Jongeren met messen

Er komen veel berichten in het nieuws over jongeren die betrokken zijn bij steekincidenten. Wat merken jullie van het messenbezit onder jongeren? Vul onze (anonieme) vragenlijst in! Duurt maar 2 minuten.


ADVERTENTIE

Als ik moet kiezen, dan ga ik het liefst:

Filosofie begrippenlijst:
• Anthropos (mens): mens, niet één definitie voor dé mens, want verschillende mensbeelden door verschillende culturen
o Anthropologie:
 “Wat maakt ons tot mens?, Wat is daarvoor nodig?”
 Opgekomen in de 20 eeuw
 Mensen al eeuwen op zoek naar zichzelf (Lijfspreuk van Socrates was: “Ken jezelf” (“Weet dat je sterfelijk bent”))
 Thema: Mens-zijn, en de noodzakelijke voorwaarden voor mens-zijn (condition humaine)
 Doel: verheldering van mens-zijn, samenhangende visie te ontwikkelen die de menselijke werkelijkheid als geheel recht doet (formuleren van een mensvisie


 ‘Is het mens-zijn in een beeld te begrijpen?’ (Mensbeeld)
o Descartes: ‘mens is twee onafhankelijke substanties, lichaam en ziel, verbonden door de pijnappelklier
o Kant: ‘Alle wegen van de filosofie monden uiteindelijk uit in die ene vraag: wat is de mens, wat maakt ons tot mens?’
• logos, ratio, rede:
o logos: woord
o ratio: kennis
o rede: rede
 praktisch rede: het vermogen om met jezelf te overleggen
 theoretische rede: het vermogen om verklaringen te zoeken
o filosofen die filosofische antropologie bedrijven zijn het erover eens dat er een verschil tussen mens en dier is want mens is met ‘rede’begaafd (homo est animal rationale)
• gnothi seauton: ken jezelf
o Niet ‘naar jezelf op zoek’, maar ‘ken de mens’ en ‘ken je grenzen’
o “Ken jezelf” (gnothi = ken, seauton = jezelf)
o Lijfspreuk van Socrates
o Door Socrates onderstreept met de tempeluitspraak: ‘Het niet-onderzochte leven is het niet waard geleefd te worden
o Tempeluitspraak werd opgevat als aansporing om je bewust te zijn van je grenzen, eerder dan als een aansporing tot zelfonderzoek
o “Weet dat je sterfelijk bent”, “Gedenk te sterven” (‘Memento mori’)
o Tegenhanger: ‘Carpe diem!’ (“Pluk de dag!”)
o De vraag ‘ken jezelf’ hoort eerder in de ethiek thuis dan in de antropologie
o “Ken uzelf”/”Ken uw beperkingen als mens”
• mensbeeld: beelden en opvattingen die vertellen hoe mensen in elkaar steken, wat hun ware aard is en hoe ze moeten samenleven
o Nooit onschuldig: je mensbeeld beïnvloedt je handelen
o Mensbeelden zijn ontleend aan of gevoed door eigen ervaringen en overdenkingen, of ingeprent via opvoeding, omgeving en scholing, in de vorm van overgeleverde verhalen, literatuur, religie, filosofie en wetenschap
o Sommigen zijn tijd- of cultuurgebonden
o Verwijst naar wat vroeger het ‘wezen’ of de ‘essentie’ van de mens werd genoemd
o Filosofisch antropoloog: “Is het mens-zijn in een beeld te begrijpen?”
• familiegelijkenis:
o bedacht door de Oostenrijker Witchenstein
o vervanging van het essentialisme
o definities onmogelijk, dus gelijkenissen
• praktische rede:
o het vermogen om met jezelf te overleggen, om bewust over een handeling na te denken, voors en tegens af te wegen, op grond van zo’n redelijk overleg tot een weloverwogen beslissing te komen
• theoretische rede:
o het vermogen om verklaringen te zoeken voor verschijnselen, om verschijnselen te ‘beredeneren’, ze te herleiden naar gronden (ook een betekenis van ratio!), naar redenen en oorzaken
• reflexiviteit:
o kunnen nadenken over handelingen
o dingen vanuit een perspectief zien
o ‘ontwaken’
• openheid:
o een aspect van de logos
 dier heeft geen logos, dus typische voor mensen
o het willen nadenken
• objectiveren:
o mens kan zich opstellen tegenover zijn omgeving en tegenover zichzelf
o hij kan dat wat hij tegenkomt tot een object maken (objectiveren) en zichzelf tot subject maken
o dier gaat op in zijn omgeving, mens staat er los van
o Mens kan zichzelf subject maken
o Plessner: ‘Alleen mens staat in een verhouding tot het leven waarin het dier (ook hijzelf als dier) opgaat’
• zelfbewustzijn:
o Dier weet waar hij woont, maar niet dat hij weet waar hij woont
o Mens heeft wel zelfbewustzijn, kan reflecteren en objecteren
o Dier kan zich niet subject maken
o Plessner: ‘Het vermogen tot rationaliteit (logos) ligt primair in het vermogen tot zelfreflectie: de mens leeft niet enkel, maar leidt een leven; hij moet zich maken tot wat hij is’
• transcendentie:
o Het vermogen om je als het ware los te maken van een volledig opgaan in dingen waarmee je bezig bent en jezelf daar zelfs tot op zekere hoogte buiten plaatsen
o Plessner: ‘mens ervaart –anders dan het dier- dat het het centrum is van zijn bestaan, en kan daarom transcenderen’
o Transcenderen betekent ‘willen opstijgen naar het hogere’, of met andere woorden: ‘de drang naar kennis’.
o Letterlijk: ‘overschrijden’
o Alleen mensen
o ‘Het overschrijden van het bereik van het hier en het nu’
o Door over dingen na te denken, door te vragen naar het waarom, reikt je geest voorbij datgene wat je zintuigen direct kunnen registeren.
o Dit idee is bedacht door Plato
o Naar een ander standpunt gaan
• positionaliteit:
o Het innemen van een plaats
o Plessner: ‘De mens is gepositioneerd in een omgeving, net als het dier (is het centrum)’
o Is alleen mogelijk voor zover het menselijk subject, het centrum van deze gepositioneerdheid, tot zichzelf een zekere afstand heeft
• excentrisch:
o mens is excentrisch
o dus moet van nature een cultuur maken (van nature onnatuurlijk)
o is een Mangelwesen
o Plessner: ‘De mens is van nature kunstmatig’
o Mens zoekt altijd naar geborgenheid, structuut, eigen plaats, dus: cultuur is belangrijk
 Cultuur gecreëerd door school, kerk, gezin, arbeid (instituties)
o Etnocentristisch/Eurocentristisch:
 Alleen naar geschiedenis eigen lang/Europa gekeken
• aangeboren-aangeleerd (nature-nurture):
o Tegenover physis staat nomos, tegenover nature staat nurture.
• physis-nomos:
o Physis: natuur
o Nomos: cultuur
o Te onderscheiden maar niet te scheiden
o Scheiding is niet sterk
o Nomos is niet een aanhangsel aan de physis, maar een integraal bestandsdeel
• essentialisme:
o essentie = wezen
o de opvatting dat er zoiets is als een menselijke natuur, een wezen of een essentie die aan alle mensen gemeenschappelijk zou zijn
o ook mensen die beweren dat er geen essentialisme is, die houden vast aan familiegelijkenissen
• descriptief:
o normatieve elementen
o beschrijvend (bijvoorbeeld descriptief mensbeeld)
o descriptief mensbeeld altijd fout, want verschillende culturen
• menselijke conditie (condition humane):
o Sterfelijke mens
o Mens is Mangelwesen, beperkt, egoïstisch
o Dieren zijn niet egoïstisch want die volgen hun instinct
o Leven staat in de teken van de dood  de mens lijdt continu
o Het leven gaat altijd net zoals je niet wil
o ‘gnothi seauton’
o Ken je beperkingen en wees er tevreden mee
o Groots en meeslepend leven is fout
• psychè:
o Betekent in de eerste plaats ‘adem’, daarnaast ook ‘leven’, ’levenskracht’ (meer dan alleen geest of bewustzijn)
o In het Latijn: ‘animus’
o Vandaar ook het woord ‘animal’: ‘levend wezen’
o Grieken kenden aan álle levende wezens een psychè toe
o Wordt ook wel ‘ziel’ genoemd (psychiater = zielenknijper), wordt meestal gebruikt omdat er geen betere omschrijving is, al is deze niet helemaal juist
o ‘X’ (want er is niet 1 vertaling voor)
• ziel als gevleugeld tweespan:
o Plato zegt dat de ziel bestaat uit een span gevleugelde paarden en een wagenmenner. Het lijkt raar, maar volgens Plato was het zo. De ziel van een god is te herkennen aan het feit dat hij twee goede paarden heeft. De niet-goden hebben één goed en één slecht paard. De volmaakte en gevleugelde zielen van de goden zweven vrij door de ruimte en besturen het heelal. De onvolmaakte zielen van de niet-goden verliezen hun veren, en vallen naar beneden, waar ze zich in iets stoffelijks (een aards lichaam) nestelt. Dit aardse lichaam wekt door de komst van een ziel de illusie zich te bewegen. De versmelting van lichaam en ziel wordt ‘levend wezen’ genoemd.
o Plato vertelt vervolgens dat er een gat in de allerhoogste top van het hemelgewelf is waar je doorheen kunt. Hier bevindt zich de echte kennis (de kennis van wat werkelijk is). De echte kennis is alleen waarneembaar voor de geest/rede (de stuurman van de ziel). De zielen van goden kunnen op deze plaats komen omdat ze twee goede paarden hebben, maar de zielen van niet-goden niet omdat het slechte paard van de niet-goden de ziel naar beneden trekt, doordat het niet goed afgericht is. Toch lukt het soms de ziel van een niet-god om het hoofd van de wagenmenner net boven de top te brenger, waardoor de ziel (iets van) de echte kennis waarneemt. De meeste zielen krijgen de echte waarheid niet te ziel, en vallen naar beneden waar ze in een passend embryo (van bijvoorbeeld een koning of bedelaar) worden geplant. Plato zegt: ‘Om mens te zijn, moet je immers de taal der Vormen (Ideeën) kunnen begrijpen en de overstap kunnen maken van de veelheid van zintuiglijke waarnemingen naar de eenheid die in begrippen is samengevat’. Met andere woorden: alleen degenen die de echte waarheid hebben gezien zijn mensen, want zij zijn de enigen die kunnen redeneren, omdat ze zich de echte waarheid herinneren. Alleen wie van zulke herinneringen het juist gebruikt maakt, wordt verlost en ontwikkelt zich altijd tot een echt volledig en volmaakt mens. Met andere woorden: alleen de filosofen zijn echte mensen
• de mens als tussenwezen
o Wie bevangen wordt door Eros bevindt zich tussen ‘het totale ontbreken van het verlangen’ en ‘het volmaakt bereikt-hebben van wat je verlangde) (dan ben je een ‘tussenwezen’)
o Dit ben je zolang je mens bent
• dualisme: Zie andere dualisme
• dynamis:
o aanleg (zit een telos in)
• energeia:
o ontwikkeling
o naarmate gunstigere omstandigheden, betere ontwikkeling (Aristoteles)
• zoion politikon:
o ‘Animal rationale’ = ‘denkend dier’
o ‘Homo est animal rationale’, ‘De mens is een met rede begaafd dier’
o Mensen kunnen denken, dieren niet
o Dit begrip schaart mensen onder de dieren (‘animal’), maar maakt het verschil dat de mens kan denken (‘rationale’)
o Grieks: ‘zoion politicon’
o Aristoteles: “Optimaal mens-zijn is gelegen in een wijze van leven waarin de ‘logos’ optimaal werkzaam kan zijn (een wereld waarin tijd gereserveerd is om te denken)”
o ‘Zoion politicon’: ‘stadsdier’
o Aristoteles: “De mens is een sociaal dier, omdat optimaal mens-zijn anders niet te verwezenlijken is”
o Een geslaagd menselijk leven, volmaakt mens-zijn, is niet louter de verdienste van de bezitter ervan, maar bestaat dankzij de sociale verworvenheid en condities die de mens niet in z’n macht heeft”
• telos:
o ‘Doel’
o DNA-code
o ‘Bestemming’
o Werd bereikt door nadenken en sociaal zijn
• entelecheia:
o Iets wat werkelijk is als het tot optimale ontplooing is gekomen, het is de werkelijkheid die d e ontwikkeling van het organisme stuurt en die het doel van die ontwikkeling bepaalt
o Langs de lijn (entelecheia) oefent de telos constant zijn invloed uit
• teleologie (op een telos gericht):
o Zo wordt Aristoteles’ filosofie genoemd, vanwege Aristoteles’ gedachte dat de ziel/geest, emotie en begeerte/motiveren het lichaam convergeren in de richting van een bepaalde ‘telos’, namelijk: het toegroeien naar en uitgroeien tot het wezen dat het desbetreffende wezen in potentie is
o Alles heeft een doel
• monisme:
o Ik ben een lichaam
o Ziel en lichaam zijn niet te scheiden
o Aristoteles: “de ziel is bepaald niet iets was tegenover het lichaam staat, maar iets van het lichaam zelf, namelijk: een geheel aan vermogen waarover een organisme beschikt.”
o Aristoteles: “de ziel is de ‘eidos’ van het lichaam, de materie”
o Spinoza (medaille, twee aspecten)
• dualisme:
o Ik heb een lichaam
o Lichaam en ziel zijn los
o Leven is een twee-eenheid: een lichaam en een ziel
o Plato: “Een lichaam heeft een ziel nodig, zonder ziel is een lichaam een lijk”
o Descartes: “Lichaam bestaat uit een geest (mind/soul) en een lichaam (body) (twee elementen die niet tot elkaar geleid kunnen worden, niet met elkaar te maken hebben)”
o 2 bouwstenen: materie (‘res extensa’, sterflijk, neemt ruimte in) en geest (‘res cogitas’, onsterflijk, neemt geen ruimte in)
o Metafisch dualisme  achter de zichtbare werkelijkheid (Plato met zijn Ideeënwereld)
o Mens is geest + materie, als enige
• substantie:
o onafhankelijk bestaande werkelijkheid
o Descartes: Mens bestaat uit 2 substanties verbonden door pijnappelklier (dualist)
 ‘Geest maakt mens tot mens’
 ‘Lichaam is een machine dus dier is gewoon een machine’
o Spinoza: Mens heeft twee aspecten, lichaam en ziel (als een medaille) (monist)
o bouwstenen
• res extensa:
o lichaam
o uitgebreidheid
o materieel/stoffelijk
• res cogitas:
o ziel/geest/verstand
o immaterieel/onstoffelijk
• naturalisme:
o De benadering die de natuurwetenschappelijke methode als enige en uitsluitende methode van onderzoek toelaat (Dennett)
• scepticisme:
o Er is geen zekere kennis (Hume)

Plato (427 – 347 v. Chr.):
• Leerling van Socrates
• Leraar van Aristoteles
• “Wie zich aangetrokken voelt tot ‘wijsheid’, ‘waarheid’, ‘geluk’, ‘het goede’ is bevangen door ‘eros’ en ‘Bij verlangen: je mist datgene waar je naar verlangt, maar het is niet totaal afwezig, je hebt er op z’n minst een besef van”
• “Beminnen, liefhebben houden van heeft altijd betrekking op iets dat wat bij jezelf min of meer ontbreekt (maar niet totaal).”
• “Eros is dé kracht die de mensen naar de kennis van de Ideeën drijft”
• Metafysisch dualist
• “Alles komt neer op materie of geest”
• “Je bent pas bevrijdt als je van je lichaam af bent”
• Goede, schone, ware (De Ideeën)
• “Alle mooie lichamen weerspiegelen één schaduw: het schone”
• Het grot verhaal (schimmen zien van het vuur en omkijken)
• “Ziel = menner (hoofd) + paarden (moed/begeerte)
• Verdeling van de mens:
o Hoofd – denken – filosofen
o Borst – moed – ridders/soldaten
o Buik – begeerte – volk/arbeiders
Aristoteles (384 – 322 v. Chr.):
• Leerling van Plato
• Leraar van Alexander de Grote
• Bioloog
• Bewegingsprincipe (levende natuur)
• Potentie + dynamis (materie, blauwdruk om je ‘telos’ te bereiken) = vorm (= wat levende natuur wordt (niet uiterlijk))
• Monist
• “Een mens deugt als het ontplooit in: denken (‘animal rationale’) en in een stad leven (‘zoion politicon’)”
• “Mens is best imiterende dier”
• “Moed zit op de gulden middenweg”
• Aristoteles: “de ziel is bepaald niet iets was tegenover het lichaam staat, maar iets van het lichaam zelf, namelijk: een geheel aan vermogen waarover een organisme beschikt.”
• Aristoteles: “de ziel is de ‘eidos’ van het lichaam, de materie”
• “Mens is een ‘zoion politicon’”
• “Een geslaagd menselijk leven, volmaakt mens-zijn, is niet louter de verdienste van de bezitter ervan, maar bestaat dankzij de sociale verworvenheid en condities die de mens niet in z’n macht heeft” en “De mens is een sociaal dier, omdat optimaal mens-zijn anders niet te verwezenlijken is”
• “Dode lichaam is geen lichaam maar een lijk, want de ziel is dan vervlogen”
• Aristoteles’ filosofie is teleologisch, want mens streeft altijd naar een doel: functioneren waar het voor is
• “De voortreffelijkheid van de mens bestaat in een toestand die de mens goed maakt en die hem zijn eigen functie goed doet uitvoeren”
• “Datgene wat noch te veel noch te weinig is”
Descartes (1596 – 1650):
• Dualist
• “Geest + materie: twee elementen die niet tot elkaar geleid kunnen worden, niets met elkaar te maken hebben”
• “Lichaam bestaat uit een geest (mind/soul) en een lichaam (body) (twee elementen die niet tot elkaar geleid kunnen worden, niet met elkaar te maken hebben)”

Overige aantekeningen:
Plato Aristoteles
Denken Waarnemen
Rationalisme Empirisme
Transcendent Niet transcendent
Ideeënwereld Hier en nu waarnemen
‘Ware kennis’ door denken ‘Ware kennis’ door waarnemen
Eidos  idee Eidos  vorm
Dualist Monist
Volmaakt Optimaal

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.