Oktoberfest door Felix & Theo

Beoordeling 8.2
Foto van E.
  • Boekverslag door E.
  • 2e klas havo/vwo | 3531 woorden
  • 10 maart 2015
  • 55 keer beoordeeld
  • Cijfer 8.2
  • 55 keer beoordeeld

Boek
Auteur
Taal
Nederlands
Vak
Eerste uitgave
1995
Pagina's
32
Oorspronkelijke taal
Duits

Boekcover Oktoberfest
Shadow
Oktoberfest door  Felix & Theo
Shadow
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!

 - Helmut Müller =



Privé-detective. Hij reist op een dag naar zijn oude geboorteplaats, München.



- Bea Braun =



Zijn secretaresse en werkneemster. Moet helaas in Berlijn blijven.



- Felix Neumann =



Een oude vriend van Müller, leeft in Spanje en bezoekt het Oktoberfeest.



- Bruno =



Een zwerver, leeft in de zomer aan de Isar (rivier) en ziet enkele merkwaardige dingen.



- Alfred Hübner =



Fotoreporter uit München, heeft een grote geschiedenis voor zijn krant.



- das Oktoberfest =



Is het grootste volksfeest ter wereld. Ieder jaar komen mensen uit de hele wereld naar de Theresienwiese (het terrein waar het Oktoberfeest gehouden wordt.) en vermaken zich. Maar sommige worden de volgende morgen wakker met een zwaar hoofd…







“Büro Muller, Bea Braun aan de telefoon.”



“Hallo, mijn naam is Felix Neumann, mag ik alstublieft meneer Müller spreken?



“Het spijt me, meneer Müller is er nu niet, kan ik u helpen?”



“Nee, of jawel, misschien. Ik, … euhm, het is eerder privé. Ik ben een oude vriend van meneer Müller uit Spanje en…”



“Ach, u bent het, meneer Neumann? Het spijt me, ik heb uw stem niet herkent. Dus, mijn baas is nu bij klanten, maar ik denk dat hij er om 3 uur weer is. Moet ik hem iets zeggen?”



“Ja, graag. Zegt u hem, dat ik voor een paar dagen naar Duitsland kom. Ik wil hem graag in Berlijn bezoeken, in het weekend. Ik bel om 3 uur nog een keer, oké?”



“Prima. Dus, dan tot later. Tot straks!”



“Tot straks!”





Bea Braun schrijft op een blaadje:



Felix Neumann uit Spanje heeft gebeld. Komt in het weekend naar Berlijn. Belt om drie uur nog een keer.





“Toeristencentrum München. Informatie. Hallo!”



“Hallo. Mijn naam is Felix Neumann. Ik bel u vanuit Spanje. Ik zoek een kamer voor een paar dagen. Voor het Oktoberfeest. Kunt u mij helpen?”



“Voor het Oktoberfeest? Dat is moeilijk. Alle hotels zijn al volgeboekt. Wanneer precies heeft u de kamer nodig?”



“Drie nachten. Van 24 – 27 september. Het kan ook graag een kamer in een pension zijn.”



“Tja, meneer Neumann, een moment. Ik zal kijken… ja, hier heb ik iets. pension NEUE HEIMAT, in Heidhausen, in de Sedanstraße 15. Ik geef u het telefoonnummer: 448-73-77. Alstublieft bevestigt u de reservering zelf.”



“Wacht u alstublieft een moment, ik schrijf meteen het adres en telefoonnummer op. Dus het was het pension Neue Heimat. Sedanstraße nummer …?”



“Nummer 15. Telefoonnummer 4487377. Heeft u het?”



“Ja, dank u wel. Tot ziens!”



Felix Neumann is tevreden. Zijn reis naar Duitsland is georganiseerd. Hij verheugt zich op het Oktoberfeest en het weekend met zijn oude vriend Helmut in Berlijn.





De Lufthansa-Maschine (soort vliegtuig) uit Berlijn landt stipt om 15 uur 45 op de luchthaven in München. Felix neemt de tram  en is na 30 minuten op het oost-treinstation. Vanuit daar kan hij lopend naar pension Neue Heimat gaan. Hij heeft geen bagage mee – alleen een kleine reistas. In het pension laat een vriendelijke oudere vrouw zijn kamer zien. Hij doet zijn tas af, trekt comfortabele kleding aan en rijdt met de tram naar het Theresienwiese. Daar vindt elk jaar aan het einde van september het grootste volksfeest te wereld plaats ; het Oktoberfest!





Alle mensen die uit de metro komen, gaan in dezelfde richting als Felix. Italianen, Japanners, Amerikanen, Zweden, Fransen, mensen uit alle landen van de wereld duwen zich in de richting van het feest. In reuze tenten zitten duizenden toeristen en natuurlijk mensen uit München en drinken bier. Het bier is er in grote een- literkannen in een glas of ton. In iedere tent speelt een fanfare Beierse muziek. Veel mensen zingen mee. Het is ongelofelijk luid. Maar ze zijn allemaal vrolijk, lachen, een paar dansen. Felix gaat in de ‘Hofbräu-tent’. Eindelijk vindt hij een plaats aan een reuze houten tafel. Hij bestelt een ‘Mab’(een mok bier, precies 1 liter.) en een ‘Hendl’ (idk wat dat is) en verheugt zich met alle anderen.





“Hallo!”



“Hallo, u!”



Felix wacht. Hij heeft verschrikkelijke hoofdpijn. Hij voelt hoe iemand aan zijn arm schudt. “O mijn hoofd. Mijn hoofd!”





“Sta op! Sta op!” Een politieagent pakt Felix aan zijn arm en helpt hem. “Uw papieren alstublieft!”



“Oh, het is heel slecht. Waar ben ik? Wat is er gebeurd? O, mijn hoofd!”



Felix staat voor twee politieagenten. Maar hij is niet meer op het Oktoberfeest, maar aan een rivier. Daar zijn bloemen, gras, bomen…



“Waar ben ik?” herhaalt Felix.



“In München”, zegt een politieagent lachend. “Om precies te zijn aan de Isar. U heeft vermoedelijk gisteren een mok teveel gedronken, toch?”



Beetje bij beetje herinnert Felix het. Ja, hij was op het Oktoberfeest, maar dan… Hij wil op zijn horloge kijken. Maar er is geen horloge. Op instinkt zoekt hij zijn portomonnee. Weg! Geen horloge, geen portomonnee.



“Mijn horloge! Mijn portomonee! Mijn geld! Iemand heeft me bestolen!”



“Blijf rustig, jonge man. Nu komt u mee naar het bureau en dan lossen wij deze zaak op…”





Op het bureau legt Felix het uit, wie hij is en wat hij in München doet. Maar na gisteravond kan hij zich niks meer herinneren. Oktoberfest, Hofbräu-tent, een mok bier, of waren het er twee? Hij weet het niet meer, hij kan het zich niet meer herinneren. En dan die hoofdpijn..





Terug in het pension belt Felix naar Berlijn.



“Buro Müller, Bea Braun aan de lijn.”



“Dag, mevrouw Müller. Ik ben het, Felix Neumann. Is Helmut er?”



“Moment, ik verbind u door, meneer Neumann!”



“Hallo Felix, hoe gaat het? Hoe smaakt het bier op het Oktoberfest? Wanneer kom je?”



“Mens, Helmut! Mij is iets heel stoms gebeurd…”



En hij legt zijn vriend alles wat er is gebeurd uit : zijn bezoek op het Oktoberfest, het wakker worden aan de Isar, geen geld, geen papieren, de politie, het bureau.





Als Felix klaar is met vertellen over zijn gebeurtenis, zegt Helmut :



“Hoor eens, ik kom met het volgende vliegtuig naar München. Geef mij het adres van jouw pension. En je blijft, waar je bent. In drie uur ben ik er.”



“Maar Helmut, dat is toch onzin, het…”



Maar aan de lijn komt al een ‘tuut, tuut’. Müller heeft opgehangen.



Felix gaat op zijn bed liggen, neemt twee aspirines tegen de hoofdpijn en slaapt meteen.





Langzaam opent Felix zijn ogen. Hij heeft diep en vast geslapen. Iemand is in zijn kamer.



“Helmut?”



“Ja, mijn beste, ik ben hier.”



“Hoe kom je zo snel hier? Hoe laat is het? Ik heb vast geslapen! Gelukkig heb ik nu geen hoofdpijn meer.”





Müller bekijkt zijn vriend.



“Je hebt niet vast, maar lang geslapen. We hebben de hele middag getelefoneerd en nu is het zes uur. Hoe gaat het met je?”



“Al beter, nu jij er bent.”





Felix staat op en de vrienden omarmen elkaar.



“Zo, en nu aan het werk. Ik heb namelijk een plan. Als jouw verhaal klopt, zoeken misdadigers een slachtoffer op het Oktoberfest, beroven hem en brengen hem dan naar de Isar. Ik weet enkel niet, hoe zij dat doen. Maar dat zoeken we nog wel uit. Vanavond ga ik naar het Oktoberfest, als toerist verkleedt. Jij geeft me jouw kleren. Dit bonte hemd is sowieso goed en jouw groene zomerbroek ook. Daar een paar sandalen. De rest doe ik dan wel. De opdracht is als volgt: Jij loopt altijd achter mij en observeert alles, wat om mij heen gebeurd. Goed?”



“Ja, goed!”





Beide vrienden gaan de deur uit. Müller gaat naar het metrostation. Felix ongeveer 50 meter achter hem. Müller gaat in de metro, Neumann neemt een wagon daarachter. De detective gaat in de ‘Hofbräu-tent’ en gaat aan een tafel zitten. Felix gaat aan een tafel iets verder weg zitten. De biertent is net zo vol als de dag ervoor. Dezelfde herrie, dezelfde blaasmuziek, lachende en zingende mensen zwingen zich door de tent. Bedieners dragen acht tot tien mokken gelijk en zetten ze stampvol op de tafel.





“Een mok, alsjeblieft!” Een vrouw met schort komt naar Müller en zet een mok op de tafel. Müller pakt zijn portemonnee en geeft de vrouw 10 euro.



“Oke mevrouw!” Hij laat met de portemonnee zien, dat de bedienster het wisselgeld houden kan.



“Proost, Gsuffa, haha!”



De vrouw neemt het geld aan, bekijk even de dikke portemonnee en lacht.



“Amerikaan?”



“Ja, Amerikaans. New York!” Ook Müller lacht en drinkt een grote slok bier. “Proost, meneer!” Roept de bediening en gaat naar de volgende tafel. Müller zit gezellig voor zijn bier en bekijkt de gevarieerde drukte. Bedieners dragen dienbladen vol met bier, de mensen eten en drinken, lachen en zingen. Daartussen staat enkele mannen in uniform. Ze passen op, dat niemand ruzie maakt. Ruzie is slecht voor het bedrijf.





Een uur later is de tent volkomen vol. Mensen staan in de gangen, zoeken een zitplaats. Müller krijgt zijn twee bier en worst met zuurkool. Müller ziet, hoe zijn vriend hem af en toe observeert. Dan neemt hij een grote slok bier en begint zijn worst te eten. Plotseling, heeft hij een merkwaardig gevoel in zijn maag en zijn hoofd begint het. Hij draait als een draaimolen. Hij vraagt aan de bedienster: “Alstublieft, mevrouw, het toilet, please?”



“De toiletten zijn daar achter. Daar rechts achter.”



De bedienster kijkt lachend naar een deur aan het einde van de tent. Daar staat een man in uniform. Als Müller eindelijk daar aankomt, voelt hij zich ongelofelijk slecht en draaierig.





“He, collega, wakker worden!”



“Wat? O mijn hoofd, o mijn hoofd!” Müller wordt langzaam wakker.



“He, collega, snel, wakker worden! Zodadelijk komt de politie, mens!”



Iemand trekt aan Müller’s arm. Hij opent zijn ogen. Een oude man met een baard probeert hem te helpen.



“Je moet opstaan, de politie mag je niet vinden. Ze nemen je dan mee.”



De oude man trekt de detective achter een bosje. Müller gaat op de grond zitten. Hij hoort een auto. Langzaam rijdt een auto ze voorbij. De oude man geeft Müller een fles.



“Hier, drink een slok, dat helpt!”



Als Müller de alcohol ruikt, gaat het gelijk weer slecht. Dankend werpt hij het verzoek af. De man neemt de fles terug en drinkt eruit.



“Ontbijt!” zegt hij lachend.



Onze detective bekijkt de bejaarde. Bruin gezicht, lang, grijze baard, vette haren. Hij draagt een oude, kapotte mantel, een trui met gaten, een vieze broek. Müller kijkt om zich heen. Bomen, struiken, een rivier. Plotseling is het duidelijk. De Isar! Hij is aan de Isar, net als Felix! Maar… hoe is hij hier gekomen? Zijn portemonnee – verdwenen.





“Ik heet Bruno!” De oude man geeft de detective een hand.



“Helmut.”



“Waar wil je dan heen?”



Müller overlegt. Dan zegt hij snel: “Ik wil naar Berlijn.”



“Geen bagage?”



“Nee, gestolen.”



“Geen geld?”



“Ah, nee, geen geld.”



“Dan kom mee, makkelijk werk, makkelijk geld.”





Müller gaat met Bruno de Isar langs. Ze steken een straat over zonder verkeer.



“Bruno, hoe laat is het?”



Zonder op zijn horloge te kijken beantwoord Bruno : “Kort voor zeven. Iedere morgen om half zeven komt de politie. Altijd stipt. En om zeven uur gaan ze aan het werk…”





Weinige minuten later staan ze allebei voor de grote markthal. Een lange rij van vrachtwagens wachten om uit te laden.



“Waar heb je zin in, Helmut? Fruit of groente?”



“Wat zeg je? Oh, het liefste eet ik appels.”





Na een uur heeft Bruno geen zin meer.



“Ik ben er klaar mee, collega. Kom, we gaan ontbijten.”



Een man die ze allemaal ‘chef’ noemen, geeft ze vijf euro voor een uur appels uitladen, en schenkt ze nog een zak appels.





Ze gaan naar een kiosk. Daar staan een paar mannen, die Bruno allemaal op dezelfde manier aankijken. Müller bestelt een koffie in een beker. Niemand wil weten, wie hij is, waar hij vandaan komt, waar hij heen gaat. Hij is met Bruno gekomen en dat is genoeg. De mannen kletsen en vermaken zich. Müller doet er niet aan mee. Hij denkt aan gisteravond. Hij kan zich de biertent herinneren, en de bedienster. Dan is hij op gegeven moment naar het toilet gegaan. De man in het uniform. En toen? Hij voelt op zijn achterhoofd. Geen bult, niks. Alles is net zoals bij Felix, geen verwondingen. Maar wat dan? Wie heeft hem naar de Isar gebracht? En wanneer?





“Collega, ga je mee naar de stad?”



“Nee, Bruno, ik moet nog iets afhandelen…”



“Achja, komen we elkaar in de middag tegen bij Anna?”



“Bij Anna?” Müller begrijpt het niet. “Wat bedoel je daarmee?”



“Maar, mens, het ‘St. Anna klooster’. Daar is het middageten gratis, collega.”



Müller denkt aan zijn maag en weigert.



“We kunnen ons in de namiddag weer bij de Isar zien, Bruno.”



“Nee, nee, collega. Eerst in de avond. In de namiddag liggen er tienduizend mensen te zonnenbaden, dus tot dan!”



Bruno neemt afscheid van een paar ‘collega’s’ en gaat naar de stad. Müller drinkt nog een tweede koffie en vraagt naar het dichtstbijzijnde metrostation.





In het pension NEUE HEIMAT zit Felix aan het ontbijt. Als zijn vriend Helmut komt, staat hij op en zegt: “Mens, Helmut, waar was je? Ik heb me zo’n zorgen gemaakt!”



De detective gaat zitten, drinkt zijn derde koffie en legt het uit.



“Precies hetzelfde als bij mij! Alleen had mij geen Bruno voor de politie gewaarschuwd.”



“En deze Bruno is voor ons heel belangrijk” onderbreekt de detective.



“Vatten we samen: We gaan beide naar het Oktoberfest, in dezelfde biertent. We drinken één of twee biertjes. Dan gaat het slecht, we gaan naar het toilet. Dan worden we beide naast de Isar wakker, met verschrikkelijke hoofdpijn, maar geen verwondingen. Ons geld is verdwenen. Dus: Iemand heeft ons in de biertent geobserveerd en daarna verdoofd. Maar wie? En hoe?”



“Misschien de bedienster?”



“Nee, dat geloof ik niet, die heeft de hele avond gewerkt. Ik geloof dat het meerdere misdadigers zijn. Hoe zijn wij anders aan de Isar gekomen? Ik ben tenslotte niet licht. Ik weeg immers bijna 90 kilo.”



Felix ziet zijn vriend en vraagt: “En wat doen we nu?”



“Bruno!”



“Wat zeg je? Wat heet, ‘Bruno’?”



“Ik geloof dat Bruno ons kan helpen. Kijk hier: Iedere dag is het hetzelfde spel. Oktoberfest – biertent – toiletten – isar. Eindbestemming Isar. En Bruno woont praktisch aan de Isar. Hij slaapt daar iedere nacht. Vanavond slapen wij daar ook, snap je het? Zo, en nu wil ik nog een koffie!” En Müller drinkt zijn vierde kopje.





In de avond gaan onze beide vrienden naar de Isar. Ze hebben zich goed voorbereid: In de namiddag hebben ze een oude vriend bezocht, Alfred Hübner. Alfred werkt als fotoreporter bij een krant uit München. Als Müller hem zijn plan uitlegt, is hij enthousiast. Alfred geeft ze beiden een oude trui, een broek en een deken. In de supermarkt heeft Helmut dan nog twee liter goedkope rode wijn en een zaklamp gekocht.





Op de weg naar de ontmoetingsplaats aan de Isar komen ze beide de laatste zwemmers tegen. Nu, in de avond, zijn hier andere mensen, de groep buitenstaanders, de daklozen, de gefaalden – alle die aan de rand van het gezelschap staan. Naast de oever zitten een paar mannen aan een kampvuur.



“Hallo, Helmut!”



Bruno heeft een wijnfles in zijn hand en nodigt de vrienden uit om bij hem te komen zitten.



“Hallo!” antwoord Müller. “Dat is Felix, een vriend van me.”



De mannen knikken. Bruno kent Helmut. Helmut kent Felix – in orde. Niemand vraagt waarvandaan?, waarom?, waarheen? Na een paar uur zitten alleen nog Bruno, Helmut en Felix aan het vuur. Alle drie hebben ze een deken of mantel om hun schouders gelegd. Het is koud geworden.





“Jij, Bruno!”



“Hm!”



“Bruno, heb jij de laatste dagen iets merkwaardigs hier gezien? Ik bedoel, bij wijze van spreken in je slaapkamer?”



Bruno kijkt Müller lang aan. Dan zegt hij:



“Van de politie ben je niet, dat ruik ik. Wat wil je dan?”



“De detective legt uit, wat hem en Felix gebeurd is. Bruno hoort aan, zonder iets te zeggen. Dan drinkt hij een grote slok rode wijn.



“Ze komen altijd om 12 uur.”



“Wie?”



“Weet ik niet.”



“Hoeveel?”



“Minstens twee. Een auto komt, dan hoor ik stemmen.”



“Waar?”



“Altijd op dezelfde plaats. Waar jij ook gelegen hebt. Het is alleen deze ene weg, waar je met de auto rijden kan.”



“Dankje, Bruno.”





Helmut Müller, Felix Neumann en Bruno liggen achter een struik en luisteren in de duisternis.



“Pst, ik hoor iets!”



Inderdaad. Langzaam komt een auto zonder licht de weg langs.



“We wachten, tot ze voorbij zijn. En dan vooruit!”



Felix geeft met de zaklamp lichtsignalen.



“Hopelijk heeft Alfred opgepast!”



“Natuurlijk, je kent Alfred toch. Wanneer hij een goed verhaal ruikt… Dus, nu vooruit!”



De drie springen op en slepen stenen, takken en een parkbankje op de weg. Ze bouwen een hindernis.



“Voorzichtig, de auto komt terug!”



Langzaam rolt de auto, weer zonder licht, de weg langs. Dit keer achteruit. Met een naar geluid rijdt de wagen in de hindernis.



Stilte.



Dan gaat de deur open. De drie horen: “Idioot! Kan je niet uitkijken? Je bent in het bos gereden!”



“Onzin! Ik ken die wel. Dit was er net nog niet. Kom op, licht aan!”





Op de ogenblik razen twee politieauto’s met sirene en blauw licht de weg langs. Bruno zegt tegen Helmut: “Jongens, ik hou op, Het was aardig met jullie, doei!”



Dan gaat alles heel snel. De politieagenten springen uit de auto en houden beide mannen aan. Müller herkent een van de twee. Het is de man, die in de biertent voor het toilet stond. Dan komt plotseling Alfred in het licht. Hij fotografeert.





Felix en Helmut zitten in het pension aan het ontbijt. De deur gaat open, en daar komt Alfred.



“Goede morgen, vrienden! Raad eens wat ik voor jullie heb meegebracht.”



Hij geeft ze beiden een exemplaar van de avondkrant.





“K.o.-druppels! Dat is er in ons bier gedaan!”



“Tja, en jullie waren niet het eerste slachtoffer. De beiden mannen gisternacht waren beveiligers in de Hofbräu-tent. De bedienster zat ook in het complot. Ze hebben de gasten geobserveerd en het slachtoffer uitgezocht. Toeristen met geld en in hun eentje. Het liefste een buitenlander. De bedienster heeft de druppels in het bier gedaan. Het slachtoffer moest dan naar het toilet gaan en is daar bewusteloos geraakt. Daarna hebben de beveiligers het slachtoffer officieel uit de tent gedragen, beroofd en naar de Isar gebracht.



“Slim gedaan!” Felix legt de kranten samen.



“Die mag ik wel meenemen, of? Thuis gelooft geen mens me!”





Alfred brengt zijn vrienden naar de vluchthaven. Als ze afscheid nemen, zegt Alfred: “Ach, overigens, Felix, de politie had mij nog wat meegegeven, heb je dat gehoord?”



“Mijn portemonnee! Het geld is weg, maar alle andere papieren zijn er nog! Mijn creditcards! Mijn Identiteitsbewijs! Mens, Alfred!”



“Tja, geluk gehad!”



De drie omarmen elkaar.



“Dus, de volgende keer gaan we naar Barcelona!”



“Of in Berlijn!”



“Of in München!”





Einde




REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Andere verslagen van "Oktoberfest door Felix & Theo"

Ook geschreven door E.