Toch speelt er zich veel af in zijn hoofd, en kan hij ongemerkt veel over anderen te weten komen. Hij heeft ook nog goede eigenschappen, en wel dat hij leest, kijkt en leeft. Doordat zijn hersenen zich buiten de bestaande paden begeven, schrijft hij grote werken waar iedereen van geniet.


Bloed zonder bodem
Dit verhaal gaat over het katholieke meisje Maria. Als haar hele leven heeft ze gewijd aan het aanbidden van God en Jezus, en als ze een jaar of twintig is besluit ze om in een ziekenhuis te gaan werken als verpleegster. Ze komt te werken op de bloedtransfusiedienst, waar ze ontdekt dat de directeur van het ziekenhuis eigenlijk een vampier is en dat hij bloed steelt om hem en de andere vampiers in Amsterdam te voeden. Ze besluit dan om haar bloed te vermengen met een grote hoeveelheid wijwater en de vampiers van haar bloed te laten drinken, nadat ze zich zogenaamd als ‘wilde vampier’ bij hen heeft aangesloten. Hier kunnen de vampiers niet tegen, waardoor ze uitgeroeid worden.

Een Grootsaksisch monument
In Nederland wonen nog steeds afstammelingen van het volk der Saksen, dat ooit over heel het land was verspreid. In dit verhaal wordt een belangrijke veldslag uit het Saksische verleden, de slag bij Ane, in verband gebracht met een beeld van ‘het paard van ome Loeks’, dat bij het Groningse station staat. Bij deze veldslag streden de Saksen tegen de Christenen. Zoals bekend is van meer veldslagen, vond in de lucht erboven een symbolische strijd plaats, in dit geval tussen een Saksisch paard en ‘het paard van ome Loeks’, wat eigenlijk een stier van de apostel Lucas geweest is. Nadat het Saksische paard gewonnen had, zongen de Saksen het lied ‘Het paard van ome Loeks is dood’.

Isaac van Asselt, een vergeten schrijver
Isaac van Asselt is een schilder waarvan vrijwel niets bekend is. Lang werd gedacht dat er van hem geen schilderijen meer bestaan, maar nu is er gelukkig één teruggevonden, waardoor men ineens veel meer te weten komt over de schilder. Zijn werk blijkt echter van een zodanig slechte kwaliteit te zijn, dat de schrijver er zelfs geen reproducties bij plaatst. Isaac van Asselt was behalve vergeten ook nog volkomen ongetalenteerd.

Een vergeten hoofdstuk
Een man vindt op een dag bij een antiekwinkeltje een oude Syrische pot. Hij besluit hem te kopen en komt er thuis achter dat er een oude rol perkament in zit, met Hebreeuwse tekst daarop. Hij kent wat Hebreeuws en besluit het te vertalen. Het blijkt een oud, vergeten hoofdstuk van het bijbelboek Genesis te zijn, waarin God Noach beveelt om alles dieren in de zee uit te roeien, behalve twee van elke soort. Door een fout vergeet Noach het grootste zeedier, maar God vindt dat niet erg, omdat hij het toch al wilde laten uitsterven.


Koninginnedag
Dit verhaal gaat over een nachtwaker die de nacht voor koninginnedag dienst heeft. Hij verveelt zich en gaat masturberen, maar schuift hierbij een grote moer om zijn penis. Die begint daardoor op te zwellen en er moet met spoed een arts bij komen. Die krijgt de moer echter ook niet los. Dan krijgt hij het idee om er een smid naar te laten kijken, die uiteindelijk de moer doorgevijld krijgt.

Omgang met vrouwen
Iets wat iedereen al vergeten is, is het feit dat mannen en vrouwen eigenlijk twee verschillende diersoorten zijn. Ze konden allebei kinderen krijgen, de mannen kregen jongens en de vrouwen meisjes. Heel lang gelden ontdekte de man de vrouw, en hij besloot haar te temmen en als huisdier te houden. Toen bleek dat ze geschikt was om kinderen te baren, besloten de mannen om dit niet meer te doen en lieten ze dit helemaal aan de vrouwen over. Later kregen de vrouwen steeds meer verantwoordelijkheid in het huishouden. Toen besefte de man de ware aard van de vrouwen. Hij kwam erachter dat ze net zo slim waren als hij, en werd vervuld van schaamte en de wens om de vrouw op handen te dragen.

De surprise
Na de zoveelste dienstmeid de laan uit te hebben gestuurd omdat ze alleen op zijn liefde (lees: geld) uit was, besluit de steenrijke maar ongelukkige jongeman Eugène een einde aan zijn leven te maken. Hij belt op het laatste moment echter naar de SOS telefoondienst, en er komt een man naar hem toe die probeert hem de zelfmoord uit het hoofd te praten. Als dat echter niet lukt, ontpopt de man zich als medewerker van een bedrijf dat handelt in zelfmoorden: in ruil voor de hele erfenis regelen ze iemand zelfmoord en uitvaart. Eugène besluit dit te doen en kiest voor de ‘surprise’ als manier om uit het leven te stappen. Hij moet wel eerst nog een grafkist uit gaan zoeken in het gebouw van de onderneming. Daar ontmoet hij Arlette, en ze worden meteen verliefd op elkaar. Ze besluiten samen te vluchten en hun contract met de onderneming op te zeggen, aar dat blijkt niet meer te kunnen: ze zitten aan de surprisemoord vast. Arlette en Eugène belanden na een lange vlucht toch bij Eugène thuis. Dan verdenken ze elkaar er ineens van ‘de surprise’ te zijn: ze denken dat de ander hen wil vermoorden. Toch geloven ze elkaar als ze zeggen dat het niet zo is, en ze slapen in in elkaars armen. Dan wordt het hele huis opgeblazen.

Ik heb ervoor gekozen om bij dit boek de aspecten taalgebruik en perspectief te behandelen. Dit heb ik grotendeels uit noodzaak gedaan omdat het hier om een verhalenbundel gaat, waardoor bepaalde aspecten niet zo goed te behandelen zijn. Ik heb het taalgebruik gekozen, omdat daar wa opvallende dingen in voorkomen, zoals ironie. Het perspectief heb ik gekozen omdat daar bij dit boek veel over te vertellen is.

Taalgebruik
Ondanks het feit dat dit boek toch alweer bijna 40 jaar oud is, komt het taalgebruik in De ideale dahlia op mij niet heel ouderwets over. Af en toe komen er wel moeilijke of weinig gebruikte woorden in voor. Dit komt het duidelijkst naar voren in het verhaal ‘Een vergeten hoofdstuk’, waarin de hoofdpersoon in een oude pot een nooit eerder gevonden hoofdstuk uit de bijbel vindt. Dit verhaal, dat gaat over de periode na de zondvloed, is wat taalgebruik betreft erg ingewikkeld en het is dan ook moeilijk leesbaar. Het bevat zinnen als ‘Voorwaar, ik zou geen rechtvaardiger God geheten kunnen worden zo ik mijn toorn vanwege de verdorvenheid der mensen zich enkel uit liet strekken over het gedierte hetwelk was voorbestemd zijn woonplaats te hebben op het droge en al ’t gedierte dat de wateren bewoont vrij uit liet gaan.’ en ‘Daarom beval God Noach en zijn huisvrouw en zijn zonen en dochteren met hem uit te graven of vijf steenworpen afstands van de zoom der zee een kuil, driehonderd ellen van lengte en vijftig ellen van breedte, alzo nauwkeurig aanhoudende de afmetingen des arks met dien verstande dat deszelfs hoogte, uitmakende dertig ellen, zou genomen worden voor de diepte des kuils.’ (pagina 49)
Dit taalgebruik heeft hier wel een duidelijke functie: het verhaal zou uit de bijbel afkomstig zijn en een vertaling zijn uit het Hebreeuws, wat ervoor gezorgd heeft dat de zinnen niet allemaal even goed lopen. Natuurlijk heeft de schrijver dit gewoon uit zijn duim gezogen, maar het verklaart wel waarom dit verhaal in deze stijl geschreven is.
Over het algemeen is dit boek wel goed leesbaar en is het taalgebruik niet opvallend lastig.
In het boek komen veel meer beschrijvingen voor dan dialogen. Er zijn eigenlijk maar heel weinig dialogen. Dit wordt vooral veroorzaakt door het feit dat dit een verhalenbundel is, met voor ieder verhaal weer een nieuwe inleiding et cetera. Hiervoor zijn veel beschrijvingen nodig. Sommige verhalen bevatten helemaal geen dialogen, zoals ‘Isaac van Asselt, een vergeten schilder’ en ‘Een Grootsaksisch monument’. Dit zijn de verhalen die slechts enkele bladzijden beslaan en eigenlijk een artikeltje over één onderwerp zijn.
Een opvallend onderdeel van de stijl van Belcampo is zijn humor en ironie in de verhalen. In elk verhaal komt dit wel voor. Een goed voorbeeld hiervan is de laatste alinea uit het verhaal ‘Isaac van Asselt, een vergeten schilder’. Het verhaal bespreekt het verloren gewaande werk van de 17e-eeuwse schilder Van Asselt.
‘Uit het bovenstaande zal zijn duidelijk geworden dat aan het gehele oeuvre van Isaac van Asselt elke kunstwaarde moet worden ontzegd. Compositie, tekening noch coloriet vertonen ook maar enige kwaliteit. Toch mag men hierdoor de betekenis van dit artikel niet onderschatten. Behoort het enerzijds tot de taak van de kunsthistoricus onbekende figuren in ere te herstellen, anderzijds is het zijn plicht van gildeleden, die op verscheidene plaatsen met name worden genoemd, eens en voor altijd vast te stellen dat zij schilders van niets zijn geweest en hen voorgoed in de vergetelheid weg te stoten. Mede om deze reden is het plaatsen van reproducties bij dit artikel achterwege gelaten.’ (pagina 45)
Soms heeft de ironie een erg wrange bijsmaak, zoals het geval is bij het slot van het laatste verhaal uit de bundel ‘De surprise’. Na net de liefde te hebben ontdekt en nadat zij van het leven hebben leren houden, worden Eugène en Arlette zonder mededogen met huis en al opgeblazen. Nog erger is dit, omdat Eugène dit eerst overwoog maar niet gedaan heeft, omdat hij niet wilde dat er onschuldige slachtoffers zouden vallen als zijn huis de lucht in zou vliegen.
Door dit soort dingen in de verhalen, zoals de onverwachte wendingen die vaak aan het eind van het verhaal plaatsvinden, word je als lezer op het verkeerde been gezet. Net als je denkt ‘nu komt het’, komt er helemaal niks, of iets totaal anders.

Perspectief
In dit boek zijn alle vertelsituaties vertegenwoordigd. Dit komt omdat het verschillende verhalen bevat, die ook vaak verschillende vertelsituaties hebben. Ik zal nu ieder verhaal behandelen en ingaan op het perspectief.

Proloog
Dit eerste verhaal heeft een ikvertelsituatie. Het perspectief ligt bij een niet met naam genoemd persoon. Aangezien dit meer een artikel is dan een verhaal, komen er geen dialogen in voor die meer duidelijkheid zouden kunnen geven over de hoofdpersoon. Degene die in de tekst wordt aangeduid als ‘de schrijver’, is hier niet dezelfde als de hoofdpersoon, hoewel wel wordt aangegeven dat de hoofdpersoon ook schrijver is, in de ondertitel van het verhaal:
‘waarin de schrijver zich bij de aanvang van de voorstelling aan het geacht publiek presenteert zoals dat eertijds bij toneelspelers, goochelaars en acrobaten te doen gebruikelijk was.’ (pagina 7)
Het is misschien niet onterecht om aan te nemen dat de schrijver hier Belcampo zelf is. De functie van dit perspectief is het geven van een artikelachtig karakter aan de tekst. Je gaat het daardoor lezen als een wetenschappelijk verslag of beschouwend artikel, en misschien ook dingen voor waar aannemen die niet waar zijn, omdat het niet meer zo op fictie lijkt.

Bloed zonder bodem
In dit verhaal is sprake van een alwetende verteller. Dit wordt duidelijk doordat de verteller de gebeurtenissen becommentarieert, en ook weet hij de gedachten van alle personages. In dit verhaal is dat laatste aspect niet zo belangrijk, omdat er eigenlijk maar één persoon centraal staat. Voorbeelden waaruit blijkt dat er een alwetende verteller is:
‘Nu was het heerlijk aan te zien hoe dit grote slorpen zich voltrok’ (pagina 16)
De verteller geeft aan dat het heerlijk was om te zien, maar bij de vampierbijeenkomsten was absoluut niemand anders dan de andere vampiers aanwezig. Ook is de hoofdpersoon van het verhaal, Maria, nog niet geïntroduceerd.
‘De hele week verliep zonder dat er iemand kwam. Ik bid voor gek, zei ze tegen zichzelf, het was misschien maar voor een enkele keer dat hij het nodig had. Dan kan ik hier in lengte van dagen zitten voor niets’ (pagina 23)
De verteller weet wat de hoofdpersoon denkt. Ook van de andere personages weet hij wat zij denken en waarom ze dingen doen. Hij kan zich ook inleven in de vampiers.

Een Grootsaksisch monument
Wat vertelsituatie en perspectief betreft is dit verhaal vergelijkbaar met de Proloog. Ook hier is er sprake van een ikvertelsituatie in een soort artikelvorm. Wie de verteller is, wordt ook hier niet duidelijk. Pas halverwege het verhaal noemt de verteller zichzelf pas:
‘Maar behalve de betekenis van de slag bij Ane zijn de Saksers, die, zo zij de schrijfkunst al machtig waren, toch noodgedwongen weinig literatuur bezaten, nog meer vergeten en het is met grote voldoening dat in hun een oud nationaal bezit, waarvan ik de betekenis voor hen heb herontdekt, kan teruggeven. (pagina 38/39)
Hier is ook van toepassing wat ik bij het eerste verhaal zei over het effect van vertelsituatie en perspectief.

Isaac van Asselt, een vergeten schrijver
Ook dit hoort weer bij de korte verhaaltjes die een beetje moeten lijken op een wetenschappelijk artikel, maar aan het einde blijkt wel dat de schrijver hier vooral de wetenschappelijke, en dan vooral kunstbeschouwelijke artikelen een beetje parodieert. Er is weer sprake van een ikvertelsituatie waarbij het perspectief bij de schrijver lijkt te liggen. In deze tekst wordt wel het beroep van de persoon bij wie het perspectief ligt genoemd:
‘Behoort het enerzijds tot de taak van de kunsthistoricus onbekende figuren in ere te herstellen...’ (pagina 45)

Een vergeten hoofdstuk
In dit verhaal is ook weer sprake van een ikvertelsituatie. Het perspectief ligt bij een man die bij een antiekzaak een oude Syrische pot koopt en daar vervolgens een nog nooit eerder ontdekt hoofdstuk uit de bijbel in vindt. Daarna volgt deze ‘bijbeltekst’, waarin de vertelsituatie onduidelijk is. Bij wie het perspectief daar ligt is ook onduidelijk. Wel worden alle personages in het verhaal met hij of zij aangeduid, dus een ikvertelsituatie is het zeker niet, maar erg alwetend komt de verteller ook niet over. Ook wordt er niet op één persoon gefocust, zoals bij de personale vertelsituatie gebruikelijk is. De vertelsituatie in het eerste deel van dit verhaal en de vertelsituatie in het tweede deel van het verhaal zijn dus verschillend.

Koninginnedag
De ondertitel bij dit verhaal maakt al duidelijk dat het hier gaat om een ikvertelsituatie, waarbij het perspectief bij de arts ligt: ‘bladzijde uit het dagboek van een arts’ (pagina 53)
De meeste dagboeken zijn volgens mij wel in een ikvertelsituatie geschreven, zo ook dit verhaal.
Toch is dit verhaal als dagboekfragment een beetje onrealistisch, aangezien er ook verteld wordt over de nacht voordat de arts er überhaupt bij komt kijken. Hij kan dit van horen zeggen hebben en zelf hebben opgeschreven alsof hij erbij was, maar dat lijkt me niet zo aannemelijk.
Het perspectief is hier vooral bedoeld om nog meer duidelijk te maken dat het hier zou gaan om een dagboekfragment. Het perspectief is wel onbetrouwbaar: het gaat uit van de beleving van één persoon, maar zo hoeft het in het echt niet geweest te zijn.

Omgang met vrouwen
Hetzelfde perspectief en dezelfde vertelsituatie als in ‘Proloog’, ‘Een Grootsaksisch monument’ en ‘Isaac van Asselt, een vergeten schilder’, is ook hier weer toegepast. Hier is echter nergens genoemd bij wie het perspectief ligt. Omdat de stijl van dit verhaal vergelijkbaar is met die van de eerder genoemde verhalen, ga ik ervan uit dat ook hier sprake is van een ikvertelsituatie, maar eigenlijk kan je daar niet zeker van zijn bij het lezen van deze tekst.

De surprise
Dit langste en belangrijkste verhaal uit de bundel bevat een personale vertelsituatie. De hoofdpersoon, Eugène van Sonswyck, wordt aangeduid met ‘hij’, maar de verteller weet wel alles van hem.
‘De man, die deze overpeinzingen slaakte, was een keurig verzorgd, knap en welgebouwd jongmens van minstens vijf en twintig jaar en wiens uitwendig voorkomen geheel in overeenstemming was met de smaakvolle inrichting van het hem omgevende vertrek, de typische herenkamer van een rijk en verwend vrijgezel.’ (pagina 65)
‘Hij vond het gek van zichzelf dat hij dit gedaan had. – Je gelooft eigenlijk nergens aan en toch bel je dat nummer op. Omdat het zo toevallig is. Omdat het blijkbaar zo móest zijn. Dan geloof ik toch nog aan iets. Aan een rest. Als droesem onderin een lege fles.’ (pagina 71)
Het perspectief is hier dus subjectief, wat ervoor zorgt dat je eigenlijk aan het eind van het verhaal nog met een open plek blijft zitten: Eigenlijk kan het namelijk zo zijn dat Arlette, of zelfs Eugène, toch het ‘gangsterliefje’ is waar de ander hem of haar van verdenkt. Sluitend bewijs voor het tegendeel wordt nergens gegeven. Het perspectief in door de subjectiviteit per definitie onbetrouwbaar, omdat er maar één persoon echt beschreven wordt.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

K.

K.

hallo

4 jaar geleden