Elke schooldag wakker worden met een meme? Laatste nieuws en blogs zien? Handige stories of video's voor school? Of lekker dm'en met ons?


De donkere kamer van Damokles
Schrijver
• Frederik Hermans (1 september 1921 )
• Volgens zijn vader was zijn zus altijd beter. Hij had daarom een hekel aan zijn zus. Zijn zus had een relatie met haar neef en samen pleegde zij zelfmoord, net toen Nederland zich overgaf aan de Duitsers. Dit voelde voor Herman als verraad. Deze gebeurtenissen zijn te koppelen aan karakters uit het boek:
- Osewoudt haat Ria ook, net zoals Herman zijn zus.
- Herman vindt het laf dat zijn zus zelfmoord pleegt op dat moment. In het boek geeft Osewoudt niet op in tijden van oorlog, ook al is hij afgekeurd voor het leger.
• Herman heeft pessimistische instelling in het leven:
- Het pessimistische visie van Hermans op de mens wordt bevestigd door Osewoudt. Osewoudt is niet in het verzet gegaan uit vaderlandsliefde, maar luisterde naar Dorbeck, zonder na te denken.  Hij stelt zelfs geen vragen aan Dorbeck als hij iemand moet doden.
Dorbeck geeft hem ook geen kans, want hij is altijd weg. Osewoudt dood mensen zonder emoties >>> Zijn geweten is afwezig
- Ook kan je de pessimistische instelling van Herman terug zien in stukje met Ebernuss. Ebernuss lijkt het type goede Duitser, maar wordt hij vermoordt door Osewoudt en Dorbeck, omdat ze hem niet vertrouwen.
• Volgens Herman is de essentie van het leven dat de waarheid niet te achterhalen valt >>> past bij dit boek, want de vraag is bestaat Dorbeck wel of niet? 
Iedereen beschouwt zijn kijk op de werkelijkheid als de ware.
Figuren
Henri Osewoudt (Filip van Druten, Melgers) >>> Round karakter
Hij was een onzeker en had een minderwaardigheidscomplex. (hoge stem, geen baard, meisjesgezicht). Hij probeert erg op Dorbeck te lijken, dat maakt hem sterker. Maar toch is hij onzeker, want hij is bang dat Marianne Dorbeck interessanter vind. Dorbeck is wat Osewoudt graag zou willen zijn, hij is zonder Dorbeck niets.
Dorbeck
Dorbeck is een mysterieus persoon. Hij lijkt op Osewoudt maar hij heeft wel baardgroei en donker haar. Hij was soldaat in het Nederlandse leger. Hij lijkt een sleutelfiguur (belangrijkste persoon) van het verzet te zijn wat het zelf vreemder maakt dat zijn bestaan niet duidelijk is.
De grote vraag bestaat hij wel?
- Ja, want hij lijkt een van de belangrijkste personen van het verzet te zijn. Hij geeft opdracht aan Osewoudt. Hoe zou Osewoudt anders aan deze opdrachten komen.
- Ja, want Ebernuss weet van het bestaan van Dorbeck (hij heeft hem gezien)
- Ja, want er is een bewijsstuk gevonden, namelijk het uniform.  dit is symbolisch voor alle bewijzen die stuk gaan, want het uniform valt ook uiteen.
- Nee, want de moeder van Osewoudt heeft psychische problemen. Osewoudt kan net als zijn moeder psychische problemen hebben.
- Nee, want Dorbeck verschijnt altijd onder bijzondere omstandigheden (regen, onweer, tegenlicht) en verdwijnt plotseling. Telefonisch contact loopt altijd vreemd.
Marianne (Mirjam Zettenbaum) – Joodse student + geliefde Osewoudt.
Ria – Osewoudt ’s nicht en vrouw (dood).
Elly Meier – Meisje uit Engeland.
Bart Nautra – Oom waarbij hij is opgegroeid
Ebernuss – Wanneer Osewoudt gevangen is door de Duiters, komt hij in aanraking met Ebernuss. Ebernuss weet dat de Duitsers de oorlog aan het verliezen zijn, hij probeert vrienden te worden met Osewoudt. Ebernuss besluit zich aan te sluiten bij het verzet. Als ze bij de verzetsmensen aankomen is Dorbeck daar. Hij vertrouwt Ebernuss niet en vermoord hem.


 


Begin zin
‘…Dagenlang zwierf hij rond op zijn vlot, zonder drinken. Hij stierf van dorst want het water van de oceaan was zout. Hij haatte het water dat hij niet drinken kon. Maar toen de bliksem in zijn vlot sloeg en het vlot in brand vloog, schepte hij dat gehate water met zijn handen op, om te proberen de brand te blussen!’
Als de schipbreukeling het vuur dooft zal hij sterven van dorst. >> dus zelfs als de situatie hopeloos is, probeert een mens zichzelf nog te redden
Zoals het zoute water de schipbreukeling niet kan redden, kan niemand Osewoudt redden van zijn ondergang.
Het symboliseert het lot van de winkelier Henri Osewoudt na de confrontatie met zijn spiegelbeeld Dorbeck. Het moment dat Dorbeck binnentreedt veranderd Osewoudts leven(de inslag). Osewoudt komt niet meer af van Dorbeck en hij volgt zijn bevelen op (hij kan de brand niet blussen). Hij zal er aan overlijden (dood)
 De brand die van deze inslag komt, zal Osewoudt niet bij machte zijn te blussen, hij zal er aan te gronde graan.
Ook is Osewoudt na een verwarde vluchtpoging uit de gevangenis neergeschoten en ligt nu dood te bloeden op de grond. Zoals de schipbreukeling bij het begin van de roman op de golven drijft, zo ligt Osewoudt in zijn eigen bloed.
Titel
De donkere kamer  Osewoudt ontwikkelde foto’s voor het verzet in een donkere kamer. Ook moet de donkere kamer uiteindelijk Osewoudt onschuld bewijzen. De foto, waar Osewoudt’ leven van af hangt, was gemaakt in de donkere kamer.
Osewoudt bevind zich in het boek vaak in kleine, donkere kamers. (sigarenwinkel en zijn onderduikadres)
- De kleine donkere ruimten symboliseren de vernauwingen van Osewoudt’ denkruimte. Hij zit opgesloten in zijn eigen denk- en leefwereld > isolement
- Ook symboliseert de donkere kamer de wereld om hem heen: de duistere wereld vol oorlog vernietiging en chaos.
 Damokles  Heeft te maken met de onzekerheden/dreiging uit het leven van Osewoudt. Het zwaard van Damokles hangt het gevaar van mislukken boven zijn hoofd.
Damokles was een hoveling (onderdaan) aan een hof. Hij mocht voor één dag koning zijn. Op die dag werd er een zwaard aan een paardenhaar boven de troon gehangen, om hem te laten zien hoe gevaarlijk het zwaard boven zijn hoofd staat voor de constante dreiging die boven geluk en rijkdom hangt.


 



Motto is er niet
Naschrift wel
Geschreven door Ludwig Wittgenstein:
“Ik kan hem zoeken als hij er niet is, maar hem niet ophangen als hij er niet is.
Men zou kunnen willen zeggen: ‘Dan moet hij er toch ook zijn als ik hem zoek.’
-Dan moet hij er ook zijn als ik hem niet vind, en ook als hij helemaal niet bestaat”
Dit motto slaat op Osewoudt die maar niet kan aantonen dat Dorbeck bestaat. Als hij Dorbeck nodig heeft kan hij hem nergens vinden.
Thema
De echte werkelijkheid en de werkelijkheid die je niet aan kan tonen.
Het eerste gedeelte is het gedeelte waarin Osewoudt deze werkelijkheid meemaakt en in het tweede gedeelte probeert hij deze werkelijkheid te bewijzen. Als je iets wilt bewijzen wat je niet hebt gedaan en het lukt niet is dat frustrerend. Bij Osewoudt eindigde die frustratie in de dood..
Osewoudt kan de werkelijkheid en verbeelding niet uit elkaar houden.
1) begint al bij ontwikkelen van de eerste foto’s, die mislukken. Hij heeft hoge verwachtingen van de foto’s, maar hij weet niet eens wat erop staat. Hier heeft hij al een rijke fantasie.
2) Namen en plaatsen zijn voor hem werkelijkheid, maar voor de andere niet. >> Dorbeck bestaat in zijn ogen wel, maar voor andere zegt de naam Dorbeck helemaal niks.
3) Het zoeken naar Dorbeck of eigenlijk het zoeken naar de werkelijkheid
Isolatie
- De boek gebint met drinkeling die ALLEEN op een vlot is
- Later wordt hij als enige gescheiden van zijn klas, door de tram
- Het probleem bij Osewoudt is dat hij niet is opgewassen tegen die eenzaamheid. Wat je kan vertalen naar vrijheid. In plaats van zelf verantwoordelijkheid te nemen voor zijn daden heeft hij een Dorbeck nodig.
Motieven
- De spiegel
- De foto van Osewoudt en Dorbeck is gemaakt in een spiegel
- Het café waar het verzet samenkomt, is gelegen in de Spiegelstraat
- De donkere kamer
Osewoudt ontwikkelde foto’s voor het verzet in een donkere kamer. Ook moet de donkere kamer uiteindelijk Osewoudt onschuld bewijzen. De foto, waar Osewoudt’ leven van af hangt, was gemaakt in de donkere kamer.
Osewoudt bevind zich in het boek vaak in kleine, donkere kamers. (sigarenwinkel en zijn onderduikadres)
- De kleine donkere ruimten symboliseren de vernauwingen van Osewoudt’ denkruimte. Hij zit opgesloten in zijn eigen denk- en leefwereld > isolement
- Ook symboliseert de donkere kamer de wereld om hem heen: de duistere wereld vol oorlog vernietiging en chaos. (RUIMTELIJKE SPIEGELING)
- De tram
komt regelmatig terug in het verhaal, hij rijdt allen niet tijdens de oorlog. Bij de tram staat het bord INHALEN VERBODEN >> heeft achterstand aan die Osewoudt heeft vergeleken met zijn leeftijdsgenootjes. Hij is een 'mislukkeling', vindt hij zelf. Om dit gevoel te veranderen voert hij 'verzetsdaden' uit. Uiteindelijk blijft hij toch dat 'mislukkelingetje', die niets heeft ingehaald.
- Fotografie
De fotografie speelt belangrijke rol, het ontwikkelen en het maken van foto's komt een aantal keer terug. Foto’s worden als verschillende doelen gebruikt:
- Elly identificeert zich met een foto
- Osewoudt probeert met de foto’s het bestaan van Dorbeck te bewijzen.
De leica (camera) komt regelmatig terug en speelt een belangrijke rol in het verhaal. Osewoudt moet daarmee namelijk zijn onschuld te bewijzen > leidmotief
- Dubbelgangersmotief
Dorbeck en Osewoudt zijn elkaars dubbelgangers. Dorbeck is wat Osewoudt graag zou willen zijn, aan het eind zegt hij zelfs dat hij zonder Dorbeck niets is. Iedereen haalt de twee personen door elkaar
- Liefde
Liefde voor vrouwen waar Osewoudt verliefd op is, maar ook de liefde voor zijn moeder. Hij is namelijk niet boos op zijn moeder ook al heeft zij zijn vader vermoord.
- De tweede wereldoorlog
Zonder de tweede wereldoorlog was dit verhaal niet ontstaan
- Wanhoop
Belangrijk motief op het einde van het boek. Hij is wanhopig op zoek naar bewijzen voor zijn onschuld, hij is zelfs zo wanhopig dat hij zijn eigen dood op zoekt, uit wanhoop rent hij het gebouw uit waarin hij opgesloten zit, waardoor hij wordt vermoord.
-  Fantasie en werkelijkheid
Bestaat Dorbeck wel? Het lijkt alsof Osewoudt de fantasie en de werkelijkheid niet kan scheiden.
Opbouw
- tijdsduur: het hele leven van Osewoudt
- gesloten einde
- chronologisch
Begin tijdverdichting – later tijdssprongen
van ongeveer 1932 tot 27 december 1945.
- Er zijn 46 hoofdstukken zonder titel.
De eerste over zijn jeugd: het verzet en de gevangenschap van de Duitsers. Tot april 1945.
De rest gaat over dat hij in de handen is van de Nederlanders. Tot december 1945
Schrijfstijl
- Personale vertellen >> je weet alles over Osewoudt, maar niet over de rest van de personen
- personale roman
- Onderwerp = Oorlog en het verzet


 


 


 


 


 


Beetje verduidelijking
Wat Osewoudt ook doet het lukt hem niet om zijn onschuld te bewijzen. Want alle mensen die Dorbeck hebben ontmoet zijn dood, ook werkt zijn uiterlijk niet mee. Hij zit niet meer vast omdat Dorbeck onvindbaar is, maar omdat hij een hoge stem heeft en het gezicht van een meisje…
Hij zit al zijn hele leven gevangen in zijn uiterlijk. Zijn uiterlijk heeft gemaakt wie hij is >> oplossing van raadsel (blz 326)
Herman laat zien dat het een illusie is om in rechtvaardigheid te geloven. Wie de meeste macht heeft wint altijd, in dit geval Selderhorst.
Hermans’ visie op het leven niet anders dan een opstelsom van toevalligheden.
- Is het niet toeval dat Osewoudt als enige getuigen van Dorbeck overblijft.
- Is het niet toeval dat juist de foto, het enige en laatste bewijs van Dorbecks bestaan, mislukt?
Osewoudt koestert de illusie dat hij door middel van feiten zijn onschuld kan bewijzen. Maar wat zijn feiten? Het enige feitelijke bewijs is het uniform van Dorbeck maar dat valt uit elkaar zodra het is opgegraven.
Een medegevangene van Osewoudt zegt ‘in een wereld waar iedereen de doodstraf krijgt, kan geen verschil tussen onschuld en schuld bestaan. (Blz 293) >>> past bij Hermans’ visie op het leven: in het licht van de dood wordt elk ideaal belachelijk en zinloos.
Osewoudt kan met niemand meer communiceren. Iedereen is een mogelijke bedreiger. Zijn wantrouwen leidt tot achtervolgingswaanzin en paranoia. Verbeelding en werkelijkheid kan hij niet van elkaar onderscheiden. Ook kan hij niet geloven dat Marianne van hem houdt als persoon, hij denkt dat ze van Dorbeck houdt.
Bij Osewoudt gaat het er niet meer om of hij fout zat, voor hem gaat het er alleen maar om of hij het bestaan van Dorbeck kan aantonen. Hij kan zijn eigen goede bedoelingen immers legitimeren via Dorbeck. Zo zegt hij tegen het slot van de roman tegen pater Beer: ‘Maar als eenmaal aangetoond zal worden dat Dorbeck werkelijk bestaan heeft, verandert de hele zaak. Dat is het enige waar ik op hoop, dat is tastbaar en duidelijk.’


 


 


 


 



Sarah burgerhart
Schrijvers:
 Elisabeth (Betje) Wolff-Bekker (1738-1804)
werd geboren in Vlissingen. Haar vader, Jan Bekker, was een welvarende koopman; haar moeder Johanna Boudrie, was van Vlaamse afkomst (ze overleed in 1751). Betje Bekker groeide op in een rechtzinnig calvinistisch milieu. Ze had een zwakke gezondheid, maar ze was evengoed levendig, speels, leergierig, gevoelig en geestig. Ze ontving vaak vrienden en vriendinnen op ‘Altijd Wel’, het buitentje van haar vader in Souburg. Een van hen, de 24-jarige vaandrig Matthijs Gargon maakte haar het hof; op 25 juli 1755 liet ze zich door hem schaken. Ze bleven een nacht weg en werden daarna door de kerk onder censuur gesteld.
Vlissingen begon Betje Bekker steeds meer te benauwen. Na een kortstondige correspondentie trouwde ze in november 1759 met de 52-jarige weduwnaar Adriaan Wolff, hervormd predikant in De Beemster. Hun huwelijk (een ‘filosofisch’- of verstandshuwelijk) bleef kinderloos. Wolff-Bekker zocht compensatie in vriendschappen en in de literatuur. Ze voelde zich betrokken bij actuele gebeurtenissen en ontwikkelingen, had een scherpe pen, maar kon zelf geen kritiek verdragen. In 1776 kwam ze in contact met Aagje Deken (Die haar een brief schreef in verband met een lastercampagne tegen Wolff-Bekker). Toen dominee Wolff in 1777 overleed, beëindigde Wolff-Bekker haar lidmaatschap van de Hervormde Kerk en ging ze met Aagje Deken samenwonen in De Rijp.
 Agatha Deken (1741-1804)
werd in Amstelveen geboren. Ze verloor op jonge leeftijd haar ouders (Pieter Theunisz. Deken en Geertruy Bebber) en groeide op in het weeshuis van de Collegianten in Amsterdam, ‘De Oranjeappel’. Omstreeks 1770 ging ze werken bij de familie Bosch; ze raakte bevriend met de ziekelijke dochter, Maria Bosch (die in 1773 overleed).
Betje Wolff en Aagje Deken kochten in 1781 met geld van een erfenis een buitenhuisje bij Beverwijk, ‘Lommerlust’. Ze waren patriottische en vluchtten daarom in 1787 (bij de inval van de Pruisen) naar Trevoux in Bourgondie. Met een huisgenote, Caroline Victoire Revanel, betrokken ze daar het landhuis ‘Les Corcelles’. In 1794 verspeelde hun zaakwaarnemer, de Amsterdamse koopman Christiaan Nissen, hun vermogen. Berooid keerden ze in 1797 naar Nederland (Den Haag) terug. In 1801 werd Betje Wolff ongeneeslijk ziek (ingewandscarcinoom). Vanaf 1802 woonden Wolff en Deken in bij een nicht, Jansje van Crimpen-Teerlinck. Ze overleden kort na elkaar in november 1804 en werden begraven op ‘Ter Navolging’, een particulier kerkhof in Scheveningen.
Voorrede (1782)
De schrijfsters bekritiseren onder andere het vertalen van buitenlandse literatuur en vermelden, dat hun oorspronkelijk vaderlandse roman als hoofddoel heeft aan te tonen, dat overmatige levendigheid en de daaruit voortvloeiende zucht naar vermaak de beste meisjes in gevaar kan brengen.


 


1e tot en met de 175e brief:
De negentienjarige wees Sara Burgerhart is na de dood van haar moeder in de kost gekomen bij haar voogdes, Suzanna Hofland, een oudere, ongetrouwde zus van haar moeder. Haar tweede voogd is de koopman Abraham Blankaart, een ongehuwde vriend van haar overleden vader. Tante Hofland is een inhalige feeks, die haar nichtje Sara uitbuit; ze behoort tot de fijnen op godsdienstig gebied en houdt ‘oefeningen’ met een stelletje kwezels, zoals de huichelachtige en gemene Cornelia Slimpslamp en de sluwe klaploper broeder Benjamin (hun ‘fijnheid’ weerhoudt hen er niet van later hun ‘zuster’ Hofland te bestelen!). Sara heeft bij tante Hofland drie jaar lang een ellendig leven; ze moet zich kleden als een ‘kwakerinnetje’ (volgelinge van de Quakers), mag geen klavier spelen, moet vervelende huishoudelijke karweitjes doen, mag geen buitenlandse schrijvers lezen, wordt zelfs een keer geslagen en krijgt amper genoeg te eten. Ze klaagt in een brief haar nood bij haar voogd Blankaart, want de opgewekte en levenslustige Sara kan zo’n leven niet volhouden. Blankaart is voor zaken in Parijs; Sara wil graag naar een ander kosthuis, maar haar voogd raadt haar aan dat alleen in uiterste nood te doen, want in een stad als Amsterdam schuilen voor jonge vrouwen allerlei gevaren. Een vroegere schoolvriendin, Aletta (Letje) Brunier, stelt Sara voor in haar kosthuis te komen wonen, bij de weduwe Spilgoed-Buigzaam, een levenswijze vrouw, die graag als een moeder voor de bij haar inwonende jongedames wil zorgen. Haar eigen leven is een waarschuwing voor hen, want ze heeft een ongelukkig huwelijk gehad met haar man, die hun hele vermogen verbraste. Op de dag dat Sara van haar voogd toestemming krijgt van Kosthuis te veranderen, loodst ze de oude meid Brecht, die behoorlijk aan de drank is, naar de kelder om een fles wijn te halen; ze doet de deur op slot en vlucht met wat linnengoed en geld naar het huis van de weduwe Spilgoed. Daar heerst een heel andere sfeer. Letje, ook een wees, heeft een vrolijk maar luchthartig karakter; haar zorgzame voogd Arnold Helmers is de tegenhanger van Blankaart. Verder wonen er nog de onbeduidende Charlotte Rien-du-Tout (Lotje) en de geëmancipeerde ‘femme savante’ Cornelia Hartog. Tante Hofland is woedend over Sara’s vertrek en eist van Blankaart het volledige jaargeld van zevenhonderd gulden totdat Sara trouwt of vijfentwintig jaar wordt. Blankaart leest haar de les.
Sara heeft het in haar nieuwe kosthuis erg naar haar zin. Ze krijgt van haar voogd duizend gulden om zich eens goed in de kleren te steken. Ze profiteert en geniet van haar vrijheid, waarover ze dikwijls schrijft aan haar beste vriendin Anna Willis. De brave Anna vermaant Sara nogal eens vanwege haar zorgeloosheid, maar die reageert daar vinnig op, waardoor aan de vriendschap bijna een einde komt. De weduwe Spilgoed houdt een oogje in het zeil en werkt aan Sara’s geestelijke vorming door met haar te musiceren en buitenlandse auteurs te lezen.
Sara ontmoet diverse jonge mannen. De klerk en handelsagent Willem Willis, de broer van Anna wordt verliefd op haar. Zijn moeder, de weduwe Sophia Willis-van Zon, ziet echter heel goed in dat Sara geen partij voor hem is; Sara zou hem overheersten en Willem heeft niet genoeg geld. Een tweede potentiële huwelijkskandidaat is Jacob Brunier, de broer van Aletta, maar hij is alleen geschikt om Sara bij gelegenheden te vergezellen en boodschappen voor haar te doen. Een kandidaat met meer kansen is de rijke en verstandige Hendrik Edeling. Hij wordt verliefd op Sara, maar zij wijst zijn aanzoek af: ze heeft haar vrijheid te lief. Bovendien eist Hendriks vader, dat zijn zoon trouwt met een Luthers meisje en Sara is gereformeerd. In zware gesprekken met Cornelia Hartog geeft Hendrik blijk van zijn intelligentie. Cornelia wordt verliefd op Hendrik en schrijft uit jaloezie een voor Sara vervelende, anonieme brief aan Blankaart. Ze wordt echter ontmaskerd en verdwijnt van het toneel.
Hendrik heeft zijn vader ingelicht over zijn liefde voor Sara, maar de oude onwrikbare Jan Edeling blijft bij zijn standpunt.
Op een dag maakt Sara kennis met de heer R., die haar aangeboden heeft zijn bibliotheek te gebruiken. Uit zijn brieven aan vriend Jan (de heer G.) komt de rijke R. naar voren las een onbetrouwbare man en vrouwenverleider. Weduwe Spilgoed heeft de losbol R. spoedig door, maar Sara is zo dom om naar R.’s buitenplaats buiten de Muiderpoort te gaan om daar in de Hortus Medicus een of ander vreemd gewas te bekijken. Hij probeert haar te gebruiken, sluit haar op, maar moet haar even alleen laten omdat zijn renpaarden in de leidsels verward geraakt zijn. Klaartje, de tuinmansdochter, helpt Sara ontsnappen en verbergt haar. Pas de volgende morgen keert Sara, helemaal over haar toeren, bij de weduwe Spilgoed terug.
Uitvoerig schrijft ze Hendrik wat haar overkomen is; ze weet nu dat ze Hendrik lierheeft en op de verkeerde weg is geweest.
Als Blankaart naar Holland terugkomt, worden veel dingen opgelost. Weduwe Spilgoed krijgt een erfenis van 90 duizend gulden, die haar later in staat stelt samen te gaan wonen met de weduwe Willis. Blankaart brengt Willem Willis en Letje Brunier bij elkaar en steunt Willem ook financieel; verder houdt hij zich bezig met de belangen van Jacob Brunier.
Weduwe spilgoed, Blankaart en Hendrik Edeling zijn overtuigd van Sara’s onschuld in de affaire met R. Sara neemt Hendriks huwelijksaanzoek aan. Na een gesprek tussen Blankaart en Hendrik’s vader en bemoeienis van dominee Everard Redelijk stemt Edeling toe in het huwelijk van zijn zoon en Sara (ze belijden immers hetzelfde ‘fundamentele stuk van enigheid’). Ze krijgen spoedig een zoon (Jan). Anna Willis trouwt met dominee Smit, Letje Brunier met Willem Willis en Adriana Nijverhart met Cornelis Edeling (de broer van Hendrik).


 


Narede
Sara en Hendrik hebben al tien jaar een gelukkig huwelijk en voeden hun vijf kinderen voorbeeldig op. Blankaart bezoekt vaak de dames Willis en Spilgoed op hun buitentje. Cornelia Hartog en haar vriendin freule Wilhelmina van Kwastama worden ervan verdacht afgrijselijk geleerde prullen tegen de godsdienst en het gezond verstand te schrijven. Lotje Rien-du-Tout woont bij haar oom en tante en breit onder andere ‘kinderonderkousjes’.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

gast

gast