*PNI (PARTAI NASIONAL INDONESIA)

De PNI werd in 1927 opgericht door Soekarno. Het hoofddoel van de PNI was een onafhankelijke nationale staat. Hiervoor waren politieke bewustwording van het Indonesische volk en massale acties noodzakelijk. De PNI wilde niet samenwerken met de politieke bestuurders in Nederlands-Indië: non-coöperatie. De PNI probeerde het nationalisme centraal te stellen en los te staan van partijen op religieuze of sociale basis, zoals de Sarekat Islam (SI) of de Partai Kommunis Indonesia (PKI).

In 1929 werden de leiders van de PNI, waaronder Soekarno, gearresteerd. De PNI besloot zichzelf op te heffen en men richtte een nieuwe partij op: de Partindo (Partai Indonesia).





*POENALE SANCTIE

Het recht om koelies (contractarbeiders) streng te straffen Nederland en Indonesië



Begrippen



De begrippen, namen en termen met een * komen letterlijk voor in de officiële stofomschrijving. De overige begrippen, namen en termen lijken de auteurs nodig om het onderwerp goed te kunnen begrijpen.



*ADAT Op traditie berustende instellingen en gebruiken.

De adat was van toepassing op het inheemse bestuur in de dessa en op de rechtspraak. Een probleem was dat het adatrecht (gewoonterecht) niet was vastgelegd. In de rechtspraak in Nederlands-Indië waren er drie rechtsgronden: het Nederlands recht, het adatrecht en het islamitisch recht.



*AGRARISCHE WET In 1870 werd de Agrarische wet van De Waal aangenomen, die het mogelijk maakte dat ook particulieren een landbouwonderneming konden starten.

Woeste gronden kon men voor 75 jaar in erfpacht krijgen. Gemeenschappelijke dorpsgrond kon men vijf jaar en landbouwgrond twintig jaar huren.





*AKKOORD VAN LINGGADJATI Linggadjati ligt op Java. Op 15 november 1946 werd daar een akkoord gesloten tussen de Republiek Indonesië en de Nederlandse commissie-generaal, die de Nederlandse regering vertegenwoordigde.

In dit akkoord werd het volgende afgesproken. De Nederlandse regering erkende de Republiek op Java, Madura en Sumatra. Door samen te werken zou er een democratische staat worden gevormd. Om de gemeenschappelijke belangen te behartigen, werd er een Nederlands-Indonesische Unie gevormd. Het verdrag werd op 25 maart 1947 officieel getekend.



*ARCHIPEL De benaming van een samenhangende eilandengroep. Volgens de Indonesiërs hoorde het Nederlandse deel van Nieuw-Guinea (Irian Jaya) bij de Indonesische archipel.



*‘ASSOCIATIE-GEDACHTE’ Vanaf eind negentiende eeuw stimuleerde de Nederlandse regering de ontwikkeling van de inheemse bevolking van Nederlands-Indië. De vraag was of de bevolking van Nederlands-Indië zich moest aanpassen aan de Nederlandse cultuur (assimilatie) of dat er ruimte moest zijn voor een inbreng van de inheemse cultuur (associatie). Het Nederlandse beleid richtte zich uiteindelijk op de associatie-gedachte: de inheemse bevolking hoefde de eigen cultuur niet helemaal op te geven, maar diende die in te passen in de Europees/Westerse cultuur.



*ATJEH-OORLOG Atjeh is het noordelijke deel van Sumatra. Dat deel leverde steeds veel verzet op, omdat het weigerde zich te onderwerpen aan het Nederlandse gezag. In 1873 brak de Atjeh-oorlog uit. Met behulp van een zogenoemde ‘korte verklaring’ werden afspraken gemaakt met lokale vorsten. Rond 1918 was het verzet gebroken. De generaal die daar met harde hand het verzet brak, heette Van Heutsz.



*BATIG SLOT Het Cultuurstelsel dat in de negentiende eeuw werd ingevoerd, leidde tot een toename van de inkomsten voor het moederland (Nederland). De groei van het batig saldo was spectaculair. Tussen 1831 en 1840 was het batig saldo 93 miljoen en tussen 1841 en 1850 liep dat zelfs op tot 141 miljoen. De top werd bereikt tussen 1851 en 1860, toen het batig saldo opliep tot 267 miljoen. Door de Ethische Politiek liep het batig saldo terug.



*BERSIAP-PERIODE Bersiap betekent ‘klaarmaken’ of ‘geef acht’. Het is de benaming van de eerste maanden na de Indonesische onafhankelijkheidsverklaring, waarin jacht werd gemaakt op de traditionele gezagshebbers, ook Nederlanders. Er vielen slachtoffers. Deze periode eindigde in het voorjaar van 1946.



BESCHERMDE WIJKEN Beschermde wijken waren door de Japanners aangewezen delen van de stad die, na ontruiming, gebruikt werden als interneringskampen voor vrouwen en kinderen. De Japanners noemden die wijken ‘beschermde wijken’, omdat de geïnterneerden daar door het Japanse leger ‘beschermd’ werden.



*BINNENLANDS BESTUUR (BB) Het Binnenlands Bestuur (BB) viel in twee delen uiteen: een Nederlands bestuursapparaat en een inlands bestuursapparaat. Nederland heeft voor het bestuur steeds sterk geleund op het inlandse bestuur. Er was een speciale opleiding tot Indisch bestuursambtenaar. Aan het hoofd van het BB stond de gouverneur-generaal.



BIRMA-SPOORWEG De aanleg van de Birma-spoorweg was een van de zwaarste projecten waar krijgsgevangenen en romoesja’s hun dwangarbeid hebben verricht voor de Japanners. Vele duizenden krijgsgevangenen en romoesja’s zijn daar omgekomen. Naar schatting heeft elke twee meter Birma-spoorweg (totale lengte 414 kilometer) een mensenleven gekost.



*BOEDI OETOMO Politieke groepering die in 1908 werd opgericht. Boedi Oetomo betekent ‘het schone, hoge streven’. Het was een gematigde groepering, die door de Nederlanders werd erkend.



*BOVEN-DIGOEL Interneringskamp dat in 1927 werd ingericht op Nieuw-Guinea aan de bovenloop van de rivier de Digoel. Het was in eerste instantie bedoeld voor deelnemers aan de communistische opstanden van 1926. Onder gouverneur-generaal De Jonge werden ook niet-communisten verbannen naar Boven-Digoel. De laatste ballingen verlieten het kamp in 1942. Na de oorlog werd het opgeheven.



*BUITENGEWESTEN Alle gebiedsdelen van Nederlands-Indië buiten Java en Madura.



COMMISSIE GENERAAL In september 1946 zond de regering-Beel de Commissie Generaal naar Nederlands-Indië om samen met het hoofd van de Indische regering Van Mook te onderhandelen met de nationalistische leiders van de Republiek Indonesië. De Commissie Generaal bestond uit drie leden.

Nadat in oktober 1946 een wapenstilstand was gesloten, werden de Commissie Generaal (samen met Van Mook) en de vertegenwoordiging van de Republiek Indonesië (onder leiding van minister-president Sjahrir) het in november 1946 eens over een ontwerpovereenkomst; het zogeheten Akkoord van Linggadjati (Linggadjati is een bergplaatsje op Java). In Nederland stak na de bekendmaking van de zeventien artikelen van het Akkoord van Linggadjati een storm van protest op. De grootste politieke weerstand tegen de ontwerpovereenkomst van Linggadjati kwam van de christelijke partijen en de VVD. Alleen met een uitgebreide toelichting van de Commissie Generaal, waarin het Akkoord van Linggadjati op een voor Nederland gunstige wijze werd uitgelegd (en enkele voorbehouden werden gemaakt), waren de Nederlandse regering en het parlement in meerderheid bereid het Akkoord van Linggadjati te bekrachtigen. De Republiek Indonesië verwierp vanzelfsprekend de Nederlandse toelichting en hield vast aan de letterlijke tekst van het Akkoord van Linggadjati. Over de uitwerking van het Akkoord van Linggadjati konden de Commissie Generaal, namens de Nederlandse regering, en de Republiek Indonesië het niet eens worden.



COMMISSIE VAN GOEDE DIENSTEN Na de eerste politionele actie bood de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties aan, op voorstel van de Verenigde Staten, te bemiddelen tussen Nederland en de Republiek Indonesië. De bemiddeling werd door beide partijen aanvaard. Er werd een zogeheten Commissie van Goede Diensten gevormd. De kwestie Indonesië werd een vast agendapunt op de vergaderingen van de Veiligheidsraad. Na de, door de Veiligheidsraad veroordeelde, tweede politionele actie werd de naam van de Commissie van Goede Diensten veranderd in Commissie van de Verenigde Naties voor Indonesië. Mede door de druk van de VN-commissies waren de Nederlandse regering en het parlement uiteindelijk in 1949 bereid de soevereiniteitsoverdracht te aanvaarden.



*CONTINGENTENSTELSEL Bij de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) was het gebruikelijk dat er contracten werden gesloten met inlandse vorsten waarbij de te leveren hoeveelheden werden afgesproken (contingenten). Zolang dat stelsel van contracten goed liep, was er geen aanleiding om zelf actief te zijn in de binnenlandse politiek. Dit stelsel werd in 1830 op Java vervangen door het Cultuurstelsel.



*CULTUURPROCENTEN Een percentage van de omzet van de cultures (tropische exportgewassen, bijvoorbeeld koffie en suiker) voor de plaatselijke bestuursambtenaren. Zowel de Nederlandse als de inlandse ambtenaren profiteerden van dit stelsel dat opgebracht moest worden door de plaatselijke bevolking. Soms was de opbrengst van de cultuurprocenten voor een ambtenaar hoger dan zijn salaris.



*CULTUURSTELSEL Een door het bestuur opgelegde verbouw van cultuurgoederen op Java in de negentiende eeuw, waarbij het met name ging om goederen als koffie, rietsuiker en indigo. Daarnaast kwamen in mindere mate tabak, thee, peper en kaneel voor.

De prijs die de boeren kregen voor hun werk was vooraf vastgesteld en altijd laag. De opbrengst was voor de staatskas van het moederland.



*DECENTRALISATIEWET Dankzij de decentralisatiewet van 1903 kreeg een klein aantal Indonesiërs op lokaal niveau inspraak in het bestuur.



DESSA Dorpsgemeenschap. Iemand die de dessa verliet, kon in geval van nood op deze dorpsgemeenschap terugvallen. Met name in crisisjaren gebeurde dit vaak. Er waren (in Nederlands-Indië) op Java ongeveer 25.000 dessa’s en in de Buitengewesten ongeveer 20.000.

De dessabewoners mochten zelf hun dessahoofd kiezen, maar de instemming van het Binnenlands Bestuur was nodig. Soms bestond een dessa uit diverse gehuchten of kampongs.



DESSASCHOOL In het kader van de Ethische Politiek werden vanaf 1907 dessascholen ofwel volksscholen opgericht waar driejarig, eenvoudig onderwijs werd gegeven in de inheemse taal.



*DUALISTISCH BESTUURSSTELSEL Met de invoering van het Cultuurstelsel werd een dualistisch bestuursstelsel geïntroduceerd waarbij er een Nederlands bestuur en een inlands bestuur was.

Bij het inlandse bestuur werd gebruikgemaakt van de inlandse vorsten (adel). Beide bestuursvormen functioneerden naast elkaar.



*ETHISCHE POLITIEK Beleid dat erop gericht was het Nederlandse gezag over de hele Indische archipel uit te breiden om zo een proces in gang te zetten met als doel: het land en volk te ontwikkelen in de richting van zelfbestuur. Nederland moest het als een zedelijke roeping zien de welvaart in Nederlands-Indië te verhogen en het welzijn van de Indonesisiche bevolking te bevorderen. De hiervoor noodzakelijke hervormingen konden betaald worden met het geld dat Nederland eerder door middel van het Cultuurstelsel had verdiend. Een officieel begin van de Ethische Politiek is de aankondiging ervan in de Troonrede van 1901.



*EUROPEANEN Onder Europeanen verstond men in Nederlands-Indië blanke Europeanen en Indo-Europeanen.



EXORBITANTE RECHTEN Volgens deze rechten kon de gouverneur-generaal personen die niet in Nederlands-Indië geboren waren uitwijzen of hen de toegang tot Nederlands-Indië ontzeggen. Inlanders kon de toegang tot delen van Nederlands-Indië worden ontzegd. Bovendien kon in het belang van de openbare orde iemand naar een bepaalde plaats of streek worden verwezen.



*FACTORIJEN Een andere naam voor handelsposten. De VOC maakte gebruik van factorijen.



FEDERALISME Federalisten streven naar een federale staat. Dat is een staat die is opgebouwd uit een aantal delen (deelstaten) die samen het centrale (federale) gezag vormen. Zo’n deelstaat behoudt een grote mate van zelfstandigheid. (Voorbeeld van een federale staat: de Verenigde Staten van Amerika.)

Met steun van de Nederlandse regering streefde luitenant-gouverneur-generaal Van Mook naar de vorming van een federale staat – de Verenigde Staten van Indonesië – die met Nederland verbonden moest blijven. De Republiek Indonesië onder leiding van Soekarno zou in zo’n Verenigde Staten van Indonesië een van de deelstaten worden.

Bij de besprekingen tussen Van Mook en minister-president Sjahrir bleek de regering van de Republiek Indonesië in principe bereid de vorming van zo’n federale staat te aanvaarden.

Op een conferentie te Malino op Zuid-Celebes (juli 1946) werd Van Mook het eens met afgevaardigden uit de Buitengewesten (met uitzondering van Sumatra) over de vorming van een Verenigde Staten van Indonesië, dat uit vier grote deelstaten zou bestaan: Java, Sumatra, Borneo en de Grote Oost.

De leiders van de Republiek Indonesië, niet vertegenwoordigd in Malino, behielden hun twijfels over het federalisme, omdat zij de indruk hadden dat de Nederlandse regering de Republiek Indonesië wilde isoleren en omsingelen met deelstaten die onder Nederlandse controle stonden.

In het Akkoord van Linggadjati aanvaardde de Republiek Indonesië (opnieuw) de vorming van een federale staat. Doordat Van Mook na de eerste politionele actie nieuwe (pro-Nederlandse) deelstaatjes oprichtte in gebieden die tot dan toe onder gezag van de Republikeinen hadden gestaan, werd het federalisme voor de Republiek Indonesië ongeloofwaardig en vrijwel uitsluitend gezien als onderdeel van de Nederlandse verdeel-en-heerspolitiek. In maart 1948 werd zonder de medewerking van de Republiek Indonesië een voorlopige federale regering gevormd, maar in werkelijkheid hadden de Indonesische federalisten weinig invloed op de politieke beslissingen. Na het besluit van de Nederlandse regering over te gaan tot een tweede politionele actie waren de Indonesische federalisten niet langer bereid zonder vertegenwoordigers van de Republiek Indonesië mee te werken aan de opbouw van een federale staat.

Op de rondetafelconferentie bereikten vertegenwoordigers van Nederland, de Republiek Indonesië en de andere Indonesische deelstaten overeenstemming over de oprichting van een federale staat: de Republiek van de Verenigde Staten van Indonesië (1949).



*‘GEPACIFICEERD’ Atjeh, het noordelijke deel van Sumatra, was moeilijk onder controle te krijgen door de Nederlanders. Uiteindelijk lukte het J.B. van Heutsz na de zwaar bevochten overwinning in de Atjeh-oorlog (1873-1918) om het gebied onder Nederlands gezag te plaatsen (te pacificeren), waardoor een burgerlijk koloniaal bestuur mogelijk werd.



*GOUVERNEUR-GENERAAL Hoogste gezagsdrager in Nederlands-Indië, benoemd door de Kroon. De gouverneur-generaal was steeds verantwoording verschuldigd aan de regering in Nederland en hij mocht geen zelfstandige buitenlandse politiek voeren. De gouverneur-generaal was opperbevelhebber van het leger in Nederlands-Indië. Hij kon gebruikmaken van de exorbitante rechten en ordonnanties uitvaardigen.



GROOT OOST-AZIATISCHE WELVAARTSSFEER Japan streefde naar de hegemonie in Azië. Grote delen van Azië moesten onder leiding van Japan worden samengevoegd tot de Groot Oost-Aziatische welvaartssfeer. Er werd gestreefd naar autarkie (zelfvoorziening). De natuurlijke hulpbronnen van Nederlands-Indië (vooral olie) waren voor Japan van groot belang.



*HANDELSOCTROOI De Nederlandse regering gaf aan de VOC het alleenrecht op handel met de Oost, met Nederlands-Indië.



*HERENDIENSTEN Onbetaalde arbeid die verricht moest worden door dessabewoners voor gezagsdragers. Men spreekt ook wel van belasting in arbeid.

In 1919 werden (opnieuw) pogingen gedaan de herendiensten af te schaffen en te vervangen door een hoofdgeld. Toch bleven de herendiensten hier en daar bestaan. Naast herendiensten bestonden er dessadiensten (ten behoeve van het dorp/de dessa) en persoonlijke diensten voor de inheemse gezagsdragers.

De situatie in de Vorstenlanden was slechter, omdat het gouvernement hier minder greep op de situatie had.



*HOLLANDS-INLANDSE SCHOLEN In 1914 werden de Hollands-Inlandse scholen (HIS) opgericht. Het waren scholen voor welgestelde inheemsen die er Nederlandstalig lager onderwijs konden krijgen, dat aansloot op het Nederlandstalig voortgezet onderwijs.



*‘INDIË VERLOREN, RAMPSPOED GEBOREN’ Naam van een brochure uit 1914 waarin werd gesteld dat Nederland dreef op de inkomsten uit Nederlands-Indië. Nadien is het de leuze geworden van velen die geloofden dat Nederland niet buiten Nederlands-Indië kon.



INDISCHE BEGROTING De Indische begroting werd opgesteld in Nederlands-Indië door de Indische regering in overleg met de Volksraad (sinds 1925). De aanhangers van de Ethische Politiek waren van mening dat een batig saldo ten goede moest komen aan de inheemse bevolking.



*INDISCHE NEDERLANDERS/INDO-EUROPEANEN De benaming voor Nederlanders van gemengde afkomst, bijvoorbeeld een Nederlandse vader en een Indische moeder. Sommige Indische Nederlanders voelden zich het meest aangetrokken tot de Nederlanders, andere streefden naar een staat waarin inheemsen, Indo-Europeanen, Nederlanders en anderen gelijkwaardig konden samenleven. De Indische Nederlanders kwamen vooral na de onafhankelijkheidsverklaring van Soekarno en Hatta tussen twee vuren te zitten, maar bleven in meerderheid de Nederlandse zijde kiezen. Voor veel Indonesische nationalisten waren de Indische Nederlanders/Indo-Europeanen ‘overlopers’ die zich hadden laten gebruiken door de koloniale overheersers. In de eerste maanden van de onafhankelijkheid (de zogeheten Bersiap-periode) werden de Indische Nederlanders/Indo-Europeanen vaak lastig gevallen door Indonesische nationalisten.



*INDISCHE PARTIJ In 1912 werd door Indo-Europeanen de Indische Partij opgericht. Deze partij streefde naar een onafhankelijk Nederlands-Indië waar inheemsen, Indo-Europeanen en Nederlanders gelijkwaardig naast elkaar konden leven. Een van de leiders, Douwes Dekker, was een ver familielid van de beroemde schrijver Multatuli (schuilnaam voor Eduard Douwes Dekker). Douwes Dekker werd verbannen en in 1913 werd de partij opgeheven. Douwes Dekker is later teruggekeerd naar Nederlands-Indië, maar werd vlak voor de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië uitbrak opnieuw verbannen; deze keer naar Suriname.



*INDO-EUROPESE CULTUUR Hieronder verstaan we de mengvorm van Indonesische en Europese elementen. In Nederlands-Indië werden de Europeanen sterker beïnvloed door de inlandse cultuur dan andersom. Dit blijkt uit kleding, taal en vele gewoontes.



*INDONESIË De benaming voor een nieuwe staat die moest worden gevormd uit de ongeveer 13.000 eilanden van Nederlands-Indië. Lange tijd voelden de bewoners van de diverse eilanden zich niet onderling verbonden. Pas toen dat besef er kwam, is men begin twintigste eeuw in de nationalistische beweging gaan spreken van Indonesië. Indonesië werd in de jaren twintig een politiek geladen woord, dat op bevel van de Nederlandse bestuurders niet gebruikt mocht worden.

In 1945 deden de Japanners wat de Nederlanders steeds hadden afgewezen: officieel toestemming verlenen om de naam Indonesië te gebruiken.



*INDONESISCH NATIONALISME De aanduiding voor het streven naar een nationale Indonesische staat (vanuit het besef onderdrukt te worden). In 1908 werd de eerste nationalistische beweging opgericht: Boedi Oetomo (het schone, hoge streven). In de jaren twintig waren vooral non-coöperatieven de woordvoerders van het nationalisme. Zij weigerden samen te werken met de koloniale overheid. In de jaren dertig volgde een stroomversnelling die leidde tot een eenwording binnen de nationalistische beweging in 1939. In dat jaar werd door de nationalisten een Volkscongres gehouden waar afspraken werden gemaakt over de eenheidstaal, het volkslied en de nationale vlag.

De Nederlandse regering is steeds ongevoelig gebleven voor het groeiende Indonesisch nationalisme, wat het verzet tegen het Nederlandse bestuur alleen maar versterkte.



*INDO-ROCK Populaire muziek uit de jaren zestig die beïnvloed was door Indonesië. Bekende artiesten: De Blue Diamonds en Anneke Grönlo.



*INLANDS/INHEEMS BESTUUR Java was opgedeeld in regentschappen met daarbinnen districten en daarbinnen weer dorpen (dessa’s). Aan het hoofd van een regentschap stond een regent. Aan het hoofd van een district stond een wedono, bijgestaan door assistent-wedono’s. Aan het hoofd van een dessa of kampong stond een dessa- of kamponghoofd. Daarnaast waren er de Vorstenlanden op Java, waar vorsten het hoogste inlandse gezag vormden.



*INTERNERINGSKAMPEN Interneringskampen, ook wel Jappenkampen of ‘beschermingskampen’ genoemd, waren concentratiekampen. Tijdens de Japanse bezetting van Nederlands-Indië werden bijna alle Nederlanders en buiten Java vele Indische Nederlanders geïnterneerd. De Japanners maakten voor de interneringskampen hoofdzakelijk gebruik van bestaande gebouwen zoals scholen, kazernes, pakhuizen en fabrieken (zie ook Beschermde wijken).

Er waren aparte interneringskampen voor:

– vrouwen en kinderen;

– mannen en jongens (boven een bepaalde leeftijd);

– krijgsgevangenen.

Naar schatting hebben ongeveer 24.000 Nederlanders en Indische Nederlanders het ellendige verblijf in de Japanse interneringskampen niet overleefd.

Het einde van de Tweede Wereldoorlog in Azië (15 augustus 1945) betekende voor vele Nederlanders en Indische Nederlanders nog niet dat ze bevrijd werden. Na het uitroepen van de Republiek Indonesië (17 augustus 1945) kwamen grote delen van Java en Sumatra onder controle van aanhangers van de Republiek Indonesië. In die gebieden begon voor duizenden Nederlanders en Indische Nederlanders opnieuw een periode van gevangenschap en geweld: de zogeheten Bersiap-periode. De interneringskampen die na de oorlog onder controle van aanhangers van de Republiek Indonesië kwamen, werden nationalistenkampen of extremistenkampen genoemd.



*ISLAM Een groot deel van de Indonesische bevolking was islamiet. De godsdienstige leiders hadden vaak grote invloed. De grootste islamitische beweging was de Moehammadyah die vooral actief was op sociaal (onderwijs en ziekenhuizen), economisch en religieus terrein. Op politiek gebied waren er de Sarekat Islam (SI) en later de PSII (Partai Sarekat Islam Indonesia).



*JAVA-OORLOG De Java-oorlog duurde van 1825 tot 1830. Zie Diepo Negoro.



KAMPONG Gehucht, benaming voor een kleine inheemse leefgemeenschap. Er bestonden plattelandskampongs en stadskampongs (in de inheemse stadswijken). Kampong is een Maleis woord, dat buiten Java ook dorpsgemeenschap betekent. Op Java gebruikte men voor een dorpsgemeenschap het woord dessa.



KENPEITAI De Kenpeitai was de Japanse militaire politie (vergelijkbaar met de Duitse Gestapo). Zowel in als buiten de interneringskampen werd de bevolking van Nederlands-Indië door de Japanners scherp in de gaten gehouden. Een ieder die zich niet onderwierp aan het Japanse gezag of de Japanners tegenwerkte, liep het risico in handen van de Kenpeitai te vallen. Het optreden van de Kenpeitai werd in het algemeen gekenmerkt door ongekende wreedheid. Veel geïnterneerden en Indonesiërs zijn door martelingen van de Kenpeitai om het leven gekomen.



*KOELIE-ORDONNANTIE De koelie-ordonnantie die in 1880 werd afgekondigd, hield in dat koelies (landarbeiders) streng gestraft konden worden, als zij zich verzetten of wegliepen. Hierdoor werden de koelies een soort slaaf.



*KOELIES/CONTRACTKOELIES Eind negentiende en begin twintigste eeuw kwam er een sterke uitbreiding van het aantal landbouwondernemingen. Zulke landbouwondernemingen werden vooral gevestigd op Sumatra waar onvoldoende arbeidskrachten waren. Op contractbasis werden arbeidskrachten (koelies) aangetrokken van het overbevolkte Java en uit China (contractkoelies). De arbeidsomstandigheden van deze contractkoelies, die ook in de mijnen werden ingezet, waren erg slecht. Velen stierven tijdens het werk. Er kwam een koelie-ordonnantie waarin de rechten en plichten van de koelies werden vastgelegd. Feitelijk leek de contractarbeid van de koelies meer op dwangarbeid, omdat de koelies niet naar huis terug konden vanwege het verbod om eenzijdig het contract op te zeggen (poenale sanctie). Officieel werd de poenale sanctie in 1931 afgeschaft, maar in werkelijkheid bleef deze regel bestaan. De contractkoelies waren dus eigenlijk slaven. In de twintigste eeuw verbeterden de levensomstandigheden van de contractkoelies geleidelijk. De Verenigde Staten weigerden nog langer tabak in te voeren uit landen waar op plantages dwangarbeid werd toegepast. De overheidscontrole nam steeds meer toe en vlak voor de Tweede Wereldoorlog was er nog maar een klein aantal contractkoelies voor wie de poenale sanctie gold.



*KONINKLIJK NEDERLANDSCH-INDISCH LEGER (KNIL) In 1836 had koning Willem I het Nederlandsch-Indisch Leger de benaming Koninklijk gegeven om op de vaandels te voeren. In het spraakgebruik bleef de naam Nederlandsch-Indisch Leger bestaan. Vanaf 1933 werd het Indische leger steeds KNIL genoemd.

In 1918 was de dienstplicht voor Europeanen van Nederlandse afkomst ingesteld (eerst alleen op Java, maar vanaf 1939 ook in de Buitengewesten).

Het KNIL had twee hoofdtaken: een politietaak (in vredestijd) en een verdedigende taak om buitenlandse vijanden tegen te houden (vooral geconcentreerd op Java). Het KNIL was een beroepsleger, aangevuld met dienstplichtigen. In 1937 telde het beroepsleger ongeveer 35.000 man, waarvan ongeveer 10.000 Europeanen. Er was steeds een vrij grote groep Ambonezen in het KNIL (in 1937: 4.000 man). Na de soevereiniteitsoverdracht werd het KNIL in 1950 opgeheven.



*KONINKLIJKE PAKETVAART MAATSCHAPPIJ (KPM) De Koninklijke Paketvaart Maatschappij werd opgericht in 1891. Deze maatschappij zorgde voor de verbindingen tussen de eilanden van de Indonesische archipel. Regelmatig werden ook troepen van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) vervoerd.



*KORTE VERKLARING Regeling met de vorsten (sultans) om hen zelfbestuur te laten uitoefenen in hun vorstendom onder voorwaarde dat ze zelf geen buitenlandse politiek voerden en zich onderwierpen aan het Nederlandse gezag en de gouvernementsregels.



*KRIJGSGEVANGENEN Na de overrompeling van Nederlands-Indië door de Japanse strijdkrachten werden, naast Engelsen, Amerikanen en Australiërs, ruim 40.000 Nederlandse en Indisch/Nederlandse militairen krijgsgevangen gemaakt (hoofdzakelijk KNIL-militairen). De gevangengenomen inheemse militairen werden merendeels weer vrijgelaten. De krijgsgevangenen werden in of buiten Nederlands-Indië in interneringskampen geplaatst, waar zware dwangarbeid verricht moest worden (bijvoorbeeld de aanleg van de Birma-spoorweg). De Japanners minachtten de krijgsgevangenen (vooral de officieren onder hen), omdat zij zich hadden overgegeven.



LANDBOUWONDERNEMINGEN Na 1870 werd er particulier initiatief toegestaan in de landbouw. Dit leidde tot de vorming van plantages (landbouwondernemingen). Plantages waren grootschalige landbouwbedrijven waar producten als tabak, koffie en rubber werden verbouwd.



*LANDRENTE Een soort belasting op de rijstoogst die de boeren op Java sinds het begin van de negentiende eeuw verschuldigd waren aan het gouvernement.



*LOMBOK-EXPEDITIE Tussen de vorsten op Lombok heerste al vele jaren strijd. In 1894 werd het Nederlandse gezag om steun gevraagd. Het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) kwam en wist, na zware strijd, het verzet te breken en Lombok onder rechtstreeks Nederlands gezag te brengen. De komst van het KNIL noemen we de Lombok-expeditie.



*MIJNWET Tot 1850 mocht alleen de koloniale overheid delfstoffen exploiteren. Dankzij de Mijnwet van 1850 werd dit ook mogelijk voor particuliere ondernemingen. Daarvoor was een concessie nodig. Die kon na 1850 gekocht worden van de overheid.



*MILJOENEN VAN DELI In Deli, op het eiland Sumatra, werd veel geld verdiend door de planters. Zij voerden er een waar schrikbewind om maar zoveel mogelijk geld in zo kort mogelijke tijd te verdienen. Van den Brandt schreef hierover een boek waarin hij de misstanden in Deli en in de mijnen van Sumatra aan de kaak stelde. De kritiek leidde uiteindelijk tot de instelling van de arbeidsinspectie (1907) en verbeteringen voor de contractarbeiders.



MINISTERIE VAN KOLONIËN De meeste contacten tussen de Nederlandse regering en de gouverneur-generaal liepen via het ministerie van Koloniën. Na de Tweede Wereldoorlog werd niet meer gesproken van ministerie van Koloniën, maar van ministerie van Overzeese Gebiedsdelen.



*MISSIE Verkondiging van de rooms-katholieke leer in niet-christelijke landen.

De missie deed daarnaast allerlei sociaal-cultureel werk (ziekenzorg, onderwijs). Van de Europeanen (de Indo-Europeanen inbegrepen) was in 1930 ongeveer 27 procent rooms-katholiek. Van de inheemse bevolking was slechts een half procent rooms-katholiek.



*MODERN IMPERIALISME Een proces van versnelde uitbreiding van de westerse macht, resulterend in politieke en koloniale staatsvorming in voordien slechts op papier bestuurde gebieden. In Nederlands-Indië kwam dit proces na 1890 op gang.



*MONOPOLIE Onder een monopolie verstaan we het alleenrecht op handel in een bepaald product. De Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) had een monopolie of probeerde een monopolie te krijgen op specerijen. Daardoor kon de VOC invloed uitoefenen op de prijs (goedkoop inkopen met verplichte levering en duur verkopen).



*NEDERLANDSE HANDELSMAATSCHAPPIJ (NHM) De Nederlandse Handelsmaatschappij werd in de negentiende eeuw opgericht met als doel het vervoer en de verkoop van de cultuurproducten te verzorgen voor de Nederlandse staat.



*NON-COÖPERATIE Onder invloed van Gandhi in India maakte de Partai Nasional Indonesia (PNI) gebruik van de mogelijkheid om niet mee te werken (non-coöperatie). Dit kon op allerlei manieren. Vaak werden grote hoeveelheden aanhangers opgeroepen aan zulke acties deel te nemen.



*ONAFHANKELIJKE REPUBLIEK INDONESIË Op 17 augustus 1945 riepen Soekarno en Hatta in Djakarta de Onafhankelijke Republiek Indonesië uit. Aanvankelijk had de republiek alleen aanhangers op Java en Sumatra.



*ONDERWIJS Het onderwijs in Nederlands-Indië bestond uit inheems en Nederlandstalig onderwijs. Zowel van nationalistische als van Nederlandse zijde werd aangedrongen op inheems onderwijs om zodoende de ontwikkeling van de bevolking te bevorderen. De nationalisten hoopten daarbij op culturele eenheid en onafhankelijkheid. De Nederlanders (ethici) hoopten vooral op culturele ontwikkeling en grote zelfstandigheid.

Het voortgezet onderwijs was Nederlandstalig. Wilde men hogerop komen, dan was kennis van het Nederlands onmisbaar.



*‘ONTWIKKELINGSIDEAAL’ Hieronder verstaan we het uitgangspunt van bestuursambtenaren die erin geloofden dat de inlanders slechts in ontwikkeling achterliepen en dat het hun taak was deze ontwikkeling te bevorderen. Dit kon door de traditionele machthebbers (lokale vorsten) hun macht te ontnemen en een geregeld bestuur in te stellen. Onderwijs en gezondheidszorg konden deze ontwikkeling stimuleren.



PANTJA SILA Pantja Sila betekent vijf principes of grondslagen. Op voorstel van Soekarno werd de Grondwet van Indonesië gebaseerd op vijf principes of beginselen:

– het nationalisme;

– het internationalisme of de menselijkheid;

– het overleg of de democratie;

– de sociale rechtvaardigheid;

– het geloof in God.

Vooral over het laatste punt zijn veel discussies gevoerd waarbij islamitische leiders vergeefs hebben geprobeerd van Indonesië een islamitische staat te maken.



PEMOEDA Pemoeda’s waren fanatieke nationalistische jongeren die tijdens de Japanse bezetting gedrild waren in de verschillende militaire organisaties. In het laatste jaar van de oorlog drongen de pemoeda’s er bij de oudere nationalistische leiders (Soekarno en Hatta) op aan los van de Japanners de onafhankelijke Republiek Indonesië uit te roepen. Onder druk van deze revolutionaire jongerengroepen riepen Soekarno en Hatta op 17 augustus 1945 de onafhankelijke Republiek Indonesië uit. Na de onafhankelijkheidsverklaring waren het vooral de pemoeda’s die de strijd aanbonden met de Japanners en later met Britten en Nederlanders. De pemoeda’s vielen in de eerste maanden (in de zogeheten Bersiap-periode) ook interneringskampen aan en streden naderhand met grote felheid tegen de terugkerende Nederlanders.



*PERKENIERS Voormalige werknemers van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) die werden ingezet op de Banda-eilanden om toe te zien op de productie van nootmuskaten en de handhaving van levering aan de VOC.



*PKI (PARTAI KOMMUNIS INDONESIA) De PKI werd in 1920 opgericht. De communistische revolutie in Rusland (1917) heeft het internationale communisme bevorderd, ook in Nederlands-Indië. Daarnaast werd het communisme bevorderd door het streven naar sociale veranderingen binnen de nationalistische beweging. De PKI werkte aanvankelijk nauw samen met de Sarekat Islam (SI). In 1923 kwam er een einde aan deze samenwerking. De PKI was een revolutionaire partij, die steefde naar Indonesische onafhankelijkheid en een communistische maatschappij. In 1926 organiseerden de communisten een opstand op Java en Sumatra, die echter mislukte. Veel communisten werden opgepakt en naar Boven-Digoel verbannen. De PKI werd ontbonden.



*PLANTAGE Grote landbouwonderneming, waar producten voor de wereldmarkt werden verbouwd (koffie, suiker, rubber).



*PLANTLOON Tijdens het Cultuurstelsel kregen de boeren op Java in ruil voor de verbouw van cultuurgoederen (koffie, suiker, indigo) een vooraf vastgesteld laag plantloon.



wanneer ze wegliepen of een overtreding begingen. De koelies waren niet in de gelegenheid om hiertegen in beroep te gaan.



POLITIEK VAN ONTHOUDING Lange tijd werd er een politiek van onthouding gevoerd. Er werden slechts contracten afgesloten met inheemse vorsten over productleveringen in ruil voor militaire steun en politieke waarborgen. Met de komst van het modern imperialisme werd deze politiek langzaam losgelaten.



*POLITIONELE ACTIES Tot tweemaal toe is de Nederlandse regering overgegaan tot een politionele actie tegen de Republiek Indonesië. De naam was bewust zo gekozen (afgeleid van politie), omdat geprobeerd werd het gezag te herstellen in een door Nederland bestuurd gebied. Het buitenland zag in het Nederlandse optreden met tanks, parachutisten en bommenwerpers een militaire operatie van een staat die op deze wijze probeerde haar kolonie te behouden.

Eerste politionele actie: 20 juli 1947-4 augustus 1947.

Tweede politionele actie: 19 december 1948-5 januari 1949.



RASSENSCHEIDING In Nederlands-Indië bestond op allerlei terrein segregatie (rassenscheiding). Het was geen doelbewuste politiek van de Nederlanders. De indeling van de bevolking was raciaal bepaald en hieruit vloeiden bepaalde rechten voort. Het onderwijssysteem was grotendeels raciaal ingericht en er waren gescheiden stadswijken, zwembaden en clubs.



*RHEMREV-RAPPORT Dit rapport werd uitgebracht naar aanleiding van de misstanden op Sumatra in Deli (Noord-Sumatra) en in de mijnen op Sumatra.



RIJKSCONFERENTIE In 1941 kondigde de Nederlandse regering vanuit Londen aan dat er na de oorlog op een Rijksconferentie gesproken zou worden over de staatkundige verhoudingen binnen het Koninkrijk der Nederlanden. In de ‘7 december toespraak’ (1942) van koningin Wilhelmina werd verklaard dat zo’n Rijksconferentie adviezen zou opstellen om te komen tot een soort Gemenebest waarin de verschillende delen van het Koninkrijk der Nederlanden een dominion-status zouden krijgen. In 1946 kreeg de Commissie Generaal opdracht zo’n Rijksconferentie voor te bereiden. In werkelijkheid is de Rijksconferentie nooit gehouden, door het uitroepen van de Republiek Indonesië door Soekarno en Hatta.



ROMOESJA’S Romoesja is het Japanse woord voor werksoldaat. Gedurende de Japanse bezetting zijn naar schatting vier miljoen Indonesiërs als romoesja tewerkgesteld (bijvoorbeeld bij de aanleg van wegen, spoorwegen en vliegvelden). De romoesja’s werden met mooie beloften gelokt (onder andere Soekarno hielp bij de werving van romoesja’s) of onder dwang weggevoerd. De romoesja’s werden door de Japanners afgebeuld waardoor er velen zijn omgekomen.



*SAREKAT ISLAM (SI) De overgrote meerderheid van de inheemse bevolking in Nederlands-Indië was islamiet. In 1912 werd de Sarekat Islam (Islamitisch Verbond) opgericht. Binnen een jaar had de SI al een miljoen leden. Doelstellingen waren onderlinge hulpverlening, versterking van het geloof en vooruitgang voor het volk. Aanvankelijk stelde de SI zich gematigd op ten opzichte van de Indische regering/het Binnenlands Bestuur. De Sarekat Islam kwam rond de Eerste Wereldoorlog onder marxistische invloed en werkte nauw samen met de PKI. Na interne strijd werden in 1923 de revolutionairen uit de SI gestoten. Hierdoor verslechterde de relatie met de PKI. In de jaren dertig verloor de Sarekat Islam veel leden aan niet-religieuze partijen. Tijdens de Japanse bezetting werd de SI ontbonden.



*SAWAHS Rijst werd verbouwd op sawahs. Door de verplichte cultures (tropische exportgewassen, bijvoorbeeld koffie en suiker) was er soms onvoldoende tijd om de sawahs voor de eigen voedselproductie te kunnen bewerken.



*SUIKERWET In 1870 werd een wet aangenomen die tot doel had geleidelijk de verplichte suikercultures af te schaffen.



*VERENIGDE OOST-INDISCHE COMPAGNIE (VOC) De VOC werd in 1602 opgericht en had als opdracht om producten uit Azië op de Europese markt te brengen en tegelijk te zorgen dat de leverantie van producten uit Azië werd veiliggesteld. Aanvankelijk was de VOC zeer succesvol, maar uiteindelijk ging de compagnie door corruptie, bureaucratisering en slecht management ten onder. In 1799 werd de VOC opgeheven.



VERENIGDE STATEN VAN INDONESIE Zie Federalisme.



*VERPLICHTE CULTURES In het kader van het Cultuurstelsel werden boeren verplicht bepaalde producten te verbouwen. Het betrof vaak koffie, suiker of indigo (een grondstof voor verf).



*VOLKSRAAD Deels gekozen, deels benoemd vertegenwoordigend orgaan in Nederlands-Indië. In de Volksraad waren de diverse (raciale) bevolkingsgroepen vertegenwoordigd. De Volksraad miste de bevoegdheden van een echt parlement, maar kon niet worden genegeerd door de gouverneur-generaal. Het aantal leden breidde zich uit van 39 naar 61. De voorzitter werd steeds benoemd door de Kroon. De Indonesische nationalisten wilden van de Volksraad een echt parlement maken, hetgeen door de Nederlandse regering werd verworpen.



*VOOGDIJGEDACHTE De gedachte dat Nederland als een soort voogd een belangrijke rol had als toezichthouder en opvoeder van de Indische bevolking. De voogdijgedachte hield in dat de Nederlanders de taak hadden de Indische bevolking op te voeden op gebieden als bestuur, rechtspraak, onderwijs enzovoorts.



*VOORCOMPAGNIEËN Een (handels)compagnie is de naam van een aantal samenwerkende kooplieden die gezamenlijk een of meer schepen lieten varen naar de Indonesische archipel. Compagnieën die werden gevormd vóór de oprichting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) in 1602, noemen we voorcompagnieën.



VORSTENLANDEN Het Nederlandse bestuur viel in twee delen uiteen:

– direct bestuur, daar waar de Nederlanders zelf het bestuur op zich namen;

– indirect bestuur, daar waar traditionele machthebbers bleven gehandhaafd. Dit gold bijvoorbeeld voor de Vorstenlanden, vier staatjes op Midden-Java waar de vorsten min of meer zelfbesturend waren. De Nederlanders hielden zich daar op de achtergrond en controleerden slechts.



*VREEMDE OOSTERLINGEN De benaming voor dat deel van de bevolking dat uit Azië en het Midden-Oosten kwam, met uitzondering van de Japanners, de Chinezen en de inheemsen zelf. De groep bestond vooral uit Arabieren.



WILDE SCHOLEN Scholen die door inheemsen waren opgericht zonder toestemming en controle van het Nederlands gezag. Er werden in de jaren twintig diverse wilde scholen opgericht om aan de behoefte van inheemsen aan Nederlands onderwijs te voldoen. Soms waren de oprichters inheemsen die probeerden via deze scholen de Indonesische cultuur te versterken.



*ZENDING De bevolking van niet-christelijke landen proberen te bekeren tot het christendom. Zending werd bedreven door de protestantse kerken. Zendelingen hielden zich niet slechts bezig met prediking. Er werd ook veel aandacht besteed aan onderwijs en gezondheidszorg.


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

-.

-.

een goed werkstuk! =)

9 jaar geleden

G.

G.

er staan wel veel feitelijke onjuistheden in deze opsomming. Niet gebruiken als naslagwerk dus!

4 jaar geleden