Consument en Producent: begrippenlijst
- Aanbod = wat aangeboden wordt.
- Aangeboden hoeveelheid = het aantal dat aangeboden wordt van een bepaald product.
- Abstracte markt = deze omvat het geheel van vraag en aanbod (Nederland, tandenborstel markt,markt voor computers, huizenmarkt) Je kunt niet één plek aanwijzen waar vragers en aanbieders elkaar ontmoeten.
- Afzet = (verkoopvolume) de verkopen gemeten in hoeveelheden.
- Assortiment = voorraad winkelgoederen, uitgezochte verzameling (een supermarkt kan bepaalde nieuwe producten aan zijn assortiment toevoegen).


- Behoeften = wat nodig is, consumenten hebben bepaalde behoeften, zoals eten, drinken, kleding, onderdak en ontspanning.
- Bemoeigoederen = goederen waarvan de overheid het gebruik wil stimuleren (merit goods) of waarvan de overheid juist wil afremmen (demerit goods).
- Break-evenanalyse = hierin worden de kosten onderscheiden in constante (= kosten die in totaal niet afhangen van de productieomvang) of vaste kosten en variabele kosten (= kosten die in totaal wel afhangen van de productieomvang).
- Collectieve reclame = bedrijmen maken samen reclame voor een bepaald product (b.v. reclame voor groenteboeren of tabaksfabrikanten).
- Concrete markt = een plek waar vragers en aanbieders van arbeid elkaar in het echt ontmoeten.
- Constante kosten = kosten die in totaal niet afhangen van de productieomvang.
- Consumentenorganisatie = organisaties die proberen de macht van de consument te versterken.
- Convenant = in een convenant beloven de bedrijven bepaalde dingen te doen (of juist niet te doen). Het doel is om overheidsingrepen te voorkomen, door de overheid steeds een stapje voor te blijven.
- De vier P’s = prijs, productiebeleid, promotiebeleid en plaatsbeleid (distributiebeleid).


- Demerit goods = de overheid wil het gebruik van deze producten afremmen.
- Directe belastingen = de belastingen op inkomen, winst en vermogen.
- Distributiebeleid = (plaatsbeleid) bedrijven nemen allerlei beslissingen over de manier waarop ze hun producten bij de klant laten komen (verkoop je je producten zelf of via winkels, moet het product in zoveel mogelijk winkels of juist in enkele winkels te koop zijn). De winkelformule (deze geeft aan op welke wijze een winkel is ingericht) is een belangrijk onderdeel van het plaatsbeleid.
- Doorzichtige markt = (transparante markt) hier spreken we over, wanneer de belangrijke gegevens over de markt helder en duidelijk te verkrijgen zijn.
- Duurzame ontwikkeling = een (economische) ontwikkeling die niet ten koste gaat van toekomstige generaties en het milieu. Fossiele brandstoffen, zoals olie en gas worden dus niet op grote schaal gebruikt.
- Elasticiteit = deze geeft weer, hoe sterk een gevolg reageert op een oorzaak. (procentuele verandering van het gevolg : procentuele verandering van de oorzaak -> Ev = Qv : P).
- Elastisch = de vraag van de consumenten reageert sterk op de prijsstijging.
- Evenwichtshoeveelheid = de gevraagde en aangeboden hoeveelheid zijn precies aan elkaar gelijk (tegenover elk gevraagd product staat precies één aangeboden product).
- Evenwichtsprijs = de prijs waarbij de aangeboden hoeveelheid en de gevraagde hoeveelheid aan elkaar gelijk zijn.
- Externe effecten = bijkomende effecten van productie en consumptie die niet in de (kost)prijs tot uitdrukking komen (de veroorzaker van het negatieve externe effect hoeft degene die er last va heeft niets te betalen, ook de consument betaalt er niet voor (de kosten zijn niet in de prijs verrekend).
- Garantie = waarborg, borgstelling
- Gemiddelde variabele kosten = (GVK) de constante kosten per eenheid product.
- Heterogeen = de producten zijn in de ogen van de consumenten iets anders dan de producten die de concurrenten verkopen.
- Hoeveelheidsaanpasser = een aanbieder op een markt met volkomen concurrentie (= individuele aanbieder heft geen enkele invloed op de prijs, maar kan wel zijn hoeveelheid aanpassen).
- Homogeen = volstrekt identieke producten, het maakt voor de consument niet uit van welke aanbieder het product afkomstig is.
- Indirecte belastingen = (indirect = niet rechtstreeks) de qua omvang belangrijkste indirecte belasting is de Belasting op de Toegevoegde Waarde (BTW). Kostprijs verhogende belasting (v.b. knippen kost F20,- er komt nog 6% BTW bij, dus het totaal bedrag komt op F21,20).
- Individuele reclame = als een bedrijf reclame maakt voor zijn eigen merk.
- Inelastisch = de consument reageert nauwelijks op de prijsstijging.
- Inkomenselasticiteit van de vraag = deze geeft aan in welke mate de gevraagde hoeveelheid van een goed reageert op een verandering van het inkomen.
- Innovatie = (vernieuwing) het ontwikkelen en in productie nemen van nieuwe producten en productieprocessen.
- Kartel = een afspraak die er op gericht is de concurrentie terug te dringen.
- Marketinginstrumenten = onderdelen van de marketingmix (wapens) die bedrijven kunnen gebruiken in de concurrentiestrijd.
- Marketingmix = verschillende wapens van bedrijven om te strijden om de gunst van de afnemers.
- Marktaandeel = deze geeft aan wat de verhouding is tussen de afzet van een merk en de totale afzet van een productvorm, bijvoorbeeld cola (marktaandeel Coca Cola = afzet Coca Cola : totale cola-afzet x 100% of marktaandeel Coca Cola = omzet Coca Cola : totale cola-afzet x 100%).
- Marktleider = (prijsleider) deze stelt prijzen vast en is een voorbeeld voor andere bedrijven om dit ook te doen (b.v. Douwe Egberts).
- Marktmechanisme = omdat bij een vraagoverschot de prijs als stijgen en bij een aanbodoverschot de prijs zal dalen zal uiteindelijk de prijs ontstaan waarbij de gevraagde en aangeboden hoeveelheid precies aan elkaar gelijk zijn = werking van het marktmechanisme.
- Marktonderzoek = onderzoek waarin wordt gekeken welke factoren de vraag naar hun producten beïnvloeden.
- Maximumprijs = de overheid stelt deze prijzen in om de consument te beschermen.
- Mededingingsbeleid = (mededinging = concurrentie) dit beleid is erop gericht om de concurrentie te bevorderen, door bijvoorbeeld het verbod op kartels.
- Merit goods = goederen waarvan de overheid het gebruik wil stimuleren.
- Merk = het soort product van een bepaalde fabrikant, met een bepaalde ‘stempel’.
- Minimumprijs = de overheid stelt deze prijzen in om de producent te beschermen. De overheid stelt deze prijzen in, wanneer de evenwichtsprijs te laag wordt bevonden.
- Monopolie = er zijn veel vragers en één aanbieder op deze markt -> komt alleen nog voor bij openbare nutsbedrijven, die gas, water en elektriciteit leveren, de individuele aanbieder stelt de prijzen vast (prijszetter).
- Monopolistische concurrentie = er zijn veel vragers en veel aanbieders op deze markt en er worden heterogene producten verkocht ->komt in de praktijk veel voor, er is veel concurrentie, ze hebben in beperkte mate invloed op de prijs, maar moeten wel goed opletten wat hun concurrenten doen (v.b. detailhandel, kleding- en schoenenbranche).
- Olipologie = er zijn veel vragers en enkele aanbieders op deze markt -> komt veel voor, meestal heterogene- en soms homogene marktvormen (bedrijf verhoogt prijzen = ander bedrijven meestal ook, bedrijf verlaagt prijzen = ander bedrijven meestal ook ->b.v. Douwe Egberts).
- Omzet = de waarde van de verkocht producten (de totale inkomsten zonder de afgetrokken kosten).
- Plaatsbeleid = (distributiebeleid) bedrijven nemen allerlei beslissingen over de manier waarop ze hun producten bij de klant laten komen (verkoop je je producten zelf of via winkels, moet het product in zoveel mogelijk winkels of juist in enkele winkels te koop zijn). De winkelformule (deze geeft aan op welke wijze een winkel is ingericht) is een belangrijk onderdeel van het plaatsbeleid.
- Preferenties = een ander woord voor voorkeur (b.v. voor een bepaald merk).
- Prijsbeleid = wanneer een bedrijf zich bezighoudt met de vraag welke prijs het voor zijn producten moet vragen.
- Prijselasticiteit van de vraag = deze geeft aan in welke mate de gevraagde hoeveelheid van een goed reageert op een verandering van de prijs van het goed.
- Prijselasticiteit van het aanbod = deze geeft aan hoe sterk de aangeboden hoeveelheid van een goed reageer t op een verandering van de prijs van dat goed.
- Prijsleider = (marktleider) deze stelt prijzen vast en is een voorbeeld voor andere bedrijven om dit ook te doen (b.v. Douwe Egberts).
- Prijsvraagfunctie = (prijsvraagvergelijking) een vergelijking die het verband tussen de prijs en de gevraagde hoeveelheid beschrijft (ze hebben het meestal over de vraagvergelijking of vraaglijn).
- Prijsvraaglijn = de lijn in de grafiek, deze is over het algemeen dalend (hoe lager de prijs, hoe groter de gevraagde hoeveelheid + hoe hoger de prijs hoe lager de gevraagde hoeveelheid.
- Prijsvraagvergelijking = zie prijsvraagfunctie!!
- Prijszetter = (marktleider) deze stelt prijzen vast en is een voorbeeld voor andere bedrijven om dit ook te doen (b.v. Douwe Egberts).
- Prijzenoorlog = een opeenvolging van prijsverlagingen, om zo goed mogelijk te kunnen concurreren. Wanneer je je prijs verhoogt, prijs je jezelf uit de markt.
- Productiebeleid = fabrikanten willen steeds nieuwere en betere producten maken. Innovatie (het ontwikkelen en in productie nemen van nieuwe producten en productieprocessen) speelt hierbij een belangrijke rol.
- Productdifferentiatie = het aanpassen van de productie aan verschillende doelgroepen.
- Productiecapaciteit = de maximale hoeveelheid die een bedrijf in een bepaalde periode kan produceren.
- Promotiebeleid = beleid dat er opgericht is om een product en de eigenschappen van een product onder de aandacht van potentiële afnemers te brengen. Reclame en een ‘drie halen twee betalen’ actie zijn hierbij erg belangrijk.
- Psychologische prijs = een prijs die lager lijkt dan hij is, wordt veel gebruikt in supermarkten (b.v. 9,95).
- Schaalvoordelen = de kosten per product dalen, wanneer de productieomvang stijgt.
- Service = het helpen van de klant, wanneer deze problemen met het product heeft.
- Substitutiegoederen = een goed dat als vervanging van een ander dient (bus- en autovervoer zijn dit voor de trein).
- Totale kosten = de totale constante kosten en de totale variabele kosten bij elkaar opgeteld.
- Transparante markt = (doorzichtige markt) hier spreken we over, wanneer de belangrijke gegevens over de markt helder en duidelijk te verkrijgen zijn.
- Variabele kosten = kosten die in totaal afhangen van de productieomvang, meer geproduceerd -> de variabele kosten stijgen. Voorbeelden van variabele kosten zijn, grondstofkosten en de loonkosten.
- Verkoopvolume = een ander woord voor afzet (de verkopen gemeten in hoeveelheden).
- Volkomen concurrentie = (volledige mededinging) wanneer de individuele aanbieder geen enkele invloed heeft op de prijs; de prijs is voor de individuele aanbieder dus gegeven -> indien er op deze markt veel vragers, veel aanbieders en homogene producten zijn (in de ogen van de consument).
- Volledige mededinging = een ander woord voor volkomen concurrentie.
- Voorkeuren = de consument heeft bepaalde voorkeuren bij het kopen van producten. Deze voorkeuren zijn per consument verschillend.
- Vraag = het verband tussen de prijs en de gevraagde hoeveelheid.
- Vraagfunctie = een formule om bij elke prijs de gevraagde hoeveelheid te kunnen berekenen (b.v. Qv = -0,18P + 21,85).
- Vraagoverschot = wanneer de gevraagde hoeveelheid van een product groter is dan de aangeboden hoeveelheid.
- Vraagvergelijking = een ander woord voor prijsvraagfunctie (een vergelijking die het verband tussen de prijs en de gevraagde hoeveelheid beschrijft).
- Warenwet = hierin staan voorschriften met betrekking tot de meest uiteenlopende producten (bier, kaas,jam, cacao, speelgoed, papier). Deze heeft als doel om de consument te beschermen.
- Winkelformule = deze geeft aan op welke wijze een winkel is ingericht.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.