Jongeren met messen

Er komen veel berichten in het nieuws over jongeren die betrokken zijn bij steekincidenten. Wat merken jullie van het messenbezit onder jongeren? Vul onze (anonieme) vragenlijst in! Duurt maar 2 minuten.


ADVERTENTIE

Als ik moet kiezen, dan ga ik het liefst:

Geschiedenis: Dynamiek en stagnatie in de Republiek.
Examenkatern: Havo.
Belangrijke begrippen:
Accijnzen: (indirecte belasting) op goederen, uitgedrukt in een percentage van de waarde, te vergelijken met de tegenwoordige BTW.
Bestand: (Twaalfjarig) Bestand, een wapenstilstand in de Tachtigjarige Oorlog (1609-1621)
Beurs: ook Koopmansbeurs genoemd. Het belangrijkste stedelijk instituut dat de handel in Amsterdam vergemakkelijkte, opgericht in 1611. Men kon er niet alleen handelswaren kopen, maar bijvoorbeeld ook verzekeringen of leningen afsluiten, scheepsruimte of pakhuizen huren, personeel in dienst nemen. Bovendien was de Beurs, doordat er honderden kooplieden uit alle landen samenkwamen, een informatiecentrum over goederenprijzen en verzekeringspremies.
Commissiehandel: in de 18e eeuw gingen Hollandse kooplieden zich bezighouden met kredietverlening, verzekeringen, commissiehandel en (vanaf 1750) ook met wisselhandel en acceptbedrijf. Bij commissiehandel sloten de kooplieden handelstransacties af in goederen die zij zelf niet bezaten. Zij handelen in opdracht (in commissie) van de eigenaren en waren dus slechts tussenpersonen (commissionairs), die zelf geen financieel risico liepen. Als vergoeding voor hun werk kregen zij een bepaald percentage van de verkoopsom. Hun werk is te vergelijken met dat van hedendaagse makelaars.

Contracten van correspondentie: de regentenfamilies verdeelden de ambten onder elkaar. Dat ging volgens toerbeurt of door contracten van correspondentie (overeenkomsten, gesloten tussen regentenfamilies waarbij zij afspraken hoe zij goed betaalde ambten onderling zouden verdelen); dit om onenigheid daarover te voorkomen.
De-urbanisatie: ontstedelijking, daling van de stedelijke bevolking doordat veel mensen wegtrokken uit de steden. De steden in Holland en Zeeland liepen leeg, soms ging hun inwonersaantal met meer dan één derde achteruit.
Doelisten: naast de ‘pachtersoproeren’ ontstond er in de jaren 1747-1748 ook onder de middengroepen verzet tegen de regenten. Het duidelijkst kwam dit tot uiting in de beweging van Amsterdamse Doelisten. Hun belangrijkste eisen waren maatregelen tegen de zelfverrijking van regenten, tegen de ‘belastingpacht’, tegen de vestiging van immigranten (uit vrees voor concurrentie) en ter bescherming van de eigen stedelijke nijverheid. Zij vestigen hun hoop op Willem IV, die in 1747 in alle gewesten stadhouder was geworden. Zij verwachten dat Willem IV aan de regentenheerschappij een einde zou maken. Maar Willem IV deed weinig.
Driehoekshandel: handel van de WIC tussen de Republiek, West-Afrika en Amerika. De WIC-schepen voerden eerst naar West-Afrika. Daar werden Hollandse nijverheidsproducten geruild tegen slaven. De slaven werden naar Amerika gevoerd en daar verkocht. Uit Amerika brachten de schepen plantageproducten als suiker, koffie, cacao en tabak naar de Republiek, vooral naar Amsterdam.
Engelse oorlogen: In de periode na de ‘Vrede van Munster’ voerde Engeland drie oorlogen, vooral ter zee, tegen zijn belangrijkste handelsconcurrent, de Republiek (1652-1674). De derde begon in het rampjaar 1672. De Vierde Engelse Oorlog vond ruim een eeuw later plaats (1780-1784). Deze was desastreus voor de handel in de Republiek.
Europese expansie: uitbreiding van de Europese handel en macht (koloniën) in andere werelddelen. De Portugezen en Spanjaarden hadden eind 15e eeuw de basis gelegd van de Europese expansie. De Portugezen stichten handelsposten in West-Afrika en Azië, de Spanjaarden stichtten kolonies in Amerika.
Gecommercialiseerde landbouw: landbouw die noodzakelijk niet voor eigen gebruik, maar voor de verkoop produceert. Deze kwam in Holland en Zeeland in de 16e eeuw op.
Gegoede burgerij: de bevolking van de Republiek was te onderscheiden in een aantal sociale lagen: de gegoede burgerij, de kleine burgerij en de volksklasse. De gegoede burgerij, minder dan tien procent van de bevolking, vormde de top. Zij bestond uit grote ondernemers in de handel en nijverheid. Zij maakte in politiek, economisch en maatschappelijk opzicht de dienst uit. Tussen de gegoede burgerij en de rest van de bevolking gaapte bijna altijd een diepe kloof.
Generaliteitslanden: de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden veroverde gebieden in de zuidelijke gewesten. Die gebieden (tegenwoordig: Zeeuws-Vlaanderen, Noord-Brabant en delen van Limburg) werden bestuurd door de ‘Staten-Generaal’ en werden Generaliteitslanden genoemd.
Gilden: organisaties van ambachtslieden met hetzelfde beroep, bijvoorbeeld de klerenmakers of meubelmakers. Ontstaan in de Middeleeuwen. De gilden hadden strenge, zelf uitgevaardigde regels, waaraan de leden (gildenmeesters) zich moesten houden. De regels zorgden ervoor dat er slechts een beperkt aantal producten, maar wel van hoge kwaliteit, werd vervaardigd. De bedoeling ervan was concurrentie uit te sluiten en een hoge prijs te handhaven. Gildenmeesters hadden in hun werkplaats ‘gezellen’ onder zich en die weer ‘leerlingen’. Een leerling kon opklimmen tot gezel en die weer tot gildenmeester.
Gouden Eeuw: periode van groei (dynamiek) en bloei van de Republiek. Vaak gelijkgesteld met de 17e eeuw. Juister is: vanaf het laatste kwart van de 16e eeuw tot aan het laatste kwart van de 17e eeuw.
Habsburgse Rijk: Karel V werd niet alleen heer van de Nederlanden, maar ook koning van Spanje, heer van de Habsburgse erflanden (Oostenrijk en delen van Italië) en keizer van het Duitse rijk. Als Habsburgse vorst stond Karel V aan het hoofd van het Habsburgse rijk, dat ook Midden-Amerika en grote delen van Zuid-Amerika omvatte.
Handelsgewassen: gewassen die niet voor eigen gebruik door de boeren, maar voor de verkoop waren bestemd, zoals vlas, hennep en koolzaad.
Handelskapitalisme: kapitalisme is een vorm van economie waarbij de ondernemers ernaar streven zoveel mogelijk winst te maken (onder andere om hun onderneming te laten groeien). De eerste vorm van kapitalisme was het handelskapitalisme, waarbij de ondernemers kooplieden waren.
Hanze: handelsverbond, ontstaan in de 14e eeuw, waarin handelssteden in het noorden van het Duitse Rijk en het oosten van de Nederlanden (vooral de IJsselsteden) zich hadden aaneengesloten.
Kaapvaart: het buitmaken van vijandige koopvaardijschepen. Kaapvaart was een officieel onderdeel van de oorlogvoering. Kapers waren dus geen piraten.
Kapitaalmarkt: centrum van vraag en aanbod betreffende kredieten / leningen op lange termijn. De financiële ondernemingen (bankiers- en commissionairshuizen) concentreerden zich in de 18e eeuw in Amsterdam. Zo werd Amsterdam een belangrijke kapitaalmarkt.
Kleine burgerij: de bevolking van de Republiek was te onderscheiden in een aantal sociale lagen: de gegoede burgerij, de kleine burgerij en de volksklasse. De kleine burgerij vormde ongeveer een kwart van de bevolking. Zij bestond vooral uit kleine ondernemingen als winkeliers en gegoede ambachtslieden. Maar ook predikanten en schoolmeesters hoorden ertoe.

Kooplieden-regenten
: een kleine groep rijke kooplieden die de steden bestuurden. Zij lieten zich leiden door hun gemeenschappelijke economische belangen. De kooplieden-regenten onderhielden ook banden tussen steden en gewesten door hun familierelaties en persoonlijke kennissenkring (hun ‘netwerk’).
Malthus: Britse econoom (1766-1834), die stelde dat de landbouwproductie de bevolkingsgroei niet zou kunnen ‘bijhouden’. Door de bevolkingsgroei zou er dus een tekort aan voedsel ontstaan, waardoor de bevolkingsgroei uiteindelijk tot stilstand zou komen.
Manufacturen: werkplaatsen met veel loonarbeiders.
Mercantilisme: bescherming van de eigen economie door de staat, bijvoorbeeld door enerzijds aan de eigen handel en nijverheid subsidies en voorrechten te verlenen en anderzijds invoerrechten te heffen op buitenlandse producten. Na de ‘Vrede van Münster’ voerden Frankrijk en Engeland een mercantilistische politiek tegen de Republiek.
Moedernegotie: de graanhandel werd in de 16e eeuw de ‘moedernegotie’ genoemd. Men wilde ermee uitdrukken dat de graanhandel de eerste en belangrijkste vorm van handel was.
Oligarchie: in de loop van de 18e eeuw werd de regentenklasse een hechte oligarchie (kleine kring van bestuurders waarin geen anderen konden doordringen) letterlijk: regering van weinigen.
Pachtersoproeren: in de 18e eeuw werden de belastingen in Holland steeds hoger. De ‘belastingpachters’ kregen de schuld van de oplopende belastingdruk. De hoge lasten voor de bevolking leidden in 1747-1748 tot de ‘Pachtersoproeren’. Deze term is misleidend, want het waren geen oproeren van belastingpachters, maar van de onderlaag van de bevolking tegen de belastingpachters. Huizen van belastingpachters werden geplunderd en het interieur werd vernield. De oproeren begonnen in 1747 in Friesland en sloegen over naar Haarlem, Leiden en Amsterdam (mei-juni 1748).
Particularisme: binnenlands was er in de Republiek sprake van particularisme. Dat betekende dat elk gewest of elke stad vooral op eigen voordeel bedacht was. Zij regelden hun zaken op hun eigen manier en naar hun eigen belang.
Patriotten: in de tweede helft van de 18e eeuw ontstond, onder invloed van ‘de Verlichting’, een beweging van mensen die kritiek hadden op de regenten en op de stadhouder Willem V. Zij noemden zich patriotten. Zij eisten invloed in het bestuur. In het levendige politieke debat van die tijd speelden de patriotten de hoofdrol.
Raadpensionaris: hoogste ambtenaar van een gewest. De raadpensionaris van Holland leidde de Hollandse vertegenwoordiging in de ‘Staten-Generaal’. Omdat Holland de grootste bijdrage leverde aan de financiën van de Republiek, had dit gewest in de Staten-Generaal de grootste invloed. Daardoor was de raadpensionaris van Holland de machtigste man in de Staten-Generaal.
Reformatie: beweging in de 16e eeuw om de katholieke Kerk te hervormen. De Reformatie (Hervorming) leidde tot een godsdienstige splitsing in enerzijds de bestaande katholieke Kerk en anderzijds een aantal nieuwe, protestantse Kerken. In de Nederlanden kreeg het protestantisme in de loop van de 16e eeuw veel aanhang.
Regenten: enkele zeer rijke families uit de gegoede burgerij, de regenten, die in de Republiek onder elkaar de hoge bestuursfuncties verdeelden.
Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden: tijdens de opstand tegen het Spaans gezag, de ‘Tachtigjarige Oorlog’, ontstond eind 16e eeuw in het noorden de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. De Republiek bestond uit de gewesten Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Holland en Zeeland; in feite acht gewesten, maar Drenthe werd niet meegerekend, omdat het niet vertegenwoordigd was in de ‘Staten-Generaal’.
Slavenhandel: tot de driehoekshandel behoorde ook de slavenhandel. Nederlandse schepen brachten slaven van West-Afrika naar het West-Indische gebied (de toenmalige Nederlandse koloniën Suriname, Guyana en de Antillen) en naar de Spaanse koloniën in Zuid- en Midden-Amerika. Vooral de Zeeuwen waren actief in de slavenhandel. Nadat de ‘WIC’ haar monopolie had verloren (1734), was de Nederlandse slavenhandel voor driekwart in handen van Zeeuwse ondernemingen.
Sonttol: bij de Oostzeehandel moest men de Sont (de nauwe zeestraat tussen Denemarken en Zweden) passeren, waar tol werd geheven. Die tol was gerelateerd aan het oppervlak van het scheepsdek. Dankzij een speciale (kleine) vorm van het dek van het ‘fluitschip’ werd de Sonttol tot het minimum beperkt.
Stadhouder: legeraanvoerder van een gewest. In principe koos ieder gewest zijn eigen stadhouder. In de praktijk waren er twee stadhouders, één in Holland en één in Friesland, die elk stadhouder van een aantal gewesten waren. De stadhouders waren altijd leden van het Huis van Oranje. Bij een groot deel van de bevolking stonden de stadhouders als prinsen van Oranje hoog in aanzien.
Stapelmarkt: een stapelmarkt is een ‘voorraadmagazijn’ van te verhandelen producten. Zo was Amsterdam een stapelmarkt. Producten uit allerlei landen werden in Amsterdam aangevoerd, daar opgeslagen in pakhuizen en vervolgens doorverkocht.
Statenbond: bond van grotendeels zelfstandige staten of gewesten. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was een statenbond van grotendeels zelfstandige gewesten (provincies). Het gewestelijke bestuur werd gevormd door de ‘Gewestelijke Staten’.
Staten-Generaal: afgevaardigden van de gewesten vormden de Staten-Generaal (voor het eerst in 1464). In het Bourgondische en ‘Habsburgse Rijk’ hadden de Staten-Generaal het recht belastingen waarom de vorst verzocht, al dan niet toe te kennen. Tijdens de Republiek bepaalden de Staten-Generaal de buitenlandse politiek en defensie. Zij bestuurden ook de ‘Generaliteitslanden’.
Tachtigjarige Oorlog: de gewapende opstand tegen het Spaanse gezag in de Nederlanden, die in 1568 begon en in 1648 werd beëindigd met de ‘Vrede van Munster’.
Textielnijverheid: de productie van textiel. Belangrijke fasen in het productieproces waren het spinnen en het weven.
Trafieken: ‘Veredelingsbedrijven’ die een grondstof ‘veredelen’ tot eindproduct. Voorbeelden daarvan zijn suikerraffinaderijen, koffiebranderijen en zoutziederijen.
Urbanisatie: verstedelijking, veroorzaakt door het van het platteland naar de steden trekken.
Verlichting: de 18e eeuw geldt als een eeuw van de Verlichting. De Verlichting plaatste de rede, het verstand voorop (rationalisme). Europese denkers als Montesquieu, Voltaire en Rousseau keken kritisch naar de bestaande toestanden op het vlak van bestuur, religie, economie en sociale verhoudingen. Op politiek terrein wilden de verlichters volkssoevereiniteit. In boeken en brochures werden de ideeën van de Verlichting verspreid. Het verlichtingsdenken had in de Republiek een brede aanhang.
Verpaupering: verarming; afgeleid van het Latijnse woord ‘pauper’ = arm. In de 18e eeuw kwam de armste klasse door de achteruitgang van de nijverheid vaker in problemen dan in de 17e eeuw. Vaak had men geen werk en dus geen inkomsten. Daardoor groeide in de tweede helft van de 18e eeuw de verpaupering.
VOC: om aan de onderlinge concurrentie van de ‘Compagnieën van Verre’ een einde te maken en de krachten te bundelen werd in 1602 met steun van de Hollandse ‘raadpensionaris’ Oldenbarnevelt de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) opgericht. Daarin werden alle ‘Compagnieën van Verre’ opgenomen. De VOC kreeg van de ‘Staten-Generaal’: een monopolie (alleenrecht) op de handel ten oosten van Kaap de Goede Hoop en soevereine rechten (bestuurlijke bevoegdheden in naam van de Staten-Generaal) in de gebieden ten oosten van Kaap de Goede Hoop.
Volksklasse: de bevolking van de Republiek was te onderscheiden in een aantal sociale lagen: de gegoede burgerij, de kleine burgerij en de volksklasse. De volksklasse vormde zo’n zestig á zeventig procent van de bevolking. Zij bestond vooral uit geschoolde werklieden, vaste en losse arbeiders, dienstpersoneel en de bedeelden. (mensen die onder de armenzorg vielen).
Voorbijlandvaart: de positie van Amsterdam als handelscentrum werd in de 18e eeuw sterker, doordat steeds meer Amsterdamse koopmanshuizen zich toelegden op ‘commissiehandel’ en voorbijlandvaart. Bij voorbijlandvaart werden goederen rechtstreeks van buitenlandse leverancier naar buitenlandse afnemer gebracht, terwijl de Republiek werd ‘voorbijgevaren’. Franse wijn bijvoorbeeld werd rechtstreeks van Frankrijk naar het Oostzeegebied vervoerd. ‘Commissiehandel’ en voorbijlandvaart leidden tot daling van de feitelijke goederenoverslag in Amsterdam, waardoor de functie van ‘stapelmarkt’ afnam.
Vrede van Munster: na vier jaar onderhandelen werd in 1648 de Vrede van Munster getekend, die een einde maakte aan de ‘Tachtigjarige Oorlog’. De Republiek werd internationaal als een onafhankelijke staat erkend.
Waterschappen: organisaties waarin de boeren uit een bepaald gebied zich aaneensloten om de wateroverlast te bestrijden, onder andere door gezamenlijk dijkbeheer.
WIC: tegen het einde van de 16e eeuw voerden schepen van kooplieden uit de Republiek (behalve naar Azië) ook naar het Caribisch gebied, de noordoostkust van Amerika en West-Afrika. Om ook hier de krachten te bundelen werd in 1621 de West-Indische Compagnie (WIC) opgericht. Van de ‘Staten-Generaal’ kreeg de WIC het monopolie (alleenrecht) op de Atlantische handel (handel met Amerika en West-Afrika). Daardoor ontstond de ‘driehoekshandel’ tussen de Republiek, West-Afrika en Amerika.
Wisselbank: de stedelijke Wisselbank van Amsterdam was gevestigd in het stadhuis op de Dam (1609). De kooplieden konden er muntgeld wisselen en ook allerlei andere financiële transacties verrichten, zoals ‘wisselbrieven’ verrekenen en geld lenen tegen lage rente. De Wisselbank vergemakkelijkt de handel in Amsterdam.

Chronologisch overzicht:

  • 13e eeuw
Ontstaan van waterschappen in het noordwesten van de Nederlanden
  • 14e en 15e eeuw
De Hanze is een belangrijk handelsverbond, bloeiperiode van de IJsselsteden
  • 15e eeuw
-Bloeiperiode van Brugge als handelscentrum in de Nederlanden

-Overgang naar een marktgerichte economie in Holland
-Nederlanden komen geleidelijk in handen van het Bourgondische / Habsburgse huis.
-Begin van de Europese expansie door Portugezen en Spanjaarden.

  • 16e eeuw
-Het handelscentrum in de Nederlanden verschuift van Brugge naar Antwerpen

-De Reformatie (Hervorming) krijgt veel aanhang in de Nederlanden

  • 1515
Karel V wordt koning van Spanje en heer der Nederlanden
  • 1555
Filips II volgt Karel V op
  • 1568
De Tachtigjarige Oorlog begint; de Nederlanden verzetten zich tegen het beleid van Filips II
  • 1579
De Unie van Utrecht wordt het begin van zelfstandigheid van de Noordelijke Nederlanden
  • 1585
Na de Spaanse heroveringen van Antwerpen wordt deze havenstad afgesloten van de zee. De stapelmarkt verplaatst zich naar Amsterdam.
  • 1588
Na het vertrek van landvoogd Leicester nemen de Staten-Generaal de leiding in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in handen
  • 1595
In Holland wordt het fluitschip ontworpen en ingezet als handelsvaartuig in Europa
  • 1595-1597
Hollandse zeevaarders maken de eerste tocht naar Oost-Indië
  • 1602
Oprichting van de VOC; de Hollandse en Zeeuwse Compagnieën van Verre worden samengevoegd tot de VOC
  • 17e eeuw (eerste helft)
-Urbanisatie in Holland stijgt tot boven de 50 procent.

-Particuliere droogleggingen in Holland en Zeeland zorgen voor landaanwinning, bijvoorbeeld in de Beemster.

  • 1609
Hugo de Groot publiceert ‘De Vrije Zee’
  • 1609-1621
Twaalfjarig Bestand
  • 1611
De Amsterdamse Beurs wordt geopend
  • 1614
Oprichting van de Noordse Compagnie
  • 1618-1648
Dertigjarige Oorlog
  • 1621
Oprichting van de West-Indische Compagnie, die zich naast handel in producten ook met slavenhandel bezighoudt
  • 1628
Piet Hein kaapt een Spaanse Zilvervloot
  • 1648
Vrede van Munster. De Republiek der Verenigde Nederlanden wordt officieel erkend
  • 1650-1672
Eerste Stadhouderloos Tijdperk
  • 1651
Engeland vaardigt de Acte van Navigatie uit
  • 1652-1654
Eerste Engelse Oorlog
  • 1655-1660
Noordse Oorlog om de zeggenschap in de Sont
  • 1664-1667
-Tweede Engelse Oorlog, eindigend met de tocht naar Chatham

-Suriname komt in het bezit van de Republiek

  • 1672
Rampjaar, de Republiek in oorlog met Frankrijk, Engeland en de bisdommen Munster en Keulen
  • 1685
Intrekking van het Edict van Nantes leidt tot immigratie van Franse hugenoten in de Republiek
  • 1688-1689
Stadhouder Willem III wordt koning van Engeland en trekt de Republiek mee in coalitieoorlogen tegen Frankrijk (Lodewijk XIV)
  • 1701-1713
De Republiek is betrokken in de Spaanse Successie Oorlog
  • 1702-1747
Tweede Stadhouderloos tijdperk
  • 1714-1720
Eerste grote uitbraak van de veepest in Holland
  • 1730-1750
De paalworm tast de zeedijken aan
  • 1747-1748
In steden van de Republiek breken Pachtersoproeren uit.
  • 1780-1798
Patriottentijd
  • 1780-1784
Vierde Engelse Oorlog, waardoor handel van de Republiek stil komt te liggen
  • 1791
De Staten-Generaal heffen de WIC op en nemen haar bezittingen over.
  • 1794
Inval van de Franse revolutionaire legers in de Republiek
  • 1795
Vlucht van stadhouder Willem V en uitroeping van de Bataafse Republiek
  • 1799
De Bataafse Republiek heft de VOC op
  • 1806
Napoleon heft de Bataafse Republiek op en vervangt haar door het Koninkrijk Holland met zijn broer Lodewijk Napoleon als koning.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

K.

K.

de tweede engelse oorlog is van 1665 tot 1567 en de spaanse successieoorlog is van 1702 tot 1713 ;)

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

K.

K.

de tweede engelse oorlog is van 1665 tot 1567 en de spaanse successieoorlog is van 1702 tot 1713 en de WIC word in 1792 opgeheven en de franse troepen komen in 1795 de republiek binnenvallen. toch wel veel fouten hoor in deze chronologie.

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

S.

S.

neehoor, Spaanse Successie Oorlog was gewoon van 1701- 1713 ;)

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast