Heb jij stress over je studiekeuze? Of ben je er nog niet zo mee bezig? Laat het ons weten in het studiekeuze-onderzoek. Wij zijn benieuwd hoe we jou beter kunnen helpen!

 

Naar de vragenlijst

ADVERTENTIE
Open Avond = online ontdekken en ontmoeten

Bezoek onze Online Open Avond op woensdag 9 december dit jaar vanaf je bank! Ontdek bijzondere verhalen van onze studenten en docenten. Stel al je vragen én luister naar onze gezellige radioshow! Klaar voor een toekomst als student in het hbo?

Meld je dan nu aan!

Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS): verzamelt gegevens over productie en inkomen

Directe ruil: goederen worden geruild tegen goederen

Indirecte ruil: er worden ruilmiddelen gebruikt om te ruilen

Ruilmiddelen: goederen die iedereen wil hebben

Arbeidsverdeling: mensen verdelen de arbeid (de één dit beroep, de ander dat). Niet langer boeren met vee én groente én graan.

Specialisatie: mensen leggen zich toe op datgene waar ze goed (het best) in zijn

Kapitaalgoederen: gebouwen, kassen, pootgoed, bankrekening



Geldkapitaal: geld. Ook wel: kapitaal.

Investeren: de aanschaf van kapitaalgoederen

Vermogen: geld

Eigen vermogen: geld dat door de eigenaar in het bedrijf is gestoken en waar het bedrijf permanent over kan beschikken. Ook wel: permanent vermogen.

Vreemd vermogen: geleend geld

Productiefactoren: iets wat je nodig hebt om te produceren, in de vorm van: arbeid, kapitaal(goederen) en natuur

Arbeid: arbeid verricht door mensen die in het bedrijf werken

Kapitaal: - in de betekenis van (geld)kapitaal



- in de betekenis van kapitaalgoederen

Natuur: bijvoorbeeld grond

Ondernemersactiviteit: de leiding van een bedrijf en wat daarbij komt kijken

Productiewaarde: de waarde die owrdt toegevoegd aan de grond- en hulpstoffen. Ook wel toegevoegde waarde. Productie- of toegevoegde waarde = omzet - grond en hulpstoffen.

Afzet: aantal verkochte producten

Omzet: totale opbrengst uit je verkopen. De omzet verkrijg je door afzet x gemiddelde verkoopprijs.

Factordiensten: diensten geleverd voor het bedrijf, bijv. arbeid (niet door de ondernemer zelf), rente bank, pacht buurman)

Factorinkomens: inkomens die ontstaan door beloningen voor geleverde factordiensten



Administratie: ook wel boekhouding, hierin worden door een bedrijf de financiële gegevens bijgehouden

Balans: momentopname van de bezittingen van een bedrijf en van de manier waarop de bezittingen zijn betaald. Het bedrag moet links en rechts hetzelfde zijn.

Activa: de bezittingen van een bedrijf, staat links op de balans. Bij de activa staan:

1. Vaste kapitaalgoederen (de grond, gebouwen en machines). Kenmerk: ze worden langer dan een jaar gebruikt.

2. Vlottende kapitaalgoederen (bijv. pootgoed, debiteuren). Kenmerk: het geld dat in de vlottende kapitaalgoederen is gestoken komt binnen een jaar weer vrij.

3. Liquide middelen (geld in de kas of op een lopende rekening bij een bank (rekening courant)). Kenmerk: het zijn betaalmiddelen die meteen kunnen worden uitgegeven.

Passiva: de manier waarop men aan de bezittingen (activa) is gekomen. Bij de passiva staan:

1. Eigen vermogen

2. Lang vreemd vermogen (schulden die pas na jaren weer moeten worden afgelost)

3. Kort vreemd vermogen (schulden die binnen een jaar weer moeten worden afgelost), bijvoorbeeld leveranciers die nog betaald moeten worden.

Resultatenrekening: hierop staan alle opbrengsten en kosten over een bepaald tijdvak, je kunt eraan zien of een bedrijf winst of verlies heeft gemaakt

Opbrengsten: de omzet (+ eventueel negatief saldo), staat rechts op de resultatenrekening

Kosten: alle uitgaven (+ eventueel positief saldo), staat links op de resultatenrekening

Winst: als men na omzet - kosten een positief getal krijgt

Verlies: als men na omzet - kosten een negatief getal krijgt



Bedrijfskolom: al de bedrijven waarin de opeenvolgende productiestadia worden doorlopen, van oerproducent tot degene die het kant en klare eindproduct verkoopt

Bedrijfstak: een sector bedrijven

Binnenlands inkomen: de productiewaarde van de bedrijven en de productie van de overheid samen. Ook wel: binnenlands product

Nationaal inkomen: het binnenlands inkomen plus de inkomens die zijn verdiend in het buitenland min de inkomens die zijn betaald aan het buitenland. Ook wel: nationaal product

Officieel circuit: productie van ondernemingen en de overheid, waarvan de belastingsdienst op de hoogte is

Officieuze circuit: productie van ondernemingen en de overheid, waarvan de belastingsdienst niet op de hoogte is (zwarte circuit)

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

J.

J.

Heej Martine,

Ik heb heel veel aan je samenvatting gehad, alleen komt er nog een van hoodstuk 2 en 3? Hint hint...

Groetjes Jenske

19 jaar geleden

V.

V.

lieve martine
ik vind je verslag erg mooi en ik kon hem erg goed gebruiken. als je nog meer verslagen maakt of hebt gemaakt wil je die dan naar mij toe sturen

Vincent

18 jaar geleden