Eindexamens 2024

Wij helpen je er doorheen ›

Paragraaf 5 t/m 8: Pluriforme samenleving

Beoordeling 7.4
Foto van een scholier
  • Begrippenlijst door een scholier
  • 4e klas vwo | 1991 woorden
  • 3 maart 2015
  • 5 keer beoordeeld
Cijfer 7.4
5 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Durf jij de uitdaging aan?

Ben jij tussen de 17-30 jaar en wil je kennismaken met Defensie en een bijdrage leveren aan de samenleving? Tijdens de MDT Missie van het Ministerie van Defensie en Stichting TijdVoorActie zet je jezelf 80 uur in voor zelfontwikkeling, maatschappelijke impact én teamwork. Meer weten? 

Check de video

§ 5 Vormen van samenleven

Segregatie = het opdelen van een samenleving in gescheiden delen. Voorbeeld: aparte wijken voor de verschillende bevolkingsgroepen.

Assimilatie = Het volledig aanpassen van een bevolkingsgroep, waardoor de oorspronkelijke cultuur grotendeels verdwijnt.

Integratie = Het aanpassen aan de cultuur in de omgeving, maar tegelijkertijd de eigen gewoonte, normen en waarden behouden.

Melting pot = culturen van etnische groepen versmelten met de dominante cultuur, zodat er in feite een nieuwe cultuur ontstaat.

Salad bowl = Wederzijdse beïnvloeding van zowel eigen cultuur als andere cultuurgroepen, waarbij de verschillende cultuurgroepen wel hun eigen typische cultuur kenmerken kunnen behouden.

Sociale ongelijkheid = De ongelijke verdeling over personen en groepen van zaken die belangrijk worden geacht in een samenleving en de ongelijke waardering en behandeling van hen op basis van maatschappelijke positie en leefstijl. Ook rechten en plichten zijn niet gelijkelijk verdeeld. Onder meer verschillen in inkomen, kennis, sociale status en macht kunnen deze ongelijkheid versterken.

Werkloosheid = De persoon in kwestie tegen de bedoeling in geen betaald werk heeft.

Taalachterstand = Het feit dat je minder ver bent met de beheersing van een taal dan zou moeten, vaak bij allochtone mensen.

Woonsituatie = De huidige verblijfsomgeving van een persoon of groep.

Discriminatie =  het betekent letterlijk "het maken van onderscheid".  Op dit moment is de betekenis discriminatie veranderd in: "het onrechtmatig onderscheid maken tussen mensen of groepen".

Cultuurrelativisme = Het ervan uitgaan dat de ene cultuur niet beter of belangrijker is, dan de andere.

Sociaal-culture integratie = De opnamen van een persoon of groep aan de hand van de sociale en culturele situatie van de deze persoon of groep.

Sociaaleconomisch integratie = De opnamen van een persoon of groep aan de hand van de sociaaleconomische situatie van deze persoon of groep.

Politieke integratie = De opnamen van een persoon of groep aan de hand van de politieke situatie van deze persoon of groep.

 

 

§6 Sociale cohesie

Sociale cohesie = De mate waarin mensen bindingen met elkaar hebben en het gevoel hebben bij elkaar te horen.

Affectieve bindingen = De behoefte aan vriendschappen, steun en liefde van je naasten of vrienden. Hierdoor ga je relaties aan of trouw je met degene met wie je de rest van het leven wilt samenleven.

Economische bindingen = de onbewuste bindingen met je werk of winkels, omdat we van elkaar afhankelijk zijn. Wij hebben onderdak, voedsel en kleding nodig en zij produceren om zo geld te kunnen verdienen om hun personeel weer te kunnen betalen, zodat ook het personeel weer hun behoefte kunnen kopen.

Cognitieve bindingen = De binding die we hebben door het overdragen van onze kennis aan elkaar. Scholen en universiteiten zijn het grootste voorbeeld waarbij de docent zijn opgedane kennis overdraagt aan zijn leerlingen in de klas.  Het is voor de sociale cohesie van belang, dat er cognitieve bindingen zijn, omdat er anders groepen buiten de samenleving terecht komen.

Politieke bindingen = De binding is, doormiddel van gezamenlijke afspraken waar we niet zelf steeds op kunnen toezien, maar door een groep mensen laten controleren. We kunnen, doormiddel van een verkiezing kiezen welke mensen we macht geven om hier op toe te zien en dingen te verbeteren. Er is zo afgesproken dat de politie en het leger de macht hebben om geweld te mogen gebruiken i.p.v. eigen rechter spelen. 

Collectieve ervaring = ook wel een affectieve behoefte, de behoefte om ergens bij te kunnen en willen horen. En de ervaring die er daardoor ontstaat met anderen.  

Arbeidsdeling = Het opsplitsen van het werk aan één product in deelhandelingen die elk worden uitgevoerd door één arbeider of groep van arbeiders. Arbeidsdeling is kenmerkend voor fabrieksarbeid.

Globalisering = Het is het toenemende proces van economische, culturele en politieke integratie op mondiaal niveau. Door de openstelling van grenzen tussen landen, kunnen goederen en diensten zich gemakkelijker verplaatsen.

Communicatienetwerken = De netwerken die we onderling hebben door overeenkomsten op sociaal en cognitief gebied zoals:  mensen die naar de katholieke kerk gaan. Het is erg belangrijk voor de cognitieve bindingen dat er communicatienetwerken zijn, want als er sommige mensen er door verschillende redenen niet bij horen er problemen kunnen ontstaan en de sociale cohesie van de gemeenschap vermindert. 

Historische kennis = De kennis over het verleden van de gemeenschap en deze machtig bent, zodat de keuzes van nu goed te verklaren zijn vanuit keuzes uit het verleden.

Sociaal contract = een stilzwijgende overeenstemming van de bevolking, dat we ons houden aan de regels die door de politici worden vastgesteld. De uitwerking hiervan is de basis voor de rechtstaat.

 

§7 Internationale vergelijking

Staatsgodsdienst = De officiële godsdienst van een bepaalde onafhankelijke staat of autonome deelstaat. Een staatskerk is een kerk die door een staat als het officiële kerkgenootschap van de staat wordt erkend en als zodanig van staatswege niet alleen een bijzondere begunstigde positie geniet.

Religieuze minderheden = Kleine groep in een samenleving, die andere gewoontes en een ander geloof aanhangt, dan het dominerende geloof of de staatsgodsdienst.

Patriottisme = Vaderlandsliefde, voorbeelden zijn: iedere dag het volkslied zingen op de scholen of de vlag van het land hijsen.

Zedenpolitie = Speciale teams van de politie die controleren of de bevolking geen aanstoot geven met betrekking tot hun kleding of gedrag.

Atheïstische model =  Een vorm van staatsinrichting, waarbij religies officieel toegestaan zijn, maar in de praktijk komen er vervolgingen voor onder de gelovigen. Ook het bestaan van een of meerdere goden wordt ontkent. Landen waar naar dit model wordt gewerkt zijn vaak communistisch, omdat het af is geleid van het marxisme, wat ook een of meerdere goden ontkent.     

Economische liberalisatie = Het toestaan van concurrentie op economisch gebied, maar het is een heel breed  begrip. Religie heeft hierdoor in China meer ruimte gekregen.

Confucianisme= Het confucianisme is een Chinees ethisch en filosofisch systeem, dat de leer van Confucius volgt. Het confucianisme heeft grote invloed op de geschiedenis en de cultuur van Oost-Aziatische landen. Door de geschiedenis van het Chinese keizerrijk heen was het confucianisme de officiële ideologie en had daardoor grote invloed op de bevolking.

Hiërarchie = Een hiërarchie is een manier om personen, objecten of gegevens te ordenen volgens niet geordende relaties daartussen, waarbij meerderen met minderen worden verbonden. Deze activiteit wordt ook wel classificatie genoemd. Een voorbeeld: Bovenaan het bedrijf de baas, daaronder de managers en daaronder weer de gewone werknemers.

Het Religieus Neutrale model = De scheiding van kerk en staat als ideaal. Dit model zie je vooral in Frankrijk en de VS. Er zit bij deze twee landen wel een verschil, want waar de Amerikanen over het algemeen afsluiten met “God bless America”sluiten de Fransen met een neutrale zin af. Ook is het moeilijker om een baan in de VS te vinden als niet-christen. In Frankrijk wordt het juist aangemoedigd om je zo religieus  neutraal mogelijk in het openbaar te begeven. Hierdoor zijn kruisjes, hoofddoeken of keppeltjes niet toegestaan op scholen. De religie wordt in Frankrijk anders dan in de VS gezien als een privézaak die niet thuishoort in de openbare omgeving.  

Christelijk moraal = Normen en waarden die opgesteld zijn binnen het Christendom, die algemeen worden geaccepteerd door de gelovigen. Voorbeelden zijn: liefdadigheid, liever geen seks voor het huwelijk en geen abortus of euthanasie.    

Arbeidsethos = Vanuit een persoonlijke ethiek voortspruitende wil om te werken. Het geeft aan met hoeveel inzet iemand de taken, waarvoor iemand verantwoordelijk is, uitvoert.

Vaderlandsliefde = Trots voelen voor het land van oorsprong, waarbij het niet uitmaakt of je blank, zwart, christen of moslim bent.

Scheiding van Kerk en Staat = Het fundament onder het ontstaan van ons land. In vele moderne Westerse landen wordt het gezien als een onmisbaar onderdeel van de grondwet, waarbij Kerk en Staat niet op elkaars terrein beslissende invloed of macht mogen hebben. Zo wordt de Staat niet gedomineerd door geloof en kan een geloof in vrijheid bestaan.

Chauvinistisch = Overdreven vaderlandslievend, zoals: Fransen. Veel fransen kunnen naast het frans geen tweede taal, omdat zij achtten dat de buitenlanders wel frans zullen leren.

Strenge opvoedingsmoraal = Strenge manier van opvoeden waarin: autoriteit, regels, discipline en zelfbeheersing de boventoon voeren.

Het Pluriforme Model = Het model waar plaats is voor religies en waar net als bij het religieus neutrale model de kerk en staat verdeeld zijn. Het verschil is, dat de overheid binnen het pluriforme of multiculturele model religieuze minderheden of groeperingen stimuleert en soms financieel ondersteunt met activiteiten. Een ander verschil is, dat er subsidie is voor elke ‘levensbeschouwelijke’ groeperingen , waardoor islamitische of katholieke scholen mogelijk zijn.

Gezagsverhoudingen = Letterlijk de verhoudingen en daarmee de afstand tussen de werknemer en baas. Op scholen tussen de docent en leerlingen. In Nederland is de afstand niet groot in verhouding tot andere landen. Inspraak ergens in hebben of het openlijk niet eens zijn met baas wordt in Nederland als een normaal begrip gezien. Anders dan andere landen en culturen zijn Nederlanders typische poldermodel mensen, oftewel een compromis tussen beide partijen zoeken.

Zorgzaam = Het goed verzorgen van mensen, vaak gaat het over een zorgzaam land of volk. 

Nationale sociale cohesie = Het nationale/landelijke gevoel van binding hebben met elkaar.  

 

§8 De Toekomst

Restrictief  toelatingsbeleid = Het in principe niet toelaten van immigranten, behalve als ze aan enkele strenge voorwaarden voldoen of als hun komst voortkomt uit internationale verdragen en overeenkomsten.

Universele verklaring van de Rechten van de Mens = De verklaring waarin staat, dat een land niet mag discrimineren en dat de rechten en vrijheden van mensen en ook nieuwkomers moeten worden nagekomen. Deze verklaring is terug te vinden in de Nederlandse Grondwet.  

Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens = In het verdrag staat, dat Nederland inwoners de gelegenheid moet geven tot gezinshereniging en gezinsvorming. Hierbij mag een overheid wel aanvullende voorwaarden stellen. Bijvoorbeeld dat kandidaten vooraf een inburgeringsexamen moeten afleggen.

VN-Vluchtelingenverdrag = Vormt de basis voor het asielrecht, vluchtelingen worden gedefinieerd als ‘iemand die gegronde redenen heeft te verzen voor vervolging wegens godsdienstige/politieke overtuigingen of nationaliteit of wegens het behoren tot een bepaald ras/bepaalde sociale groep’.

Verdrag van Maastricht = Afgesproken dat er binnen de Europese Unie vrij verkeer van personen en goederen geldt, de binnengrenzen van de lidstaten zijn open. Nederlanders kunnen in principe alle EU-landen wonen en werken, maar Nederland moet ook inwoners uit andere EU-landen toestaan.

Machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) = Wanneer een vreemdeling in het buitenland een aanvraag doet om in Nederland te worden toegelaten en deze aanvraag is ingewilligd, krijgt hij een MVV, waarmee hij naar Nederland kan af reizen.

Cultuurrelavisten = Mensen die uitgaan van de opvatting dat culturen niet eenvoudigweg met elkaar vergeleken kunnen worden. De ene is niet beter dan de ander. Normen en waarden zouden niet universeel zijn, maar slechts begrepen kunnen worden uit de cultuur waarin ze zijn ontstaan.

Cultuuruniversalisten = Mensen die een bepaalde visie hebben op cultuur die ervan uitgaat dat er bepaalde algemene waarden zijn die voor iedereen gelden, onafhankelijk van de cultuur die iemand aanhangt. Een voorbeeld is: Nederland heeft een meer hoogstaande cultuur dan Saudi-Arabië, omdat wij onafhankelijke rechters hebben en omdat wij vrijheid van meningsuiting en gelijke rechten niet ter discussie stellen. 

Cultuurpluralisten = Deze mensen zien culturele verscheidenheid niet als een belemmering voor de samenleving, maar als een verrijking. Door van elkaar als culturen te leren worden we in hun gedachte er alleen maar beter van. Cultuurpluralisten vinden dat er altijd uitgegaan moet worden van het humane minimum. Het zit tussen de cultuuruniversalist en cultuurrelavist in, omdat er wel een minimum is waar iedereen op moet kunnen vertrouwen en bouwen en aan de andere kant mag er nog veel bepaald worden aan de hand van de overtuiging.

Essentialistisch = Het zien van het begrip cultuur als een homogene, statische eenheid die niet of langzaam veranderd. Cultuurrelavisten en cultuuruniversalisten zijn essentialistische mensen.

Constructivistische = Het zien van het begrip cultuur als iets dat voortdurend onder invloed van zowel interne als externe factoren veranderd. Sommige elementen verliezen aan kracht en andere worden toegevoegd. Cultuurpluralisten zijn constructivistische mensen

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.