Hoe kies jij een studie?

Daar zijn wij benieuwd naar. Vul onze vragenlijst in en bepaal zelf wat voor beloning je daarvoor wilt krijgen! Meedoen duurt ongeveer 7 minuten.

Meedoen

Blok 8 t/m 11

Beoordeling 8.7
Foto van een scholier
  • Begrippenlijst door een scholier
  • 5e klas havo | 1214 woorden
  • 16 december 2003
  • 10 keer beoordeeld
Cijfer 8.7
10 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Overweeg jij om Politicologie te gaan studeren? Meld je nu aan vóór 1 mei!

Misschien is de studie Politicologie wel wat voor jou! Tijdens deze bachelor ga je aan de slag met grote en kleine vraagstukken en bestudeer je politieke machtsverhoudingen. Wil jij erachter komen of deze studie bij je past? Stel al je vragen aan student Wouter. 

Meer informatie
Actief kiesrecht: vanaf 18 jaar en ouder mag je kiezen op een politieke partij. Dit kiesrecht kan je ontnomen worden als je bijvoorbeeld een geestelijke stoornis hebt. Passief kiesrecht: je stelt jezelf verkiesbaar. Dit mag vanaf 21 jaar en ouder. Hierbij zijn wel enkele voorwaarden: 1. Je moet een borgsom van F1000,00 betalen, dit bedrag krijg je terug als je één zetel behaald. 2. Je moet van elk kiesdistrict 25 handtekeningen van sympathisanten van je partij inleveren. 3. De partij moet ingeschreven staan in elk kiesdistrict waarin het mee wil doen. Verkiezingsprogramma: hierin staan de plannen en opvattingen van een politieke partij beschreven voor de verkiezingen. Lijsttrekkers: de persoon die bovenaan in de lijst van de partij staat. Deze persoon is meestal het gezicht van de politieke partij. Media: De media speelt een grote rol tijdens de verkiezingen door debatten op televisie uit te zenden en interviews te hebben met lijsttrekkers. Voorkeurstemmen: een persoon die onderaan de lijst van een politieke partij staat, kan als persoon heel veel stemmen krijgen. Er wordt namelijk gestemd op personen, niet op partijen. Zwevende kiezers: zijn mensen die vlak voor de verkiezingen nog niet weten op welke partij ze stemmen, of mensen die bij elke verkiezing op een andere partij stemmen. Kiesdeler: de hoeveelheid stemmen die je nodig hebt voor één zetel. Kiesdrempel: er moet een bepaald aantal stemmers zijn geweest, wil een partij een zetel krijgen. Kabinet: alle ministers en staatssecretarissen
Kabinetsformatie: de onderhandelingen over welke partijen en personen ons land gaan besturen. Het doel van een kabinetsformatie is het vinden van een aantal ministers en secretarissen die: - die het globaal eens zijn over het toekomstige beleid. - samen de steun heeft van de meerderheid van de Tweede Kamer. Verloop kabinetsformatie: - koningin krijgt adviezen van: - de voorzitter van de Raad van Staten. - de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer - de leiders van de grootste politieke partijen. Zijn adviseren de koningin wie het beste kan onderzoeken welke partijen samen het

Kabinet kan vormen, die persoon heet een informateur. - koningin benoemt informateur
Dit is een ervaren politicus die kijkt welke partijen de meerderheid in de Tweede kamer hebben, en die ook met elkaar samen willen werken. Hij krijgt de opdracht te zoeken naar een meerderheidskabinet: een kabinet dat steunt op een zo groot mogelijke meerderheid in het parlement (de Eerste en Tweede Kamer) - de informatie
De informateur overlegt met de leiders, vaak zijn er meningsverschillen, die moet de informateur uit de weg ruimen. Als dat lukt, wordt er een coalitie gevormd: een samenwerkingsverband tussen twee of meer partijen. Aan de hand daarvan stelt de informateur een regeringsakkoord op, waarin de hoofdlijnen van het beleid staan. - de informateur gaat naar de Koningin
De informateur brengt verslag uit van zijn werkzaamheden. Als het niet gelukt is partijen bij elkaar te brengen benoemt de koningin een nieuwe informateur. - koningin benoemt formateur
Deze formateur moet ervoor zorgen dat hij ministers en staatssecretarissen vind die het regeerakkoord uit willen voeren. - de formatie
Het beslissen van de verdeling van ministers en staatssecretarissen over de posten. - de formateur gaat naar de koningin
Hij heeft voor alle posten een minister of staatssecretaris, en hij vertelt de koningin dat hij een nieuw kabinet heeft samengesteld. - de koningin benoemt het nieuwe kabinet
Het kabinet krijgt meestal de naam van de minister-president (premier) Onderhandelingen: een kabinetsformatie duurt meestal maanden, omdat het overleg moeizaam verloopt, want elke partij heeft voor de verkiezingen zijn eigen plannen aangekondigd, en wil deze plannen ook graag uitvoeren. Vier jaar lang: een kabinet blijft meestal vier jaar lang zitten. Kabinetscrisis: de problemen lopen zo hoog op dat het bestaan van het kabinet in gevaar komt. Er zijn hiervoor twee redenen: - de ministers kunnen het onderling niet eens worden. - de meerderheid van de Tweede Kamer steunt het kabinet niet meer en geeft het vertrouwen op. Demissionair: een aftredend kabinet. De oude ministers blijven hun functie vervullen, maar doen alleen het hoogstnoodzakelijke. Ze zijn dus aftredend. Regering: de Koningin en de ministers. Dagelijks bestuur: de ministers. Een minister mag geen lid zijn van de tweede kamer, omdat de tweede kamer de ministers controleert. Parlement: De eerste en tweede kamer, hebben als belangrijkste taken het stemmen over wetsvoorstellen en het controleren van de ministers. Belangrijkste taak van de regering: het uitvoeren en voorbereiden van het overheidsbeleid. Dit gebeurt door: - het opstellen van wetsvoorstellen - het uitvoeren van aangenomen wetten - het opstellen van de rijksbegroting. Belangrijkste taak Koningin: De koningin in onschendbaar. Ze heeft als belangrijkste taken: - het plaatsen van handtekeningen onder wetten - het voorlezen van de troonrede op prinsjesdag - het benoemen van ministers en (in)formateurs - het voeren van regelmatig overleg met de Minister-president over het kabinetsbeleid. Portefeuille: het eigen beleidsterrein van een minister, bijvoorbeeld de minister van Buitenlandse zaken, deze bemoeit zich met contacten met andere landen. Minister zonder portefeuille: dit zijn de ministers voor Ontwikkelingssamenwerking (deze valt onder Buitenlandse Zaken) en de minister van Grote Steden- en Integratiebeleid (deze valt onder Binnenlandse Zaken). Die hebben dus geen eigen beleidsterrein. Regeerakkoord: het doel van het kabinetsbeleid is het uitvoeren van het regeerakkoord. (de plannen van de politieke partijen) Premier: ook wel de minister-president. Sociaal-economische driehoek: de premier voert regelmatig overleg met deze driehoek, die bestaat uit: - Economische Zaken - Sociale Zaken en Werkgelegenheid - Financiën - En soms aan gevuld met de minister van Buitenlandse Zaken. Indirect: de Eerste kamer wordt indirect gekozen, namelijk door de leden van de Provinciale Staten. Senaat: De Eerste kamer, deze telt 75 leden. De Senaat mag een wetsvoorstel in zijn geheel goed of afkeuren. Zo vormt de eerste kamer een extra controle op het werk van de Tweede Kamer. Fractie: een groep vertegenwoordigers van een politieke partij. Fractiespecialist: Kamerleden die zich toeleggen op een bepaald gebied, zoals onderwijs, belastingen of defensie. Regeringspartijen en oppositiepartijen: De partijen in de eerste en tweede kamer kunnen hierin verdeeld worden. De oppositiepartijen spreken namens de grootste partijen die niet in de regering zitten. Belangrijkste taken van het parlement zijn: - (Mede)wetgeving: - Stemrecht bij wetsontwerpen (de eerste en tweede kamer keuren wetsontwerpen van ministers goed of af. - Recht van initiatief (Tweede kamer heeft het recht om een wetsontwerp in te dienen). - Recht van Amendement (De Tweede kamer heeft het recht om een onderdeel van een wetsvoorstel te wijzigen. Als de meerderheid van de Tweede kamer voor is, dan moet de wijziging volbracht worden). Controle van de ministers: - schriftelijke vragen stellen (de Tweede kamer kan schriftelijke vragen stellen over kleine kwesties. - interpellatie (men kan een minister ter verantwoording roepen, bijvoorbeeld voor zijn beleid of bepaalde uitspraken). - motie (men kan een motie indienen; een schriftelijke uitspraak over het beleid van een minister waarover de kamer moet stemmen). - motie van afkeuring (als de minister zich niks van een motie aantrekt riskeert hij een motie van afkeuring. Als de kamer tot een motie van afkeuring besluit, en de minister of het kabinet beschouwt dit als een motie van wantrouwen, dan kan de betrokken minister of het hele kabinet besluiten om af te treden). - Parlementaire enquête: er wordt een onderzoek ingesteld naar een onderdeel van het regeringsbeleid. - budgetrecht: om de rijksbegroting wel of niet goed te keuren. De kamers mogen wijzigingen aanbrengen in de rijksbegroting.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.