Reacties op de examens, het laatste examennieuws, je voorlopige cijfer berekenen en de antwoorden.

 


Alles over de eindexamens Alles over het CSE


Hoofdstuk 2

Pelgrimage: bedevaart. Tocht naar plaatsen waar heiligen worden vereerd of waar het goddelijke zich heeft geopenbaard. Het ondernemen van een pelgrimstocht is vaak een vorm van boetedoening; door de - vaak moeizame - tocht te ondernemen en bij het heiligdom te bidden, worden zonden vergeven.
Timpaan: driehoekige ruimte ingesloten door de lijst van een fronton. Vaak voorzien van reliëfs.
Apocalyps: laatste Bijbelboek met het visioen van Johannes. Het laatste Oordeel is een onderdeel van dit visioen en is een bekend thema in de schilder- en beeldhouwkunst.
Dormitorium: slaapzaal in een klooster.
Scriptorium: schrijfkamer, ruimte waar boeken worden gekopieerd in het klooster.
Miniaturen: oorspronkelijke schildering met omtrekslijnen aangegeven in rode verfstof. Illustratie in handschriften. Ook wel gebruikt als term voor een klein schilderijtje.
Getijden: officiële gebeden aan de katholieke Kerk die op vaste tijden de dag vullen.
Psalmen: lied opgenomen in het Oude Testament en/of zoals het vertaald en berijmd wordt gezongen in de christelijke kerk.
Gregoriaans: benaming voor de eenstemmige Latijnse onbegeleide kerkzang in de katholieke kerk. Reeds in de eerste eeuwen van het Christendom ontstaan uit joodse wortels. Genoemd naar paus Gregorius de Grote (zesde eeuw). De gezangen staan naar het kerkelijk jaar geordend in twee boeken.
Liturgie: het geheel van voorschriften en ceremonieën voor inrichting van de eredienst; de gebeden en zangen van de dienst. In de middeleeuwen geheel gezongen.
Solmisatie: in de muziek toegepast hulpmiddel waarbij melodieën op de lettergrepen do-re-mi-fa-sol-la-si (ti) worden gezongen. De lettergrepen geven een relatieve toonhoogte aan.
Indeling van de kerk;
Zijbreuk: deel van een kerk of vergelijkbare ruimte, evenwijdig aan het middenschip ervan gescheiden door een zuilernij of in sommige gevallen door een wand.
Dwarsschip: ook transept: dwars op de lengteas geplaatst gedeelte van de kerk. Het kruispunt van het midden- en dwarsschip heet de viering.
Koor: in kerkelijke bouwkunst de benaming voor de ruimte tussen de viering en de apsis. Hier vindt de christelijke liturgie plaats en staat het altaar.
Altaar: liturgische offertafel, centrale plaats van de euchastieviering in de katholieke kerken.
Kapel: deel van de kerk, toegevoegd aan kooromgang om zijbreuken, gewijd aan een heilige of te nagedachtenis aan een bepaald persoon.
Kooromgang: een rond het koor lopende gang in het verlengde van de zijbreuken. Langs de gang treffen we vaak straalkapellen aan. Vooral te vinden in bedevaartskerken.

Cluniacenzers: kloosterorde gesticht in Cluny. Invloedrijk in de tiende en elfde eeuw. Luxe en rijkdom, ter ere van God, is kenmerkend voor de leefwijze, liturgie en bouwstijl van de orde.
Pijler: kolom. Al naar gelang de positie en type van de pijler wordt onder meer een onderscheid gemaakt tussen muurpijlers (pilasters), hoekpijlers en dubbele pijlers.
Halfzuil: Halve zuil die tegen een dragende pijler of muur is aangebouwd, half verzonken in muurvlak, en wordt voortgezet in de ribben van het gewelf. Voornamelijk decoratieve functie.
Narthex: portaal of voorhal van een kerk.
Evangelisten: schrijvers van de vier evangeliën (leven van Christus, Nieuwe Testament). Twee evangelisten, Johannes en Mattheus, behoren ook tot de apostelen. Sinds de middeleeuwen worden de evangelisten afgebeeld door middel van symbolen: de engel of mens (Mattheus), leeuw (Marcus), stier (Lucas)en adelaar (Johannes).
Middenschip: gedeelte van de kerk waar de gemeente zich verzamelt, geflankeerd door de zijbreuken.
Apsis: overwelfde, halfronde nis of uitbouw waarmee het koor aan de oostzijde van de kerk wordt afgesloten.
Cisterciënzers: kloosterorde gesticht eind elfde eeuw in Citeaux. Soberheid, in navolging van Christus, is kenmerkend voor leefwijze  liturgie en de bouwstijl van de orde.

Hoofdstuk 3


Kathedralen: kerk van de bisschopzetel.
Troubadours: benaming voor hoofse dichter in Frankrijk tussen het einde van de elfde eeuw en het begin van de veertiende eeuw. Troubadours zijn letterlijk de makers van tekst en melodie (dichtersmusici) en trekken langs de hoven om hun gedichten en liederen ten gehore te brengen  minnesänger.
Trouvères: zie ‘troubadours’.
Minnesänger: benaming in Duitsland, ontstaan in de twaalfde en dertiende eeuw voor zangers en muzikanten aan het hof die vooral de hoofse liefde bezingen,  troubadours
Hoofse liefde: benaming voor de cultus ontstaan in het Frankrijk van de late middeleeuwen waarin de (onbereikbare) vrouw wordt aanbeden en bezongen.
Motet: vocale compositie op vooral geestelijke tekst, vaak  polyfoon  a capella.
Mirakelspel: middeleeuws theatergenre verwant met het liturgisch drama. Menselijke drama’s krijgen een ontknoping door tussenkomst van Maria of andere heiligen.
Passiespel: spel, vooral in de late middeleeuwen en vroege renaissance, waarin het lijden van Christus het hoofdthema is, voortzetting in de volkstaal van de paasliturgie.
Bedelorde: religieuze (katholieke) orde waarvan de leden leven van giften van de burgerij in ruil voor diensten zoals het geven van onderwijs of het verzorgen van zieken; franciscanen, dominicanen, kapucijnen.
Fresco: muur- of plafondbeschildering op een vers aangebrachte vochtige kalkondergrond met behulp van water aangemaakte pigmenten.
Lijnperspectief: wetmatige aanduiding van ruimte, waarbij de regelmatige verkleining naar een verdwijnpunt op de horizon uitgangspunt is. Toegepast vanaf de renaissance.
Roosvenster: rond venster in west- of transeptportaal, vaak voorzien van gebrandschilderde ramen.
Bouwloges: organisatie van ambachtslieden, architecten en bestuurders bij de middeleeuwse kerkbouw.
Gewelven: gebogen bovenste afsluiting van een ruimte: wordt meestal geconstrueerd uit stenen die zijdelings tegen elkaar steunen.
Luchtbogen: constructie in de vorm van een boog of een halve boog met de bedoeling de druk van gewelven en kapconstructie naar buiten af te leiden.
Spitsbogen: boog gevormd door twee elkaar snijdende cirkelsegmenten met gelijke straal: kenmerk van de gotiek
Skeletbouw: constructiewijze waarbij alle dragende functies op een geraamte worden overgedragen.
Pinakels: versierd element uit de gotische architectuur in de vorm van een smalle, met een piramide bekroonde Schacht.
Martelaar: iemand die geleden heeft omwille van het geloof. Ten tijde van de christenvervolgingen in het Romeinse Rijk was dit eretitel.
Gebrandschilderde ramen: kunstvorm waarbij voorstellingen worden samengesteld uit stukken gekleurd glas die met elkaar worden verbonden door loodlijsten. Het gekleurde glas wordt beschilderd met email.
Annunciatie: letterlijk: aankondiging. Boodschap van aartsengel Gabriel aan Maria dat zij de Heilige geest zal ontvangen en moeder zal worden van Christus.
Liturgisch drama: uitbreiding van de liturgie met dialogen en andere theatrale middelen. (liturgie = h2)
Trope: toevoeging van een nieuwe tekst in een bestaande compositie, vaak toegepast in de gregoriaanse muziek tijdens de middeleeuwen.
Musica mundana: hemelse muziek die een afspiegeling is van wetmatige verhoudingen en bewegingen in de kosmos of de schepping.
Musica humana: de muziek van de mens: met de menselijke stem voortgebracht.
Kapelmeesters: leider van een kapel, dirigent.
Contratenor: letterlijk: stem tegenover (contra) de tenor, toegevoegd aan de tenor.
Cantus firmus: een meestal bestaande, aan het  gregoriaans, ontleende hoofdmelodie die als uitgangspunt gebruikt wordt in de  polyfone compositietechniek
Notre-Dameschool: vroege meerstemmige vocale muziek, religieus, zoals die ontstaan is vanuit de koorschool van de Notre-Dame, Parijs, dertiende eeuw.
Polyfonie: letterlijk: meerstemmigheid. Meerstemmige compositietechniek waarbij elke stem zich zelfstandig voortbeweegt en dus een zelfstandige melodie vormt. De harmonie is ondergeschikt aan het verloop van de stemmen.
Cantor: in vroegchristelijke kerk het ambt van liturgische zanger, later leider van het koor en muziekdocent verbonden aan de kerk.
Trecento: algemene naam voor (kunstvormen uit de) veertiende eeuw in Italië. Meer specifiek: Italiaanse meerstemmige muziek uit de veertiende eeuw.
Madrigalen: vocale compositie op wereldlijke tekst, meestal over de liefde, met  polyfone en  homofone passages. Geschreven in de landstaal, vooral Italiaans en Engels. Vaak  a capella gezongen.
Ballate: in de middeleeuwen een soort verhalend danslied met volksliedkarakter, met coupletten en refrein. Vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw een lied op tekst van een literaire ballade, dat wil zeggen een gedicht met een verhalende inhoud. In de  romantiek een instrumentale compositie in een vrije vorm, met het karakter van een verhalend gedicht.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.