Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

Begrippenlijst 1-5de jaar

Beoordeling 4.6
Foto van een scholier
  • Begrippenlijst door een scholier
  • Klas onbekend | 19451 woorden
  • 27 april 2016
  • 7 keer beoordeeld
  • Cijfer 4.6
  • 7 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!

TIJDVAK 1: JAGERS EN BOEREN



Jagers-verzamelaars



Kenmerkend aspect: De levenswijze van jagers en verzamelaars





We weten maar heel weinig want er zijn maar heel weinig bronnen uit die tijd. De kenmerken van de bronnen uit die tijd is dat ze ongeschreven (schrift nog niet uitgevonden) en primair zijn. Primair: het zijn bronnen uit de tijd zelf en ze komen uit ‘de eerste hand’. Ze zijn gemaakt door ooggetuigen. De bronnen vertellen ons:




  • Wat hun middel van bestaan was: jagen en verzamelen.

     



Ze leefden in de prehistorie.





Middel van bestaan: de manier waarop mensen in leven blijven. Het bepaalt hoe mensen samenleven. De jagers en verzamelaars joegen op grote, wildebeesten. Ze gebruikten ze voor eten, maar ze gebruikte ook de huid en de botten om voorwerpen en kleding van te maken. Ze verzamelden ook planten en gewassen. Als alle eetbare planten wegwaren, of alle beesten weg dan moesten ze weer verder trekken. Dat bepaalde hoe de rest van de samenleving eruitzag. Het middel van bestaan bepaald ook het samenlevingstype: samenleving van jagers en verzamelaars.



Samenleving/maatschappij de manier waarom de bevolking een sociaal geheel vormt.





Politiek: hoe wordt de samenleving bestuurd?                                                                                                                    4 bouw



Economie: wat zijn de middelen van bestaan?                                                                                                           stenen



Sociaal: Hoe zijn de verhoudingen in de bevolking?                                                                                                                Van een Cultuur: Wat denken en voelen de mensen en hoe uiten zij dit?                                                                                                   samenleving





Hoe zat dat voor de jagers en verzamelaars:

economie: jagen en verzamelen.



Politiek: ze leefden in kleine groepen, tussen de 10 en 30 mensen. Ze trokken rond, was geen sprake van een echt georganiseerd bestuur. Wel groepsleider waarschijnlijk.



Sociaal: weinig sociale verschillen. Onderscheid taken mannen en vrouwen. Mannen jagen en vrouwen verzamelen voedsel en zorgen voor kinderen.



Cultuur: geen geschreven bronnen. Ze hadden wel magische jacht- en vruchtbaarheidsrituelen waarschijnlijk. Ook grafgiften (zoals sieraden of wapens) teruggevonden. Ze geloofden dus waarschijnlijk in een leven na de dood.





Het ontstaan van de landbouw.



Kenmerkend aspect: het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen.





Ontstaan landbouw: rond 11.000 v. Chr. Gebied vruchtbare halvemaan – gebied vorm halvemaan. Rond Irak en Iran. Daar vond de landbouwrevolutie/ neolithische revolutie plaats. Waarom in dit gebied? Door het klimaat. Gematigd klimaat waardoor er veel planten groeiden en beesten leefden. Genoeg voedsel voor jagers en verzamelaars die daar leefden. Ook droegen de vele rivieren in dat gebied daar ook aan bij. Zoet water betekend vaak vruchtbare grond, wat hier ook het geval was. De jagers en verzamelaars hoefden niet meer rond te trekken omdat er veel voedsel in hun omgeving was. Ze gaan doen aan akkerbouw. Alle gewassen die ze in de buurt vonden gingen ze proberen zelf te maken. Later gaan ze ook proberen de wildebeesten te temmen en aan veeteelt te doen. Akkerbouw en veeteelt zijn de voornaamste takken van de landbouw. Doordat ze door de landbouw zelf eten overhadden konden er meer mensen in de groep leven, waardoor er uiteindelijk een landbouwsamenleving/ agrarische samenleving ontstaat.



Agrarisch= landbouw.









Ontwikkelingen van de middelen van bestaan in de vruchtbare halvemaan:



12.000 v Chr.       Jagen      



                             En                                                 



10.000 v Chr.       Verzamelen





8.000 v Chr.                               Land



                                                  Bouw



6.000 v Chr.





4.000 v Chr.







Landbouwsamenleving ook door




  • Economie: landbouw en veeteelt

  • Politiek: doordat bevolking groeit ontstaan er dorpen. Daar zijn de beste boeren, de dorpsoudsten of de priesters de baas.

  • Sociaal: sedentaire revolutie: vaste woonplaats. Toename sociale verschillen. Mensen konden steeds meer bezittingen hebben. Wie veel heeft staat hoger in aanzien. Ook ongelijkheid man en vrouw was er. Mannen en vrouwen werkten wel samen op het land.

  • Cultuur: er zijn nog steeds magische rituelen – ook binnenhalen goede oogst. Om deze reden ook godsdiensten die ontstaan. Ook worden er meer uitvindingen gedaan die het leven gemakkelijker maken. Eerste kalenders, schrift (voorraden bijhouden) en goede werktuigen.





Door de uitvinding van het schrift begint nu de historie.





Verspreiding landbouw:



Er wordt in veel gebieden rond dezelfde tijd aan landbouw begonnen, moet onafhankelijk van elkaar gebeurd zijn. In de andere gebieden moet ook het klimaat gunstig zijn geweest. De landbouw verspreid zich langzaam over de wereld. Dit is een trage revolutie geweest.





De eerste steden.



Kenmerkend aspect: het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen.



Vruchtbare halvemaan:















Nieuwe uitvindingen



















Ze gingen vee temmen (veeteelt)





















Ze gingen hun zaden zelf planten (akkerbouw).









                                                                                                                     















Verhoging voedselproductie





















Groei van dorpen



















Ontstaan ambachten (specialisatie)



















Ontstaan handel



















Ontstaan steden








































 

De landbouw in de vruchtbare halvemaan werd gekenmerkt door de irrigatielandbouw door de aanwezigheid van de rivieren. Ze traden ieder jaar buiten de oevers, dat zorgde ervoor dat op de grond rondom de rivieren vruchtbaar slip achterbleef waardoor de grond erg vruchtbaar was. Ook vingen ze het overtollige water op zodat de grond buiten de rivieren ook bevrucht kon worden.





Ontwikkelingen van de middelen van bestaan in de vruchtbare halvemaan:



12.000 v Chr.       Jagen      



                             En                                                 



10.000 v Chr.       Verzamelen





8.000 v Chr.                               Land     ambacht 



                                                  Bouw                     handel                              



6.000 v Chr.





4.000 v Chr.





Er waren drie middelen van bestaan, maar de meeste mensen werken in de landbouw.





Twee gebieden:



Mesopotamië en Egypte. Daar begonnen de eerste stedelijke gemeenschappen.


































Mesopotamië



Egypte



Economie



Landbouw: akkerbouw en veeteelt

Ambachten

Handel



Landbouw: akkerbouw en veeteelt

Ambachten

Handel



Politiek



Steden werden bestuurd door koning en priesters.



Steden groeiden uit tot rijken (stadstaten).



Steden werden bestuurd door koning en priesters.



Boven- en beneden Egypte vormen een natiestaat met farao als leider.



Sociaal



Grote groepen (gem. 10.000 mensen)



Sociale verschillen: hiërarchische opbouw van samenleving in sociale klassen



Grote groepen (gem. 10.000 mensen)



Sociale verschillen: hiërarchische opbouw van samenleving in sociale klassen



Cultuur



Polytheïstische godsdienst: meerdere goden aanbidden.



Magische rituelen in tempels (centrum stad).



Veel uitvindingen



Polytheïstische godsdienst: meerdere goden aanbidden.



Magische rituelen in tempels (centrum stad).



Veel uitvindingen – bv-hiërogliefen.






Statstaten: staat ten grote van een stad en haar omgeving. Had een eigen bestuur, eigen rechtspraak, eigen regels, eigen leger, waardoor er ook de eerste oorlogen tussen de stadstaten ontstonden.



Hiërarchische opbouw van samenleving in sociale klassen: onderaan de slaven, daarboven boeren, daarboven de ambachtslieden, daarboven de priesters, daarboven de koning.



Natiestaat: een staat waarin een groep mensen leeft die zichzelf bestuurt.





TIJDVAK 2: DE GRIEKEN EN ROMEINEN





Kenmerkend aspect: de ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken over burgerschap en politiek in de Griekse stadstaat.



De Griekse stadstaat: opkomst 850 v Chr.



Als je over Griekenland in die tijd spreekt kan je beter spreken over de Griekse wereld. Verschillen toen en nu:




  • Toen was het veel groter dan nu.

  • Vroeger was er geen sprake van een Griekenland maar verschillende Griekse stadstaten.





Staat: gebied met vaste grenzen en eigen bestuur.



Stadstaat/ polis: bijzondere vorm van een staat. Het is een stad met omringend platteland. Ze waren klein in oppervlakte en inwonersaantal in vergelijking met de huidige staten (bv Nederland of België). Ze waren autarkisch: zelfvoorzienend en autonoom: eigen bestuur en regels.





Iedere polis had een eigen staatsvorm:




  • Monarchie: staatsvorm waarbij de macht legitiem bij één persoon ligt: monarch of koning. Heeft de macht via de wet verkregen, zijn wil was wet.

  • Tirannie: staatsvorm waarbij de macht niet legitiem bij één persoon ligt. Heeft de macht niet via de wet gekregen, maar bv. door een staatsgreep. Zijn wil was wet.

  • Aristocratie: regering van de adel (aristocraten).

  • Oligarchie: regering van een kleine groep mensen die niet per se van adel zijn.

  • Democratie: regering door de bevolking met burgerrecht. De eerste stad die dit kreeg was Athene.





Athene: eerste democratie. Niet iedereen mocht meebeslissen, alleen de burgers van Athene mochten dat.



Burgerschap: het feit dat je een burger bent met alle politieke en maatschappelijke rechten die daarbij horen.



Burgers in Athene: mannen die in Athene geboren waren. Vrouwen, slaven, mensen die niet in Athene geboren waren waren geen burgers. Ze hadden geen inspraak in het bestuur.





De filosofen in die tijd discussieerden over wat de beste staatsvorm was.



Filosofen: proberen de wereld te verklaren op een rationele manier.



Rationeel: als de bliksem insloeg was het de schuld van god. De filosofen probeerden met logisch redeneren proberen te verklaren hoe de wereld in elkaar zat. Dit is het begin van wetenschap: het opdoen van kennis/theorie op basis van experimenten, waarneming en gebruik van het verstand.



Ze hielden zich bijvoorbeeld bezig met wiskunde, natuurwetenschappen, geneeskunde en politiek enz. Hierdoor ontstond er een echte Griekse beschaving.



Toen het Griekse vasteland steeds dichtbevolkter werd gingen soms groepen Grieken zich ergens anders vestigen, waardoor de Griekse cultuur werd verspreid. Dit ging door tot 338 v Chr. Toen werd Griekenland overgenomen door de Macedoniërs. Alexander de Grote ging gebieden veroveren en hij verspreidde de Griekse cultuur naar het oosten toe-> Hellenisme (Hellas= Griekenland in die tijd)





Griekse tijd:

Kenmerkend aspect: de groei van het Romeins imperium waardoor de Grieks-Romeinse cultuur zich in Europa verspreidde.





Het bestuur van het Romeinse Rijk:





















Koningstijd            republiek                                                    keizertijd







753 v Chr.    509 v Chr.                                27 v Chr.                                                           476





Over de koningstijd is niet zo veel bekend. Wat we wel kunnen zeggen is dat Rome een klein stadstaatje is met een koning aan het hoofd: monarchie. Omdat hij zijn macht misbruikt zou hebben stichtte ze een republiek. De macht was nu meer verdeeld over meerdere functies. De functionarissen werden voor een jaar gekozen.  De belangrijkste functie was de functie van de consul: opperbevelhebber van het leger. Dat waren er twee. De senaat had het meeste macht. In plaats van een republiek kan je ook spreken van een oligarchie omdat een kleine groep de macht had, bestaand uit adel maar ook het gewone volk.



De onderlinge strijd tussen de consuls zou er uiteindelijk voor zorgen dat er een eind zou komen aan de republiek. Het Romeinse Rijk groeide en de consuls kregen steeds meer macht, ze gingen de macht steeds meer naar hun toetrekken. De twee consuls hadden twee aparte legers. Er breekt een burgeroorlog uit tussen deze twee legers en Caesar wint, regeert een tijdje maar wordt door de senaat vermoord. Dan breekt er een nieuwe burgeroorlog uit en Octavianus grijpt de macht. Hiermee begint de tijd van de keizers. Hij laat zich tot eerste keizer van het Romeinse Rijk kronen -> Keizer Augustus. De macht lag in de handen van de keizer. De senaat en consuls bleven bestaan, maar hadden weinig macht meer. Het Romeinse Rijk werd een monarchie.



Rome groeit uit tot het Imperium Romanum. Imperium: groot kijk onder de macht van een keizer of één volk. Oorzaken groei Romeinse Rijk:




  • Sterk en gedisciplineerd leger (goed naar de Grieken gekeken).

  • Goed verdedigbare grenzen – natuurlijke grenzen of aangelegde grenzen.

  • Goede infrastructuur. Iedereen kon met iedereen in contact blijven in het Romeinse Rijk. Goed voor het leger en voor de economie.

  • Goed bestuur: dezelfde regels golden en iedereen wist waar het aan toe was.





Als de veroverde vorsten meewerkten behielden zij hun macht en krijgen het Romeinse burgerschap -> je kon niet zomaar worden veroordeeld en kon belangrijke functies krijgen. Het gevolg hiervan was een romanisering: het overnemen van (delen van) de Romeinse cultuur door andere volkeren.



De Romeinen zelf bewonderden de Grieken. Toen ze Griekenland innamen namen ze heel veel van de Griekse cultuur over. Er ontstond een Grieks-Romeinse cultuur die door de veroveringen van de romeinen door heel Europa verspreid werd.





Grieks-Romeinse cultuur:



Kenmerkend aspect: de klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur.



Grieks-Romeinse cultuur= klassieke cultuur.



Klassiek: voortreffelijk voorbeeld. Iets dat blijvende waarde heeft. Bij de Grieks-Romeinse cultuur is dat vooral de beeldhouwkunst en de architectuur -> vormentaal.





Griekse beeldbouwkunst: beelden volmaakt








  • Driedimensionaal

  • Anatomisch correct: het is zoals een menselijk lichaam moet zijn

  • Naakt -> goden of heersers vaak naakt af.

  • Geperfectioneerd








Griekse architectuur:







  • Driehoek bovenop de tempel: fronton of timpaan.

  • Daaronder balk waarop een boodschap of versiering kon worden aangebracht: fries

  • Dwarsbalk voor de constructie: architraaf.

  • Daaronder zuilen








Zuilstijlen:




  • Dorische stijl: simpele zuilen, strakke lijnen, simpele versiering.

  • Ionische stijl: smaller, meer versiering

  • Korintische stijl: veel versieringen, vooral in de vorm van bladeren.





5e en 4e eeuw v Chr.: klassieke oudheid.



De Griekse beeldbouwkunst en architectuur was een voorbeeld voor latere generaties. De Romeinen namen hier veel van over. Toen ze Griekenland veroverden haalden ze veel Griekse beeldhouwers en architecten naar het Romeinse Rijk om hun stijl te kunnen kopiëren.  Langzamerhand gingen de romeinen ook steeds meer hun eigen stijl eraan toevoegen.





Romeinse beeldhouwkunst:







  • Driedimensionaal. 

  • Anatomisch correct

  • Gekleed

  • Realistisch








Romeinse architectuur:




  • Mengeling van Griekse stijlen

  • Gebruik van beton zorgt voor meer mogelijkheden: bogen -> meer kracht, dus grotere en betere bouwwerken.

  • Ook gebruikten ze koepels.





Jodendom en christendom:



Kenmerkend aspect: de ontwikkeling van het jodendom en christendom als eerste monotheïstische godsdiensten.





Ze ontstaan in Palestina en zijn de eerste monotheïstische (een god) godsdiensten. Ze nemen een aparte plaats in in de polytheïstische wereld van het hellenisme en van de Romeinen.







































Jodendom



Christendom



Ontstaan



1750 v Chr.



30 n Chr.



God



Jahweh



God



Profeet



Mozes



Jezus



Heilig boek



Heilig boek



Bijbel



Regels



Torah & tien geboden



Tien geboden






Christendom in het imperium Romanum:



30 n Chr.: arrestatie van Jezus -> dachten dat Jezus de Messias was die het Joodse volk zou bevrijden van de overheersers. Ze werden nu door de Romeinen overheerst, dus hij werd ter dood veroordeeld door de Romeinen (en gekruisigd).



De volgelingen van Jezus wilden zijn verhalen en ideeën over heel de wereld bekend maken en gingen zichzelf christenen noemen.



In de jaren 30-300 werden de christenen streng vervolgd omdat:




  • Ze geloofden niet in de Romeinse goden

  • Christenen luisterden niet naar de keizer, jezus was de belangrijkste koning is.



Ondanks dit blijft het christendom toch groeien, vooral in steden in het oosten.



De volgelingen van het christendom waren in eerste instantie de armen, de vrouwen en de slaven. Volgens jezus was status en rijkdom niet zo belangrijk. In de 3e eeuw werd het christendom ook populair bij de rijkere burgers. Juist toen waren er invallen van Germaanse stammen in dat rijk, waar de christenen de schuld van krijgen. Ze werden nog strenger veroordeeld, maar toch bleef het christendom groeien. In 313 kwam het Edict van Milaan, waarin stond dat er gelijke rechten moesten komen voor de christenen. Constantijn werd de eerste christelijke keizer. In 391 werd het christendom zelfs tot staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk gemaakt. Dit was het enige toegestane geloof.





Romeinen en Germanen:



Kenmerkend aspect: de confrontatie tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germaanse cultuur in Noordwest-Europa.





Romeinen in Noordwest Europa:

Het onderste gedeelte hoorde tot het Romeinse Rijk, het bovenste gedeelte tot het Germaanse rijk. Caesar veroverde bijna heel Gallië. De Romeinen trokken verder noordwaarts en versloegen de Bataven -> Germanen.



Germanen: alle volkeren die ten noorden van de Rijn leefden.



De Romeinen wilden nog meer noordwaarts trekken maar dat lukte niet, waardoor de grenzen vast kwamen te liggen.



De Romeinen vonden de barbaren onbeschaafde woestelingen zonder een hoogontwikkelde cultuur. Ze waren wel dappere en sterke krijgers.



De Germanen bewonderden de Romeinse cultuur en namen hem soms zelfs over -> Romanisering.






















Verschillen



Romeinen



Germanen





Landbouw stedelijke samenleving.



Landbouwsamenleving





Goed georganiseerd imperium



Losse stammen






Onderlinge contacten (vooral in de grensgebieden)







  • Handel

  • Germanen in Romeinse leger

  • Germanen verhuisden naar het Romeinse Rijk -> welvaart








3e eeuw na Chr.:



Grote groepen Germanen vallen het Romeinse Rijk binnen. Redenen:




  • Germanen waren op zoek naar goede landbouwgrond.

  • Ze wilden meedelen in de Romeinse welvaart.





Gevolgen:




  • Chaos

  • Hervormingen van het Romeinse bestuur -> rijk onder controle houden

  • 395: definitieve splitsing in het West- en het Oost Romeinse Rijk.





5e en 6e eeuw na Chr.:



Volksverhuizingen: trekken het Romeinse rijk door. Redenen:




  • Veel Germanen leefden al in het rijk

  • Germanen slaan op de vlucht voor de Hunnen.





Gevolgen:




  • Chaos

  • Ineenstorting van het West-Romeinse rijk: waren minder rijk dan het oosten.





TIJDVAK 3: MONNIKEN EN RIDDERS



Feodalisme: bestuur dat in de tijd van de monniken en ridders ontkwam.



Kenmerkend aspect: het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur.





Begin van de middeleeuwen, die begon toen het West-Romeinse Rijk instortte.



West-Europa na de val van het West-Romeinse Rijk:



Macht kwam in handen van Germaanse koningen, bv. Frankische koning Clovis. Problemen:




  • Alleen geestelijkheid kon nog lezen en schrijven

  • Wegen werden slecht onderhouden

  • Verdwijnen handel zorg voor verdwijnen geld.







Er kwam een probleem met de besturing. Het had geen zin om geschreven wetten uit te geven als niemand ze toch kon lezen. Door de slechte wegen kon hij ze ook niet reizend vertellen. Ook kon hij geen belastingen meer heffen door de verdwijning van het geld. Clovis deed het door vazallen aan te stellen. Ze beloofden de koning trouw en in ruil daarvoor kregen ze een inkomen/levensonderhoud. Vaak leefden ze ook op het hof van de koning. Ze moesten samen met de koning strijden/oorlog voeren/ manschappen optrommelen of de koning adviseren als het ging om de wetten en rechtspraak. Dit rijk viel later uit elkaar door zijn dood.





Feodalisme/leenstelsel:



De koning heeft een stuk land, maar het is te groot om in zijn eentje te besturen. Hij verdeelde zijn grond onder de hoge adel: de leenmannen. De koning gaf de leenmannen een stukje macht. Het werd niet hun eigendom. Zij moesten wel de koning trouw zweren. Ze moesten hem bijstaan met raad en daad. De leenmannen vonden het gebied wat ze te leen kregen vaak ook nog te groot, dus dat stuk grond werd ook verdeeld onder de achterleenman (lage adel). Zo werd de leenman de leenheer van de achterleenman. Dit stelsel werkte heel goed onder Karel de Grote. Dat deed hij door te reizen en door de hoofdstad van zijn rijk steeds te verplaatsen. Dit lukte niet iedereen. Na zijn dood viel het rijk vrij snel uit elkaar.





Zwakte van het feodalisme;




  • Leenmannen wilden graag de macht binnen hun familie houden. Koning twijfelde. Als hij dit toestond zou hij de controle over de leen verliezen. Als hij dit niet toestond kwam de koning in conflict met de leenman, die hij wel nodig had.

  • Verhoudingen tussen leenheer en leenmannen werd steeds minder persoonlijk. De leenmannen wilden eigenlijk de macht hebben en hun gebied verder uitbreiden.

  • Leenmannen benoemen zelf ook leenmannen (achterleenmannen). Daar heeft de koning vrij weinig grip op.





Alleen sterke koningen zoals Karel de Grote konden zo hun rijk besturen.





Hofstelsel en horigheid:



Kenmerkend aspect: de vrijwel volledige vervanging van West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende cultuur, georganiseerd via hofstelsel en horigheid.





Het Romeinse-Rijk was een agrarisch-urbane samenleving. Er waren landbouw (agrarisch), steden (urbane), waarin er door de nijverheid en handel geld verdiend werd. Door volksverhuizingen kwam er een eind van. Het leger en het goede bestuur viel weg, de nijverheid en handel ook en de steden trekken ook leeg. Na 500 valt Europa terug naar een agrarische samenleving (landbouwsamenleving). Dit werd een autarkie genoemd: mensen zorgden voor zichzelf door de landbouw. Bijna iedereen werkte daarin, behalve de adel en de geestelijkheid.







Boeren aan het begin van de middeleeuwen:




  1. Vrije boeren: eigen stuk grond voor zichzelf of familie waarop ze konden werken.

  2. Horige boeren: boeren die bij het land van een heer hoorden. Zonder toestemming mochten ze het land niet verlaten.

  3. Lijfeigenen: boeren die gebonden waren aan de landeigenaar, ze waren zijn bezit.





De lage edelman had een grondgebied waarop de horigen en de lijfeigenen werkten.



Toen aan het einde van het Romeinse rijk de handel terug begon te lopen werden de boeren verplicht om op hun land te blijven en te produceren. Daar is dit een vervolg op. Wat je vanaf de 5e eeuw gaat zien is dat steeds meer vrije boeren zich ook aansloten bij een lage edelman en op zijn grond gingen produceren. Dit was het ontstaan van het hofstelsel:



Het was een erg onveilige tijd voor de boeren. Er was veel honger, armoede en onveiligheid voor hun. De welvaart liep terug en er was geen leger meer. De vrij boeren werden vaak lastiggevallen door rovers en bendes. Ze gingen op zoek naar bescherming. Dat vonden ze bij de lage adel. Hij kon hun bescherming en landbouwgrond bieden. In ruil daarvoor beloofden de boeren een deel van hun oogst af te staan en om herendiensten.





Indeling van een domein/hof:



In het midden had je het vroonland. Dat werd beheerd door de heer en onderhouden voor de lijfeigenen. De rest van het domein heette het hoevenland. Dat was waar de horige boeren leefden en werkten. Ook dit was autarkisch.





Het verschil tussen het hofstelsel en het feodalisme/leenstelsel:



Bij het feodalisme hadden de gewone boeren daar niets mee te maken. Dit was vooral een systeem voor de adel. Het hofstelsel draait om de economie en de sociale verhoudingen, het feodalisme is meer een politiek systeem.





Christendom in Europa.



Kenmerkend aspect: de verspreiding van het christendom in geheel Europa.





Hiërarchie: een duidelijke structuur met iemand die veel te zeggen heeft en mensen die daar weer onder vallen.



Katholieke kerk heeft een hiërarchische opbouw:




  1. De paus: bepaalt het beleid en beslist over geloofszaken.

  2. Bisschoppen: de katholieke wereld is opgedeeld in kerkelijke bestuursgebieden: bisdommen. Daarover is een bisschop de baas. Hij ziet erop toe dat het geloof verspreid en gehandhaafd wordt. Ook is hij de baas over de priesters in dat gebied.

  3. Priesters.



Deze mensen horen bij de geestelijkheid: mensen met een officiële functie in de kerk. Zij hebben de macht over de gelovigen. Hiertegenover staan de wereldlijke macht: de macht van de keizers, koningen en edelen over hun volk. Deze macht betreft bestuur en rechtspraak. 



Tweezwaardenleer: geestelijke en wereldlijke macht hebben elk hun eigen gebied waar ze over heersen.





Vanaf 500 groeit het christendom sterk. Oorzaken:




  • De paus werkte nauw samen met de West-Europese/ Karolingische vorsten. De paus zond missionarissen door heel Europa om heidense volkeren te kerstenen.



Heidense volkeren: volkeren die niet christelijk waren.



Kerstenen: christelijk maken



Missionarissen: geestelijken die mensen bekeren tot het christendom. Vaak probeerden ze eerst de heerser van dat gebied te kerstenen, dan volgde de bevolking vanzelf. De katholieke kerk won aan invloed en kon een beroep doen op de koning voor militaire steun. Voor de koning was zijn heerschappij gesteund door een groeiende kerk en een goddelijke zege. De vorsten trokken er zelf ook op uit. De heidense volkeren die ze versloegen dwongen ze tot kerstening. Ze verspreidde het christendom zich langzamerhand door Europa.




  • Snelgroeiende rijkdom van de kerk

  • Goede organisatie van de kerk: bisschoppen hielden toezicht in hun gebied, hadden vaak ook contact met de wereldlijke leiding. Ook werden er in die tijd veel kloosters gesticht. Dat is een plek waar monniken en nonnen zich terugtrekken uit de wereld om zich volledig aan het geloof te wijden. Sommige kloosters groeiden heel snel, werden rijk en hadden grote stukken grond in hun bezit. Ze kregen een rol in het feodalisme. Karel de Grote stichtte kloosterscholen om onderwijs te bevorderen: Karolingische renaissance.





Problemen voor het christendom:




  • Het christendom drong pas na 1000 echt door tot het gewone volk.

  • Verspreiding bedreigd door moslims, Vikingen en Hongaren. Ze vielen weleens christelijke gebieden binnen of aan. Ze vielen ze lastig.

  • 1054: Schisma: Christendom verdeeld in Rooms-Katholiek (paus in Rome) en Grieks-orthodox (leider Constantinopel aan de macht.





De islam



Kenmerkend aspect: het ontstaan en de verspreiding van de islam.





Islam: onderwerping. Zich onderwerpen aan Allah, de enige god.



Moslims: zij die zich onderwerpen aan Allah.



Islam is een monotheïstische religie.



Mohammed: geboren in Mekka waar hij in de buurt een visioen krijgt waarin God tot hem spreekt en vanaf dan gaat hij als profeet door het leven. De machthebbers van Mekka vinden hem maar een onruststoker en moet vertrekken. Hij vertrekt naar Medina. Daarmee begint de Islamitische jaartelling.















































Jodendom



Christendom



Islam



Ontstaan



1750 v Chr.



30 n Chr.



622 n Chr.



God



Jahweh



God



Allah



Profeet



Mozes



Jezus



Mohammed



Heilig boek



Heilig boek



Bijbel



Koran



Regels



Torah & tien geboden



Tien geboden



Vijf zuilen






Vanaf 622 verspreid de Islam zich razendsnel. Oorzaken:




  • Zwakke aangrenzende rijken

  • Sterke ruiterlegers

  • Jihad: verplichting om het geloof te verspreiden

  • Islam werd de basis van het bestuur in de veroverde gebieden.

  • Tolerantie ten opzichte van joden en christenen.



Er ontstaan verbanden tussen het jodendom, christendom en islam. Ze vereren dezelfde god alleen dan op een andere manier. Vandaar dan de islam tolerant was tegen de andere godsdiensten.





Nadelen:




  • Islamitische wereld is geen eenheid: verschillende stromingen. Na de dood van Mohammed komt er de vraag wie zijn opvolger moet worden. Daarover komt een conflict tussen deze twee stromingen:





Soennieten                                                            Sjiieten















Leider hoeft geen directe afstammeling van Mohammed te zijn.





Leider van deze groep grijpt de macht en breidde het geloof uit.





661-750





















Volgelingen van Ali, de neef van Mohammed: enige rechtmatige opvolger.





Leider hiervan verslaat leider Soennieten en neemt daarna de macht over.





750-1258

































Islam komt in conflict met de christelijke wereld. De Islam verspreid zich snel, de Frankische koningen stoppen de islamitische veroveringen, maar Spanje en Portugal worden islamitisch. Rond 1000 roept de paus op tot de reconquista: de herovering van Spanje en Portugal op de moslims, lukt in 1492.





Wetenschappelijke bloei islamitische wereld:




  • Ze veroverden een groot deel van de hellenistische wereld waardoor ze in aanraking kwamen met de oude Griekse geschriften. Ze gaan ze bestuderen, vertalen en commentaar op geven. Daardoor ontstaan de natuurkunde, wiskunde, geneeskunde enz. Ze gaan ook zelf onderzoek doen en doen zelf uitvindingen.



In de middeleeuwen was de islamitische wereld verder ontwikkelt dan christelijk West-Europa.





TIJDVAK 4: STEDEN EN STATEN



Tweede helft middeleeuwen – 1000-1500



Steden: handel en nijverheid



Kenmerkend aspect: de opkomst van handel en ambacht die de basis legden voor het herleven van een agrarisch-urbane samenleving.





Tot 1000: West-Europa is een agrarische samenleving. Is een autarkie.



Vanaf 1000: West-Europa wordt weer een agrarisch-urbane samenleving: landbouw, ambacht en handel.



Waarom deze verandering:




  • Toename veiligheid: invallen Vikingen houden op.

  • Toename voedselproductie: meer grond voor de landbouw: ontginningen (bv. bos kappen) en inpolderingen (bv. drooglegging meren). Ook technische verbeteringen.

  • Landbouwgrond wordt efficiënter gebruikt. Drieslagstelsel: zomergedeelte, wintergedeelte en een leeg gebied.





Gevolgen:







  • Sterke bevolkingsgroei – toename voedsel

  • Overschotten voedsel worden verkocht – handel

  • Opkomst van de steden






Belangrijkste handelsgebieden:







  • Vlaanderen: Gent, Brugge

  • Noord-Italiaanse stadstaten: Florence, Venetië

  • Hanzesteden: steden waarvan de handelaren samenwerkten








De stedelijke burgerij.



Kenmerkend aspect: de opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van de steden.





Opkomst van de steden zorgt voor meer vrijheid voor:




  • Boeren: wordt steeds aantrekkelijker om naar de stad te gaan. Ze hoeven daar geen herendiensten te doen en geen belasting te betalen aan de heer.

    De boeren die wel bleven moesten minder herendiensten doen zodat ze bleven.

  • Burgers

  • Adel: gingen belasting vragen van de steden, ze lagen in hun gebied. De steden kregen daarvoor stadsrechten in de plaats.





Voorbeelden stadsrechten:







  • Eigen bestuur

  • Eigen rechtspraak

  • Eigen verdediging

  • Jaarmarkt

  • Tolheffing

  • Gilden








Stadsbestuur werd aangesteld door de adel. Bestond als de schout (burgemeester) en de schepenen (wethouders). Ze zorgden voor het bestuur en de rechtspraak in een stad. Macht lag in de steden bij de patriciërs: rijke handelaren. Ook moesten ze rekening houden met de ambachtslieden, omdat zij zich gingen verenigen in gilden: samenwerkingsverbanden van ambachtslieden. Zij maakten afspraken over prijs en kwaliteit en zorgden voor elkaar. Jij en je familie werden geholpen door de gilde.





De steden vormden een nieuwe machtsfactor. De koning en de edellieden moesten daarmee rekening houden. Steden konden meer vrijheid eisen door bij een conflict tussen een koning en zijn leenmannen voor de juiste partij te kiezen.





De macht van de paus



Kenmerkend aspect: het conflict in de christelijke wereld over de vraag of de wereldlijke, dan wel de geestelijke macht het primaat moet hebben.





Als het christelijke geloof blijft groeien neemt de macht van de paus erg toe. Er kwam wel kritiek op de paus vanuit Constantinopel. Patriarch van Constantinopel weigert het gezag van de paus te erkennen. Hierdoor vindt het oosters schisma plaats: de afscheiding van de Grieks-Orthodoxe kerk van de katholieke kerk van Rome.



Ook in West-Europa komt de paus in problemen, met name in het Duitse Rijk. Het bestuurssysteem was daar het feodale stelsel. Als er een leenman stierf benoemde de paus graag een bisschop, met name omdat zij niet mochten trouwen. Hier is de paus het niet mee eens. Dit is de investituurstrijd: wie mag de paus zijn staf en ring geven als hij benoemd wordt (investituur). In 1122 komt het Concordaat van Worms: de paus benoemd bisschippen, de keizer kan ze daarna wereldlijke macht geven. Er blijven nog wel ruzies bestaan na deze oplossing. Er is nog geen definitieve scheiding van kerk en staat. De pauzen en vorsten blijven zich met elkaar bemoeien. Als dit uitloopt op een strijd kan de paus een vorst in de ban doen. Als reactie hierop stelde de koning soms een tegenpaus aan.





De kruistochten



Kenmerkend aspect: de expansie van de christelijke wereld naar buiten toe, onder meer in de vorm van kruistochten.





Vanaf 1000: West-Europese expansie (uitbreiding). Oorzaken:







  • Het werd veiliger in Europa (geen Vikingen meer)

  • Door handel neemt welvaart toe

  • Een eenheid door de paus: een christelijk gebied.








De paus roept in 1095 op tot de eerste kruistocht.



Kruistochten: legers die vanuit christelijke gebieden in West-Europa van de 11e tot de 13e eeuw naar Palestina reisden om daar de bedevaartsplaats te heroveren op de moslims: het heilige land.



Waarom moest dit nu veroverd worden: pelgrimstochten naar Jeruzalem werden steeds moeilijker omdat Turkse nomadestammen een groot deel van het Arabisch gebied veroverden. Zij lieten de christelijke pelgrims niet zomaar meer door.



In eerste instantie lukt het de christenen om een paar gebieden in dat heilige land te veroveren. In 1291 valt de laatste staat en dat is het einde van de periode van de kruistochten. Motieven van de kruisvaarders:




  • Mensen vanuit het christelijk geloof: zo konden ze op pelgrimstocht of vonden dat het heilige land bevrijd moest worden van de moslims.

  • De vorsten: ze konden daarmee aanzien krijgen.

  • Edellieden: rijkdom (veroverde steden mochten geplunderd worden) en avontuur. Ook waren er in dat heilige land bestuursfuncties ‘over’ die zij dan zouden kunnen overnemen.



De kruistochten waren niet alleen maar naar het heilige land, maar de paus roept ook op om Slavische en Baltische landen te kerstenen. Ook Spanje en Portugal moesten heroverd worden.





Staatsvorming



Kenmerkend aspect: het begin van staatsvorming en centralisatie.





Staatsvorming: het streven van vorsten naar een aaneengesloten grondgebied met een stevige bestuursstructuur.



Aaneengesloten grondgebied: een gebied met duidelijke grenzen, geen losse gebieden.



Stevige bestuursstructuur: koning aan het hoofd van bestuur en rechtspraak.





Engeland, 1066:



Willem de Veroveraar maakt één geheel van Engelse gebieden d.m.v. feodale stelsel en door oorlogen. Dat systeem werkte bij hem goed. Het gevoel van nationalisme ontstaat door de oorlogen: wij zijn allemaal Engelsen en vechten samen tegen andere volkeren.





Frankrijk, honderdjarige oorlog (1337-1453):



De koning van Engeland is een leenman van de koning van Frankrijk. Hij heeft een klein stuk van Frankrijk in zijn bezit. Als de Franse koning sterft is de vraag wie hem op gaat volgen. Daar volgt de honderdjarige oorlog uit, met als doen de Franse koning te worden. De Franse koning wint en dan begint voor Frankrijk ook de periode van staatsvorming door centralisatie: het feodale stelsel werkte niet, dus gingen ze zich centraliseren: het streven van vorsten om hun hele gebied vanuit een hoofdstad te regeren. Dit kan door de opkomst van de nijverheid en de handel. Daarom kon de koning belastingen innen waardoor hij zelf een eigen leger kon inhuren, hij was niet meer afhankelijk van zijn leenmannen om hem soldaten te geven. Door belasting kon hij ook ambtenaren aanstellen die namens hem het gebied gingen besturen. In het hele land gelden dezelfde wetten: uniformering.





Bourgondië: staatsvorming door centralisatie:



De hertog van Bourgondië is in eerste instantie nog een leenman van de Franse koning. In de honderdjarige oorlog kiezen de hertogen van Bourgondië de Engelse kant. De Franse koning heeft de hertogen van Bourgondië nodig om te winnen, dus als zij zouden meehelpen zou Bourgondië een onafhankelijke staat mogen worden. Nu begint de centralisatie van Bourgondië en dat loopt hetzelfde als in Frankrijk. Ze veroveren steeds meer gebied, maar er komt veel verzet van steden tegen uniformering, omdat zij hun privileges niet kwijt willen raken, vooral Gent en Brugge. De Bourgondische hertogen weten hun wil door te drukken en het bourgondische rijk wordt ook steeds meer gecentraliseerd.





TIJDVAK 5: ONTDEKKERS EN HERVORMERS



De Europese expansie



Kenmerkend aspect: het begin van de Europese overzeese expansie.





De West-Europeanen hebben een beperkt wereldbeeld. Ze hadden alleen een goed beeld van Noord-Afrika, de Arabische wereld en Europa.



Europese expansie vanaf de 15e eeuw: Portugal en Spanje. Die beginnen ermee. Redenen voor de Europese expansie:




  • Economisch: de Europeanen wilden zelf op zoek naar de specerijen die ze nodig hadden, zoals zijde, goud, zilver enz. Ze werden over land tegengehouden, vandaar dat ze het over zee gingen proberen. Spanje en Portugal liggen het dichtst bij de kust van Afrika en Azië.

  • Politiek: kon uitbreiding van je macht en rijk betekenen.

  • Cultureel: verspreiding van het christendom en nieuwsgierigheid en zucht naar avontuur.





Met de ontdekkingsreis van Columbus begint de Spaanse verovering van Midden en zuid Amerika.



Spaanse conquistadores (veroveraars) koloniseren de rijken van de Azteken en de Inca’s. Gevolgen voor de indianen daar:







  • Onbedoeld: sterfte van veel indianen door Europese ziektes.

  • Indianen werden gekerstend

  • Indianen werden gedwongen tot arbeid, bijna tot slaaf gemaakt.








Tegen dit laatste punt kwam steeds meer protest, vooral van katholieke priesters. ‘Medechristenen konden niet zo behandeld worden.’ In 1542 kwam er een wet waarin stond dat de indianen gelijkgesteld moesten worden aan de Spanjaarden, maar volgens de Spanjaarden moesten er dan wel andere mensen op de plantages komen werken. Dit is het begin van de trans-Atlantische slavenhandel (slavenhandel over de Atlantische oceaan): import van Afrikaanse slaven vormt het begin van de driehoekshandel.



Driehoekshandel: Europeanen varen vanuit Europa naar de Afrikaanse westkust, waar ze goederen tegen slaven ruilen, ze worden over de oceaan gebracht om op de plantages en in de mijnen te gaan werken. De producten die de slaven hebben gemaakt worden weer naar Europa verscheept.





Renaissance en humanisme



Kenmerkend aspect: het veranderende mens- en wereldbeeld van de renaissance en het begin van een nieuwe wetenschappelijke belangstelling.





De middeleeuwen was een onderbreking geweest tussen de Grieken en de Romeinen en de renaissance, vandaar middeleeuwen. Die eindigden in 1500.





Noord-Italiaanse stadstaten: horen tot het rijk van de Duitse keizer en soms ook onder het gezag van de paus vallen. Ze maakte zich los van de keizer en de paus. Ze kregen een eigen bestuur en de rijkdom nam toe. Noord-Italië groeit uit tot een van de rijkste gebieden van Europa.





Er kwam een nieuw mensbeeld voor de bovenlaag van rijke handelaren:















Middeleeuwen



Renaissance



Memento mori: denk eraan dat je op een dag door zal gaan -> belangrijkste leven na de dood.



Carpe diem -> pluk de dag, geniet van het leven.






 Er kwam een nieuwe belangstelling voor het klassieke erfgoed (alles wat over is gebleven van de Grieken en Romeinen). Renaissance betekend wedergeboorte: wedergeboorte van de Grieken en de Romeinen. Het kwam terug in de kunst, de bouwkunst, de beelden, de geschriften. De kunst in de renaissance was dus architectuur en kunst op basis van de klassieke vormentaal.





In de renaissance kwam ook het humanisme sterk opzetten.



Humanisten: geleerden die op basis van de geschriften van de oude Grieken en Romeinen probeerden om de wereld beter te begrijpen. Ze gingen op zoek naar zo oud mogelijke teksten en die gingen ze vergelijken met de teksten uit hun eigen tijd. Als er dingen aangepast waren die volgens hun niet goed waren haalden ze dat eruit. Kenmerken:




  • Ze hadden een kritische denkhouding

  • Ze waren nieuwsgierig en je moest leven als een universele mens: van alles wat kennis hebben. Voorbeeld van de universele mens was Da Vinci.





Door de kritische denkhouding en nieuwsgierigheid komt er een nieuwe wetenschappelijke (rationeel) belangstelling: ze probeerden de wereld te verklaren op een rationele manier.





Een belangrijke gebeurtenis voor de humanisten was de verovering van Constantinopel (hoofdstand Oost-Romeinse/ Byzantijnse rijk) door de moslims in 1453. Omdat die stad zo lang is blijven bestaan hadden zij ook de beschikking over de geschriften vanuit de tijd van de Grieken en Romeinen. Veel mensen vanuit Constantinopel trokken naar de Noord-Italiaanse stadstaten vanwege de handelsmogelijkheden. Ze nemen veel Griekse en Romeinse geschriften mee. Hierom kan het humanisme zich ook verspreiden over de rest van Europa.





De kerkhervorming



Kenmerkend aspect: de protestantse reformatie die splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg had.





Vanaf de 13e eeuw komt er steeds meer kritiek op de geestelijkheid:




  • Kritiek op de paus: hij is aan het streven naar wereldlijke macht. Hij moest zich bezighouden met het geloof en niet met het bestuur en de wetten. Ook was hij bezig met het luxeleven, corruptie en rijkdom van de hoge geestelijkheid.

  • Kritiek op de parochiepriesters: ze hadden een slechte opleiding. Ze wisten soms niet eens wat nou het belangrijkste was in hun geloof.





Mensen die kritiek hadden op de christelijke kerk of die een ander geloof hadden werden vervolgd door de inquisitie.



Inquisitie: een kerkelijke rechtbank die niet katholieken (ketters) opspoort en veroordeelt.





Vanaf de 15e eeuw was het steeds moeilijker om de kritiek tegen te houden vanwege de boekdrukkunst. Zo kon de kritiek op de geestelijkheid snel verspreid worden. Gevolg hiervan was de kerkhervorming/reformatie: protestbeweging tegen misstanden en manieren van geloven in de katholieke kerk.
























Juiste manier van geloven



Katholieke kerk



Humanisten





Kerk bepaald de geloofsregels



De bijbel is de basis van het geloof





Geestelijkheid is nodig  voor contact tussen God en gelovigen.



De geestelijkheid was overbodig.






Erasmus was een belangrijke humanist in Nederland. Hij bestudeerde de middeleeuwse Latijnse bijbel (Vulgaat) en kwam tot de conclusie dat hij vol met fouten stond. Andere belangrijke humanisten waren Luther en Calvijn. Ze waren gelovig en hadden kritiek op de kerk: de kerk is niet bezig met het geloof, maar met bijgeloof, rijkdom en macht. Ze vonden dat de bijbel de basis was van het geloof. Ze vonden dat de kerk hervormd moet worden.





Erasmus bleef de paus trouw maar Luther en Calvijn waren het niet eens met de paus en stappen uiteindelijk uit de kerk. Dit is het begin van de strijd tussen de katholieken en protestanten.





















De verschillende standpunten tussen de katholieken en de protestanten:































Katholieken



Protestanten



De paus is de leider van de kerk



Er is geen aparte leider van alle protestantse groeperingen te samen



Alle ambten in de organisatie van de kerk worden vervuld door geestelijken



Alle taken in de kerk worden door leken vervuld, behalve het ambt van predikant.



Geestelijken mogen niet trouwen



Predikanten mogen trouwen



In de kerkdienst staat de eucharistieviering centraal (dood en wederopstanding van jezus met wijn en brood enz.)



In de kerkdienst staat de preek van de predikant over een Bijbeltekst centraal.



Geestelijke en heiligen zijn nodig als bemiddelaars tussen de gewone mens en God



Geestelijken en heiligen zijn niet nodig, iedereen kan zelf zijn weg naar God vinden.






Verschillen tussen Luther en Calvijn:





























Luther



Calvijn



Kerkdiensten



Verering van relikwieën is bijgeloof



Verering van relikwieën en heiligen, branden van kaarsen en orgelspel is bijgeloof.



Weg naar de hemel



Alleen door oprecht te geloven kon men in de hemel komen



Predestinatie: God heeft al bepaald of jij naar de hemel gaat. Door goed te leven liet jij zien dat God jou had uitgekozen



Politiek: rol van de vorst



‘Wiens gebied, wiens gebed’: vorst mag het geloof voor zijn onderdanen bepalen



Gelovige mag zelf zijn geloof bepalen. Als een vorst dit niet toestaat, mag de gelovige in opstand komen.






Gevolgen van de reformatie:




  • Godsdienstoorlogen in het Duitse rijk: de vorst mag het geloof voor zijn onderdanen zelf bepalen. Zo dachten de vorsten meer invloed te krijgen in hun eigen gebied. De Duitse keizer en de paus vonden dat niets en dat leidde tot godsdienstoorlogen. In 1555 komt de Vrede van Augsburg: vorsten mogen zelf bepalen of hun gebied katholiek of protestant is.

  • Contrareformatie door de katholieke kerk: ze gaan protestantisme bestrijden en verbetering van de misstanden in de katholieke kerk zodat er niet nog meer kritiek komt op de katholieke kerk.





De Nederlandse opstand



Kenmerkend aspect: het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van de Nederlandse staat.





In de 15e eeuw behoort de Nederlanden tot Bourgondië. Ze probeerden de Nederlanden te centraliseren. Daar kwam vanuit de Nederlanden verzet tegen omdat ze hun privileges zouden kwijtraken, maar lukt de Bourgondiërs toch om de uniformering door te voeren.



In 1515 behoren de Nederlanden tot het Spaans-Habsburgse Rijk. Karel V was toen aan de macht. Na zijn dood kwam Filips II aan de macht. Voordat Karel V aan de macht kwam was Nederland gewend om in elk gewest (17) zijn eigen regels en wetten te hebben, ze konden zelfs verschillen per stad. Er was ook een stadhouder aan het hoofd van een gewest en de adel en steden hebben allerlei privileges. Ook was er een toenemende invloed van het calvinisme. Aan al deze zaken probeerden eerst Karel V en daarna Filips II wat te doen. Karel V gaat het bestuur in de Nederlanden centraliseren. Karel V en Filips II waren fanatieke katholieken, dus ze gaan het protestantse geloof bestrijden door middel van de inquisitie. Dit zorgt voor een hoop onvrede. In de jaren 60 komt dit tot uitbarsting door een beeldenstorm. Protestanten gaan katholieke kloosters en kerken vernielen. Filips II was woest en stuurde de hertog van Alva + soldaten naar de Nederlanden. Hij richtte de raad van beroerten/Bloedraad op. Dit is een speciale tak van de inquisitie die gericht is op de beeldenstorm. Om dit en zijn leger te kunnen financieren stelde hij een speciale belasting (tiende penning) in. Willem van Oranje besluit op dat moment de Nederlanden te ontvluchten en vlucht naar het Duitse Rijk (Willemburg). Samen met zijn broers begint hij plannen te maken om Alva uit de Nederlanden te krijgen. Hij wordt de leider van de Nederlandse opstand/ tachtigjarige oorlog (1568-1648).  In 1568 begint de opstand met de Slag bij Heiligerlee: legers opstandelingen raken slaags met het leger van Alva. In 1572 wordt Den Briel ingenomen door de Geuzen. Dit is de eerste overwinning door de opstandelingen. Hierna sluiten steeds meer steden zich op de opstandelingen aan. In 1576 is de Spaanse furie: de soldaten van Alva hadden al een paar maanden geen loon meer gekregen. De soldaten trekken weg uit Holland en trekken naar de rijke Vlaamse handelssteden. Daar gaan ze plunderen. De gewesten die zich nog niet bij de opstand hadden aangesloten keerden zich nu tegen de Spanjaarden. Dat gebeurde in de pacificatie (vredesluiting) van Gent. De zuidelijke gewesten waren bang dat zij, als katholieke gewesten, ook uiteindelijk protestants zouden worden, zoals de noordelijke gewesten. In 1579 stappen de drie zuidelijke gewesten uit de pacificatie van Gent en sloten de Unie van Atrecht en sluiten zich dus weer aan bij de Spanjaarden. De overige gewesten sluiten de Unie van Utrecht in 1579. Omdat Calvijn had gezegd dat, als je vorst je onderdrukte op geloofsgebied, je in opstand mag komen, doet de Unie van Utrecht dat nu tegen Filips II. Dat doen ze door de Acte van Verlating, daarin erkennen ze Filips II niet meer als hun vorst. Ze besluiten zonder landsheer/vorst verder te gaan: Republiek der Zeven verenigde Nederlanden (1588). In de jaren 1609-1621 was het Twaalfjarig bestand: tijdelijke vrede tussen Spanje en de Republiek. In 1648 wordt er vrede gesloten in Munster (vrede van Munster) en Filips II erkent voor het eerst de Republiek en zijn onafhankelijkheid. 





TIJDVAK 6: REGENTEN EN VORSTEN



Handel overzee



Kenmerkend aspect: wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.





In de 16e en 17e eeuw komt in de republiek het handelskapitalisme op.



Kapitalisme: een economisch systeem met als belangrijkste kenmerken winststreven, privébezit en concurrentie.



Een handelaar wil zo veel mogelijk winst maken. Door een deel van je winst te herinvesteren in je bedrijf maak je nog meer winst. Dit gaat zo door. Dit is het kapitalisme. Dit gaan de Nederlandse handelaren doen, vooral in de overzeese handel. Amsterdam groeit uit tot de grootste stapelmarkt van Europa, omdat Antwerpen (eerst belangrijkste handelsstad) in de handen van de Spanjaarden valt. De opstandelingen sloten de rivieren naar Antwerpen af zodat er geen schip meer Antwerpen in of uit kon. De Antwerpse handelaren kwamen naar Amsterdam.



Stapelmarkt: een plaats waar aangekochte goederen waar nog geen koper voor is worden opgeslagen in pakhuizen totdat iemand ze goedkoper aanbiedt of de prijzen zich gunstig hebben ontwikkeld zodat ze weer doorverkocht kunnen worden.



De belangrijkste handel in de Republiek vindt vooral plaats in de zeegewesten: Holland en Zeeland. De belangrijkste handel vindt plaats met het Oostzeegebied. De Republiek gaat ook deelnemen aan de wereldeconomie: een economie waarbij goederen uit verschillende delen van de wereld onderling worden verhandeld. Hiervoor worden twee grote bedrijven opgericht: de VOC (1602) en de WIC (1621).



De VOC is het enige bedrijf dat in het gebied rond Azië mag handelen.



De WIC richt zich vooral op de handel met West-Afrika en Amerika.



































VOC



WIC



Monopolie op Nederlandse handel met Azië



Monopolie op Nederlandse handel met West-Afrika en Amerika.



Belangrijkste producten: specerijen (zijde, porselein)



Belangrijkste producten: zilver, slaven en plantageproducten



Omdat de VOC winst moest blijven maken om de reizen te kunnen bekostigen begonnen ze met het uitgeven van aandelen.



Kapitaal via aandelen



Krijgt ook politieke zeggenschap: bestuur over overzeese handelsposten en koloniën.   Konden ook verdragen afsluiten met vorsten in Azië.



Omdat de WIC in gebieden kwam waarin Spanje heerste kregen ze de opdracht Spaanse schepen te kapen. Ze hadden het bestuur over overzeese handelsposten en koloniën en konden ook verdragen afsluiten.



Eigen soldaten



Eigen soldaten






De opbloei van de handel zorgt voor een opbloei van de gehele economie. Er zijn schepen en andere producten nodig voor de handel, waardoor de nijverheid opbloeit. Mensen gaan zelf gewassen verbouwen, de producten daarvan kunnen verkocht worden. Deze eeuw (17e eeuw) wordt de gouden eeuw genoemd. Andere landen zijn jaloers en proberen de Nederlandse handel dwars te zitten door middel van mercantilisme: economisch stelsel dat de bestaansmiddelen in het eigen land wil verstreken door de export van de eindproducten te bevorderen en de import van buitenlandse producten tegen wil houden, zoals importtarieven.





De gouden eeuw



Kenmerkend aspect: de bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlands Republiek.





Bestuur in de Republiek:




  • Decentraal bestuur: de macht is verdeeld.

  • Particularisme: gewesten en steden streefden vooral hun eigen belang na

  • Macht in handen van de regenten: burgers uit de steden -> burgerlijk karakter.



Het belangrijkste gewest was Holland, daar woonde de meeste mensen en daar werd ook het meeste geld verdiend



Generaliteitslanden: gebieden die na 1588 nog veroverd zijn op de Spanjaarden.





Omdat het in die tijd goed ging met de economie ging het ook goed met de welvaart. Die was relatief hoog:







  • Lage werkloosheid

  • Armenzorg (of arbeidsongeschikt)








Er was ook een culturele bloei. Dat zie je vooral terug in de schilderkunst. Waarom bloeit deze op: er waren veel schilders die veel vraag hadden naar schilderijen. Door de hoge welvaart wilden mensen vaak schilderijen hebben. Ook de literatuur en wetenschap bloeide op: wetenschappelijke revolutie.



In de Republiek, met betrekking op de godsdienst, kwam er gewetensvrijheid: je werd niet vervolgd vanwege je geloof, maar niet ieder geloof had dezelfde rechten. Calvinisme was de belangrijkste stroming en zij hadden ook de meeste rechten. Je werd alleen maar bestuurder in de Republiek als je calvinist was.











 





                                                              Staten-Generaal



                      Geeft advies aan           *Defensie



                                                              *Buitenlands beleid



                                                              *Bestuur van de



                                                              Generaliteitslanden



     Raadspensionaris



     *Secretaris van de                                                                 Stadhouder



       Staten-Generaal                                                                  * opperbevelhebber



     *Contacten met het         sturen vertegenwoordigers               van leger en vloot



       buitenland                     naar en betalen belasting              * toezicht op                                         aan



                                                                                                        rechtspraak





benoemt





                                 Gewestelijke staten



                     * Eigen bestuur



                      * Eigen rechtspraak




 



                            sturen vertegenwoordigers naar en 



                                     betalen belasting aan









                  Graafschappen                  vroedschappen

                adel op het platteland           regenten in de steden









Absolute macht



Kenmerkend aspect: het streven van vorsten naar absolute macht





Vanaf middeleeuwen streven Franse vorsten naar centralisatie. Onder Lodewijk XIV (1638-1715) komt deze centralisatie tot zijn hoogtepunt. In 1643 sterft zijn vader, dan is hij 5 jaar. Eigenlijk is hij dan al koning.  Zijn moeder regeert tot 1661, want dan wordt Lodewijk koning. Hij groeit uit tot de machtigste vorst van Europa. Frankrijk was erg onrustig tijdens zijn jeugd. De katholieken stonden tegenvoer de protestanten en er waren opstanden van de adel. Uitspraak van hem: ‘l’état, c’est moi’’ -> de staat, dat ben ik. Hij was een absoluut vorst: een staatsvorm waarbij de koning alle macht heeft en alleen aan god verantwoording hoeft af te leggen. Er werd gezegd dat de koning het ‘droit divin’ had: goddelijk recht om als absoluut vorst te regeren. God had hem aangewezen als koning van Frankrijk.





Hoe krijg hij zo veel macht:



















Politiek



Minder afhankelijk van de adel




  • Ambtenaren hielden toezicht en voerden het bestuur

  • Het leger werd omgevormd tot een beroepsleger (grootste en sterkste leger van Europa)

  • Adel werd verplicht om een gedeelte van het jaar in Versailles te verblijven: daar werden ze vermaakt en zouden ze niet in opstand komen



Economie



Mercantilisme: economisch stelsel dat de bestaansmiddelen in het eigen land wil verstreken door de export van de eindproducten te bevorderen en de import van buitenlandse producten tegen wil houden, zoals importtarieven.



Cultuur



Hij was zelf katholiek, er kwam een einde aan de godsdienstvrijheid van de protestanten (hugenoten): herroeping van het Edict van Nantes. Alleen het katholieke geloof is nog toegestaan.



Ook ging hij investeren in kunst en wetenschap: oprichting koninklijke academies: de beste mensen op dat gebied kwamen bijeen en konden zich ontwikkelen.








De wetenschappelijke revolutie



Kenmerkend aspect: de wetenschappelijke revolutie





Wetenschap: het opdoen van kennis/theorie op basis van experimenten, waarneming en gebruik van het verstand. Tot 17e eeuw waren er veel belemmeringen voor de wetenschap:




  • Vertrouwen in filosofen zoals Plato en Aristoteles. Als zij altijd gelijk hadden kwam je zelf niet met nieuwe ideeën.

  • Behoudende visie van de kerk: als je als wetenschapper iets publiceerde wat in strijd was met de bijbel dan kon je opgepakt worden door de inquisitie.





In de 17e eeuw komt daar verandering in: ze willen door middel van de wetenschap aantonen hoe god de wereld gemaakt heeft. Het humanisme gaf de eerste aanzet voor de wetenschappelijke revolutie.



Humanisten: geleerden die heel kritisch naar oude teksten gingen kijken. Kenmerken:




  • Kritische denkhouding

  • Nieuwsgierigheid-> universele mens





In de 17e eeuw volgt de wetenschappelijke revolutie doordat er aan dat humanisme een systematische beoefening van de wetenschap wordt toegevoegd: afspraken over hoe iedere moderne wetenschapper zijn vak zou moeten beoefenen.




  • Observatie: zelf onderzoeken/bestuderen hoe iets in elkaar zat

  • Empirie: zelf experimenteren, ervaring.

  • Logica





De wetenschappelijke revolutie werd gestimuleerd door:




  • Instrumenten waardoor de wetenschap makkelijker gemaakt werd (bv. microscoop)

  • Tijdschriften: communicatie tussen wetenschappers nam toe. Nieuwe ontdekkingen/proeven werden daarin beschreven.

  • Academies: net als Lodewijk XIV -> beste wetenschappers bij elkaar.





Bij de wetenschappelijke revolutie onderzocht men hoe de wereld in elkaar zat, ze hielden zich bezig met de astronomie, biologie en natuurwetenschappen enz. Ze kwamen erachter dat veel zaken leken te voldoen aan natuurwetten.











TIJDVAK 7: PRUIKEN EN REVOLUTIES



De verlichting



Kenmerkend aspect: rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek en sociale verhoudingen.





Rationalisme: vertrouwen op de rede/ het verstand. Dat begon al bij de Grieken en kwam terug bij de renaissance en de filosofen.





De wetenschappelijke revolutie is de aanloop naar de verlichting. Kwam op in de 18e eeuw. Ze wilden de manier van onderzoeken van de wetenschappelijke revolutie gebruiken voor alles.



Verlichting: stroming van geleerden die meende dat alles met behulp van het verstand kon worden verklaard. Dat zou bijdragen aan de vooruitgang van de samenleving. Kenmerken:




  • Groot vertrouwen in rationeel denken

  • De wetenschappelijke manier van onderzoeken kon gebruikt worden voor alle terreinen van de samenleving

  • Door de verlichting was grote maatschappelijke vooruitgang mogelijk.





Voorbeelden van verlicht denken:




  • Religie: Voltaire. Was voor tolerantie en godsdienstvrijheid. Hij twijfelde aan het belang van de geestelijkheid. Hij geloofde in het deïsme: god heeft de wereld gemaakt, maar hij heeft er geen invloed meer op.

  • Politiek: Voltaire. Hij was voor een (verlichte) absolute vorst om het domme volk te regeren.



Rousseau: volkssoevereiniteit: alle macht ligt bij het volk. Was voor een sociaal contract: afspraken die gelden voor de hele bevolking.



Lo>Montesquieu: trias politica: scheiding van de machten voorkomt machtsmisbruik.




  • Sociale verhoudingen: Rousseau: tegen standensamenleving van het ancien régime: mensen zijn van nature gelijkwaardig aan elkaar.

  • Economie: Smith: zoveel mogelijk vrijheid in de economie: vrijhandel en weinig bemoeienis van de overheid.





Verlichte ideeën werden verspreid via:




  • Brieven van verlichte denkers waarin ze hun ideeën opschreven en discussieerden met elkaar.

  • Boeken: encyclopédie: alle kennis van de verlichte denkers werden hierin verzameld.

  • Salonbijeenkomsten: bijeenkomsten die georganiseerd werden door rijke mensen in hun huis waarbij gediscussieerd werd.



In het begin was de gewone bevolking bijna niet op de hoogte van de verlichte ideeën.





Verlicht absolutisme



Kenmerkend aspect: voortbestaan van het Ancien régime met pogingen het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme).





Verlicht absolutisme: regeringsvorm waarbij de vorst probeert om met verlichte ideeën zijn bestuur te verbeteren, maar wel alle macht blijft houden. Frederik de Grote was een verlicht absoluut vorst: vorst van Pruisen. Hij zei: ‘alles voor het volk, niets door het volk.’













Maatregelen:




  • Godsdienstige verdraagzaamheid: geen godsdienstveroordelingen

  • Introductie aardappel als volksvoedsel: iedereen kreeg het hierdoor beter -> goedkoop

  • Droogleggen moerassen voor nieuwe landbouwgrond: lot van de bevolking verbeteren.





Andere voorbeelden verlichte absolute vorsten: Catherina de Grote (Rusland) en Jozef II (Oostenrijk).





De standensamenleving bleef bestaan: verdeling bevolking in drie groepen: geestelijkheid, adel en de boeren en burgers. De rechten lagen bij de geestelijkheid en de adel en de plichten bij de boeren en burgers. De standen lagen bijna altijd vast. Sociale mobiliteit was niet mogelijk -> het was niet mogelijk om van stand naar stand te gaan. De Franse standensamenleving was het Ancien Régime: oude orde voor de Franse revolutie (1789).





Slavernij en abolitionisme



Kenmerkend aspect: uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme.





16e eeuw: Spanje verovert grote koloniën in Amerika die ze gebruiken voor de landbouw en de mijnbouw.



17e eeuw: Engeland, Frankrijk en de Republiek gaan deelnemen aan de wereldeconomie. De Spaanse mijnen raken uitgeput waardoor de landbouw steeds belangrijker wordt. Hierdoor komen de plantagekoloniën op: overzees Europees gebiedsdeel met grote landbouwbedrijven. Vaak werden hier slaven tewerkgesteld. Zij zorgen voor de opkomst van trans-Atlantische slavenhandel: handel van zwarte slaven van Afrika naar Amerika. Dit was een deel van de driehoekshandel: Europeanen varen vanuit Europa naar de Afrikaanse westkust, waar ze goederen tegen slaven ruilen, ze worden over de oceaan gebracht om op de plantages en in de mijnen te gaan werken. De producten die de slaven hebben gemaakt worden weer naar Europa verscheept. Veel slaven stierven tijdens de overtocht. Ze werden heel slecht behandeld. Als ze bij hun eigenaar kwamen werd het er vaak niet beter op. In de 18e eeuw komt er steeds meer protest tegen de behandeling van de slaven. Dit heeft te maken met de opkomst van de verlichting. Voltaire en Montesquieu keerden zich tegen de slavernij en waren echt van het gelijkheidsdenken: ‘am I not a man and a brother.’ De beweging die zich tegen de slavernij keert heet het abolitionisme. Ze streven naar afschaffing van de slavernij en de slavenhandel.





Democratische revoluties



Kenmerkend aspect: de democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.





Democratische revolutie: verandering in het bestuur van een land, waardoor het volk meer macht krijgt ten koste van de macht van de koning. Deze verandering wordt vastgelegd in een grondwet.



De bevolking komt in opstand omdat ze meer macht willen hebben, ze krijgen meer macht en in de grondwet worden afspraken gemaakt over hoe de macht verdeeld moet worden. De revoluties vinden plaats aan het einde van de 18e eeuw. De eerste in Amerika: Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog (1775-1783). Deze revolutie vormt een inspiratie voor Nederlandse verlichte denkers en daardoor komt er een Bataafse revolutie (1795-1806). Deze worden geholpen door Franse revolutionairen, in Frankrijk was de revolutie ook al uitgebroken (1789-1799).



Grondwet: wet waarin staat hoe een land geregeerd wordt en wat de rechten en plichten van de burgers zijn.



Staatsburger: iemand die burgerrechten in een staat heeft. De belangrijkste rechten worden vastgelegd in de grondwet en worden grondrechten genoemd: vrijheidsrechten die burgers beschermen tegen een oneerlijke behandeling door de overheid of door andere burgers.



De democratische revoluties vonden plaats onder invloed van de verlichting. In de grondwet vond je ideeën terug van Rousseau, Locke en Montesquieu.





Amerikaanse revolutie: op de Amerikaanse oostkust liggen dertien Amerikaanse koloniën, waarin veel vrijheid is in het bestuur, maar George III wil de macht steeds meer naar zich toetrekken. Hij is betrokken met een oorlog tegen o.a. Frankrijk, waarin de koloniën ook in worden meegetrokken. Hij wil de belastingen gaan verhogen om de oorlog te kunnen betalen. De koloniën zeiden dat ze alleen belasting gingen betalen als ze inspraak kregen in het bestuur: ‘no taxation without representation.’ In 1773 was de onvrede zo hoogopgelopen dat een lading van Engelse schepen die in de haven van Boston liggen in het water wordt gegooid. Dit is het startsein van de revolutie. Dit leidt in 1776 tot de onafhankelijkheidsverklaring: ieder mens heeft recht op rechten (idee Locke). In 1783 wordt er vrede gesloten tussen Engeland en de koloniën: officieel onafhankelijk. De vraag was hoe ze nu hun land gingen besturen, er kwam een nieuwe grondwet in 1789. Ook de ideeën van Montesquieu (trias politica) kwamen terug.





Bataafse revolutie: in de loop van de 18e en 19e eeuw had de stadhouder steeds meer de macht naar zich toegetrokken. Daar kwam kritiek op van de patriotten: mensen die onder invloed van de verlichting een ander, moderner, bestuur wilden. Ze waren het niet eens met:




  • De stadhouder (Willem V) ging zich steeds meer als vorst gedragen.

  • Welvaart in de Republiek neemt af





In 1781 laten de patriotten voor het eerst wat van zichzelf horen als het pamflet ‘aan het volk van Nederland’ verschijnt. Ze roepen op tot de modernisering van het bestuur op basis van verlichte ideeën. Er kwam een burgeroorlog (1784-1787) tussen de patriotten en de mensen die achter de stadhouder stonden. De stadhouder wint en de patriotten moeten vluchten, vooral naar Frankrijk. In 1795 komen ze terug met een Frans leger en dan weten ze wel de stadhouder de verslaan. De Bataafse Republiek wordt uitgeroepen. In 1798 kwam er een grondwet. Ook daar zaten verlichte ideeën in verworven: Algemeen kiesrecht voor mannen (Locke) en trias politica (Montesquieu. In 1806 komt er een einde aan de Bataafse Republiek (rommelig) door de overname van de macht door Napoleon.





Franse revolutie: het ancien régime bestond nog. De derde stand was er ontevreden:







  • Oplopende staatsschuld: dure hofhouding, oorlogen enz.

  • Hoge belastingen die betaald werden door de derde stand

  • Misoogst in 1787 en 1788

  • Lodewijk XVI wil de staatsschuld verminderen en wil de belasting verhogen








Om toch tot een oplossing te vinden roept hij in 1789 de Staten-Generaal bijeen. Daarin zaten vertegenwoordigers van de eerste, tweede en derde stand. De derde stand was niet tevreden omdat er per stand gestemd zou worden. Ze stappen uit de Staten-Generaal en richten hun eigen Nationale vergadering op: zou niet uit elkaar gaan voordat er een grondwet zou zijn. De bevolking van Parijs gaat achter de Nationale Vergadering staan (bestorming van Bastille). In heel Frankrijk komen er nu mensen in opstand. Ze kwamen met ‘verklaring van rechten en plichten van de mens en burger’, waarin verlichte ideeën in opgenomen waren. Ideeën van Rousseau (afschaffen ancien régime) en Locke (bescherming van de natuurlijke rechten). Omdat de nationale vergadering veel invloed heeft moet de koning er wel naar luisteren. Er kwam een grondwet in 1791, waarin veel recht van de koning wordt weggepakt. De koning heeft vanaf dat moment alleen nog de uitvoerende macht. Er komt ook censuskiesrecht: mensen die belasting betaalden mochten stemmen en de trias politica. Het blijft erg onrustig in Frankrijk. Voor de radicale revolutionairen gaat de opstand niet ver genoeg. Zij grijpen de macht: Terreur (1793-1994). Hun leider, Robbespierre, komt zelf ook onder de guillotine terecht. De rust wordt hersteld in Frankrijk en in 1795 komt er een nieuwe grondwet (minder democratisch). Andere landen, waar de vorsten nog wel aan de macht zijn, proberen Frankrijk terug te dringen. In 1799 doet Napoleon een staatsgreep en hij grijpt de macht. Hij schaft de democratie af en heeft het alleenrecht. De mensen vinden het op dat moment prima omdat de rust in Frankrijk weer is teruggekeerd. Napoleon krijgt veel tegenstand omdat hij heel Europa wil veroveren. In 1815 wordt hij verslagen bij de slag van Waterloo. Er komt definitief een einde aan de periode van democratische revoluties en van de grote politieke veranderingen in Europa. De oude orde wordt zelfs hersteld door vorsten.





TIJDVAK 8: BURGERS EN STOOMMACHINES



De industriële revolutie



Kenmerkend aspect: de industriële revolutie die de basis legde voor een industriële samenleving.





De industriële revolutie vond niet plaats in een korte tijd maar had wel enorme en onomkeerbare gevolgen.



De industriële revolutie begon in Engeland. Er ware grote veranderingen in Engeland vanaf 1750, vooral in de textielnijverheid. Daar werden veel nieuwe uitvindingen gedaan, wat leidt tot een gemechaniseerde productie. Er is dus behoefte aan een stabiele energiebron en aan arbeiders. Ook vinden er veranderingen in de landbouw plaats. Je kunt weer spreken van een agrarische revolutie, waardoor er meer voedsel en een grotere bevolking komt. Ook dit zorgt voor een grotere vraag naar kleding. Er wordt meer voedsel geproduceerd maar door de vernieuwingen zijn daar minder mensen voor nodig. Er is een overschot aan landbouwarbeiders. Er was wel een grotere vraag naar textielarbeiders. De landbouwarbeiders konden daar gaan werken. De nieuwe machines in de textielnijverheid werden aangedreven door waterkracht, waardoor ze alleen aan het water konden liggen, waar ze ook nog eens afhankelijk waren van de waterkracht.



In de mijnbouw werd er al gebruik gemaakt van een stoommachine. Hij was wel heel traag en had veel brandstof nodig. James Watt verbetert de stoommachine, waardoor de mijnbouw verbetert maar hij wordt ook gebruikt in de textielnijverheid. Deze stoommachine kan de waterkracht vervangen. Ook kan de stoommachine in andere takken van de economie worden gebruikt en dan spreken we van de industriële revolutie (1775-1850). Er zijn er twee:


























Eerste industriële revolutie (1775-1850)



Tweede industriële revolutie (1850-1900)



Energie



Steenkool



Elektriciteit en olie



Materiaal



IJzer



Staal






De industriële revolutie had grote economische gevolgen:







  • Huisnijverheid wordt verdrongen door fabrieksarbeid

  • Enorme toename van de productie

  • Dalende prijzen van de producten

  • Landbouw stedelijke samenleving wordt een industriële samenleving








In de industriële samenleving wordt het voornaamste middel van bestaan de industrie. Er komt een snelle bevolkingsgroei en urbanisatie: veel mensen trekken naar de industriesteden. Ook nemen de vervoersmogelijkheden toe: treinen en stoomschepen. Dit zorgt voor een transportrevolutie. Ook worden de inkomensverschillen tussen rijk en arm groter.



Politiek-maatschappelijke stromingen



Kenmerkend aspect: de opkomst van de politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme.





In de Franse revolutie kreeg het volk meer invloed. Na 1815 wordt de macht bij de bevolking weggehaald. De standensamenleving is wel verdwenen. Er kwam wel een nieuwe stand door de industriële revolutie: de arbeidersklasse. Er is nu een klassensamenleving: sociale mobiliteit is mogelijk: je kunt je omhoogwerken en ook omlaag zakken.

























Feminisme



















Nationalisme



















liberalisme







                                                              Adel+















Confessionalisme







                                                            Gegoede



                                                            Burgerij





                                                    Burgerij (middenklasse)





















Socialisme







                                                  Arbeidersklasse:





                                                Geschoolde arbeiders




 

                                             Ongeschoolde arbeiders                                                                                                                      









Liberalisme: de ideeën van de verlichting, die terugkwamen in de onafhankelijkheidsverklaring en de verklaring van de rechten van de mens en burger vormen de basis van het liberale denken. Het is de eerste politieke stroming die uitkomt in de 19e eeuw. Uitgangspunten:




  • Vrijheid van het individu: wanneer iemand vrij is kan hij zich zoveel mogelijk ontwikkelen. De overheid moet dit bevorderen en ook in de economie moet ze vrij zijn

  • Politiek: grondwet: beperking van de macht van de koning: beperkt de vrijheid van het individu. In de grondwet moeten de burgerrechten gegarandeerd worden. Er moet ook gelijkheid zijn voor de wet. Een volksvertegenwoordiging moet ervoor zorgen dat de koning niet te veel macht heeft.

  • Economie: particulier bezit. Er moet ook vrijhandel zijn. De overheid moet zich zo min mogelijk bemoeien met de economie.

  • Cultureel: vrijheid van denken en geen censuur: ieder idee zou geuit moeten worden. Ze zijn voor tolerantie van de godsdienst.





Socialisme: komt uit de industriële revolutie. Er ontstaat een arbeidsklasse en daar komt het socialisme voor op. Karl Marx is er de bedenker van. Hij zag dat de arbeidersklasse het slecht had, en de fabrieksbazen hadden het juist heel goed. Er kwam een klassenstrijd: de fabrieksbaas wil de lonen zo laag mogelijk houden zodat hij zelf zo veel mogelijk overhoudt. De winst gaat niet naar de arbeiders. De fabrieksbaas kreeg het steeds beter, terwijl de arbeiders daar niets van merkten. Karl Marx schreef het communistisch manifest, wat de basis werd van het socialisme. Het doel was gelijkheid en gelijkwaardigheid voor de arbeidersklasse. Ze wilden betere woon- en werkomstandigheden voor hun.



Marx was erg radicaal, hij kwam met het idee wat later het communisme werd genoemd.  Een andere socialistische stroming is de sociaaldemocratie.



Communisme: onderwerping van het kapitalisme via een gewelddadige revolutie: de arbeiders zouden het op een gegeven moment zat zijn en opkomen tegen de bazen via een gewelddadige revolutie. Deze bleef in de 19e eeuw uit, de arbeiders kregen het in de tweede helft van de 19e eeuw langzamerhand beter. Het communisme wil de gelijkheid snel verkrijgen. Ze zijn wat radicaler.



Sociaaldemocratie: omdat het wat beter ging gingen mensen denken dat zo’n revolutie niet nodig was. Ze wilden gelijkheid van de arbeiders krijgen door gebruik te maken van de democratie: kiesrechtuitbreiding en sociale wetgeving. Beide stromingen wilden hetzelfde, alleen willen de sociaaldemocraten deze gelijkheid stapsgewijs verkrijgen. Ze zijn wat gematigder. Ze organiseerden zich steeds meer in politieke partijen. Kiesuitbreiding zou voor meer sociale wetgeving zorgen.





Nationalisme: dit komt al terug bij de opstand bij Willem van Oranje. In de 19e eeuw kwam het echt op. Dit komt onder andere door de romantiek (eerst helft 19e eeuw). Ze waren het niet eens met de verlichting. Ze vonden dat mensen meer waren dan alleen het brein, gevoelens zijn belangrijker dan gedachten. Dat komt terug in de kunst. Het nationalisme is vooral een gevoel, het komt uit de stroming romantiek. Het is een voorliefde voor het eigen volk (en de eigen natie). Er zijn twee vormen van het nationalisme:




  • Cultureel: een eigen taal maakt een volk tot een eenheid. Ieder volk heeft een eigen cultuur (ander karakter). De geschiedenis is belangrijk (voor NL gouden eeuw).

  • Politiek: ieder volk heeft recht op een eigen natiestaat: een eigen land met een eigen bestuur met duidelijke eigen grenzen.  





De eenwording van Duitsland (1871): tot 1871 bestaat het Duitse rijk uit losse staatjes. Ze spreken wel allemaal dezelfde taal maar hebben wel allemaal een eigen bestuur. Pruisen is de grootste staat. Er kwamen daar spoorlijnen, maar ze stuitte op een probleem. Er waren grenzen, waardoor ze steeds met de handel invoerrechten moesten betalen. Daar wil Pruisen vanaf. Ze industrialiseert en wil af van invoerrechten bij grensovergangen. In 1834 wordt Zollverein opgericht: producten die vervoerd worden tussen de Duitse staatjes hoeven niet per se meer gecontroleerd te worden. Er komt een economische samenwerking. Otto von Bismarck, rijkskanselier van Pruisen, wil één groot Duits rijk. Hij wilde iedereen achter zich krijgen en oorlog was daar een goed middel voor. Pruisen lokt een oorlog uit met Denemarken en Oostenrijk. Deze worden beide gewonnen door Pruisen (en wat andere Duitse staatjes).



In 1866 wordt de Noord-Duitse bond opgericht. Omdat ze zuidelijke staten daar nog niet bij horen lokt von Bismarck een nieuwe oorlog uit met Frankrijk. In 1871 komt er een einde tussen de Frans-Duitse oorlog (Pruisen wint) en Duitsland wordt een eenheid.





Feminisme: er kwam kritiek op ‘de verklaring van de rechten van de mens en burger’ door Mary Wollstonecraft. De vrouw wordt nergens genoemd. Ze willen een gelijkwaardige positie van de vrouw in de maatschappij:




  • Politiek: gelijkheid voor de wet: kiesrecht.

  • Economie: gelijke kansen op de arbeidsmarkt

  • Sociaal: gelijke rechten op onderwijs en opleiding om sociaal op te kunnen klimmen

  • Cultuur: tegen de dubbele seksuele moraal: mannen konden alles maken ten opzichte van de vrouw, maar als de vrouw dat deed werd ze negatief neergezet.



Ze willen vooral kiesrecht voor de vrouw, want als dat lukt komen er uiteindelijk wetten waardoor de positie van de vrouw in de maatschappij zal verbeteren. Ze mochten geen politieke partij oprichten maar er kwamen wel verschillende organisaties om zo de druk op de regering op te voeren.





Confessionalisme: vooral veel aanhangers in Nederland en Duitsland. Ze richtte zich in eerste instantie op het onderwijs. Er was vrijheid voor onderwijs, maar er werd onderscheid gemaakt tussen openbaar onderwijs en ‘bijzonder onderwijs’: godsdienst. Bijzondere scholen waren in die tijd vaak katholieke en protestantse scholen. De overheid gaf alleen subsidie aan het openbaar onderwijs, niet aan het bijzonder onderwijs. De confessionelen waren het daar niet mee eens, er kwam een schoolstrijd: financiële gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs. Hierdoor komen de katholieken en protestanten in Nederland dichter bij elkaar. Het leidt ook tot protestantse en katholieke verzuiling en tot de oprichting van confessionele politieke partijen. Door de verzuiling kregen die politieke partijen veel aanhangers: de katholieken stemden alleen op katholieke politieke partijen enz.



Confessie: geloof. Gaat vooral over de katholieken en protestanten, die een samenleving willen op basis van religieuze normen en waarden.




  • Politiek: tegen de liberale scheiding van kerk en staat: een van de redenen waarom het confessionalisme ontstaat.

  • Grote angst dat de arbeidersklasse zich losmaakt van het geloof en zich bijvoorbeeld gaat aansluiten bij het socialisme.

  • Cultuur: rol van het geloof moet belangrijk blijven in de maatschappij, dat moet je bijvoorbeeld terugzien in het onderwijs (les religieuze normen en waarden)





Democratisering



Kenmerkend aspect: voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politiek proces.





In 1815 is het Koninkrijk der Nederlanden een constitutionele monarchie: een land met een grondwet en een koning aan het hoofd (Willem I). Hij bestuurt als een verlichte absolute vorst. Hij kan het parlement ontbinden, de ministers benoemen en ontslaan en zelf zijn eigen wetten aannemen: koninklijke besluiten. Dit blijft zo tot 1848: het revolutiejaar. Er is onvrede en honger in Nederland en Willem II was bang dat de bevolking in opstand ging komen. Daarom schakelde hij Thorbecke in om een grondwetswijziging toe te passen. Hier komen veel liberale ideeën in voor, zoals vrijheid van onderwijs en vrijheid van vereniging en vergadering. Verdeling van de macht door de nieuwe grondwet:





























Koning:



Bleef lid van de regering, maar werd onschendbaar verklaard: koning kan niet aan worden gesproken op een wet die de regering heeft gemaakt.



Ministers:



Zijn verantwoordelijk voor de wetten. Ze krijgen ministeriële verantwoordelijkheid: zij krijgen veel meer invloed en de macht van de koning werd weggehaald.



Parlement



Was al verdeeld in een eerste en tweede kamer.



Eerste kamer



Werd gekozen door provinciale staten (die weer werden gekozen door middel van verkiezingen).



Tweede kamer



Werd rechtstreeks gekozen door burgers met censuskiesrecht. Mag ook ministers ontslaan. Hiermee krijgt het volk meer macht.








Censuskiesrecht: alleen mensen die minimaal een bepaald bedrag aan belasting betaalden mochten stemmen. Het was dus niet democratisch. Alleen een klein gedeelte van de gegoede burgerij mocht stemmen -> alleen mannen. Eind 19e en begin 20e eeuw werd het kiesrecht uitgebreid: democratisering: groei van de invloed van de bevolking in politiek en samenleving door uitbreiding van het kiesrecht. Vanaf 1870 komen er stromingen die hiervoor opkomen: links-liberalen en socialisten. In 1887 kwam er een nieuwe grondwet waarin het kiesrecht werd uitgebreid. In 1896 werd de kieswet echt aangepast, bepaalde diploma’s of een huis met een bepaalde waarde bepaalde of jij mocht stemmen. Dit waren nog steeds alleen de mannen. Vanaf 1900 kwam het feminisme op gang en ze kregen samen met de socialisten en de links-liberalen een succes in 1917: de pacificatie: vredesluiting op een aantal belangrijke politieke onderwerpen in Nederland: kiesrecht, schoolstrijd en sociale kwestie. Er kwam algemeen mannenkiesrecht: ze mogen stemmen en er mag op hun gestemd worden. Ook kwam er passief vrouwenkiesrecht: ze mogen niet stemmen maar mogen wel gekozen worden. In 1919 komt er algemeen vrouwenkiesrecht.



De confessionelen waren het daar niet zo mee eens, maar om hun zin te krijgen voor de financiële gelijkstelling voor het openbaar en bijzonder onderwijs besloten ze om toe te geven aan de eisen van de socialisten en vrijzinnige liberalen. Door de stapsgewijze uitbreiding van het kiesrecht is er vanaf 1900 al een verbetering te zien bij de omstandigheden van de arbeiders. De democratisering in Nederland is voltooid.





De emancipatiebewegingen



Kenmerkend aspect: de opkomst van de emancipatiebewegingen.





Emancipatiebeweging: een beweging die naar gelijkberechtiging streeft: gelijke rechten voor de groep waar zij voor strijden. In de 19e eeuw zijn er drie emancipatiebewegingen:




  • Socialisme: gelijkheid en gelijkwaardigheid voor de arbeidersklasse

  • Confessionalisme: samenleving op basis van christelijke normen en waarden

  • Feminisme: gelijkwaardige positie van de vrouw in de maatschappij.





De sociale kwestie



Kenmerkend aspect: discussies over de sociale kwestie.





De industriële revolutie had gevolgen voor de arbeiders:




  • Mechanisatie

  • Handwerklieden hun baan kwijtraakten. Zij richtten de eerste vakbonden op.

  • De verhoudingen o de werkvloed werden harder en onpersoonlijker

  • Het werken aan de machines kon gevaarlijk en slecht voor de gezondheid zijn.

  • Urbanisatie

  • Huizen waren klein en van slechte kwaliteit: moesten snel gebouwd worden

  • Slechte hygiëne zorgde voor gezondheidsproblemen





Bezorgde mensen uit de burgerij (bv. artsen) brachten de gevolgen onder de aandacht. Hier komt een discussie van: sociale kwestie. Deze ontstaat uit twee punten:




  • Armoede en slechte werk- en leefomstandigheden van de arbeidsklasse

  • Integratie in de maatschappij: ze lijken er een beetje buiten te vallen.





Ze vinden dat de overheid moet ingrijpen. Er komt een discussie of er sociale wetgeving moet komen. Daarvoor zijn voor- en tegenstanders.























Voorstanders



Tegenstanders



Links-liberalen: arbeiders staan zwak tegenover werkgevers en hebben geen geld voor verzekeringen.



Conservatief-liberalen: sociale wetten zorgen voor luiheid en een gebrek aan zelfstandigheid. Dit willen liberalen voorkomen.



Sociale confessionelen: arbeiders moeten beschermd worden tegen de hebzucht van de werkgevers.



Conservatieve confessionelen: armoede is door God gegeven. Arbeiders moeten hard werken en onderdanig zijn. Armoede is geen politiek iets.



Sociaaldemocraten (socialisten): arbeiders staan zwak tegenover werkgevers en hebben geen geld voor verzekeringen.



Communisten (socialisten): wetgeving gaat niet ver genoeg. De arbeiders moeten d.m.v. een revolutie de macht grijpen.






Modern imperialisme



Kenmerkend aspect: de moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie.





Imperialisme: het streven naar een groot rijk onder macht van een keizer of één volk.







Verschillen tussen het kolonialisme (1500-1850) en het modern imperialisme (1850-1920):




  • Modern imperialisme ging uit van de verovering en een intensiever bestuur van koloniën. Ze gingen het beschouwen als hun eigen grondgebied.

  • Er was een grondigere exploitatie van de koloniën voor nieuwe grondstoffen.

  • Alleen Azië en Afrika, niet meer in Noord- en Zuid-Amerika. Veel gebieden waren daar al onafhankelijk.

  • Er gaan nieuwe landen meedoen om koloniën te gaan veroveren: bv. Amerika en Duitsland.





Oorzaken van het moderne imperialisme:




  • Economie: grondstoffen waren nodig voor de groeiende industrie. De koloniën vormen ook een afzetmarkt voor producten.

  • Politiek: nationalisme: een groot rijk gaf internationaal-politiek en militair aanzien.

  • Cultureel: verspreiding van het christendom. Sociaal-darwinisme: blanke ras was meer geëvolueerd dan de andere rassen en zij zijn dus superieur aan de rest. White man’s burden: de morele plicht van blank Europa om minder ontwikkelde volken beschaving bij te brengen: opvoedplicht.





Gevolgen voor de koloniën:




  • Economie: er ontstaat een wereldwijde arbeidsverdeling.

  • Politiek: koloniën werden direct of indirect bestuurd door de Europese mogendheden. Er werd gebruik gemaakt van een deel van de inheemse bevolking bij het bestuur en het leger. Sommige groepen werden voorgetrokken wat kan leiden tot spanningen onder de bevolking. Er werd ook geen rekening gehouden met de grenzen: sommige volkeren werden door grenzen van elkaar gescheiden of juist bij elkaar gezet: grensproblematiek.

  • Cultureel: onder invloed van het christendom en westerse uitspraak werden lokale tradities aangetast.





TIJDVAK 9: WERELDOORLOGEN



De eerste wereldoorlog



Kenmerkend aspect: het voeren van twee wereldoorlogen en verwoesting op niet eerder vertoonde schaal en de betrokkenheid van de burgerbevolking bij de oorlogvoering.





Oorzaken WO1:




  • Groeiend nationalisme: in Frankrijk voor de verloren Frans-Duitse oorlog. Door de eenwording van Duitsland ontstaat dat nationalistische gevoel ook in Duitsland.

  • Modern imperialisme: Duitsland is een nieuw land en wil ook aanzien hebben in de wereld. De Duitse koning Wilhelm kondigt de Weltpolitik aan.

  • Wapenwedloop: Engeland had de grootste marinevloot, maar Duitsland moest dat ook hebben om mee te doen in die wereldpolitiek. Er ontstond een wapenwedloop. Ook in andere landen werd rond 1900 het aantal wapens en vloten steeds groter werd.

  • Bondgenootschappen: er waren spanningen voor WO1 die leidde tot bondgenootschappen. Dit waren de centralen/ triple alliantie tegen de geallieerden/ triple entente. Als een van de landen aangevallen zou worden door een ander land dan slaan ze gezamenlijk terug. Door die bondgenootschappen worden er in een keer een heleboel landen bij de oorlog betrokken.

  • Groeiend militarisme: vanaf ongeveer 1900. Militairen werden ook voor de gewone burgers steeds belangrijker.











1914-1918:



Moord op Franz-Ferdinand door een Servische nationalist. De Serviërs worden gesteund door Rusland. Als Oostenrijk Servië de oorlog verklaard, verklaard Rusland de oorlog aan Oostenrijk. Duitsland is een bondgenoot van Oostenrijk.



1917: de VS sluit zich aan bij de geallieerden: waren lang neutraal. Er waren wel wat Amerikaanse slachtoffers gevallen, maar Duitsland had Mexico een voorstel gedaan om de Amerikanen aan te vallen. Dan is het voor de VS genoeg en doen ze mee aan de oorlog.



1917: in Rusland breekt de revolutie uit (de communisten grijpen de macht) en Rusland sluit vrede met Duitsland. Er was intern genoeg te doen.



11-11-1918: wapenstilstand.



1919: er moest een vredesverdrag komen, en dat werd besproken in het Verdrag van Versailles. Duitsland wordt als grote hoofdschuldige aangewezen voor WO1. De Duitsers voelden zich vernederd.





Wereldoorlog: oorlog tussen veel staten die wereldwijd gevoerd wordt. Waarom was WO1 een wereldoorlog:




  • Vanaf 1914: modern imperialisme: alle westerse landen hadden allemaal koloniën die in de strijd worden betrokken. Mensen uit die koloniën worden naar Europa gehaald om daar mee te vechten.

  • Vanaf 1917: deelname van de VS (en andere Amerikaanse landen)





Verwoestingen op niet eerder vertoonde schaal:




  • Loopgraventactiek met niemandsland.

  • Industrialisatie: nieuwe wapens worden ontwikkeld, zoals massavernietigingswapens (gifgas, vliegtuigen, onderzeeërs, mitrailleur en tank).





Betrokkenheid van de burgerbevolking bij de oorlogvoering:




  • Dorpen en steden in de frontlinie: mensen moesten huizen verlaten

  • Oorlogseconomie: de economie werd in dienst gesteld van de oorlog

  • Propaganda en censuur: de bevolking moest achter de oorlog blijven staan





WO1 is een totale oorlog: de totale bevolking werd (indirect) erbij betrokken.





De economische wereldcrisis



Kenmerkend aspect: de crisis van het wereldkapitalisme.





24 oktober 1929: zwarte donderdag. Vormde de aanleiding tot een wereldwijde economische crisis die de gehele jaren 1930 blijft duren. Oorzaken:




  • Economie: overproductie in landbouw en industrie. Beurskrach, waardoor de aandelenkoersen beginnen te dalen.

  • Cultuur: Mensen hadden veel geld in aandelen geïnvesteerd omdat ze het gevoel hadden in de jaren 20 dat het alleen maar beter kon gaan na de oorlog. Er was een optimisme over de economie: ‘live now, pay later’.

  • Politiek: de banken gingen meer geld uitlenen, ze konden daar zelf ook geld over verdienen door de rente. Daardoor was er weinig toezicht op de banken.





Gevolgen van de ‘great depression’:







  • Hoge werkloosheid

  • Armoede

  • Wereldwijde crisis in kapitalistische landen: handel.












Reacties van de Amerikaanse regering:




  • 1929: In eerste instantie niets. Hoover was aan de macht en was een liberaal. Hij gelooft dat het beter is om niet in te grijpen in de economie, de crisis gaat vanzelf over. Mensen moeten zelfstandig zijn. De dollar was gekoppeld aan de goudprijs en daardoor werd de dollar erg duur, want goud veranderde niet van waarde. De crisis werd alleen maar erger hierdoor.

  • In 1932 kwamen er nieuwe presidentsverkiezingen en Roosevelt kwam aan de macht. Hij zegt: de crisis gaat niet vanzelf over. Hij gaat actief ingrijpen in de economie met de New Deal. De overheid ging veel geld pompen in de economie. Mensen kregen geld, en dat geld konden ze weer uitgeven. Ook de gouden standaard werd losgelaten: de internationale handel kwam ook weer op gang. Dit lijkt te werken, maar eigenlijk is het WO2 die voor het einde van de crisis zorgt.





Totalitaire systemen



Kenmerkend aspect: het in de praktijk brengen van totalitaire ideologieën: communisme en nationaalsocialisme.





Totalitair: politiek systeem dat een totale controle van de maatschappij nastreeft, inclusief het denken en voelen van alle mensen.



Ideologie: een geheel van opvattingen over de maatschappij. Zo zit de maatschappij nu in elkaar, maar zo zou hij eruit moeten zien.



Totalitaire staten: één partij met één sterke leider. Heeft leiding over de totale bevolking. Ze moeten het eens zijn met jouw ideeën, dat doe je door propaganda en censuur: andere meningen/ideeën verbieden. Mensen die zich verzetten onderdruk je (vermoorden, bedreigen enz.)





Communisme: politieke stroming met als voornaamste steven gelijkwaardigheid en gemeenschappelijk bezit. De overheid moet zich er niet mee bemoeien, er moet een klasseloze samenleving zijn met een gemeenschappelijk bezit van productiemiddelen.





Communisme in de Sovjetunie:



Vanaf 1921 was daar een éénpartijstaat zonder individuele vrijheid. De eerste leider van de SU was Lenin (1917-1924), en de tweede leider was Stalin (1928-1953). Zij legden de basis voor de totalitaire staat. Alleen de communistische partij was toegestaan, en die leidde de economie. De economie werd bepaald door de staat, en privébezit was niet meer toegestaan. Lenin en Stalin maakten gebruik van propaganda om de bevolking te overtuigen dat zij goed waren. Censuur kwam ook voor, andere meningen worden weggehaald. Mensen die zich toch verzetten werden onderdrukt. Er waren toen al werkkampen waar zij naartoe werden gestuurd.





Nationaalsocialisme: politieke stroming die een combinatie vormt van het fascisme en het antisemitisme. In 1933 komt Hitler aan de macht in Duitsland en andere partijen worden steeds meer aan de kant gezet.



Fascisme: extreem nationalistisch en totalitaire politieke stroming. Hitler wilde lebensraum voor het Duitse volk: een groot Duitsland waar alle landen die bij het Duitse volk hoorden samen konden leven. In Duitsland was ook sprake van propaganda en censuur: boekenverbranding die tegen de ideeën van de nazi’s ingingen. Ook was er sprake van onderdrukking van de bevolking.



Antisemitisme: vijandigheid tegen joden.





Propaganda en communicatie



Kenmerkend aspect: de rol van moderne propaganda en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie.





Propaganda: het beïnvloeden van de mening van een grote groep mensen om aanhangers te winnen voor bepaalde (politieke) ideeën. Het kan de positieve (benadrukken van eigen kracht) of de negatieve (benadrukken van zwakte van de tegenstander) kant opgaan. In de 20e eeuw wordt er steeds meer gebruik gemaakt van propaganda door de komst van nieuwe communicatiemiddelen: radio en film.



De totalitaire systemen proberen de mening van de bevolking te beïnvloeden door de oprichting van massaorganisaties. Sovjetunie: Komsomol. Duitsland: Hitlerjugend.





Verzet tegen het imperialisme



Kenmerkend aspect: vormen van verzet tegen het West-Europese imperialisme.





Na WO1 kwam er een verzet tegen het West-Europese imperialisme in Zuidoost-Azië. Oorzaken voor de opkomst van de nationalistische bewegingen:




  • Economie: economische uitbuiting. En economische wereldcrisis van de jaren 30: ze krijgen nog minder geld van Europa en nog meer uitgebuit.

  • Politiek: geen inspraak van het bestuur

  • Cultureel: de elite van de koloniën krijgen steeds meer Europees onderwijs, wat de groei van het nationalisme doet versterken (waarom hebben wij dit in onze koloniën niet –vrijheid, gelijkheid enz.). Omdat de Europese overheersers de bevolking wilde ‘opvoeden’ worden ook in de koloniën zelf scholen opgericht, die ook bijdragen aan het nationalistische gevoel. De bevolking wordt meer bewust van de situatie en hun kansen.

  • Internationale ontwikkelingen: de VS en de SU waren tegen het imperialisme. VS: zij waren zelf ook ooit een kolonie geweest en weten hoe het is om overheerst te worden en de SU omdat daar het communisme speelde waarin gelijkheid belangrijk was.





Nationalistisch verzet: Gandhi in Brits-Indië en Soekarno in Nederlands-Indië. Ze willen beide onafhankelijkheid maar ze doen het allebei anders. Gandhi wil dat doen zonder geweld en Soekarno is voor gewelddadig verzet.





De tweede wereldoorlog



Kenmerkend aspect: het voeren van twee wereldoorlogen en verwoestingen op niet eerder vertoonde schaal en de betrokkenheid van de burgerbevolking bij de oorlogvoering.





Oorzaken in Europa:




  • Streven naar Lebensraum van Hitler voor het Duitse volk. Dit idee sprak de mensen aan en de nazi’s werden populair.

  • Wraak voor Verdrag van Versailles (1919): nazi’s werden hierdoor helemaal populair.

  • Appeasementpolitiek van Engeland en Frankrijk: in de jaren voor WO2 gaven Engeland en Frankrijk Duitsland hun zin in de hoop dat Hitler daar zou stoppen, maar Hitler merkte dat Engeland en Frankrijk bang waren om in te grijpen en daar maakte hij gebruik van.





Als Duitsland op 1 september 1939 Polen binnenvalt komt er een einde aan de Appeasementpolitiek van Frankrijk en Engeland en ze verklaren Duitsland de oorlog.





Waarom was WO2 een wereldoorlog:



Er wordt gevochten in Europa, Noord-Afrika en oost-Azië, waar Japan een belangrijke bondgenoot was van Duitsland.





Belangrijkste gebeurtenissen:




  • 1939: Duitse inval van Polen

  • Voorjaar 1940: Duitsland verovert o.a. Nederland, België en Frankrijk.

  • 10 juli – 31 oktober 1940: battle of Britain: luchtoorlog, Engelse winnen, England blijft uit handen van de nazi’s. Hierdoor richt Hitler zich meer op het oosten.

  • Zomer 1941: operatie Barbarossa: Hitler valt SU aan

  • Eind 1941: Japanse aanval op Peal Harbor: VS gaat meedoen aan de oorlog en verklaart Duitsland en Japan de oorlog.

  • 1942: keerpunt Slag om Stalingrad: Duitsers worden verslagen en vanaf dat moment worden de Duitsers steeds verder teruggedrongen door de Russen.

  • 6 juni 1944: D-Day: landing geallieerden op stranden Normandië.

  • 7 mei 1945: Duitse capitulatie.

  • 15 augustus 1945: door twee atoombommen capituleert Japan uiteindelijk ook. 


















 



















Verwoestingen op niet eerder vertoonde schaal: massavernietigingswapens (atoombom). WO2 was meer een vernietigingsoorlog dan WO1. Er werden meer burgerdoelen getroffen om het moreel van de vijand te verbreken. Het aantal verwoestingen en burgerslachtoffers was veel groter. Er wordt ook gebruik gemaakt van propaganda en censuur en een oorlogseconomie. Ook WO2 is een totale oorlog.





Genocide



Kenmerkend aspect: racisme en discriminatie die leidde tot genocide, in het bijzonder op de joden.





Racisme: de opvatting dat e wereldbevolking kan worden opgedeeld waarbij het ene ras beter is dan het andere ras.



Discriminatie: onderscheid maken tussen mensen met de bedoeling een bepaalde groep achter te stellen.



Genocide: systematische uitroeiing van een volk of een bevolkingsgroep.



In WO2 en daarvoor was er sprake van antisemitisme: vijandigheid tegen joden.



1933, Hitler Duitse regeringsleider:




  • Toename van geweld door de SA (partijleger van de Nazi’s) met name tegen de joden.

  • Toename van anti-Joodse wetgeving: discriminatie.

  • 1935: Neurenbergerwetten:

  • Duitsers mogen niet meer trouwen met joden

  • Joden hebben geen burgerrechten meer

  • 1938: kristallnacht: openlijke geweldpleging tegen joden in heel Duitsland onder aanvoering van de SA.







Vanaf 1939:



Europese joden worden gevangengezet of vermoord door de nazi’s.





1941: Hitler vraagt de SS om de ‘End Lösung’ (eindoplossing).



1942: Wannsee-conferentie: eindoplossing: deportatie van de joden naar concentratiekampen.





De Duitse bezetting



Kenmerkend aspect: de Duitse bezetting van Nederland





De Duitse bezetting in Nederland:




  • 10 mei 1940: Duitse inval

  • Najaar 1940: meldingsplicht en ariërsverklaring: zo konden de Duitsers maatregelen nemen tegen de Nederlandse joden.

  • Februari 1941: Februaristaking: eerste keer dat er openlijk verzet werd gepleegd tegen de Duitsers door de Nederlandse bevolking.

  • December 1941: alle politieke partijen worden verboden behalve de NSB (voor Hitler)

  • 1942: begin eindoplossing Nederland.

  • September 1944: Zuid-Nederland onder de rivieren werd bevrijd.

  • Winter 1944-1945: hongerwinter

  • 5 mei 1945: Duitsers geven zich over in Nederland.





Accommodatie: het gewone leen zoveel mogelijk proberen voort te zetten. Dat gold in Nederland tijdens de bezetting.

Collaboratie: samenwerking met de Duitse bezetter.





Gevolgen van de bezetting:




  • Politiek: Nederlandse regering ging in ballingschap in Engeland toen Duitsland Nederland bezette. Ook kwam er een einde van de rechtstaat in Nederland. Ze was op weg om een totalitaire staat te worden.

  • Economie: dwangarbeid door arbeidseinsatz: Nederlanders moesten in Duitse fabrieken gaan werken. Ook moest Nederland grondstoffen afstaan.

  • Cultuur: pogingen tot nazificatie d.m.v. propaganda en censuur.





TIJDVAK 10: TELEVISIE EN COMPUTER



Dekolonisatie



Kenmerkend aspect: de dekolonisatie die een eind maakte aan de westerse hegemonie in de wereld.





Hegemonie: overheersing.



Vanaf 1945: dekolonisatie. Westerse koloniën worden onafhankelijk. De dekolonisatie verloopt in drie golven:




  • 1945-1953: Zuidoost-Azië/ Midden-Oosten.

  • 1951-1980: Afrika

  • 1965-1975: Caraïben.





Oorzaken dekolonisatie: opkomst nationalistische bewegingen. Waarom er na WO2 veel koloniën onafhankelijk worden:




  • WO2: Japan had laten zien dat westerse mogendheden te verslaan waren. Dit gaf een impuls aan het Aziatische nationalisme. Na WO2 zijn de overheersers van de koloniën niet direct terug in de koloniën en daar maken de koloniën gebruik van en roepen onafhankelijk uit.

  • Koude oorlog: SU en VS wilden zoveel mogelijk bondgenoten. Ze steunden landen om onafhankelijk te worden zodat ze misschien hun kant zouden kiezen.



Gevolgen dekolonisatie voor de nieuwe naties:




  • Politiek: veel landen waren het niet gewend om zichzelf te besturen. Daardoor ontstaat er vaak een dictatuur en (burger) oorlogen omdat sommige bevolkingsgroepen bewust tegen elkaar zijn opgestookt.

  • Economie: economische overheersing en uitbuiting door het westen gaat gewoon door want de Europese landen blijven daar gewoon bestaan.





Koude oorlog



Kenmerkende aspect: de verdeling van de wereld van twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog.





Koude oorlog: periode van vijandschap tussen de VS en de SU (1945-1989).



1945: einde WO2



1989: val Berlijnse muur.



Waarom en met wat stonden deze landen tegenover elkaar:

























VS



SU



Kapitalisme



Communisme



Democratie



Dictatuur



Vrijemarkteconomie: vrijheid op economisch gebied



Planeconomie: staat bepaalde hoe de economie geregeld moest worden.






Deze ideologieën waren tegengesteld: vrijheid tegenover dictatuur. Er ontstonden bepaalde vijandbeelden: de SU dacht dat de VS bezig was met westers imperialisme, maar dan vooral economisch. Ze waren er (volgens de SU) mee bezig om over de hele wereld bedrijven te vestigen zodat iedereen de Amerikaanse producten kocht. Daar zou de VS dan rijk van worden. Heel de wereld moest economisch afhankelijk van hun worden.



De VS dacht dat de SU bezig was met een communistische wereldrevolutie. Volgens de VS begon dat al in WO2, toen de SU oostwaarts optrok om Hitler te verslaan. Toen liet hij zijn legers in de veroverde gebieden staan. De VS dacht dat dit het begin was van die communistische wereldrevolutie.





Blokvorming: tijdens de koude oorlog vormden zich twee vijandige ideologische tegengestelde blokken: de landen van de NAVO tegenover de landen van het Warschaupact. Er ontstaat een grens tussen deze twee blokken die het ijzeren gordijn wordt genoemd.



De Amerikanen blijven bang voor die communistische wereldrevolutie en daarom komen ze met de containmentpolitiek: ze willen het communisme beperkt houden tot het gebied waar het op dat moment is. Dat doen ze door middel van economische en militaire steun aan landen die nog niet communistisch waren om ervoor te zorgen dat zij niet communistisch zouden worden. Economische steun kregen ze door het Marshallplan en er kwamen in allerlei landen Amerikaanse legerbasissen.





Als in 1949, onafhankelijk van de SU, China communistisch wordt, moest de VS hun containmentpolitiek uitbreiden. Omdat in 1945 de dekolonisatie op gang kwam was de VS bang dat die nieuwe onafhankelijke staten bij China communistisch werden.





Tussen de VS en de SU ontstaat er een wapenwedloop: een race om het sterkste wapenarsenaal te krijgen. Het gaat om atoomwapens. Vanaf 1949 had de SU ook atoomwapens. Dit vergrootte de kans op een atoomoorlog. Hoe meer kernwapens wij hebben, hoe minder de tegenstander geneigd is zijn kernwapens te gebruiken. Dit zorgde voor wederzijdse afschrikking. Er is in deze periode nooit een directe confrontatie geweest.









Belangrijkste conflicten in de koude oorlog:




  • Berlijn (1947-1989): na WO2 werd Berlijn verdeeld onder de geallieerden. Het westen van Berlijn komt onder controle te staan van de VS, Engeland en Frankrijk en het oosten onder de SU. Het westerse Berlijn lag in Oost-Duitsland, wat in handen was van de SU. Daarom wilde de VS, Engeland en Frankrijk west Berlijn absoluut niet in handen laten vallen van de SU.

  • Koreaoorlog (1950-1953): communistisch noord met China en de SU en een democratisch kapitalistisch zuiden met de VS.

  • Cubacrisis (1962): Cuba is een land dichtbij de VS en een bondgenoot van de SU. In 1962 was de SU bezig om raketinstallaties neer te zetten op Cuba. De SU komt met boten met kernwapens aanvaren en uiteindelijk trekt de SU zich terug. Dit was het hoogtepunt van de spanningen tijdens de koude oorlog.

  • Vietnamoorlog (1945-1973): Ho Tsji Minh (HTM) (communist) roept de onafhankelijkheid van Vietnam uit. De Fransen, die de baas waren over Vietnam, strijden tegen die HTM. Als zij het niet meer volhouden gaan de Amerikanen zich ermee bemoeien. Zij wilden niet dat heel Vietnam communistisch zou worden. Er wordt hard gevochten maar de Amerikanen weten de strijd niet te winnen en trekken zich terug. In 1975 neemt Noord-Vietnam Zuid-Vietnam in.





Einde van de Koude Oorlog:



Wedloop was voor de SU niet vol te houden. In 1985 kwam Gorbatsjov aan de macht. Hij pleit voor twee zaken:




  • Glasnost (openheid): alles moest openlijk besproken kunnen worden.

  • Perestrojka (hervorming): verandering in economie en politiek om de SU gezonder te maken.



De hervormingen van Gorbatsjov leiden tot meer vrijheid in Oost-Europa. Er kwamen een heleboel opstanden met als een van de gevolgen de val van de Berlijnse muur (1989).





Welvaart en cultuur



Kenmerkend aspect: de toenemende westerse welvaart die vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw aanleiding gaf tot ingrijpende sociaal-culturele veranderingsprocessen.





1945-1955: periode van de wederopbouw en van schaarste. Willem Drees (minister-president) en zijn regering speelden een grote rol in deze periode. Zij stelden de lonen en prijzen vast, bevorderden de industrialisatie en er komt een opbouw van de sociale zekerheid.



1955-1973: wederopbouw is geslaagd en er ontstaat een consumptiemaatschappij. Dit is een periode van groeiende welvaart waardoor het autogebruik toeneemt, de televisie geïntroduceerd wordt en steeds meer Nederlanders gaan op vakantie.



1973: oliecrisis. Door spanningen komt er minder olie naar de westerse landen toe. De prijs stijgt en dat zorgt voor een stagnatie van de economie tot 1985. In die periode is er ook een afname van de industrie. Oorzaken:







  • Werk wordt verplaatst naar lagelonenlanden.

  • Werk wordt geautomatiseerd





Vanaf 1995: informatiemaatschappij (postindustriële samenleving): steeds meer mensen zijn werkzaam in de dienstensector.






Vanaf de jaren 60 zijn er grote sociaal-culturele veranderingen door een toenemende welvaart.




  • Ontkerking en ontzuiling

  • Opkomst van jeugdculturen (kleding en muziek). Jongeren zijn vaak kritisch op de maatschappij. Dit is de eerste generatie die in toenemende welvaart opgroeit. De ouders, die in de oorlog zijn opgegroeid, snappen de jongeren vaak niet wat zorgt voor een generatieconflict. Ze gaan zich afzetten tegen de maatschappij.  

  • Individualisering: zelf keuzes maken. Dat komt door toenemende vrije tijd (meer tijd om aan jezelf te besteden) en toenemende mobiliteit. Je kon gemakkelijker ‘de rest van de wereld’ te zien, wat ze ook konden doen door de televisie.





De tweede feministische golf komt ook op, die opkomt voor de sociale rechten voor de vrouwen. Ze moesten gelijk behandeld gaan worden op alle vlakken van de maatschappij.





De Europese eenwording



Kenmerkend aspect: de eenwording van Europa.





Na WO2 was er een grote groei van de West-Duitse economie (wirtschaftswunder). Dat zorgt voor een angst voor de herleving van het Duitse militarisme. Schuman stelde voor de Duitse en Franse kolen- en staalindustrie (had je nodig voor maken van wapens) onder gemeenschappelijk bestuur te stellen. De EGKS (Europese Gemeenschap van Kolen en Staal) ontstaat in 1952. De landen die zich daarbij aansloten waren Frankrijk, Duitsland, Italië België, Luxemburg en Nederland. Dit wordt een succes en daarom besluiten ze een oprichting op te richten die niet alleen maar op één economisch gebied gaat samenwerken: de EEG (Europese Economische Gemeenschap). Door de oliecrisis en de Duitse eenwording (1990) beseffen landen dat ze wel samen moeten werken als ze mee willen blijven doen in de wereldeconomie. De nationale verschillen moesten verdwijnen. De EEG wordt de EG en later de EU in 1992. Dit wordt ook steeds meer een politieke samenwerking. Er wordt in 1992 ook besloten dat er éen Europese munt moet komen, die in 2002 ingevoerd wordt: de euro.



In 2005 wordt er door Nederland een Europese grondwet afgewezen. ‘Wij Nederlanders’ vinden dat Nederland vanuit Den Haag bestuurd moest worden en niet vanuit Brussel, dat was te ver weg. De macht van de Europese instellingen gaat ten koste van de nationale soevereiniteit. Ook is de toetreding van armere landen een bedreiging van de welvaart. Toch blijft de EU groeien.





Pluriforme en multiculturele samenlevingen



Kenmerkend aspect: de ontwikkeling van pluriforme en multiculturele samenlevingen.





Multiculturele samenleving: bevat veel verschillende culturen die naast en door elkaar leven.



Pluriforme samenleving: wonen veel verschillende groepen mensen naast en met elkaar. Er zijn verschillen in levensstijl, religie, afkomst, regio enz.



Bij cultuur hebben we het vooral over de afkomst van mensen. Bij pluriform gaat het vooral om de leefwijze.





Voordelen pluriforme en multiculturele samenleving:




  • Culturele verrijking

  • Economische impulsen (nieuwe contacten en nieuwe mensen die bijdrage willen leveren aan de economie).



Nadelen:




  • Maatschappelijke spanningen als mensen alleen maar naast elkaar en niet met elkaar leven.

  • Maatschappelijk isolement van nieuwkomers.





In Nederland komen er verschillende immigratiegolven. Verschillende redenen waarom mensen naar Nederland zouden willen komen:




  • Politiek: vanwege de dekolonisatie komen er veel Indonesiërs naar Nederland. Later ook mensen vanuit Suriname.

  • Economie: vanwege de toenemende welvaart is er veel vraag naar arbeiders en daarom komen er mensen vanuit o.a. Spanje, Italië en Griekenland. Later ook vanuit Turkije en Marokko.

  • Vanaf 1990 komen er ook mensen vanwege oorlogen in hun eigen land naar Nederland.








REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.