ADVERTENTIE
Schoolexamens

Wist je dat je de boeken Examenbundel, Examenidioom, Zeker Slagen! en Samengevat ook heel goed kunt gebruiken bij het voorbereiden voor je schoolexamens?! Ze zijn momenteel in de aanbieding bij o.a. Bol.com.

Nu bestellen

Muziek begrippen VWO 3
Akkoord: samenklank van verschillende tonen.
Bas(laag): instrument, stem, partij.
Begeleiding: lied bestaat uit melodiepartij + begeleiding= band.
Break: Korte pauze in de muziek.
Bridge: opvallend gedeelte in een lied.
Chorus: soort refrein.
Climax: hoogtepunt.
Coda: staart, naspel ; eindstuk.
Compositie: muziekstuk.
Contrast: tegenstelling.
Couplet : gedeelte van een lied.
Dynamiek : geluidssterkte.
Eenstemmig, tweestemmig en meerstemmig : aantal melodieën.


Fade out: einde> steeds zachter tot stil.
Herhalen: op dezelfde of op andere toonhoogte.
Imitatie: nadoen(niet percé hetzelfde).
Improviseren: verzinnen tijdens het spelen.
Instrumentaal en vocaal: instrumenten en stemmen.
Instrumentatie(bezetting): aantal instrumenten die spelen.
Interval: Afstand tussen twee tonen die tegelijk gespeeld worden. bv. secunde, terts en kwart.
Intro: Beginstukje.
Klankleur: scherp, rond, helder, donker, schel.
materiaal: hoge, lage, lange, korte enz. tonen.
materiaalkeuze: toonhoogte, toonduur, tempo, instrumenten, toonsterkte.
Melodie: liedje zingen= melodie zingen.
Motief: een paar tonen.


Muziekale laag: melodielaag, tegenstemmen, akkoorden, bas en ritme-laag.
Muziekale zin: melodie stukje.
Ontwikkeling: groei in: dynamiek, instrumentatie, melodie, ritme, tempo.
Ostinato: motief wordt een alnge tijd herhaald.
Partij: melodie- zang- en bas-partij.
Pentatonische melodie: melodie van 5 verschillende tonen.
Refrein: gedeelte van een lied.
Ritme: je klapt het ritme.
Rusten: stukje waar je even niet hooft te spelen.
Samenklank: verschillende tonen samen.
secunde: 2 noten die heel dicht bij elkaar liggen.
Sequens: motief wat steeds hoger of lager herhaald wordt.
Solo en tutti: alleen en iedereen.
Stem: zangstem of (bas)partij.
swing: speciaal ritme, iets eerder de tonen spelen.
tegenstem: gaat tegen de melodie in.
Thema: belangrijkste muzikale zin.
Tussenspel: stukje tussen gezongen delen in(meestal kort en instrumentaal)
variatie: verandering.
Voorzin en nazin: zit in een muziakale zin. meestal vraag en antwoord.
Vorm: intro, refrein, naspel. dit kun je weergeven in een vormschema.
Vormschema: de vorm van een muziekstuk.
PP = pianisimo(heel zacht)
P = piano(zacht)
mF = mezzo forte(matig hard)
F = forte (hard)
FF = fortissimo(heel hard)
allegro = snel
Adagio = langzaam
Bpm = beats per minute
accelerando = versnellen
ritenuto = langzamer worden
crescendo = harder worden
Decrescendo = zachter worden.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.