Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

Economische begrippen

Beoordeling 5.2
Foto van een scholier
  • Begrippenlijst door een scholier
  • Klas onbekend | 564 woorden
  • 23 februari 2004
  • 65 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.2
  • 65 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!
Productiefactoren (middelen die nodig zijn voor de productie):
- Arbeid
- Kapitaal
- Grond
- Ondernemersactiviteit

Produceren = het combineren van productiemiddelen met tot doel waarde toe te voegen

Productie=toegevoegde waarde= verkoopwaarde van de productie – onderlinge leveringen

Nationaal product bestaat uit de som v/d in een land gedurende een periode van een jaar toegevoegde waarde

Nationaal inkomen bestaat uit de som v/d gedurende een periode van een jaar in een land aan de productiefactoren uitgekeerde beloningen

Welvaart = de mate waarin in de behoefte is voorzien


Externe effecten doen zich voor als t streven naar welvaart door de 1 onbedoeld invloed uitoefent op de welvaart van een ander

Welvaart in enge zin = aantal goederen
Welvaart in ruime zin = ook om hoe je je voelt

Beroepsbevolking = alle personen tussen de 15 & 64 jaar oud die beschikbaar zijn om betaald werk te doen

Kapitaalgoederen = goedreen die niet bestemd zijn voor consumptief gebruik, maar om andere producten te produceren of een inkomen te verwerven

Investeren = het aanschaffen van kapitaalgoederen

Kapitaalintensiteit = hoeveelheid kapitaalgoederen per eenheid arbeid

Breedte-investering = investering waarbij kapitaalintenstiteit niet verandert

Diepte-investering = investering waarbij kapitaalintensiteit toeneemt

Afschrijvingen geven de in geld uitgedrukte waardedalingen van kapitaalgoederen weer


Substitutie = vervanging van arbeid voor kapitaal

Geen rechtspersoonlijkheid = geen scheidingen tussen bezetting en schulden

Wel rechtspersoonlijkheid = duidelijke scheiding tussen eigenaars en eigenlijke bedrijf

Bedrijfskolom = de opeenvolging van economische activiteiten die nodig zijn om een bepaald product te maken

Bedrijfstak = alle bedrijven die zich in dezelfde fase in de bedrijfskolom bevinden en die dus eenzelfde soort voortbrengen

Verticiale bewegingen = bewegingen binnen 1 bedrijfskolom

Horizontale bewegingen = v/d ene bedrijfskolom naar de andere

Integratie = samenvoegen van 2 of meer opeenvolgende fasen v/d bedrijfskolom in 1 bedrijf

Differentiatie = afstoten v/e bepaalde activiteit naar een voorgaande of volgende fase in de bedirjfskolom

Parallellisatie = dat een bedrijf producten uit andere bedrijfskolommen, die zich in hetzelfde stadium van bewerking bevinden, in zijn assortiment opneemt

Specialisatie = dat een bedrijf zich gaat toeleggen op de productie van één of enkele producten binnen een bedrijfstak

Concentratie = het verschijnsel dat beslissingen over de productie van goederen en diensten door steeds minder bedrijven worden genomen

Concern = bundeling v bedrijven die binnen een grotere eenheid als ‘dochter’ of ‘kleindochter’ hun plaats hebben

Holding company = bezit meer dan 50% v/d aandelen v/e ander bedrijf&daarmee de zeggenschap (ook wel moeder- of houdstermaatschappij genoemd)

Motieven voor schaalvergroting:
- Kostenvoordelen
- Risicospreiding
- Afzet
- Toegang tot vermogensmarkt
- Geld voor research

Multinational = in meerdere landen vestigingen

Motieven om in buitenland te gaam opereren:
- Profiteren v lage lonen
- Profiteren v lage belastingdruk
- Profiteren v lage transportkosten

Kartel = samenwerkingsvorm tussen juridisch zelfstandige ondernemingen met het doel de concurrentie te beperken

Prijskartel = ondernemers maken afspraken over prijs (boekhandelaren – prijs)

Productiekartel = ondernemers spreken af niet meer dan een bep. hoeveelheid te produceren (OPEC)

Rayonkartel = verdeelt de afzet geografisch (zuivelproducenten)

Voorwaardenkartel = maakt afspraken over kortingen, garantie, betalingsvoorwaarden

Jaarrekening (verplicht onderdeel v jaarverslag) :
- Balans
- Resultatenrekening
- Toelichting op beide

Balans = overzicht v bezittingen, schulden & eigen vermogen v/e bedrijf op een bep. tijdstip

Vaste activa Eigen vermogen
- Gebouwen - Aandelenvermogen
- Machines - reserves

Vlottende activa Langlopende schulden
- hypotheek
- Voorraden Kortlopende schulden
- Debiteuren - Belastingsschuld
- Liquide middelen - crediteuren

Solvabiliteit = verhouding tussen eigen vermogen en het totale vermogen

Liquiditeit = verhouding tussen vlottende activa en de kortlopende schulden

Resultatenrekening = overzicht v opbrengsten & kosten en de daaruit voortvloeiende winst of verlies over een bepaalde periode

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

M.

M.

Heej Joris!
Wat heb je toch weer een goede samenvatting gemaakt! Dat is echt heel nuttig! Hoef ik het zelf niet meer op te zoeken en dan kan ik dus de samenvatting van de woordjes gaan leren! HEEL ERG HARTELIJK BEDANKT!!
Kussies Marloes

17 jaar geleden