Hoofdstuk 4

Beoordeling 9.3
Foto van een scholier
  • Begrippenlijst door een scholier
  • 4e klas havo | 1185 woorden
  • 6 juni 2016
  • 8 keer beoordeeld
Cijfer 9.3
8 keer beoordeeld

Pluriforme samenleving – begrippen

 

1. Pluriformiteit in Nederland

Cultuur: Waarden, normen en andere aangeleerde kenmerken die de leden van een groep of samenleving met elkaar gemeen hebben en dus als vanzelfsprekend beschouwen.

Nature-nuturedebat: Het nature-nurture-debat (aanleg-opvoeding-debat) is de discussie omtrent de oorsprong van de eigenschappen van een individu. In deze discussie bestaan meerdere standpunten, die variëren tussen twee extremen, nature en nuture.

Cultuurkenmerken: Normen en waarden.

Cultuurgroep: Mensen met een gemeenschappelijke cultuur.

Multicultureel: is het idee dat verschillende culturen (uit verschillende landen) vreedzaam naast elkaar bestaan.

Allochtoon: iemand die zelf óf van wie ten minste één van de ouders in het buiteland is geboren

Autochtoon: mensen die wonen in een land waar zij net als hun ouders zijn geboren en opgegroeid

Pluriforme samenleving: Verschillende cultuurgroepen en ieder hun eigen cultuurkenmerken.

Culture diversiteit: er bestaan binnen één land of regio veel verschillende cultuurgroepen

Grondwet: Wet waarin de grondbeginselen van de regering van een staat vervat zijn

Dominante cultuur: Als de kenmerken van deze cultuur geaccepteerd wordt door de mensen in deze samenleving.

Tolerantie: De erkenning dat naast de eigen denkbeelden, gewoonten en kenmerken, er andere zijn van gelijke waarde

Subcultuur: Wanneer binnen een groep bepaalde normen en waarden en andere cultuurkenmerken afwijken van de dominante cultuur.

Tegencultuur: Groepen die zich duidelijk verzetten tegen de dominante cultuur of daar zelfs een bedreiging voor vormen.

Feminisme: Groep die zich inzet voor meer rechten voor vrouwen.

Antiglobalisten: Tegencultuur die tegen een te sterke economische groei zijn en de overheersende rol van de westerse landen in de wereld.

 

2. Cultuur en identiteit

Socialisatie: Het proces waarbij iemand de waarden, normen en andere cultuurkenmerken van zijn samenleving of groep aanleert.

Socialiserende instituties: Instellingen, organisaties en overige collectieve gedragspatronen waarmee de cultuuroverdracht in een samenleving plaatsvindt.

Sociale controle: De wijze waarop mensen andere mensen stimuleren of dwingen zich aan de geldende normen te houden.

Sociale sancties: Mensen zorgen ervoor dat anderen zich gedragen naar de geldende formele en informele normen.

Internalisatie: Mensen gaan zich automatisch zo gedragen zoals de groep dat van het verwacht.

Sociale identiteit: is het bewustzijn van een persoon tot een bepaalde groep te behoren en door anderen als zodanig behandeld te worden.

Individualistisch: Men legt veel nadruk op individuele ontplooiing en persoonlijke ontwikkeling.

Collectivistisch: Het collectief staat boven het individu.

Loyaliteit: Zich voegen naar het beleid, de normen, waarden, procedures en afspraken van de organisatie en de eigen functie

 

 

 

 

 

3. Cultuurverschillen

Culturele diversiteit: Grote culturele verschillen tussen groepen mensen in een land.

Plattelandscultuur: Het meer betrokken zijn van mensen met elkaar.

Generatieconflict: Ouders en kinderen die tegenover elkaar staan en soms moeilijk begrip voor elkaars visie en leefstijl kunnen opbrengen.

Bedrijfscultuur: Alle waarden, normen en gewoonten die er in een bedrijf gelden.

Rolpatronen: Verwachtingen hoe iemand zich moet gedragen.

 

4. Nederland is veranderd

Gezagsverhoudingen: Werknemers hadden ontzag voor hun baas, maar ook kinderen waren gehoorzaam aan het gezag van hun ouders en onderwijzers.

Verzuiling: Mensen organiseerden zich vaak rondom hun geloof.

Handelingsbekwaamheid: Ze konden niet zelfstandig een overeenkomst sluiten.

Wederopbouw: iets wordt opnieuw gebouwd nadat het verwoest is

Consumptiemaatschappij: is een samenleving waar vrije tijd overwegend wordt gebruikt om goederen of diensten te verwerven, om daarover na te denken en om te pronken met aangeschafte goederen.

Sociale mobiliteit: De mogelijkheid om te stijgen of te dalen op de maatschappelijke ladder.

Individualisering: Meer aandacht voor het individu.

Jongerencultuur: Groep jongeren met zelfde ideeën en dergelijke.

Ontkerkelijking: Het maatschappelijk leven onttrekt zich aan de kerk en het geloof.

Ontzuiling: Het niet meer organiseren rondom het geloof.

Secularisatie:

Vrouwenemancipatie: Het streven van de vrouw naar emancipatie, naar meer vrijheid en zelfstandigheid.

Diversificatie van het media-aanbod:

 

5. Immigratie naar Nederland

Religieuze vluchtelingen: Mensen die wegens hun religie moeten vluchten.

Politieke vluchtelingen: Vluchtelingen die hun land zijn ontvlucht omdat hun leven gevaar loopt in hun eigen land. Vaak zijn ze het niet eens met het beleid van hun regering.

Arbeidsmigranten: Gastarbeiders die in Nederland werken voor het geld en voor een nieuwe toekomst.

Gastarbeider: iemand die tijdelijk naar een ander land gaat om daar werk te verrichten

Kennismirgant: een immigrant van buiten de EU die toestemming heeft om in een land te werken op basis van zijn of haar (wetenschappelijke) kennis

Illegalen: Mensen van buiten de EU die naar Nederland komen vanwege de armoede in eigen land en die geen toestemming hebben om hier te wonen en te werken.

Asielzoekers: Iemand die gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging wegens godsdienstige of politieke overtuiging of nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.

Vreemdelingenwet: Wet waarin alle eisen staat om een verblijfsvergunning te krijgen

Asielzoekerscentrum (AZC): Wanneer iemand wordt toegelaten tot de asielprocedure moet hij in een asielzoekerscentrum de beslissing afwachten.

Gezinshereniging: Als mensen al deel uitmaakten van het gezin voordat de nieuwkomer naar Nederland kwam.

Gezinsvorming: Dat een inwoner van Nederland wil trouwen of samenwonen met een buitenlander.

 

 

 

 

 

 

 

 

6. Botsende culturen en grondrechten

Segregatie: Het opdelen van een samenleving in gescheiden delen.

Assimilatie: Dat een bevolkingsgroep zich zo volledig aanpast aan een andere groep dat de eigen culturele identiteit vrijwel verdwijnt.

Integratie: Een gedeeltelijke aanpassing aan de dominante cultuur van een land met behoud van eigen cultuurkenmerken.

Wederzijdse aanpassing: Nieuwkomers nemen delen van de dominante cultuur over en de oorspronkelijke bevolking neemt delen van de nieuwe culturen over.

Discriminatie: is het ongelijk behandelen, achterstellen of uitsluiten van mensen op basis van (persoonlijke) kenmerken

Emancipatiebewegingen: Maatschappelijke groepering die ijvert voor gelijkberechtiging op een bepaald gebied.

Vrijheid van meningsuiting: Behoudens een ieders verantwoordelijkheid jegens de wet.

 

7. Sociale cohesie

Sociale cohesie: Als mensen het gevoel hebben bij elkaar te horen.

Affectieve bindingen: Elkaar nodig hebben voor vriendschap steun en liefde, maar ook een sportclub e.d.

Economische bindingen: Voor onze behoefte aan voedsel, onderdak en kleding zijn we afhankelijk van aderen en dit zijn economische bindingen.

Globalisering: Dat mensen wereldwijd door betere vervoers- en communicatiemogelijkheden steeds nauwer met elkaar in verband staan.

Cognitieve bindingen: Voor het verwerven van kennis ben je afhankelijk van anderen en met die mensen heb je dus cognitieve bindingen.

Politieke bindingen: Mensen zijn afhankelijk aan elkaar en daarom binden ze zich door middel van afspraken, bijvoorbeeld wetten.

Sociaal contact: Een soort stilzwijgende afspraak van de bevolking om zich te houden aan de regels, rechten en plichten die door politici worden vastgesteld.

Europeanisering: Het sterker verbonden gaan voelen met Europa.

 

8. De toekomst van de pluriforme samenleving

Restrictief toelatingsbedrijf: Het voorzichtig zijn met het toelaten van buitenlanders.

Universele Verklaring van de Rechten van de Mens: Er mag niet worden gediscrimineerd en moeten de rechten en vrijheden van mensen worden nagekomen.

Verdrag van Maastricht: Verdrag waarin voorwaarden voor deelname aan de Economische en Monetaire Unie zijn vastgelegd

Europees Verdrag voor de Rechten van de mens: Nederland moet inwoners de gelegenheid geven tot gezinshereniging.

Vluchtelingenverdrag van Genève: Nederland is verplicht volgens vastgestelde regels te beoordelen of een asielzoeker voor de status van erkende vluchteling in aanmerking komt.

Intergratieplicht: Een gedeeltelijke aanpassing aan de dominante cultuur van een land met behoud van eigen cultuurkenmerken.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.