Havisten uit de bovenbouw gezocht! Vul deze korte vragenlijst over jouw studiekeuze in en maak kans op een Bol.com bon t.w.v. 15 euro.

Doe mee


De Grote Zaal van Jacoba van Velde
Een krachtige roman. Zo dacht ik er achteraf over. Niet meer en niet minder. Klein, maar krachtig.

‘Waar ben ik eigenlijk? Hoe ben ik hier gekomen? Ik kan het me niet herinneren.’
Zo begint De Grote Zaal, het boek dat Catharina Jacoba van Velde (1903-1985), beter bekend als Jacoba van Velde, bijna zes decennia geleden schreef. Een oud boek dus, uit 1953, maar dit jaar is er weer nieuw leven in geblazen door Nederland Leest, de leescampagne van bibliotheken in heel Nederland die sinds 2006 zes elk jaar een boek gratis aanbiedt. De Grote Zaal volgde o.a. Oeroeg van Hella Haasse (2009) en Twee Vrouwen van Harry Mulish (2008) op. Deze twee boeken stonden daarvoor al jaren bekend als goede romans met inhoud, terwijl De Grote Zaal voor deze editie bij vele mensen onbekend was.
Wat je daardoor misschien niet verwacht, is dat de roman met waardering en lof onthaald werd in de jaren vijftig; veel mensen voelden zich er door aangesproken en het succes bereikte ook het buitenland: het werd in dertien talen vertaald.


Door de jaren heen zijn de recensies weinig veranderd, hooguit qua taalgebruik. Meteen bij het verschenen werd al gezegd dat het ‘een meesterwerk’ was, en ruim 30 jaar later, in 1987, kwam het boek meerder malen naar voren, altijd positief, maar de mogelijk meest lovende recensie staat in de twaalfde druk, de Nederland Leest versie: ‘In korte zinnen beschrijft Jacoba van Velde de eenzaamheid van Geertruide. Nuchter en hartverscheurend. Hartverscheurend mooi.’, geschreven door Philip Freriks, de ambassadeur van Nederland Leest.
Na een attaque belandt Geertruide van der Veen in een rusthuis. Het is niet meteen duidelijk of ze in het rusthuis blijft, wat in eerste instantie is daar geen geld voor; Geertruide had geen geheime fortuinen achter gehouden en ook Helena had te weinig om bij te kunnen dragen aan het laatste huis voor haar moeder.
‘Het is nu beslist. Er is een meneer geweest. Hij vroeg me of ik hier bleef. Ik denk het wel, zei ik, ik zie geen andere oplossing, ik kan niet goed meer lopen. Als u hier blijft, zei hij, moet u dit ondertekenen. Wat is het? vroeg ik. Dat u afstand van uw meubels doet. Van mijn meubels? Ik schrok ervan. Waarom? Als u niet naar huis teruggaat, hebt u er toch niets meer aan. Nee, maar misschien kan mijn dochter ze dan gebruiken. Dat gaat niet, zei hij, uw geld is niet toereikend en nu legt Sociale Zaken het tekort erbij. Uw dochter heeft geen geld, zij kan niets voor u doen.’
Haar inboedel wordt verkocht en daarvan wordt haar leven in het rusthuis betaald. Eigenlijk belachelijk, hè? Iemand zo kaalplukken omdat ze niets meer zelf kan en om haar vervolgens op een plek te laten waar ze zelf helemaal niet wil zijn.
Van de eerste tot de laatste pagina is het boek in een nette, bijna beleefde stijl geschreven, maar daar onder zit lichte maatschappijkritiek, wat overigens niet forcerend is bedoeld. Het zit dan ook in kleine dingen, zorgvuldig verborgen achter de netjes gekozen woorden, die samen in korte zinnen het verhaal krachtig neerzetten.
Door het verhaal, waarin de eenzaamheid van het oud zijn en het einde van het leven de grootste rollen spelen, is de liefdevolle, maar tegelijk hulpeloze en afstandelijke moeder-dochter relatie gevlochten. Het verhaal lijkt simpel, maar al snel krijg je door dat Van Velde er goed over na heeft gedacht.
De beschrijvingen zijn vanuit beide personages, Geertruide en haar dochter Helena, persoonlijk geschreven, daardoor lijkt het alsof je echt in hun gedachten zit en zo krijgt het verhaal je in zijn ban. Misschien is deze ban niet voor iedereen even sterk, maar ik weet zeker dat het voor iedereen op de loer ligt; is het niet vanaf de eerste pagina, dan wel vanaf de tiende of de vijfentwintigste. Het verhaal pakt je; haast automatisch trekt het je in het zware leven van een oude vrouw in een levenloos rusthuis, zoals het heette in die tijd.


Bij mij duurde het niet lang voordat ik in de ban van het boek zat, in tegenstelling tot de eerste drie boeken die ik wilde gaan lezen. Naarmate ik verder kwam in het verhaal leek het alsof er een licht magnetisch veld omheen hing, met twee werkingen: aantrekken en afstoten. Het eerste werkt misschien pas als je begonnen bent, zo ging het bij mij, maar ik raad jullie aan om er in te beginnen en zo de aantrekkingskracht te voelen, die je in de ban van het boek zal brengen.
Daarnaast kan ik me heel goed voorstellen dat mensen van Geertruides leeftijd, de hoofdpersoon, dit boek liever links laten liggen. Hoewel er juist ook veel herkenning kan zijn voor de ouderen en ook voor anderen, bijvoorbeeld hun kinderen, aangezien een deel van het verhaal vanuit de dochter verteld wordt. Zo kan het voor hen ook een goede, positieve ervaring zijn, al worden de laatste jaren wel erg somber beschreven; er is nauwelijks sprake van gezelligheid, erkenning en vrijheid. Nee, alleen maar regels, zorgen en de dood. Heel deprimerend dus.
De eerste weken in het rusthuis zijn, zachtjes uitgedrukt, vervelend. Geertruide vindt de vrouwen daar maar raar; de één kan niet meer praten, de ander is zo doof als maar kan. Met geen van hen kan ze praten, alleen met haar dochter Helena als die op bezoek komt.
Helena woont eerst een tijdje in de kamers van Geertruide, aangezien zij in Parijs woont, maar als die weer vrij moeten zijn voor nieuwe huurders, gaat ze terug naar haar man in Parijs.
Er zijn altijd ouderen en bejaardentehuizen geweest en in de toekomst zullen de ouderen er ook zijn, en dus ook bejaardentehuizen.
Van dit boek kunnen we allemaal veel leren, zeker in deze tijd van de ‘babyboom met pensioen’ en de crisis. Zorg is belangrijk, niet alleen voor mensen die ongelukken of (ernstige) ziektes krijgen, maar ook voor de ouderen, die door hun leeftijd niet meer voor zichzelf kunnen zorgen en vooral voor degenen die niemand hebben om hen op te vangen, want juist zij hebben het het hardste nodig. Naast zorg hebben ze ook aandacht en liefde nodig, want dat hebben zij juist het minste gehad in hun leven.
Vanaf dat Helena weg is, gaat het langzaam maar zeker slechter met Geertruide: het lopen gaat steeds moeilijker en zo blijft ze vaker in bed.
Dan wordt ze opeens wakker in een bed in de grote zaal, de zaal waar je ligt als je zwak of stervende bent, of als er te weinig plek is op de kleine zaal, waar de actievere vrouwen liggen; degenen die nog op kunnen staan als ze dat willen.
‘Waar ben ik? Op de grote zaal, zei ze. Nee, zei ik, ik wil niet.’ Dit is het eerste wat ze dan zegt: dat waarvoor ze altijd bang geweest is, is gebeurd: ze ligt op de grote zaal: de dodenzaal. Zo komt de angst voor de grote zaal voort uit de angst voor het doodgaan.
Natuurlijk krijgt Helena te horen hoe bergafwaarts het met haar moeder gaat en ze haast zich naar het rusthuis. Daar komt ze net op tijd om samen met haar moeder bang te zijn met wat er komen gaat. ‘Ze was in de zwarte tunnel. Alleen!’ De angst voor de dood komt van alle kanten, maar uiteindelijk kan niets het winnen en is alles wat rest de rust. ‘Wilde ze vluchten? Nog een maal ademde ze diep en kort. Ze lag roerloos. Haar gezicht werd vreemd en star. Ze was aan het einde gekomen.’

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.