Massamedia

Beoordeling 7.8
Foto van een scholier
  • Begrippenlijst door een scholier
  • 4e klas vmbo | 648 woorden
  • 3 januari 2016
  • 21 keer beoordeeld
Cijfer 7.8
21 keer beoordeeld

 

Hoofdstuk 1 Begrippen:

Communicatie: Als je bedoeld of onbedoeld een bepaalde boodschap op iemand anders overbrengt.

Medium: Middel om informatie mee te versturen.

Feedback: De ontvanger reageert op de boodschap van de zender.

Massamedia: Media die zich met hun communicatieboodschap tot grote groepen mensen richten.

Interactie: Wisselwerking, je kan zender en/of ontvanger zijn.

Sociale media:Alle internetmedia waarmee je informatie met anderen kan delen.

Netwerk: Mensen zijn met elkaar verbonden.

 

Hoofdstuk 2 Begrippen:

Doelgroep: Een groep mensen met gemeenschappelijke kenmerken.

Populaire kranten: Zoals AD en de Telegraaf, krijgen misdaad, rampen, ongelukken,sport , amusement en gebeurtenissen rond BN'ers veel aandacht. Richt op groot en breed publiek.

Kwaliteitskranten: NRC Handelsblad, Volkskrant en Trouw, veel aandacht aan serieuze onderwerpen, zoals politiek en economie. Richt zich op mensen met hogere opleidingen.

Winst: eraan verdienen.

Kijkcijfers: Hoeveel mensen ernaar het programma kijken.

Reclame: Reclame is een vorm van communicatie met het doel klanten over te halen het product te kopen.

 

Hoofdstuk 3 Begrippen:

Informatieve functie: Het programma geeft informatie.

Opiniërende functie: programma's proberen bij te dragen tot de meningsvorming van de kijker door deskundige het woord te geven.

Infotainment: Combinatie tussen amusement en informatie.

Politieke agenda: Onderwerp waar politici voordurend over praten.

Controle- of waakhondfunctie: De media oefenen controles uit over anderen

Pluriformiteit: veelvormigheid (van media).

Cultuur:Alle normen, waarden en andere aangeleerde kenmerken die de leden van een groep of samenleving gemeenschappelijk hebben.

Socialiserende functie: de media die de waarden, normen en andere cultuurkenmerken van de samenleving of groep aanleert.

 

Hoofdstuk 4 Begrippen:

Persbureaus: bureaus die overal in de wereld nieuws verzamelen en verspreiden.

Selectiecriteria: Hoe de redactie bepaald wat leuk en interessant is voor het publiek.

Commerciële belangen: het belang van het maken voor een krant, omroep of zender.

Identiteit:Wie ze zijn en wat ze belangrijk vinden.

Selectieve perceptie: bewust of onbewust keuzes maken bij het waarnemen.

Referentiekader: Persoonlijke waarde, normen, belangen, meningen en ervaringen.

Objectiviteit:Een beschrijving van gebeurtenissen die klopt met de werkelijk en niet gekleurd is door een eigen mening.

Hoor- en Wederhoor: Het wordt van verschillende kanten bekenen.

 

Hoofdstuk 5 Begrippen:

Persvrijheid: Bijna alles mogen schrijven en laten zien wat de pers wil.

Vrijheid van meningsuiting: De vrijheid van burgers om hun mening kenbaar te maken.

Censuur: Artikelen van journalisten worden vooraf gecontroleerd.

Pluriformiteit: Veelvormigheid (van media).

Stimuleringsfonds voor de Pers: Fonds waar uitgevers subsidie kunnen krijgen om de pluriformiteit te behouden.

Persconcentratie: Een uitgeverij geeft niet een, maar een aantal kranten of tijdschriften uit.

 

Hoofdstuk 6 Begrippen:

Zenderkleuring: Publieke omroepen richten zich nu op doelgroepen.

Horizontale programmering: Programma's worden op vaste tijdstippen uitgezonden.

Primetime: Tijdstippen dat veel mensen tv kijken ; tussen acht en tien s' avonds.

Marktgericht: Gericht op reclamespotjes en adverteerders om geld te verdienen, commerciële programma's krijgen geen geld van de overheid.

Emotie-tv: Programma's waarin kijkers ontroerd raken en mee kunnen leven met de hoofdpersonen.

Verschraling: Het aantal verschillende soorten programma's wordt minder.

Mediawet: De belangrijkste regels voor de Media.

Sluikreclame: Verboden reclame. Stiekeme en onopvallende reclame tijdens het programma.

Commissariaat voor de Media: Controleert of publieke omroepen zich aan de Mediawet houden.

 

Hoofdstuk 7 Begrippen:

Socialisatie: Aanleren van waarden,normen & andere kenmerken die binnen een samenleving gelden.

Vooroordeel: Een oordeel over iets of iemand zonder dat je de feiten goed kent.

Stereotype:Een beeld van een groep mensen waarbij één kenmerk sterk overdreven wordt.

Injectienaaldtheorie: Theorie die ervan uit gaat dat ontvangers informatie heel makkelijk overnemen.

Indoctrinatie: Het voortdurend opdringen van bepaalde opvattingen en meningen aan het publiek.

Manipulatie: Het geven van vervormde informatie.

Multiple-step-flowtheorie: Theorie die er vanuit gaat dat bepaalde mensen via de media veel invloed hebben, niet de media zelf.

Selectieve perceptie: Mensen maken bewust of onbewust eigen keuzes bij mediagebruik.

Agenda theorie: De media hebben weinig invloed op hoe mensen ergens over denken maar wel veel invloed op waar mensen over denken.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.