ADVERTENTIE
Proefstuderen vanuit huis? Wil je vóór dat je een studie kiest, zeker weten of het qua inhoud is wat je ervan verwacht? Dat kan! Volg één van de vijf online proefstudies en ontdek hoe het is om aan de universiteit van Wageningen te studeren. Je volgt videocolleges en maakt opdrachten, gewoon vanuit je slaapkamer. Je wordt begeleid door studenten, die je vragen kunt stellen over de inhoud van de proefstudie of gewoon over het studentenleven! Alles is vrijblijvend, je zit nergens aan vast.

Meld je aan!

2.         Primaire gegevens van het gelezen werk

2.1.      Willem Frederik Hermans

2.2.      De donkere kamer van Damokles

2.3.      -

2.4.      1958 (uitgeverij Van Oorschot)

2.5.      397

 

3.         Verantwoording keuze en verwachting

3.1       Ik heb dit uitgekozen, omdat ik het boek op school heb

            gekregen met een onduidelijke uitleg, die mij nieuwsgierig maakte voor de inhoud daarvan.

 

3.2       Een oorlog boek waarin in met het ontwikkelen met foto’s te maken moet hebben, dat zou slaan op de donkere kamer. Een verwarrend verhaal was ook een verwachting.

 

4.         Korte samenvatting van de inhoud

            Henri Osewoudt trouwt zes jaar nadat zijn moeder haar echtgenoot vermoord heeft met zijn oudere nicht Ria Nauta en zet met haar de sigarenzaak van zijn vader in Voorschoten voort. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog, op 10 mei 1940, ontmoet hij de Nederlandse luitenant Dorbeck, die veel op hem lijkt. Hij vraagt Osewoudt een filmrolletje te ontwikkelen en geeft hem bij een volgende ontmoeting een pistool waarmee hij in Haarlem twee mannen moet liquideren. Pas vier jaar later krijgt hij opnieuw een aantal opdrachten, zoals foto’s versturen en een Gestapo-man (Lagendaal) uit de weg ruimen. Na verloop van tijd wordt Osewoudt in Amsterdam gearresteerd.

Nadat hij op hardhandige wijze is verhoord, wordt hij naar een ziekenhuis gebracht, maar daaruit (al of niet met hulp van de Duitse Hauptsturmführer Ebernuss) weer bevrijd. Hij wordt verliefd op Marianne Sondaar (ofwel Mirjam Zettenbaum, een ondergedoken Joodse studente) en later opnieuw gearresteerd. In een sociëteit waar verzetsstrijders elkaar treffen, ontmoet hij Dorbeck eindelijk weer. In opdracht van zijn dubbelganger vermoordt hij Ebernuss. Op een onderduikadres in Amsterdam fotografeert hij zichzelf en Dorbeck, staande voor een spiegel. Na een bezoek aan Marianne in een kraamkliniek (hun mismaakte kindje is dood geboren) vermoordt Osewoudt zijn vrouw Ria omdat ze een verhouding heeft met de NSB’er Evert Turlings, de zoon van de drogist, en hem verraden heeft. Met hulp van de illegaliteit en vermomd als verpleegster vlucht hij naar het bevrijde zuiden en meldt zich in Breda aan als vrijwilliger bij het hoofdkwartier van de Nederlandse Strijdkrachten. Tot zijn verbazing wordt hij gearresteerd vanwege landverraad.

Na een periode van gevangenschap en verhoor in Manchester belandt hij in een kamp voor landverraders in Drenthe, waar hij opnieuw wordt verhoord, nu door inspecteur Selderhorst. Hij slaagt er niet in de beschuldiging van landverraad te weerleggen: Dorbeck is onvindbaar, Marianne zit in een kibboets in Palestina en de foto van Osewoudt en Dorbeck samen blijkt mislukt te zijn. Ten einde raad rent hij het kampgebouw uit. Bij het hek vuurt de wacht twee salvo’s op hem af; ‘aan de handen van pater Beer zaten minder vingers dan Osewoudt kogelgaten in zijn lichaam had’.

5.         De relatie tussen tekst en auteur

                       

Zie achtergronden in de Analyse

6.         De Analyse

 

Boek-delen - leesclub, Cor Gerritsma

07-08-2013

Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam, 1958.

Samenvatting

Henri Osewoudt trouwt zes jaar nadat zijn moeder haar echtgenoot vermoord heeft met zijn oudere nicht Ria Nauta en zet met haar de sigarenzaak van zijn vader in Voorschoten voort. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog, op 10 mei 1940, ontmoet hij de Nederlandse luitenant Dorbeck, die veel op hem lijkt. Hij vraagt Osewoudt een filmrolletje te ontwikkelen en geeft hem bij een volgende ontmoeting een pistool waarmee hij in Haarlem twee mannen moet liquideren. Pas vier jaar later krijgt hij opnieuw een aantal opdrachten, zoals foto’s versturen en een Gestapo-man (Lagendaal) uit de weg ruimen. Na verloop van tijd wordt Osewoudt in Amsterdam gearresteerd.

Nadat hij op hardhandige wijze is verhoord, wordt hij naar een ziekenhuis gebracht, maar daaruit (al of niet met hulp van de Duitse Hauptsturmführer Ebernuss) weer bevrijd. Hij wordt verliefd op Marianne Sondaar (ofwel Mirjam Zettenbaum, een ondergedoken Joodse studente) en later opnieuw gearresteerd. In een sociëteit waar verzetsstrijders elkaar treffen, ontmoet hij Dorbeck eindelijk weer. In opdracht van zijn dubbelganger vermoordt hij Ebernuss. Op een onderduikadres in Amsterdam fotografeert hij zichzelf en Dorbeck, staande voor een spiegel. Na een bezoek aan Marianne in een kraamkliniek (hun mismaakte kindje is dood geboren) vermoordt Osewoudt zijn vrouw Ria omdat ze een verhouding heeft met de NSB’er Evert Turlings, de zoon van de drogist, en hem verraden heeft. Met hulp van de illegaliteit en vermomd als verpleegster vlucht hij naar het bevrijde zuiden en meldt zich in Breda aan als vrijwilliger bij het hoofdkwartier van de Nederlandse Strijdkrachten. Tot zijn verbazing wordt hij gearresteerd vanwege landverraad.

Na een periode van gevangenschap en verhoor in Manchester belandt hij in een kamp voor landverraders in Drenthe, waar hij opnieuw wordt verhoord, nu door inspecteur Selderhorst. Hij slaagt er niet in de beschuldiging van landverraad te weerleggen: Dorbeck is onvindbaar, Marianne zit in een kibboets in Palestina en de foto van Osewoudt en Dorbeck samen blijkt mislukt te zijn. Ten einde raad rent hij het kampgebouw uit. Bij het hek vuurt de wacht twee salvo’s op hem af; ‘aan de handen van pater Beer zaten minder vingers dan Osewoudt kogelgaten in zijn lichaam had’.

Het boekverslag gaat verder na deze boodschap.

Verder lezen


Thematiek

De donkere kamer van Damokles is een roman die op drie manieren gelezen kan worden: als een spannende roman over het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog, als een psychologische roman over identiteit en als ideeënroman. Centraal staat het idee van de onachterhaalbaarheid van ‘de waarheid’. De vraag of Dorbeck werkelijk bestaat of alleen in Osewoudts verbeelding, blijft onbeantwoord. Dorbeck is wellicht zijn gedroomde, ideale of betere ‘ik’, zijn ‘superego’. De oorlogssituatie appelleert aan de verdrongen actieve, heldhaftige kant van Osewoudts persoonlijkheid, aan zijn verborgen wensen en idealen. Hoewel aan het eind van de roman een psychiater (Lichtenau) concludeert dat Dorbeck een voortbrengsel van Osewoudts fantasie is en dat hij aan hallucinaties lijdt, laat Hermans zelf in het midden of Dorbeck al dan niet ‘bestaat’ en of we Osewoudt moeten beschouwen als een psychopaat, een verrader, een verzetsheld of een slachtoffer. Dorbeck maakt van de kleurloze, aan minderwaardigheidsgevoelens lijdende Osewoudt een verzetsheld, maar zonder hem is hij weer de passieve figuur die hij altijd al was, een ‘slappe jongen die de hele dag over de toonbank van een sigarenwinkel hangt’.

 

De ondoorzichtigheden in het verhaal demonstreren dat – volgens Hermans – de mens en zijn wereld onkenbaar zijn en dat de wereld een volstrekte chaos is (symbool daarvan is de oorlog). De mens leeft als het ware in ‘de wolk van niet weten’ (ondertitel van Herinneringen van een engelbewaarder, 1971), is niet in staat zichzelf en anderen te doorgronden, beleeft en interpreteert de werkelijkheid op zijn eigen manier; er valt niets te bewijzen, er is alleen chaos. Osewoudt is de personificatie van Hermans’ opvatting dat de mens een mislukt wezen is dat leeft in een chaotische wereld vol moedwil en misverstand.

Verschillende motieven ondersteunen deze thematiek. In de eerste plaats het dubbelgangersmotief. De identificatie met een ander is op verschillende manieren uitgewerkt: Dorbeck en Osewoudt lijken sprekend op elkaar; Dorbeck is misschien ook een dubbelganger van de in het boek genoemde Egbert Jagtman die door de Duitsers gevangen wordt genomen; Osewoudt vermomt zich als verpleegster; verschillende figuren hebben dubbele namen, zoals Elly Sprenkelbach Meijer / Jkvr. Elly Berkelbach Sprenkel en Marianne Sondaar / Mirjam Zettenbaum.

Een tweede belangrijk motief is schijn tegenover werkelijkheid, door Johan van der Woude (Nieuwsblad van het Noorden, 14 maart 1959) kernachtig samengevat met de woorden: ‘hoe waarschijnlijk het bestaan van Dorbeck ook is, hij zou evengoed niet kunnen bestaan. Hoe waarschijnlijk al die daden van Osewoudt ook zijn, wie kan zeggen of zij werkelijk zijn gebeurd, of niet alles in zijn verbeelding is geschied.’
In de derde plaats speelt het toeval een belangrijke rol: foto’s mislukken, getuigen zijn onvindbaar of dood, personages ontmoeten elkaar bij toeval enzovoort. ‘In het sadistisch universum van Hermans’, schreef Thomas van den Bergh (Het Parool, 17 april 1998), ‘is geen plaats voor logica, oorzaak-gevolg causaliteit – er zijn slechts toevalligheden’.


Hermans beschouwt de roman – dus ook De donkere kamer van Damoklesniet als een afspiegeling van de werkelijkheid, maar als een soort gelijkenis die past bij een bepaald wereldbeeld. Kort samengevat is dat beeld: de mens is overgeleverd aan de chaos van het bestaan. De mens leeft in een wereld zonder moraal, vrijheid en waarheid en zit als het ware opgesloten in de donkere kamer van zijn lichaam. De mens kan het zwaard van Damokles (zie onder ‘Titel’) niet ontlopen!


Titel

Het eerste deel van de titel verwijst naar foto’s (het leven van de hoofdpersoon hangt voor een groot deel af van een foto) en naar isolement. De naam Damokles (tot en met de negende druk gespeld met een c in plaats van een k) duidt voortdurende dreiging aan. Osewoudt verkeert in een soortgelijke situatie als Damocles uit de Griekse geschiedenis. Deze hoveling van tiran Dionysios mocht de vorst een dag vervangen, maar dan wel met een zwaard aan een paardenhaar boven zijn hoofd hangend, om hem te laten beseffen hoe zwaar en bedreigend die taak was.


De roman heeft geen motto, wel – vanaf de tiende druk – een kort ‘Naschrift’ dat als motto kan fungeren. Het is een citaat uit het werk van de door Hermans bewonderde Oostenrijkse taalfilosoof Ludwig Wittgenstein (1889-1951), die zich zijn leven lang heeft beziggehouden met het begrip ‘betekenis’. Kernwoorden in het ‘Naschrift’ zijn ‘zoeken’, ‘er (niet) zijn’ en ‘(niet) bestaan’. In de taal (het verhaal) bestaat Dorbeck, ook al wordt hij niet gevonden (in de ‘werkelijkheid’): de taal is met andere woorden niet bij machte om het bestaan van iemand te bewijzen.


Structuur en techniek

De donkere kamer van Damokles bestaat uit 46 hoofdstukken, segmenten of episodes zonder nummer of titel. Het verhaal is ruwweg in drie delen te verdelen: episode 1-20: Osewoudt als verzetsman; episode 21-30: Osewoudt in handen van de Duitsers; episode 31-46: Osewoudt in handen van de Nederlandse politie. Aanvankelijk is de roman een boeiend verslag van een aantal herkenbare gebeurtenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Van lieverlee gaan onwerkelijkheid en onzekerheid echter een steeds grotere rol spelen. Het boek begint met een parabelachtig fragmentje (man op een vlot) dat vooruitwijst naar de reddeloosheid van de hoofdpersoon aan het eind.

De gebeurtenissen worden voornamelijk verteld vanuit het gezichtspunt van de hoofdpersoon (personaal vertelperspectief). Maar de verteller is niet volledig achter Osewoudt verdwenen, met name niet aan het eind van het verhaal: zijn dood wordt beschreven vanuit auctoriaal (‘alwetend’) standpunt. Het effect van de personale vertelsituatie is dat de blik van de lezer op de gebeurtenissen voornamelijk beperkt blijft tot de visie van de ‘onbetrouwbare’ hoofdpersoon.

Tijd en ruimte

Het verhaal begint in 1932 en eindigt op 27 december 1945; de vertelde tijd is dus ongeveer dertien jaar. Tussen de eerste en tweede ontmoeting van Osewoudt en Dorbeck (episode 11 en 12) zit een periode van vier jaar waarover niets verteld wordt. Het tijdsverloop is chronologisch, met tijdverdichting (vooral in het begin van de roman) en tijdsprongen.

Plaatsen van handeling zijn onder andere Voorschoten, Den Haag, Haarlem, Leiden, Amsterdam, Utrecht, Amersfoort, Lunteren, Breda, Manchester en kamp Achtste Exloëermond in Drenthe. Er komen veel kleine, besloten ruimtes in het verhaal voor, zoals (donkere) kamers, cellen, portalen, trappenhuizen, cafés en winkels. Ze symboliseren de gesloten wereld van de hoofdpersoon.


Personages

Henri (Hendrik Maarten) Osewoudt – die door de verteller voortdurend alleen bij zijn achternaam wordt genoemd – is het enige kind van een sigarenwinkelier en diens psychisch gestoorde vrouw. In zijn jeugd komt hij emotioneel veel tekort. Tijdens zijn middelbare schooltijd heeft hij weinig contact met anderen en hij trouwt op jonge leeftijd met zijn zeven jaar oudere nicht Ria Nauta. Ze is niet bepaald knap: heeft een lange, spitse onderkaak, lange tanden en haar dat de kleur van pakpapier heeft; ze vernedert Osewoudt herhaaldelijk (‘Jij lijkt op hem [Dorbeck] zoals een mislukte pudding lijkt op een… weet ik veel … op een pudding die wel gelukt is’). Zijn moeder (die haar man vermoordde) komt, nadat ze ontslagen is uit het ‘gesticht’, bij hen inwonen; boven woont nog een theologiestudent, Moorlag. Osewoudt doet aan judo en wordt lid van de Burgerwacht om zijn gevoel van minderwaardigheid te compenseren. Hij is namelijk lelijk en klein van gestalte (‘een klein monster, een rechtopstaande pad’), heeft blond haar en een hoge piepstem, geen baardgroei. Voor militaire dienst is hij afgekeurd. Door de opdrachten van Dorbeck krijgt hij de mogelijkheid om de rol van verzetsheld te spelen. Osewoudt interpreteert de gebeurtenissen op geheel eigen wijze en voert de opdrachten van Dorbeck blindelings uit. Hij is niet bewust een verzetsstrijder, maar louter een werktuig van Dorbeck. Angst lijkt hij niet te kennen, emoties evenmin; hij handelt als een robot, niet uit idealisme of haat. In de ‘illegaliteit’ werkt hij onder verschillende schuilnamen: Filip van Druten, Joost Melgers en Clara Boeken. Alle contacten die hij legt (met Ria, Dorbeck, Elly, Marianne), lopen uiteindelijk op niets uit.


Luitenant Dorbeck is Osewoudts ‘ideale ik’, de geslaagde variant van hemzelf, zijn droomfiguur: zwart haar, welluidende stem, moedig en doortastend (zie ook onder ‘Thematiek’). Ze zijn niet alleen dubbelgangers, maar ook antipoden (elkaars positief en negatief). Zelfs hun namen lijken een beetje op elkaar: beide eindigen op twee medeklinkers die één (!) klank aanduiden.


Taal en stijl

De stijl is helder, direct en vrij zakelijk. Een voorbeeld, uit de scène waarin Osewoudt, verkleed als verpleegster, zijn vrouw ombrengt:

‘Osewoudt deed de tussendeur langzaam achter zich dicht, Ria onophoudelijk aanstarend. Zijn benen en armen begonnen te trillen, hij voelde het kapje op zijn hoofd heen en weer gaan. In de rand van zijn gezichtsveld zag hij de rest van de kamer. Er stonden meubelen in die hij niet kende, nieuwe meubelen. Waar had zij die vandaangehaald?
Toen maakte een geluid zich los uit zijn keel, hij wist niet welk geluid.
Ria zei: - Zuster! Ik schrik! U lijkt zo op mijn eerste man!
Niets was er in het huis te horen toen haar gillen ophield.
Zij lag op de vloer naast de strijkplank. Osewoudt veegde de dolk af aan alles wat maar binnen zijn bereik kwam: strijkgoed, het tafelkleed, de lampekap, het was of hij het hele huis met Ria’s bloed wilde besmeuren. Toen stond hij een ogenblik hijgend stil en stak de dolk weer in zijn mantelzak. Hij ging terug naar de winkel, maakte een spleet in de gordijntjes achter de uitstalkast en keek naar buiten.’


Hermans beschrijft allerlei zaken heel expliciet en psychologiseert niet, waardoor de lezer de indruk krijgt dat er een waar gebeurd verhaal verteld wordt. Ook speciale tekstjes, zoals een etalagebordje, een opsporingsbericht, een
wens, een krantenbericht en een brief versterken die werkelijkheidssuggestie. De vele dialogen verlevendigen het sober vertelde verhaal. Opvallend zijn de vele herhalingen: het bordje ‘Inhalen verboden’, de beschrijvingen van trams (gele en blauwe), de vermelding van foto’s/filmrolletjes, de Leica-camera, het pistool enzovoort.
Het verteltempo is hoog, de toon licht sarcastisch en grimmig humoristisch.


Reacties

De donkere kamer van Damokles trok veel aandacht en werd vrijwel meteen als een meesterwerk beschouwd: ‘een grandioos boek, het obsederendste boek in onze taal, dat ik ken’ (Hans van Straten, Het Vrije Volk, 15 november 1958), ‘een voor ons land zeldzaam geslaagde prestatie’ (Adriaan van der Veen, NRC, 22 november 1958), een boek ‘zo meeslepend als een avonturenroman, zo spannend als een detectiveverhaal, intelligent en tegelijkertijd met een brutaliserende nonchalance geschreven’ (Ben Stroman, Algemeen Handelsblad, 21 februari 1959), een ‘in alle opzichten geslaagd werk’ (Raymond Brulez, Het Laatste Nieuws, 1 juli 1959). Hermans heeft ‘de beste Westeuropese auteurs geëvenaard, zo niet overtroffen’ (Garmt Stuiveling, Haagsch Dagblad, 7 februari 1959).


Verschillende recensenten vergeleken de roman met andere literaire werken. Hans van Straten zag overeenkomsten met Het proces van Franz Kafka: ‘De held wordt in beide gevallen met onontkoombare zekerheid naar zijn ondergang gevoerd, als laatste consequentie van zijn waan wordt hij door afgezanten van de werkelijkheid afgemaakt, “als een hond”’. Adriaan van der Veen moest aan het werk van Graham Greene denken ‘bij wie ook op iedere bladzijde iets gebeurt (…) en wiens werk eveneens onmiskenbaar in dienst staat van een idee’. H.A. Gomperts (Het Parool, 6 december 1958) vond De donkere kamer van Damokles ‘gaver en in technisch opzicht oneindig beter’ dan Hermans’ eerdere roman De tranen der acacia’s. Pierre H. Dubois (Het Vaderland, 3 januari 1959) vergeleek de roman met De Avonden van Reve: ‘De absurditeit van “De Avonden” is (…) minder fel’; in De donkere kamer van Damokles ‘is er een verborgen woede en een onmiddellijkheid, waarbij vergeleken “De avonden” iets platonisch krijgt’. Garmt Stuiveling moest denken aan ‘Albert Camus’ befaamde roman “La Peste” en voor het laatste kwart van Hermans’ boek ook aan Franz Kafka: “Der Prozess”’. Raymond Brulez – die in zijn recensie de naam Osewoudt consequent met dubbel s spelde! – vergeleek de roman ook nog met het werk van Dostojevski.


Naast veel lof was er ook enige kritiek. Sommige critici hadden namelijk moeite met de levensvisie van Hermans. Ben Stroman bijvoorbeeld noemde De donkere kamer van Damokles ‘een van de knapste romans (…) welke de laatste tijd in ons land zijn geschreven’, maar ‘evenzeer de meest perfide roman (…) omdat de bezettingstijd als norm voor “het leven”, voor “de wereld” wordt genomen’. Hermans deed dat om zijn levensbeschouwing vorm te kunnen geven. ‘En die levensbeschouwing is moedwillig cynisch, moedwillig negatief. Juist die moedwil, het opzettelijke maakt dit boek tot een weerzinwekkend product.’ Jos Panhuijsen (Het Binnenhof, 14 maart 1959) vond deze ‘meesterlijke roman alleen geschikt (…) voor mensen, die wezenlijk volwassen zijn en een behoorlijke levenservaring bezitten’, omdat Osewoudts daden ‘naar de christelijke moraal niet te verdedigen zijn’.


Bijna een halve eeuw na het verschijnen van De donkere kamer van Damokles blikte een aantal critici terug op de roman. Thomas van den Bergh (Het Parool, 17 april 1998) schreef onder meer: ‘Wie dringend van een paar illusies afgeholpen moet worden, leze Willem Frederik Hermans. Geen schrijver die overtuigender de machteloosheid van de mens en de zinloosheid van ’s mensen strevingen heeft opgetekend dan hij, en geen roman waarin hij dat treffender deed dan De donkere kamer van Damokles (1958)’. Hoewel onze kijk op de Tweede Wereldoorlog volgens Rob Schouten (Trouw, 23 november 2002) inmiddels grondig is veranderd, ‘minder jongensachtig spannend’ is geworden, is De donkere kamer van Damokles (…) nog een volstrekt rusteloos boek, volgestouwd met actie en veelbetekenende momenten’. ‘Over Osewoudt’, aldus Hugo Brandt Corstius (Trouw, 28 mei 2005), ‘valt (…) nog steeds te discussiëren’ en dat feit getuigt van de ‘macht van Literatuur’.


Het heeft lang geduurd voor Hermans’ bestseller in het buitenland erkenning kreeg. Pas begin deze eeuw, nadat nieuwe vertalingen waren verschenen, kwamen er in Duitsland lovende recensies over Die Dunkelkammer (de Duitse vertaling). Maar die leidden niet tot hoge verkoopcijfers. In 2007 las de Tsjechisch-Franse auteur Milan Kundera de roman en schreef een zeer enthousiast artikel in de Franse krant Le Monde (in vertaling verschenen in De Standaard, 16 maart 2007) over deze ‘rijke, onwaarschijnlijk rijke roman’.

De donkere kamer van Damokles werd door Fons Rademakers verfilmd onder de titel Als twee druppels water (1963). Niet alleen de titel, maar ook de namen van de hoofdpersonen werden veranderd (Osewoudt bijvoorbeeld werd Ducker). Hermans schreef zelf het eerste scenario, maar Rademakers wees dat af en maakte een nieuwe tekst, waarmee het conflict tussen de twee heren een feit was. Een van de financiers van de film was biermagnaat Alfred Heineken; hij hield de vertoning van de film na 1969 jarenlang tegen nadat zijn relatie met een vriendin die in de film een rol heeft, was stukgelopen.


Achtergronden

De eerste aanzet voor De donkere kamer van Damokles was het (onvoltooide) verhaal ‘Een overgevoelige natuur’, dat Hermans in 1952 schreef en dat waarschijnlijk bestemd was voor zijn verhalenbundel Paranoia die in 1953 verscheen. Deze ‘voorstudie’ groeide in 1958 uit tot de omvangrijke roman De donkere kamer van Damokles; opmerkelijk is dat de jonge luitenant in het verhaal Jagtman heet en niet Dorbeck.

De Tweede Wereldoorlog heeft niet alleen grote invloed gehad op het werk van Hermans, maar ook op zijn leven. Na de capitulatie van Nederland in 1940 liet zijn oudere zus Cornelia zich door een neef doodschieten; de neef pleegde daarna zelfmoord. Ter voorbereiding op het schrijven van De donkere kamer van Damokles bestudeerde Hermans het omvangrijke rapport van de ‘Enquêtecommissie inzake het regeringsbeleid in de periode 1940-1945’.


Zijn toneelstuk King Kong (1972) baseerde hij op de activiteiten van de dubbelspion Christiaan Lindemans. Verder voerde hij een jarenlange pennenstrijd met de schrijfster Renate Rubinstein en criticus Aad Nuis over de dubieuze rol van de Jood Friedrich Weinreb, die in 1948 voor collaboratie was veroordeeld, maar in Ondergang (1965), de studie van Jacques Presser over de Jodenvervolging, in ere werd hersteld.

7.         Verwacht achteraf

Achteraf was het wel een moeilijker boek dan verwacht. Het begrijpen van de verhaal met verschillende interpretaties is wel lastig. Het was wel heel interessant omdat er onvoorspelbare situaties ontstonden. Voorbeelden daarvan zijn: dat hij wordt opgepakt voor landverraad en dat de foto die moest maken was mislukt, terwijl je al eigenlijk helemaal niet meer verder over die foto had nagedacht.

 

 

8.         De persoonlijke beoordeling

            Tweestrijd (527)

In de donkere kamer van damokles krijgt de ongelukkige Osewoudt de kans om zich te laten zien aan de rest van de wereld door zich in te zetten voor zijn eigen land in het verzet in de tweede wereld oorlog. Opdrachten krijgt hij van een luitenant van de landmacht genaamd Dorbeck. Ze lijken eigenlijk als twee druppels water op elkaar, Osewoudt ziet hem dan ook als een niet mislukte versie van zichzelf. Voor Osewoudt moet hij foto’s ontwikkelen en versturen, maar langzamerhand worden zijn opdrachten steeds zwaarder.

Oswoudt moet twee mannen vermoorden en wordt daarbij verraden door een NSB’er. Er volgt een heen en weer strijd tussen de daden van Osewoudt en hij wordt aangezien voor landverrader. Ook is Dorbeck nergens te bekennen en wordt er gedacht dat Osewoudt hem heeft verzonnen.

Het hele verhaal is erg aangrijpend en toch ook verontrustend. Dat zijn twee termen die misschien niet lijken te kunnen mengen, maar toch is het zo. Je weet niet meer wie je moet geloven en wat er nu waar is. Is Osewoudt nu goed of fout, waarom doet hij dit en waarom niet dat. Dat zijn vragen die je, je zelf afvraagt terwijl je het boek leest.

De schrijver heeft persoonlijke elementen toegevoegd in het boek, die het nog echter en interessanter maken. De doodgeboren baby is een voorbeeld hiervan. Dit soort toevoegen zijn hoewel triest, wel een toevoeging aan de geloofwaardigheid van het verhaal. Ook geeft dit een verhaal weer waarin niet alles rozengeur en maneschijn is.

 

Je wordt het diepe ingegooid en feiten en argumenten toegeslingerd. Je moet er zelf maar eens een mening over zien te creëren. Verschillende benaderingen van het verhaal bieden al een hele hoop perspectief. De schrijver van het verhaal, Willem Frederik Hermans, was zelfs een beetje teleurgesteld in het feit dat mensen niet begrepen of Dorbeck nu wel of niet echt bestaan heeft in het boek of dat het een verzinsel was van Osewoudt, dit liet hem twijfelen over de kwaliteit van zijn boek. Zelf gaf hij als toelichting, dat Dorbeck was gezien door meerdere personages in het boek en dat, dat eigenlijk genoeg informatie zou moeten zijn voor de lezer.

Of er zich in het boek nog meer verborgen boodschappen bevinden is voor ieder op zich een vraag. Sommigen herkennen aanwijzingen en boodschappen voor het echte leven uit het verhaal, sommige zien het boek ook als één grote hoop ellende van wirwar.

Zelf vind ik het een boek dat meerdere gezichten kan aannemen in de richting waarin de lezer het zelf stuurt. Als de lezer vindt dat Osewoudt goed heeft gehandeld, en daardoor het hele verhaal met hem meeleeft, zullen ze hem ook niet gauw veroordelen als landverrader. Maar als ze hem van het begin af aan al in twijfel trekken en ze de boel niet vertrouwen zou het verhaal een hele andere wending krijgen.

Als twee totaal verschillende mensen het boek lezen en hun mening over de personages zouden opschrijven zullen er ook in hun mening grote verschillen ontstaan in de rol van de hoofdpersoon in de tweede wereld oorlog, en dat is precies wat Willem Frederik Hermans wilde bereiken met dit tweestrijdig boek.

 

9.         Bronvermelding

 

            Bron 1: recensie

Via Trouw: Schouten, R. (2002, 23 november) “Henri Osewoudt huilt alleen van buiten”. In: Trouw.
 

Bron 2: recensie

Via TZUM: Peppelenbos, C. (2012, 10 november) “Loser blijft loser”. In: TZUM literair weblog.

 

Bron 3: analyse en samenvatting

Via Elinea: Gerritsma, C. (2013, 7 augustus) “(Titel onbekend)”. (Plaats van uitgave onbekend): Elinea Analyse- en Recensie-bank.

 

Henri Osewoudt huilt alleen van buiten

Rob Schouten − 23/11/02, 00:00

RECENSIE Als 'De avonden' van Gerard Reve een sitcom is, dan is 'De donkere kamer van Damocles' van W.F. Hermans een thriller. Ik heb de titel altijd een wat gezochte contaminatie gevonden maar daarmee hielden mijn bezwaren ook direct op, want de dag dat ik het boek kreeg, zo te zien op zeventienjarige leeftijd, las ik het in één ruk uit. Het is (net als 'Het glinsterend pantser' van Simon Vestdijk) zo'n roman die de brug van jongensboeken naar 'echte' literatuur slaat: spannend en complex aan de oppervlakte maar met daaronder een diepere, noem het filosofische boodschap die je ongemerkt tijdens het lezen mee krijgt, over de onkenbaarheid van de wereld.

 

Het verhaal maakt vooral bij eerste lezing een onuitwisbare indruk. Je weet nog niet hoe deze oorlogsgeschiedenis afloopt, je leeft mee met hoofdpersoon Henri Osewoudt, door wie je de wereld bekijkt, en je komt er allengs achter dat hij in niets van wat hij beoogt, slaagt. Alle latere lezingen zijn anders, minder leesgenot, meer speurwerk: je probeert gewetensvol het raadsel in kaart te brengen, het geheim op te lossen. Is Osewoudt wellicht een psychopaat, net als zijn moeder? Het slachtoffer van een ongelooflijke vergissing? Toen ik het boek die eerste keer las had ik het gevoel eindelijk iets van de benauwenis van de oorlogstijd te ervaren, een oorlog waarvan ik niets had meegemaakt maar die door mijn ouders en grootouders in mijn bloedbanen was meegestuurd.

In 2002 is er van die reminiscentie aan beruchte donkere dagen eigenlijk nog maar weinig over. Zoals het geval van de Nederlandse verrader Anton van der Waals, waarop het verhaal losjes is gebaseerd, vrijwel niemand meer iets zegt, zo is ook onze hele kijk op de oorlogsjaren grondig veranderd. Dat er minder helden dan meelopers waren en minder meelopers dan stilzitters, weet inmiddels iedereen en ook dat er tussen 1940 en 1945 talloze dagen waren waarop niks bijzonders gebeurde.

Kortom, de directe omgeving van het boek, de Tweede Wereldoorlog, is intussen grondig van aanzien veranderd, minder jongensachtig spannend geworden zeg maar. Ik kan me voorstellen dat een schrijver van nu met meer belangstelling gekeken had naar de voorbijtikkende tijd tussen de zomer van 1940 en de zomer van 1944, een periode die bij Hermans volstrekt onbesproken blijft, en waarin de hoofdpersoon kennelijk gelaten in zijn sigarenwinkel klanten bedient. Maar 'De donkere kamer van Damocles' is nog een volstrekt rusteloos boek, volgestouwd met actie en veelbetekenende momenten.

Zo'n vijfenveertig jaar na de eerste verschijning blijkt de geschiedenis van Henri Osewoudt getekend door een zekere nadrukkelijkheid. Het lijkt wel of de schrijver zelf voortdurend getroffen wordt door het bordje in Osewoudts winkel 'Hebt u niets vergeten'. Zo wordt bijvoorbeeld het dubbelgangersmotief wel heel expliciet door Osewoudt zelf uit de doeken gedaan als hij zich tegenover zijn vriendin uitlaat over zijn alter ego Dorbeck:,,Ik had een gevoel of ik een verlengstuk van hem was, of zoiets als een deel van hem. Toen ik hem voor het eerst zag, dacht ik: zoals deze man is, zo had ik moeten zijn.' Ook over zijn frustraties laat hij niemand in het ongewisse:,,Alles wat ik gedaan heb, glipt door mijn vingers,' jammert hij ergens aan het eind van het boek. Bijna alsof Hermans bang is dat onoplettende lezertjes de thema's en motieven zullen missen. Het doet denken aan niet mis te verstane reclameboodschappen uit de jaren vijftig: Mevrouw, zonder dit afwasmiddel kunt u niet! Daartegenover staat een koele registratie van de innerlijke en uiterlijke verwikkelingen die nog steeds wél functioneert. Nergens in het verhaal wordt gepsychologiseerd en dat terwijl we toch zo'n beetje alles meemaken vanuit het perspectief van Osewoudt. Zo blijft de psychische wanhoop waaraan hij ten prooi moet zijn, stelselmatig buiten beschouwing. Juist die afwezigheid van enig geestesleven (zo heel anders dan bij Hermans' tijdgenoten als Anna Blaman of Simon Vestdijk) zorgt ervoor dat 'De donkere kamer van Damocles' cultuurpsychologisch moeilijk te dateren valt. Een karakteristieke passage is die waarin Osewoudt zijn dode kindje aanschouwt: ,,Osewoudt's ogen schoten vol tranen, de omgeving werd onzichtbaar of er een dikke plaat ijsglas voor zijn hoofd werd gehouden. Op de tast vond hij het koude steen van de tafel, legde de bloemetjes neer en zonder naar de knecht om te zien, ging hij de trap op en rende de gang door. De tranen bleven uit zijn ogen stromen, zonder dat hij eigenlijk het gevoel had te huilen.' Een puur fysieke, koude scene op een van de gevoeligste momenten in het verhaal.

Zo'n vijfenveertig jaar na de eerste verschijning blijkt de geschiedenis van Henri Osewoudt getekend door een zekere nadrukkelijkheid. Het lijkt wel of de schrijver zelf voortdurend getroffen wordt door het bordje in Osewoudts winkel 'Hebt u niets vergeten'. Zo wordt bijvoorbeeld het dubbelgangersmotief wel heel expliciet door Osewoudt zelf uit de doeken gedaan als hij zich tegenover zijn vriendin uitlaat over zijn alter ego Dorbeck:,,Ik had een gevoel of ik een verlengstuk van hem was, of zoiets als een deel van hem. Toen ik hem voor het eerst zag, dacht ik: zoals deze man is, zo had ik moeten zijn.' Ook over zijn frustraties laat hij niemand in het ongewisse:,,Alles wat ik gedaan heb, glipt door mijn vingers,' jammert hij ergens aan het eind van het boek. Bijna alsof Hermans bang is dat onoplettende lezertjes de thema's en motieven zullen missen. Het doet denken aan niet mis te verstane reclameboodschappen uit de jaren vijftig: Mevrouw, zonder dit afwasmiddel kunt u niet! Daartegenover staat een koele registratie van de innerlijke en uiterlijke verwikkelingen die nog steeds wél functioneert. Nergens in het verhaal wordt gepsychologiseerd en dat terwijl we toch zo'n beetje alles meemaken vanuit het perspectief van Osewoudt. Zo blijft de psychische wanhoop waaraan hij ten prooi moet zijn, stelselmatig buiten beschouwing. Juist die afwezigheid van enig geestesleven (zo heel anders dan bij Hermans' tijdgenoten als Anna Blaman of Simon Vestdijk) zorgt ervoor dat 'De donkere kamer van Damocles' cultuurpsychologisch moeilijk te dateren valt. Een karakteristieke passage is die waarin Osewoudt zijn dode kindje aanschouwt: ,,Osewoudt's ogen schoten vol tranen, de omgeving werd onzichtbaar of er een dikke plaat ijsglas voor zijn hoofd werd gehouden. Op de tast vond hij het koude steen van de tafel, legde de bloemetjes neer en zonder naar de knecht om te zien, ging hij de trap op en rende de gang door. De tranen bleven uit zijn ogen stromen, zonder dat hij eigenlijk het gevoel had te huilen.' Een puur fysieke, koude scene op een van de gevoeligste momenten in het verhaal.

Het geheim van de blijvende populariteit van 'De donkere kamer van Damocles' zit 'm denk ik vooral in die fusie tussen veelbewogen gebeurtenissen en zakelijke beschrijving. Het boek vertoont voor een bejaarde opmerkelijk weinig rimpels, misschien omdat het nooit jong, gevoelig en zachthuidig is geweest. Het handjevol tegenstanders in het koor van bewonderaars, kon het om die reden bij verschijning nog een 'perfide' en zelfs een 'fascistoïde' boek noemen. Maar zulk moralisme is ons allang vreemd geworden en juist een boek als 'De donkere kamer van Damocles' heeft aan die ontwikkeling bijgedragen.

Loser blijft loser

De actie Nederland Leest zet dit jaar De donkere kamer van Damokles in de schijnwerpers, de klassieker van Willem Frederik Hermans. het was ongeveer dertig jaar geleden dat ik dat boek gelezen had, dus het was wel tijd voor een herlezing. Die hernieuwde kennismaking confronteert je vooral met je gebrekkige geheugen: de roman was verworden tot enkele groffe verhaallijnen, aangevuld met informatie die je in de loop der jaren had gelezen over het boek en gecorrumpeerd door tentamenvragen die je aan je studenten hebt gesteld die de roman louter tot een literaire constructie herleiden (‘bespreek het dubbelgangersmotief’).

Henri Osewoudt heeft een sigarenwinkel in Voorschoten. Hij is jong en woont met zijn lelijke, oudere en overspelige vrouw boven de winkel die nog van zijn vader is geweest. Zijn verwarde moeder, die de vader van Henri vermoord heeft, woont bij hen in. Het portret dat Hermans van Osewoudt schetst is meteen al negatief. De jonge Henri hoort eens zijn tante met andere dames over hem spreken:

‘Hij is een zevenmaandskindje. Ja, en moet je weten, hij is niet eens echt geboren. Zijn moeder heeft hem op een dag verloren in de po, tegelijk met haar ontlasting.’

Zo negatief als er over hem gesproken wordt, zo negatief is Osewoudt ook over zichzelf als hij in de spiegel kijkt:

‘Zijn ogen maakten ook in ruststand de indruk dat hij ze samengeknepen hield, alsof hij alleen maar loeren kon en niet gewoon kijken. Zijn mond deed denken aan de opening waardoor laagstaande dieren hun voedsel opnemen, geen mond die ook lachen en praten kon.’

Dat negatieve zelfbeeld verdwijnt pas als de oorlog uitbreekt en Dorbeck op een dag zijn winkel binnenstapt. Hij lijkt op Osewoudt, maar zijn uitstraling en optreden is precies het tegendeel. Door de opdrachten die Osewoudt vanaf dat moment krijgt van de verzetsman Dorbeck transformeert Osewoudt, in handelen en uiterlijk, naar de man die hij had willen zijn. Door de ander te spelen, lijkt hij zichzelf te worden.

Ik heb de laatste jaren meer romans van Hermans herlezen. Nooit meer slapen, Ik heb altijd gelijk, Onder professoren: hoe verschillend de hoofdpersonen ook zijn, het zijn allemaal eenlingen die strijden tegen hun omgeving, de mensen door wie ze omringd zijn en de tegenspoed die hoe dan ook op hun pad komt. De donkere kamer van Damokles lijkt binnen het oeuvre iets anders te zijn omdat hier iemand boven zichzelf lijkt uit te stijgen. Osewoudt wordt een dappere man in het verzet en weet zich te weer te stellen tegen de Duitsers. Loser wordt winnaar.

Je kunt De donkere kamer van Damokles lezen als een spannende roman, vol achtervolgingen, liquidaties en machogedrag: James Bond in oorlogstijd. De draai die Hermans aan het boek geeft, maakt het echter tot een meer psychologische roman. Als de bevrijding komt wordt Osewoudt gevangen en is het de vraag of Dorbeck echt bestaan heeft of slechts een hersenschim van de hoofdpersoon is. De centrale vraag die de actie Nederland Leest in haar campagne stelt – is Osewoudt goed of fout? – doet er helemaal niet toe. Het is belangrijker dat binnen deze romanwerkelijkheid die vraag niet opgelost kan worden. Je zult als lezer tot de conclusie moeten komen dat de ‘echte werkelijkheid’ niet kenbaar is. In die zin is De donkere kamer van Damokles een goed voorbeeld van een modernistische roman.

Dertig jaar na de eerste lezing blijft De donkere kamer van Damokles als roman een goed boek, al erger ik me nu meer aan de stereotype beschrijving van de homoseksuele nazi Ebernuss (‘Hij rook naar viooltjes.’) Ook de rare gewoonte van Hermans om het woord ‘kijken’ te gebruiken waar ‘zien’ noodzakelijk is, haalt je uit het verhaal (‘Maar dat hoefde ook niet, zeiden ze, ze zeiden dat ik u die foto moest laten kijken, dan zou u weten dat het safe is!’). Toch heeft De donkere kamer van Damokles alle kwaliteiten in zich om nog jarenlang een klassieker te blijven.

Coen Peppelenbos

Willem Frederik Hermans – De donkere kamer van Damokles. Nederlans Leest-editie, 2012. 320 blz. Gratis voor leden van de bibliotheek.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

gast

gast