ADVERTENTIE
Luisterboeken: de makkelijke optie? Lars is niet echt een fan van lezen. Daarom gaat hij op zoek naar de beste manieren om door zijn leeslijst heen te komen. Red je het met alleen maar samenvattingen, of is een e-reader of luisterboek een betere optie? Deze video wordt mede mogelijk gemaakt door Storytel.

Probeer 30 dagen gratis
Begrippen hoofdstuk 2

Break-even afzet: opbrengsten zijn gelijk aan de kosten
Aanbodfunctie:
Abstracte markt:
Bodemprijs: aanbieders storten in dit fonds een percentage van hun omzet, komt de prijs onder een vastgestelde bodemprijs dan koopt het fonds het product op tot het weer op de bodem prijs komt
Concrete markt: aanbieders en vragers ontmoeten elkaar op een vaste herkenbare plaats
Doordraaien: opgekochte producten van de bodemprijs worden vernietigd
Garantieprijs: zie bodemprijs
Gemiddelde Constante Kosten(GCK): GCK=TCK/Q
Gemiddelde Totale Kosten(GTK): GTK=TK/Q of GTK=GVK+GCK
Gemiddelde Variabele Kosten(GVK): GVK=TVK/Q
Hoeveelheidsaanpasser:
Homogeen product: hetzelfde product als de concurrent verkoopt
Marktvormen: machtsverhouding tussen concurrenten op een bepaalde markt
Monopolist: aanbieders die de markt alleen in handen hebben
Monopolistische concurrentie: door goede kwaliteit te leveren onderscheiden van concurrentie
Oligopolie: aanbieders die maar een beperkt aantal concurrenten hebben
Totale Constante Kosten(TCK):
Totale Kosten(TK): TK=TVK+TCK
Totale Opbrengsten(TO):
Totale Variabele Kosten(TVK):
Transparante markt:
Veiling: totale markt onder volkomen concurrentie
Volkomen concurrentie:
Volledige mededinging:
Vrije toetreding:
Feitelijke monopolie:
Innovatie:
Monopolie: markt is in handen van 1 aanbieder
Natuurlijk monopolie: de productie/winning van een weinig voorkomende grondstof, daardoor in handen van 1 onderneming
Overheidsmonopolie: markt is in handen van 1 overheidsonderneming zoals de NS
Parabool:
Prijsdiscriminatie: de ondernemer hanteert verschillende prijzen voor eenzelfde product
Prijszetter: zelf de prijs bepalen rekening houdend met de consument
Schaalvoordelen:
Heterogeen product:
Kartelvorming:
Productdifferentiatie: ondernemers doen iets extra’s met het product

Begrippen HO3

Bemoeigoederen:de goederen die de overheid om reden wel verschaft worden.(blz 55)
Collectieve goederen: Iets wat niet individueel betaalt kan worden bijvoorbeeld dijken.
Demerit goods: de goederen die de overheid afraad; drugs/alcohol.
Individuele goederen: de goederen de zonder overheidsbemoeienis maar door het bedrijfsleven worden geleverd.
Merit goods: de goederen die de overheid om reden wel verschaft worden.
Miljoenennota: toont de financiële gevolgen aan van het door de regering gekozen beleid.
Overdrachtsuitgaven: de overheid haalt bij het een het geld weg en geeft het weer door aan de ander ; bijstanduitkeringen of subsidies.
Overheidsbestedingen: hierbij moet de ontvanger en tegenprestatie leveren voor het geld ; arbeid goederen en diensten.
Overheidsconsumptie: de overige bestedingen van de overheid; ambtenarensalarissen en kantoorartikelen militair materieel.
Overheidsinvesteringen: gebouwen, infrastructuur: wegen.
Privatisering: wanneer de overheid taken overdraagt aan particuliere bedrijfsleven.
Quasi-collectieve goederen: als goederen wel splitsbaar zijn in individueel leveren en van commerciële bedrijven, en de overheid ze dan toch nog betaalt.
Accijns: de belasting op goederen waardoor deze duurder worden om het gebruik te ontmoedigen ; sigaretten, benzine, alcohol.
Belastingen:
BTW: belasting toegevoegde waarde: deze zijn in de prijs van producten die je koopt verwerkt. De BTW en de accijns die een bedrijf ontvangt moet ze afdragen aan de belastingdienst.
Directe belastingen: hierbij draagt de burger een deel van zijn inkomen direct af aan de overheid.
Dividendbelasting: deze belasting wordt geheven over de winst uit aandelen, deze belasting wordt ingehouden door het bedrijf waarvan men aandelen bezit.
Draagkrachtbeginsel: laat de rijker burger verhoudingsgewijs minder betalen dan de arme.
Indirecte belastingen: (kostprijsverhogende belastingen) deze belasting betaal je niet direct naar de overheid maar met een tussenpersoon.(meestel bedrijf)
Loonbelasting: wordt door de werkgever ingehouden over het verdiende loon; het is een voorheffing op de inkomsten belasting.
Niet-belastinginkomsten: de ontvangsten uit de verkoop van aardgas, winsten van overheidsbedrijven, verkoop van overheidsbezit, boetes etc.
Profijtbeginsel: dit houd geen rekening met de draagkracht van de burger maar gaat uit van het gebruik. Hoe meer de burger profiteert van een overheidsvoorziening, hoe meer hij bijdraagt; parkeergeld dat hoger wordt naarmate de auto langer staat.
Progressieve belasting:het belastingpercentage stijgt als het inkomen stijgt.
Retributies: dit zijn de betalingen aan de overheid waarvoor de burger wel een direct aanwijsbare tegenprestatie krijgt; schoolgeld.
Vennootschapbelasting: wordt geheven over de winst van BV’s en NV’s
Verbruiksbelasting op milieugrondslag: zijn allerlei heffingen die tot doel hebben dat personen bewuster met het milieu omgaan; ecotax, grondwaterbelasting etc.
Aftrekposten: kosten die van een brutoloon worden afgetrokken.
Belastbaar inkomen: brutoloon min de aftrekposten
Brutoloon: het bedrag dat de werknemer verdient met zijn arbeid in loondienst. Dat bedrag wordt niet volledig belast. Van het brutoloon mogen kosten worden afgetrokken
Degressief belastingstarief: dit houdt in dat het belastingpercentage daalt als het inkomen stijgt.
Gemiddeld belastingtarief: is het percentage dat een burger gemiddeld aan belasting betaalt over zijn totale inkomen.
heffingskorting:
Laffercurve:
Marginaal belastingstarief: is het percentage dat een burger betaalt over zijn inkomen dat in de hoogste inkomensschijf valt.
Ontduiken: de belasting onduiken; bijvoorbeeld zwart werken.
Ontwijken: belasting te ontwijken door bijvoorbeeld handige maar legale belastingconstructies.
Ontvluchten:naar een land te gaan met een minder belastingsklimaat
Progressief belastingtarief: werkt volgens het draagkrachtbeginsel. De loonbelasting is gebaseerd op dit beginsel; belastingpercentage stijgt als het inkomen stijgt.
Proportioneel belastingstarief: hierbij gaat de burger bij hogere verdiensten een hoger belastingbedrag betalen, maar het percentage blijft hetzelfde.

BEGRIPPEN H1 actieven en inactieven

Actieven: Mensen die betaald werk verrichten.
i/a –ratio: Geeft de verhouding tussen inactieven en actieven weer.
inactieven: Mensen waarvan hun inkomen geheel afhankelijk is van een of meerdere uitkeringen. Dit inkomen is afhankelijk van de premies van de actieven.
aanvullend pensioen: 65-plussers die in hun werkzame leven pensioenpremie hebben afgedragen aan een pensioenfonds. De hoeveelheid hangt af van het aantal jaren dat pensioenpremie is afgedragen. ( dus soort sparen, hoe langer hoe meer.)
basispensioen: een uitkering voor 65-plussers (AOW)
kapitaaldekkingsstelsel: Hierbij betaalt de werkende premie en spaart darmee voor zijn eigen toekomstige pensioen.
koopkracht: Wat mensen kunnen kopen en willen kopen van hun geld.
middelloonpensioen: Een pensioenuitkering samen met de AOW die 70% van het gemiddeld verdiende loon bedraagd.
nominaal:

omslagstelsel: De actieven van nu betalen voor de inactieven van nu.
reëel:

sociale uitkering: Dit is een door de AOW (algemene ouderdomswet) voorgeschreven uitkering op het niveau van het sociaal minimum.(evt. vult een aanvullend pensioen deze uitkering aan)
volksverzekering: een verzekering die voor iedereen in Nederland geldt ongeacht hij of zij ooit heeft gewerkt. ( geregeld door de AOW)
waardevast: Deze uitkering is gekoppeld aan de gemiddelde prijsinflatie.
welvaartsvast: Deze uitkering is gekoppeld aan de loonstijging in de marktsector.
diepte-investeringen: Nieuwe kapitaalgoederen aanschaffen die dezelfde productie kunnen halen met minder werknemers.
wig: Het verschil tussen de loonkosten voor de werkgever en het nettoloon van de werknemer. Het bestaat uit de werkgeversbijdrage in de sociale premies, loonbelastingen en de werknemersbijdrage in de sociale premies.
bestedingseffect: bij investeringen het effect op korte termijn
bestedingsevenwicht:

bestedingsinflatie: meer vraag dan aanbod en de kopers bieden tegen elkaar op.
bezettingsgraad: de werkelijke productie als percentage van de productiecapaciteit.
capaciteitseffect: bij investeringen het effect op lange termijn.
conjuncturele werkloosheid: werkeloosheid als gevolg van te weinig vraag.
conjunctuurgolven: schommelingen in bestedingen op korte termijn.(van consumenten en bedrijven)
depressie: Absolute afname van BBP.
economische groei: Het reële BBP stijgt in een bepaalde periode; het productievolume in een land neemt toe.
export: Nederlandse producten uitvoeren naar buitenland.
import: Buitenlandse producten invoeren in Nederland.
investeringen: kapitaalgoederen kopen om te kunnen produceren.
onderbesteding (laagconjunctuur): De vraag naar goederen en diensten is klein. Er wordt te weinig besteed.
overbesteding ( hoogconjunctuur): De vraag is groter dan de trend. ( bedrijven draaien op volle toeren maar kunnen niet aan de vraag naar goederen en diensten voldoen.
overheidsbestedingen: dingen waar de overheid geld in besteed, zoals bouw van de Betuwelijn, aanleg nieuwe wegen etc.(wordt gesplitst in 2 groepen overheidsconsumptie & overheidsinvesteringen.
overheidsconsumptie: een niet kapitaalgoed zoals een straaljager voor de luchtmacht.
overheidsinvesteringen:een kapitaalgoed die door de overheid wordt betaald zoals nieuwe wegen.
particuliere consumptie: bestedingen van de consumenten.
productiecapaciteit: Het maximaal mogelijke productie van een land in een jaar.
recessie: daling van de groei van het BBP.
structuur: De (productie)structuur van een land is de aanbodkant van de economie.
trend: Deze krijg je door de gemiddelde groei van het reële BBP over een reeks aantal jaren te meten.
trendmatige groei van het reële BBP: Deze krijg je door de gemiddelde groei van het reële BBP over een reeks aantal jaren te meten.

BEGRIPPEN HO2 actieven en inactieven

Algemeen verbindend verklaren: als de minister van sociale zaken een CAO oplegt aan alle bedrijven in een bedrijfstak.
Arbeidsovereenkomst: afspraken voor een bedrijfstak of voor een bedrijf apart.
CAO-cyclus: heet zo omdat veel CAO’s elk jaar opnieuw moeten worden afgesloten.
Centraal akkoord: landelijke afspraken voor alle bedrijfstakken.
Collectieve arbeidsovereenkomst (CAO): afspraken voor bedrijfstakken waar primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden bij worden gesteld.
Incidentele loonstijging: loonstijging vanwege promotie of meer dienstjaren.
Initiële loonstijging: reële loonstijging ( werknemers krijgen meer koopkracht).
Loonruimte: loonstijging in procenten.
Organisatiegraad: percentage werknemers dat lid is van een vakbond.
Prijscompensatie: is bedoeld om gestegen prijzen goed te maken (koopkracht van de werknemer daalt niet).
Primaire arbeidsvoorwaarden: de lonen en werktijden.
Secundaire arbeidsvoorwaarden: overige afspraken (verlof, arbeidsomstandigheden, scholing, kinderopvang)
Sociaal economische raad (SER): hier ontmoeten werkgeverscentrales, vakcentrales en de overheid elkaar.
Stichting van de arbeid: hier zijn alleen werkgeverscentrales en werknemerscentrales vertegenwoordigd.
Vakbond: vertegenwoordigd de werknemers.
Vakcentrale: dit is een vereniging van vakbonden uit verschillende bedrijfstakken.
Werkgeverscentrale: vakbond voor werkgevers.
Aanzuigingeffect: krijg je bij stijgende lonen.
Arbeidsmarkt: gaat om het geheel van de vraag naar en het aanbod van personeel.
Beroepsgeschikte bevolking: mensen tussen 15 en 65 jaar die in principe kunnen werken.
Deelnemingspercentage of participatiegraad: geeft aan welk deel van de bevolking tussen de 15 en 65 deelneemt aan het arbeidsproces. Minimumloon: Lonen tot dit bedrag dus lagere lonen mogen niet gegeven worden. Ontmoedigingseffect: Als het conjunctuur tegen zit, het omgekeerde van aanzuigingeffect. Sociaal minimum: (bijstand) de laagste uitkering in Nederland, bedrag is minimaal nodig om van te kunnen leven. Werkeloze beroepsbevolking: iedereen tussen de 15 en 65 jaar die geen werk heeft of voor minder dan 12 uur in de week. Werkende beroepsbevolking: bestaat uit mensen tussen 15 en 65 jaar die minstens 12 uur in de week betaald werk verrichten. Koppelingen: zie blz 46, kan het niej uitleggen moet je zelf ff lezen. Armoedeval: mensen in de bijstand profiteren vaak van huursubsidies kwijtschelding van gemeentelijke belastingen en bijzondere bijstand in noodgevallen, als deze mensen weer gaan werken vervalt dit allemaal. Draagvlak: 2 opzichten: Nederland moet een sociaal land blijven waarin we voor elkaar willen zorgen, maar er moet ook wel voldoende financiële ruimte zijn voor alle sociale voorzieningen DUS: de i/a-ratio mag niet te groot zijn. Inkomensafhankelijke regelingen: bijvoorbeeld, studiebeurzen en huursubsidies, hier heb je recht op. Loon- prijsspiraal: de prijzen stijgen waardoor de lonen ook moeten stijgen voor behoud van de koopkracht. Sociaal minimum: (bijstand) de laagste uitkering in Nederland, bedrag is minimaal nodig om van te kunnen leven. Sociale verzekeringen: de meeste uitkeringen in Nederland, wordt betaald van premies. Sociale voorzieningen: wordt betaald uit de belasting, alleen als iemand geen andere inkomensbronnen meer heeft. Volksverzekeringen: deze uitkering is voor iedereen bedoeld, niet alleen voor werknemers. Werknemersverzekeringen: bijv. de ZFW , WAO etc. dit zijn wetten die gelden voor werknemers, bijvoorbeeld als er iets gebeurd met een werknemer waardoor hij niet meer kan werken krijgt hij van de verzekering geld (uit premies) totdat ze weer kunnen werken.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

jood

jood

ik vind heel mooi goed gedaan

1 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast