Lesuitval, een mondkapjesplicht, onzekerheid over de eindexamens... Wij zijn benieuwd hoe jij met de coronacrisis omgaat en wat jij vindt van de maatregelen. Doe mee met ons corona-onderzoek! 😷🦠🏫 We zoeken nog extra jongens!

Doe mee


ADVERTENTIE
1500 euro winnen met je pws of sectorwerkstuk?

Check de online masterclasses van het Rijksmuseum waarin experts hun kennis en tips delen, zodat jij tot een goed onderwerp komt. En wist je dat je mee kunt doen aan de Rijksmuseum Junior Fellowship wedstrijd? Je maakt dan met jouw pws of sectorwerkstuk kans op 1500 euro en een traineeship!

1. kerst = Noël
2. vrolijk = joyeux
3. het feest = la fête
4. vieren = fêter
5. dit jaar = cette année
6. op uw gezondheid = à votre santé
7. begrijpen = comprendre
8. het woord = le mot
9. komen = venir
10. kerstgebak in de vorm van een boomstam = la bûche
11. mengen = mélanger
12. de hoed = le chapeau
13. de trekking, de loting = le tirage au sort
14. de eerste = le premier
15. eerst = d'obord
16. kom = viens
17. praten over = parler de
18. het gebak, de taart = le gâteau, les gâteaux
19. nodig hebben = avoir besoin de
20. kortom  =bref
21. iedereen = tout le monde
22. eindigen = finir
23. klaarmaken = préparer
24. zeggen = dire
25. klaar = prêt
26. wekelijks = hebdomadaire
27. hopen = espérer
28. ik hoop = j'espère
29. de manier = la façon
30. oudejaarsavond = la Saint-Sylvestre
31. ouderwets, verouderd = démodé
32. duur = cher
33. een koek = une galette
34. de zoutjes = les bicuits salés
35. de rij = la rangée
36. de avond = le soir
37. een feestje = une boum
38. onmogelijk = impossible
39. de vis = le poisson
40. het antwoord = la réponse
41. proberen = essayer
42. schrijven = écrire
43. het gedicht = le poème
44. kunnen = pouvoir
45. willen = vouloir
46. een ding, iets = un truc
47. snijden = couper
48. het mes = le couteau
49. vallen = tomber
50. een avondje = une soirée
51. je bedoelt? = tu veux dire?
52. de stroom = le courant
53. een stuk = un morceau
54. Tu peux venir? = Kun je komen?
55. Vous pouvez venir? = Kunnen jullie komen?/Kunt u komen?
56. Ja, (natuurlijk) kom ik. = Oui, (bien sûr) je viens.
57. Ja, (natuurlijk) komen wij. = Oui, (bien sûr) nous venons.
58. Ja, afgesproken/graag. = Oui, d'accord/volontiers.
59. Bedankt voor de uitnodiging. = Merci pour l'invitation.
60. Nee, het spijt me. = Non, je regrette.
61. Nee, ik kan niet komen. = Non, je ne peux pas venir.
62. Nee, wij kunnen niet komen. = Non, Nous ne pouvons pas venir.
63. zus = soeur
64. juni = juin
65. juli = juillet
66. augustus = août
67. de arts = le docteur
68. de griep = la grippe
69. het hoofd = la tête
70. de ober = le garçon
71. pijn hebben = avoir mal
72. het been = la jambe
73. de arm = le bras
74. goed = bien
75. men moet = on doit
76. wachten (op) = attendre
77. overdrijven = exagérer
78. de keel = la gorge
79. het drankje, de siroop = le sirop
80. ademen = respirer
81. het tabletje = la pastille
82. lang (lange tijd) = longtemps
83. de skilift = le téléski
84. grappig = drôle
85. de wijn = le vin
86. ik ben bang voor = j'ai peur de
87. de voet = le pied
88. de knie = le genou
89. zoals = comme
90. draaien = tourner
91. naar voren = en avant
92. zachtjes = doucement
93. naar beneden doen = baisser
94. glijden = glisser
95. blijf rechtop staan = restez debout
96. buigen = plier, pencher
97. een bocht = un virage
98. de afdaling = la descente
99. een helling = une pente
100. een enkel = une cheville
101. een doktersrecept = une ordonnance
102. een pleister = un sparadrap
103. een blaadje = une feuille
104. een maaltijd = un repas
105. vriendelijk = aimable
106. het oog = un oeil
107. de ogen = les yeux
108. een oor = une oreille
109. het haar  =les cheveux
110. de neus = le nez
111. de mond = la bouche
112. de nek = le cou
113. de rug = le dos
114. delen = partager
115. de tand, de kies = la dent
116. vet = gras
117. een wenkbrauw = un sourcil
118. het lichaam = le corps
119. de schouder = l'épaule
120. de buik = le ventre
121. de borst = la poitrine
122. de dij = la cuisse
123. verkopen = vendre
124. horen = entendre
125. antwoorden = répondre
126. naar beneden gaan = descendre
127. verliezen = perdre
128. een beleefde jongen = un garçon poli
129. Hij antwoordt beleefd. = Il répond poliment.
130. een langzame skiër = un skieur lent
131. Hij skiet langzaam. = Il skie lentement.
132. slecht = mal
133. Een goede skiër skiet goed. = Un bon skieur skie bien.
134. Een slechte skiër skiet slecht. = Un mauvais skieur skie mal.
135. moeten = devoir
136. de ster = la vedette
137. de sneeuw = la neige
138. perfect = parfait
139. moeilijk = dur
140. de skibril = les lunettes de ski
141. jammer = dommage
142. help! = au secours!
143. de skileraar = le moniteur de ski
144. Neem je ski's! = Prends tes skis!
145. Let op! = Fais attention!
146. Luister goed! = Écoutez bien!
147. Je moet opletten. = Il faut faire attention.
148. Je moet goed luisteren. = Il faut bien écouter.
149. Wat is er aan de hand? = Qu'est-ce qu'il y a?
150. Ik ben ziek. = Je suis malade.
151. Ik heb koorts. = J'ai de la fièvre.
152. Ik heb de griep. = J'ai la grippe.
153. Ik heb een wond. = J'ai ine blessure.
154. Ik ben gewond. = Je suis blessé(e).
155. Ik heb pijn aan... = J'ai mal à...

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.