Beeldende begrippen

Beoordeling 6.7
Foto van een scholier
  • Begrippenlijst door een scholier
  • Klas onbekend | 2612 woorden
  • 21 juli 2016
  • 25 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.7
  • 25 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!
Beeldende Begrippen

Beeldende aspecten = Kleur, vorm, ruimte, licht en compositie

Ruimte suggesties:

Overlapping

Lijnperspectief

Diepte

Groot voor, klein achter

Licht en donker (schaduw)

Verkorting

Stapeleffect

Hoofdstuk 1



Hoofdstuk 2

Verschijningsvorm = Een tekening, schilderij, affiche, gebouw, foto, stoel, tuin, broek en dergelijke

Tweedimensionaal = Zaken die twee richtingen (dimensies) hebben: lengte en breedte (hoogte en breedte)

Driedimensionaal = Zaken die drie richtingen (dimensies) hebben: lengte, breedte en hoogte


Vierde dimensie = Film heeft een vierde dimensie, tijd

Drager = Tweedimensionale beeldende kunst die aangebracht is op een ondergrond

Schets = Schetsen is een losse, zoekende manier van tekenen

Tekening = Een verzamelnaam voor alles wat is getekend

Schilderij = Een verzamelnaam voor al het werk dat is geschilderd

Illustratie = Alles wat tussen een foto en een tekening in zit en bedoeld is als afbeelding, versiering, grapje of instructie

Affiche = Grote aanplakbiljetten of posters die gebruikt worden om bijvoorbeeld een optreden aan te kondigen

Grafiek, prent(druk) = Gedrukte kunst, bijvoorbeeld hoogdruk, diepdruk, vlakdruk en doordruk

Druk = Een afdruk

Gravure = Een afdruk van een tekening die met een scherpe pen in een metalen drukplaat is gekrast (gegravuurd)


Miniatuur = Een klein schilderijtje of een verkleinde weergave van een ruimtelijk object

Paneel = Een vlakke (houten) plaat

Wandkleed of wandtapijt = Kleden of tapijten met de hand geweven en geknoopt soms geborduurd

Muurschildering =  Tekening of schildering op een muur

Graffiti = Teksten en figuren die illegaal op muren, tekenen en e.d. worden geschilderd

Tags = Paraaf of handtekening

Pieces = Grote schilderingen

Foto, fotoserie = Met een fotocamera gemaakte beeldende kunst

Fotomontage = Een collagetechniek waarbij het beeld is samengesteld uit verschillende foto’s of stukjes van foto’s

Mixed media = Een mix van allerlei media (middelen)

Collage = Een kunstwerk dat gemaakt is met stukjes papier, knipsels uit kranten, foto’s, uitgeknipte of uitgescheurde stukjes van tekeningen of schilderwerk

Objects trouvé = Gevonden voorwerpen

Film = Een kunstvorm met een vierde dimensie (tijd)

Filmsoorten = Commercial, dramaserie, documentaire, instructiefilm, reportage en speelfilm

Video = Een kunstvorm met een vierde dimensie  het verschil tussen film en video zit hem in het medium: film staat beeldje voor beeldje op een grote rol, een video is digitaal

Performance = Een verzamelnaam voor optredens van een of meer beeldende kunstenaars

Animatie = Het woord ‘animatie’ is afgeleid van ‘animus’, wat ‘ziel’ betekent. Een animatie worden 2D- of 3D- figuren ‘tot leven gebracht’

Speelfilm = Een verzonnen verhaal

Dramaserie = Een serie die voor een bepaalde periode op een vast tijdstip op een vaste avond in de week wordt uitgezonden

Commercial = Reclame, met als doel de kijker te verleiden

Reportage = Een verslag over een bepaalde gebeurtenis

Instructiefilm = Een filmpje laat zien hoe je iets moet doen

Sculptuur, beeldhouwwerk = Een beeld die ingehouwen/ingehakt is

Buste, borstbeeld = Een ruimtelijk portret dat bestaat uit hoofd, borst en schouders

Monument = Een speciale groep van beeldhouwwerk

Afgietsel = Gegoten of in elkaar gelast of aan elkaar gelijmde kunstwerk

Sokkel = Ruimtelijke kunstwerken staan meestal op een sokkel of voetstuk

Mobile = Beweegbaar kunstwerk

Kinetisch object = Bewegende kunstwerk

Assemblage = Onderdelen uit verschillende fabrieken tot het eindproduct geassembleerd (samengevoegd)

Ready made = Kant- en- klaar

Installatie = Een ruimtelijk kunstwerk met meestal een tijdelijk karakter op een speciaal daarvoor uitgekozen locatie

Reliëf = Een beeld op of in een vlak

Voorstelling = Een weergave

Thema = Aparte soorten schilderijen of categorieën in de kunst

Genre = Soort of stijl in de kunst

Hoofdstuk 3

Figuratief = Een voorstelling waarin je de echte of gefantaseerde werkelijkheid herkent

Naturalistisch  = Waarheidsgetrouw/natuurgetrouw

Gedetailleerd = Heel precies, alles weergevend

Vereenvoudigd = Alleen de hoofdlijnen

Impressionistisch = ‘Impressie’ is ‘indruk’, dus een indruk van de waarheid

Expressionistisch = De figuren zijn sterk vervormd (gedeformeerd). Bovendien is het kleurgebruik opvallend: niet realistisch maar geheel naar keus van de schilder

Gedeformeerd = Een schilderij vanuit de belevening van de schilder en daardoor enigszins vervormd

Abstract = Onherkenbare figuren

Vervreemd = Het veranderen naar iets anders, door bijvoorbeeld allerlei onderdelen, die niet bij elkaar horen te combineren

Surrealistisch = Een schilderij met een vreemde voorstelling

Realistisch = Zo echt mogelijk weergegeven; het moet kloppen met de werkelijkheid

Exotisch = Uit een ver en vreemd land afkomstig

Portret = Een kunstwerk met de mens als thema

Totaalportret = Wanneer iemand ten voeten uit is geportretteerd

Portret en profil = Zijaanzicht

Portret en face = Vooraanzicht

Portret a trois quart = Drie vierde in beeld

Zelfportret = Een portret dat de kunstenaar van zichzelf heeft gemaakt

Gestileerd = Alleen de hoofdlijnen zijn weergegeven en de details weggelaten

Kop = Een onpersoonlijke voorstelling

Karikatuur = Een bijzonder portret waarmee de figuur op de hak genomen wordt

Cartoon = Een situatie op een grappige of spottende wijze in beeld gebracht

Figuurstuk = Menselijke figuren spelen de hoofdrol die gezamenlijk een scene of een verhaal uitbeelden

Groepsportret = Een groep mensen die geen verhaal uitbeelden, maar wel gebruik maken van attributen

Attributen = Een voorwerp dat vast bij iemand hoort en je hem of haar daar ook aan herkent

Bijbelse voorstelling = De Bijbel n beeld om de verhalen door te geven

Mythologische voorstelling = Een schildering over een oud godenverhaal

Geposeerd = Kennis van het menselijk lichaam en hoe het is opgebouwd

Stilleven = Een voorstelling van levenloze spullen (voorwerpen, vruchten en etenswaren)

Lichtbron = Bron waar het licht vandaan komt, bijvoorbeeld van de zon, kaars of lamp

Interieur =  Aankleding

Symbool = Herkenbaar figuur

Hoofdstuk 4

Zeggingskracht, expressie = Je let waarschijnlijk op de voorstelling maar bewust of onbewust ook op het effect van de beeldende aspecten (kleur, vorm, licht, ruimte en compositie)

Expressies = Vrolijk, somber, agressief, angstig, zelfbewust, verstild, lieflijk, geëmotioneerd of zakelijk, romantisch, feestelijk, peizend, dromend

Futuristisch = Toekomst

Beweeglijk = Schuine en gebogen lijnen maken een dynamische, bewegelijke indruk

Religieus = Tempels, kerken, moskeeën en synagogen hebben een religieuze functie: ze zijn gebouwd om ruimte te bieden aan godsdienstige religieuze activiteiten

Klassiek, classicistisch = De oude Griekse en Romeinse cultuur dient als voorbeeld en inspiratie

Hoofdstuk 5

Functionaliteit = Het doel waarvoor iets is ontworpen

Gebruiksfunctie = Waarvoor iets is ontworpen, bijvoorbeeld een stoel is ontworpen om op te zitten

Verwijzend of symbolisch = Het verwijzen naar een status

Functie van kunst:

Decoratief = De versiering op een object

Esthetisch = Smaakvol, mooi

Historisch = De overheid laat belangrijke gebeurtenissen, zoals veldslagen, vredesverdragen, kroningen of bruiloften graag vastleggen in documenten, penningen en kunst

Waarschuwend = Het waarschuwen van personen, door middel van verkeersborden, teksten en stickers

Wervend = In dienst aannemen, dus het activeren van iemand

Hoofdstuk 6

Kleur = Bij kleur gaat het om drie verschillende eigenschappen: kleursoort, helderheid, zuiverheid of verzadigdheid

Kleursoort = Verschillende kleuren die allemaal bij een groep horen zoals lichtblauw, donkerblauw en marine blauw horen allemaal bij de kleursoort/kleurfamilie blauw

Kleurfamilie = Kleuren die maar weinig van elkaar verschillen, behoren tot één kleurfamilie

Kleurhelderheid = De mate van helderheid van een kleur zegt hoeveel licht een kleur terugkaatst

Verzadigde kleuren = Een kleur op zijn kleurigst, zoals rood 

Onverzadigde kleuren = Kleuren die zijn vermengd met andere kleuren en daarom onverzadigd, zoals bruin, donkergroen of donkerblauw

Kleurencirkel = Gemakkelijke manier om kleuren te rangschikken

Primaire kleuren = Zuiver rood, geel en blauw zijn de basiskleuren waarmee alle kleuren gemengd kunnen worden

Secundaire kleuren = Groen, oranje en paars zijn de secundaire kleuren. Je krijgt ze door twee primaire kleuren met elkaar te mengen

Tertiaire kleuren = Bordeauxrood, oudroze en sienna zijn kleuren die verdonkerd zijn. Je krijgt ze door drie primaire kleuren met elkaar te mengen

Kleurgebruik = De werking en de functie van kleuren hangen met elkaar samen

Expressief kleurgebruik = Gaat over het uitdrukken van gevoel

Symbolisch kleurgebruik = De kleuren hebben een diepere betekenis

Koele kleuren = Blauwe, groene en paarse kleuren

Warme kleuren = Rode, oranje en gele

Kleurperspectief = Door bepaalde kleuren naast elkaar te gebruiken, kan je diepte suggereren

Atmosferisch perspectief = Diepte gesuggereerd. Dichter bij de horizon vervagen en vergrijzen de kleuren en worden lichter

Schematisch kleurgebruik = Een kleur die iedereen kenmerkend vindt voor dat object

Functioneel kleurgebruik =  Een kleur die is toegepast om een bepaald doel te bereiken, bijvoorbeeld om wanden te versieren, of iemand waar te schuwen

Kleurcontrasten = De tegenstelling tussen kleuren die naast elkaar worden gebruikt

Kleur- kleurcontrast = Het verschil tussen twee verschillende kleursoorten naast elkaar

Licht- donker contrast = Door het grote contrast in licht en donker, wordt er iets benadrukt

Complementair contrast = Kleuren die in de kleurencirkel tegenover elkaar liggen, zoals rood- groen

Warm- koud contrast = Warme en koude kleuren naar elkaar om diepte te suggereren

Kleurmenging = Het mengen van primaire kleuren om secundaire kleuren of tertiaire kleuren te krijgen

Optische kleurmenging = De kleuren op de drager zijn niet gemengd, maar in kleine kleurstipjes naast elkaar aangebracht

Kleurverloop = De geleidelijke verandering van kleur

Egaal = Overal dezelfde kleur

Polychroom = Meerkleurig

Monochroom = Eenkleurig

Licht inval = De manier waarop je lichtval ervaart

Lichtintensiteit = De sterkte van het licht

Direct licht = Het licht vanaf een direct voorwerp zoals een kaars

Diffuus/indirect = De schaduwen zijn onscherp of vaag en alles is even sterk belicht

Lichtrichting = De richting van waaruit het licht schijnt

Tegenlicht = Het schijnt je tegemoet en het kan heel storend zijn

Mee licht = Licht dat van voren op de voorstelling valt, met de kijker mee

Zijlicht = Licht vanaf de zijkant

Lichteffecten = Schaduw, schaduwwerking, plasticiteit, licht- donker contrast, clair- obscure en sfeer

Schaduw = Plekken waar weinig of geen licht op valt, terwijl dat in de directe omgeving wel gebeurt

Slagschaduw = De schaduw die een object op zijn omgeving ‘slaat’

Schaduwwerking/plasticiteit = Niet plat maar een bolle, ruimtelijke vorm

Licht- donker contrast = Verschil tussen de lichte en donkere delen van een foto of schilderij

Strijklicht = Zorgt voor lange slagschaduw

Clair- obscure = Overdrijven van schilders met licht- donker contrast of de licht- en schaduwwerking

Sfeer door licht = Kaarsen creëren bijvoorbeeld een knusse sfeer

Punten en lijnen = Worden gebruikt om vlakken mee op te vullen

Pointillisten = Schilderijen die zijn opgebouwd met uitsluitende stipjes verf

Lijnen = Een verbinding tussen twee punten. Lijnen zijn er in allerlei soorten en maten. Lijnen kunnen recht zijn of krom, hoekig, rond, afwisselend, gebogen, slingerend, lang, kort, dik, dun of haarfijn, onderbroken of ononderbroken, enkel of dubbel.

Contour = Omtrek van een vorm

Lijnwerking:

. Zorgen voor ordening

. Lijnen in de richting van één punt suggereren diepte

. Met schuine en gebogen lijnen kan beweging worden gesuggereerd

. Overwegende verticale lijnen, suggereren hoogte

. Horizontale lijnen benadrukken breedte, zwaarte, stabiliteit en rust en het aardse

. Dikke zware contourlijnen rond een vorm accentueren de vorm

. Lijnen kunnen dienen ter versiering

Lijnrichting = Waarin lijnen je dwingen om je ogen te volgen

Lineair = Lijnvorming, kortom een beeld dat bepaald wordt door lijnen bij voorkeur rechte lijnen

Structuur = De manier waarop iets in elkaar is gezet

Formaat = Grootte van een kunstwerk

Maatverhouding = Maatstaaf

Volume = Driedimensionale formaat:  de hoeveelheid ruimte die een vorm inneemt

Vormsoort = De kenmerken die een bepaalde vorm heeft, bijvoorbeeld een cirkel is rond

Vlak = Geen diepte in het schilderij

Ruimtesuggestie = Het schilderij suggereert ruimte of diepte

Echt ruimtelijk = Het werk heeft verschillende kanten die je kunt bekijken

Ruimtelijk = Een reliëf die 2d (vlak) of 3d (ruimtelijk) kan aangeven

Geometrisch = Wiskundige vormen

Figuratief = Herkenbare vormen, maar ook niet door andere vormen zoals geometrische en primaire kleuren

Abstract = Non- figuratief, geen herkenbare vormen

Gestileerd = Vereenvoudigd

Organisch = Vloeiende en golvende vormen

Vormcontrast = Verschil in vorm, bijvoorbeeld tussen groot- klein (formaat) of geometrisch- organisch

Geabstraheerd = Tussen zuiver figuratief en volkomen abstract zitten een wereld van mogelijkheden om iets uit de werkelijkheid te verbeelden

Vereenvoudigd = Het weglaten van details en het vereenvoudiging van vorm

 Schematisch = Bepaalde dingen op dezelfde wijze vormgeven

Silhouet = De omtrek van een vorm

Gestroomlijnd = Weinig luchtweerstand. De term ‘gestroomlijnd’ is afgeleid van de vorm van vissen en vogels die zo gebouwd zijn dat ze snel en gemakkelijk kunnen zwemmen of vliegen

Ruimte- innemend = Gesloten, als je door vormen niet heen kunt kijken of in kunt kijken

Ruimte omvattend = Open, als de vormen goeddeels doorzichtig zijn

Vorm- restvorm = Als iets het tegengestelde is (een negatieve vorm heeft)

driedimensionale ruimte = Je kunt naar voren en naar achteren, naar links en rechts, en naar boven en beneden

Begrenzing = Scheiding tussen interieur en exterieur

Kader = Rand om een beeldvlak van een tekening, foto of schilderij heen

Standpunt = De plek die bepaald hoe je ergens naar kijkt, bv. hoog, laag, van voren, dichtbij, veraf

Kikvorsperspectief = Vanaf een laag standpunt, van beneden naar boven

Vogelvluchtperspectief = Vanaf een hoog standpunt, van boven naar beneden

Close up = Een standpunt van dichtbij

Ruimte- of diepsuggestie = Beeldende middel om diepte of ruimte op een vlak te suggereren

. Voor- en achtergrond = voor is dichtbij en achter is ver

. Groot voor/ klein achter = Iets wat dichtbij is lijkt groter dan wanneer hetzelfde ding wat verder weg is

. Afsnijding = Het effect waardoor de kijker dichter het schilderij in wordt getrokken

. Overlapping = Iets is niet helemaal zichtbaar omdat er iets op of overheen zit

. Coulissewerking = Door een donkere zijkanten op de voorgrond wordt je geduwd om naar het midden te kijken van de achtergrond waar het lichter is

. Vormen van perspectief

. Vervaging = Hoe verder weg, hoe vager en minder scherp we de vormen nog kunnen zien

. Scherptediepte = Heeft betrekking op de scherpstelling van de lens

. Verkorting = Hoewel je lengte niet verandert terwijl je ligt, lijkt dat wel zo

Ruimtewerking = Een combinatie van verschillende trucs voor ruimtesuggestie levert een sterk ruimtelijk beeld

Kleurperspectief = De ene kleur komt meer op je af dan de ander, waardoor diepte wordt gesuggereerd

Atmosferisch perspectief = Diepte wordt daarbij gesuggereerd doordat de kleuren verder weg lichter en grijzer worden

Lijnperspectief = Naar de horizon toe lijkt alles steeds kleiner te worden

Verdwijnpunt/vluchtpunt = Evenwijdige lijnen in de richting van de horizon komen samen

Horizon = De grens tussen de lucht en aardbol

Plasticiteit = Ruimtesuggestie door de effecten van licht op de vorm: door licht- schaduweffecten

Compositie = De manier waarop dingen bij elkaar zijn geplaatst en zo een groep vormen

. Rechthoekige compositie

. Driehoekige compositie

. Over- all of verspreide compositie

. Centrale compositie

. Diagonale compositie

Lay- out = Ontwerpers en grafisch ontwerpers of vormgevers gebruiken liever de term lay- out of opmaak in plaats van compositie

Beeldvlak = Het hele schilderij of de hele foto of tekening

Uitsnede = Met een uitsnede kan een fotograaf of kunstenaar inzoomen op een deel van een beeld dat speciaal onder de aandacht te brengen

Plaatsing = Bij het opzetten van een beeld of scene om die te schilderen, te fotograferen of te filmen, overweegt de maker waar en hoe hij de onderdelen zal plaatsen

Afsnijding = Een deel wordt weggelaten of afgesneden

Kader = Een rand om het beeld heen

Aanzicht = De verschillende kanten waarop je een object kan bekijken (voor-, zij-, achter-, boven- en onderaanzicht)  aanzicht ligt aan je standpunt, waar je staat

Richting = De plek waar je naar toe wordt geduwd om te kijken, horizontale en verticale richtingen, maar ook diagonale, hoekige, gebogen of slingerende richtingen

Symmetrie = Samenhang en eenheid, twee spiegelbeeldige helften, regelmatig

Asymmetrie = Wanneer je de compositie niet in twee spiegelbeeldige helften kunt verdelen is er sprake van asymmetrie, het maakt de compositie levendiger, onregelmatig

Herhaling = Veel van de vormen en kleuren binnen een schilderij worden herhaald

Effect of werking van compositie = De manier van ordenen helpt de bedoeling van de maker en de effecten van kleuren, vormen, licht en donker, en ruimte over te brengen

. Samenhang en eenheid, herhaling van vormen en kleuren

. Rust, evenwicht en harmonie, symmetrische compositie, verticale en horizontale richtingen overheersen, een rust statisch beeld

. Dynamiek, beweging, onrust en spanning, suggereren de schuine en gebogen contouren, dynamisch, licht en donker, schuine richtingen en asymmetrie

. Aandachtspunten, vooral ogen en gezichten van mensen trekken de aandacht of lichte plekken in donkere omgeving, maar ook verdwijnpunten of overheersende primaire kleuren

. Kijkrichting, sterke lijnen die dwingen je aandacht steeds opnieuw in een bepaalde richting te kijken

Shot = Een opnamefragment van een situatie in een film met één camera

Scene = Een afgerond geheel of tafereel van verschillende shots

Tijdsverloop = De tijdsduur die verbeeld word. In een film kan een tijdsverloop van enkele jaren in een paar minuten in beeld worden gebracht

Plot = De verhaallijn van een boek, toneelstuk of film

 

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.