ADVERTENTIE
Eerste hulp bij leerachterstanden!

Het zijn gekke tijden. Loop jij, om wat voor een reden dan ook, achter met de lesstof? Met deze tips van Examenbundel gaat het jou sowieso lukken om je leerachterstand weg te werken. Het allerbelangrijkste is dat je in jezelf blijft geloven. Jij kan dit! #geenexamenstress

De tips van Examenbundel

Productiefactoren (middelen die nodig zijn voor de productie):

- Arbeid

- Kapitaal

- Grond

- Ondernemersactiviteit



Produceren = het combineren van productiemiddelen met tot doel waarde toe te voegen



Productie=toegevoegde waarde= verkoopwaarde van de productie – onderlinge leveringen



Nationaal product bestaat uit de som v/d in een land gedurende een periode van een jaar toegevoegde waarde



Nationaal inkomen bestaat uit de som v/d gedurende een periode van een jaar in een land aan de productiefactoren uitgekeerde beloningen



Welvaart = de mate waarin in de behoefte is voorzien





Externe effecten doen zich voor als t streven naar welvaart door de 1 onbedoeld invloed uitoefent op de welvaart van een ander



Welvaart in enge zin = aantal goederen

Welvaart in ruime zin = ook om hoe je je voelt



Beroepsbevolking = alle personen tussen de 15 & 64 jaar oud die beschikbaar zijn om betaald werk te doen



Kapitaalgoederen = goedreen die niet bestemd zijn voor consumptief gebruik, maar om andere producten te produceren of een inkomen te verwerven



Investeren = het aanschaffen van kapitaalgoederen



Kapitaalintensiteit = hoeveelheid kapitaalgoederen per eenheid arbeid



Breedte-investering = investering waarbij kapitaalintenstiteit niet verandert



Diepte-investering = investering waarbij kapitaalintensiteit toeneemt



Afschrijvingen geven de in geld uitgedrukte waardedalingen van kapitaalgoederen weer





Substitutie = vervanging van arbeid voor kapitaal



Geen rechtspersoonlijkheid = geen scheidingen tussen bezetting en schulden



Wel rechtspersoonlijkheid = duidelijke scheiding tussen eigenaars en eigenlijke bedrijf



Bedrijfskolom = de opeenvolging van economische activiteiten die nodig zijn om een bepaald product te maken



Bedrijfstak = alle bedrijven die zich in dezelfde fase in de bedrijfskolom bevinden en die dus eenzelfde soort voortbrengen



Verticiale bewegingen = bewegingen binnen 1 bedrijfskolom



Horizontale bewegingen = v/d ene bedrijfskolom naar de andere



Integratie = samenvoegen van 2 of meer opeenvolgende fasen v/d bedrijfskolom in 1 bedrijf



Differentiatie = afstoten v/e bepaalde activiteit naar een voorgaande of volgende fase in de bedirjfskolom



Parallellisatie = dat een bedrijf producten uit andere bedrijfskolommen, die zich in hetzelfde stadium van bewerking bevinden, in zijn assortiment opneemt



Specialisatie = dat een bedrijf zich gaat toeleggen op de productie van één of enkele producten binnen een bedrijfstak



Concentratie = het verschijnsel dat beslissingen over de productie van goederen en diensten door steeds minder bedrijven worden genomen



Concern = bundeling v bedrijven die binnen een grotere eenheid als ‘dochter’ of ‘kleindochter’ hun plaats hebben



Holding company = bezit meer dan 50% v/d aandelen v/e ander bedrijf&daarmee de zeggenschap (ook wel moeder- of houdstermaatschappij genoemd)



Motieven voor schaalvergroting:

- Kostenvoordelen

- Risicospreiding

- Afzet

- Toegang tot vermogensmarkt

- Geld voor research



Multinational = in meerdere landen vestigingen



Motieven om in buitenland te gaam opereren:

- Profiteren v lage lonen

- Profiteren v lage belastingdruk

- Profiteren v lage transportkosten



Kartel = samenwerkingsvorm tussen juridisch zelfstandige ondernemingen met het doel de concurrentie te beperken



Prijskartel = ondernemers maken afspraken over prijs (boekhandelaren – prijs)



Productiekartel = ondernemers spreken af niet meer dan een bep. hoeveelheid te produceren (OPEC)



Rayonkartel = verdeelt de afzet geografisch (zuivelproducenten)



Voorwaardenkartel = maakt afspraken over kortingen, garantie, betalingsvoorwaarden



Jaarrekening (verplicht onderdeel v jaarverslag) :

- Balans

- Resultatenrekening

- Toelichting op beide



Balans = overzicht v bezittingen, schulden & eigen vermogen v/e bedrijf op een bep. tijdstip



Vaste activa Eigen vermogen

- Gebouwen - Aandelenvermogen

- Machines - reserves



Vlottende activa Langlopende schulden

- hypotheek

- Voorraden Kortlopende schulden

- Debiteuren - Belastingsschuld

- Liquide middelen - crediteuren



Solvabiliteit = verhouding tussen eigen vermogen en het totale vermogen



Liquiditeit = verhouding tussen vlottende activa en de kortlopende schulden



Resultatenrekening = overzicht v opbrengsten & kosten en de daaruit voortvloeiende winst of verlies over een bepaalde periode


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

M.

M.

Heej Joris!
Wat heb je toch weer een goede samenvatting gemaakt! Dat is echt heel nuttig! Hoef ik het zelf niet meer op te zoeken en dan kan ik dus de samenvatting van de woordjes gaan leren! HEEL ERG HARTELIJK BEDANKT!!
Kussies Marloes

16 jaar geleden