Hoofdstuk 1/3– Module 8

1 – Lenin en Hitler veroveren de macht

Nieuwe Economische Politiek (NEP): De nieuw economische politiek werd door Lenin in 1921 na de burgeroorlog ingevoerd. De NEP gaf kleine zelfstandige en boeren meer vrijheid. Afschaft door Stalin.
Jozef Stalin: 1879-1953; schuilnaam, later erenaam voor Jozef Vissarionovitsj Dzoegasjvili. Opvolger van Lenin als leider van de Sovjetunite tot zijn dood in 1953. Alleenheerser van 1928.
Collectivisatie: Door Staling gedwongen afstand van grondbezit en onderbrenging van boeren in collectieve boerderijen.


Kolchozen: Collectieve boerenbedrijven waar boeren voorgeschreven kregen wat ze moesten produceren. De boeren beschikten zelf slechts over een klein lapje grond.
Sovchozen: Staatsboerderijen van de Sovjetunie. Deze boeren waren in loondienst. De opbrengst van de productie verdween zowel als goed aan de overheid.
Koelakken: Eigenlijk ‘rijke boer’ in Rusland. Al gauw werd iedere boer die zich tegen Stalin verzette een koelak genoemd.
Planeconomie: Economie die vanuit een centraal punt (de staat wordt) wordt geleid. In Rusland was hier het vijf jaren plan ter spraken.
Vrede van Versailes: Vrede die een einde maakte aan de Eerste Wereldoorlog.
Republiek van Weimar: Term waarmee Duitsland tussen 1918 en 1933 wordt aangeduid.
Herstelbetalingen: Schadevergoedingen die betaald moesten worden door de landen (o.a. Duitsland) die de schuld kregen van de Eerste Wereldoorg.
Dawes-Plan: Amerikaans hulpprogramma om de Duitse economie erbovenop te helpen na de economische crisis van 1923.
Fascisme: Beweging die ontstaat in Italie rond 1900 Verwerp democratie en communisme en wilde nationale enheid onder een eenhoofdige leiding. (In Duitsland was hier spraken van; aanhangers van het facisme wilde democratie en communisme verwerpen. Men wilde een nazi geleid door een sterke man)


Rassenleer: Opvattingen van met name nationaal-socialisten (nazi’s) dat er verschillende rassen zouden bestaan en dat het blanke ras superieur zou zijn ten opzichte van de andere.
Derde Rijk: Naam voor nazi-Duitsland tussen 1933 en 1945.
Totalitaire staat: Staat die tracht haar inwoners totaal te beheersen wat betret opvattingen, denken en cultuur.

2 – De nationaal-socialstische en communistische dictatuur

Grote teurreur: Periode in de jaren dertig waarin Stalin de Partij en het leger grootscheeps ‘zuiverde’.
Totalitaire samenleving: Staat die tracht haar inwoners totaal te beheersen wat betreft opvattingen, denken en cultuur.
Destalinsatie: Poging van Chroesjtsjov om te breken met het stalinistische verleden van de Sovjetunie. Slecht gedeeltelijk gelukt.
Gestapo: Duitse geheime staatspolitie tussen 1933 en 1945.
Arische ras: In de ogen van de nationaal-socialisten het hoogste ras ter wereld.
Hitlerjugend: Nationaal-socialistisch jongensbeweging.
Bunddeutscher madel: Nationaal-socialistische beweging voor meisjes.
Antisemtische: Jodenhaat
Neurenbergwetten: In 1935 in Duitsland afgekondigde wetten waarin joden het Duits staatsburgerschap werd ontnomen en zij ook verder gedriscrimineerd werden.
Kristallnacht: In de nacht van 9 op 10 november 1938 geouden jodenvervolging in Duitsland. Zo genoemd naar het gebroken glas van joodse huizen, winkels en gebouwen.
Progrom: Uitbarsting van jodenhaat waarbij joden en hun bezittingen worden aangevallen. Niet zleden van bovenaf georganiseerd.
Totalitaitre staten: Staat die tracht haar inwoners totaal te beheersen wat betreft opvattingen, denken en cultuur.
Racistisch: Gevoelens van haat of vijandigheid tegenover mensen van een ander ras.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.