1. kerst = Noël
2. vrolijk = joyeux
3. het feest = la fête
4. vieren = fêter
5. dit jaar = cette année
6. op uw gezondheid = à votre santé
7. begrijpen = comprendre
8. het woord = le mot
9. komen = venir
10. kerstgebak in de vorm van een boomstam = la bûche
11. mengen = mélanger
12. de hoed = le chapeau
13. de trekking, de loting = le tirage au sort
14. de eerste = le premier
15. eerst = d'obord
16. kom = viens
17. praten over = parler de
18. het gebak, de taart = le gâteau, les gâteaux
19. nodig hebben = avoir besoin de
20. kortom  =bref
21. iedereen = tout le monde
22. eindigen = finir
23. klaarmaken = préparer
24. zeggen = dire
25. klaar = prêt
26. wekelijks = hebdomadaire
27. hopen = espérer
28. ik hoop = j'espère
29. de manier = la façon
30. oudejaarsavond = la Saint-Sylvestre
31. ouderwets, verouderd = démodé
32. duur = cher
33. een koek = une galette
34. de zoutjes = les bicuits salés
35. de rij = la rangée
36. de avond = le soir
37. een feestje = une boum
38. onmogelijk = impossible
39. de vis = le poisson
40. het antwoord = la réponse
41. proberen = essayer
42. schrijven = écrire
43. het gedicht = le poème
44. kunnen = pouvoir
45. willen = vouloir
46. een ding, iets = un truc
47. snijden = couper
48. het mes = le couteau
49. vallen = tomber
50. een avondje = une soirée
51. je bedoelt? = tu veux dire?
52. de stroom = le courant
53. een stuk = un morceau
54. Tu peux venir? = Kun je komen?
55. Vous pouvez venir? = Kunnen jullie komen?/Kunt u komen?
56. Ja, (natuurlijk) kom ik. = Oui, (bien sûr) je viens.
57. Ja, (natuurlijk) komen wij. = Oui, (bien sûr) nous venons.
58. Ja, afgesproken/graag. = Oui, d'accord/volontiers.
59. Bedankt voor de uitnodiging. = Merci pour l'invitation.
60. Nee, het spijt me. = Non, je regrette.
61. Nee, ik kan niet komen. = Non, je ne peux pas venir.
62. Nee, wij kunnen niet komen. = Non, Nous ne pouvons pas venir.
63. zus = soeur
64. juni = juin
65. juli = juillet
66. augustus = août
67. de arts = le docteur
68. de griep = la grippe
69. het hoofd = la tête
70. de ober = le garçon
71. pijn hebben = avoir mal
72. het been = la jambe
73. de arm = le bras
74. goed = bien
75. men moet = on doit
76. wachten (op) = attendre
77. overdrijven = exagérer
78. de keel = la gorge
79. het drankje, de siroop = le sirop
80. ademen = respirer
81. het tabletje = la pastille
82. lang (lange tijd) = longtemps
83. de skilift = le téléski
84. grappig = drôle
85. de wijn = le vin
86. ik ben bang voor = j'ai peur de
87. de voet = le pied
88. de knie = le genou
89. zoals = comme
90. draaien = tourner
91. naar voren = en avant
92. zachtjes = doucement
93. naar beneden doen = baisser
94. glijden = glisser
95. blijf rechtop staan = restez debout
96. buigen = plier, pencher
97. een bocht = un virage
98. de afdaling = la descente
99. een helling = une pente
100. een enkel = une cheville
101. een doktersrecept = une ordonnance
102. een pleister = un sparadrap
103. een blaadje = une feuille
104. een maaltijd = un repas
105. vriendelijk = aimable
106. het oog = un oeil
107. de ogen = les yeux
108. een oor = une oreille
109. het haar  =les cheveux
110. de neus = le nez
111. de mond = la bouche
112. de nek = le cou
113. de rug = le dos
114. delen = partager
115. de tand, de kies = la dent
116. vet = gras
117. een wenkbrauw = un sourcil
118. het lichaam = le corps
119. de schouder = l'épaule
120. de buik = le ventre
121. de borst = la poitrine
122. de dij = la cuisse
123. verkopen = vendre
124. horen = entendre
125. antwoorden = répondre
126. naar beneden gaan = descendre
127. verliezen = perdre
128. een beleefde jongen = un garçon poli
129. Hij antwoordt beleefd. = Il répond poliment.
130. een langzame skiër = un skieur lent
131. Hij skiet langzaam. = Il skie lentement.
132. slecht = mal
133. Een goede skiër skiet goed. = Un bon skieur skie bien.
134. Een slechte skiër skiet slecht. = Un mauvais skieur skie mal.
135. moeten = devoir
136. de ster = la vedette
137. de sneeuw = la neige
138. perfect = parfait
139. moeilijk = dur
140. de skibril = les lunettes de ski
141. jammer = dommage
142. help! = au secours!
143. de skileraar = le moniteur de ski
144. Neem je ski's! = Prends tes skis!
145. Let op! = Fais attention!
146. Luister goed! = Écoutez bien!
147. Je moet opletten. = Il faut faire attention.
148. Je moet goed luisteren. = Il faut bien écouter.
149. Wat is er aan de hand? = Qu'est-ce qu'il y a?
150. Ik ben ziek. = Je suis malade.
151. Ik heb koorts. = J'ai de la fièvre.
152. Ik heb de griep. = J'ai la grippe.
153. Ik heb een wond. = J'ai ine blessure.
154. Ik ben gewond. = Je suis blessé(e).
155. Ik heb pijn aan... = J'ai mal à...

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.