ADVERTENTIE
Red het frikandelbroodje Wist je dat heel veel van jouw lievelingsproducten zomaar kunnen verdwijnen als de bij zou uitsterven? Denk bijvoorbeeld aan je glaasje melk in de ochtend, maar ook je frikandelbroodje in de pauze en je banaan bij het leren. Hoe komt dit en belangrijker, hoe voorkomen we dit? Dat weten ze bij de opleiding Diermanagement. Meer weten over deze en andere studies van Van Hall Larenstein?

Check alle video's!
Aanbod van arbeid -> de beroepsbevolking: werknemers en werklozen.
Aandeelhouder -> de eigenaren van een BV en NV. Als aandeelhouder krijg je een deel van de winst van een bedrijf.
Aanzuigeffect -> als de werkloosheid daalt en mensen op zoek gaan naar een baan
Abstracte markt -> omvat het geheel van vraag en aanbod. Je kunt niet een plek aanwijzen waar vragers en aanbieders elkaar ontmoeten.
afzet -> de verkochte hoeveelheid
Algemeen Verbindend Verklaren -> De CAO geldt dan voor alle bedrijven in de bedrijfstak. ook voor de bedrijven die geen lid van de werkgeversbond zijn
Arbeidsbemiddeling hierdoor wordt gezorgd dat werkgevers en werknemers sneller met elkaar in contact komen. hierdoor kan de frictiewerkloosheid verminderd worden, door openstaande vacatures sneller te laten vervullen
Arbeidsbureau -> via dit bureau kan je als werkzoekende werk vinden. Het gaat vaak om vast werk. Een arbeidsbureau is niet-commercieel en worden bestuurd door vertegenwoordigers van werkgeversorganisaties en werknemersorganisaties
Arbeidsintensiever -> Als er bij productie meer arbeid ten opzichte van machines wordt i ingeschakeld.
Arbeidskosten -> de kosten die een bedrijf maakt door arbeid te verrichten
Arbeidsmarktbeleid -> sinds de jaren tachtig vooral gericht op het bestrijden van kwantitatievestructuurwerkloosheid. Belangrijk element is verlagen van loonkosten
Arbeidsmobiliteit -> Er is arbeidsmobiliteit tussen beroepen als mensen bereid zijn om zich om te scholen
Arbeidsovereenkomst -> een overeenkomst tussen een werkgever en een werknemer. Hierin worden Arbeidsvoorwaarden zwart op wit vastgelegd, zodat er geen onduidelijkheid kan ontstaan.
Arbeidsproductiviteit -> de gemiddelde productie per werknemer per gewerkte tijdseenheid.
Arbeidstijd -> Het aantal uren dat een werknemer met een volledige baan per week werkt(is tegenwoordig meestal 38 uur per week bij een volledige baan)
Arbeidsvoorwaarden -> 1) primaire arbeidsvoorwaarden: Loon en de normale arbeidstijd. 2) secundaire arbeidsvoorwaarden: vakantieregelingen, duur middagpauze, reiskostenvergoedingen, kinderopvang enz.
Automatisering -> het gebruik maken van computers, robots enz.
Bedrijfstak -> alle bedrijven die zich bezig houden met een zelfde soort productie. (Bijv: de bouw)
Bedrijfstijd -> Het aantal uren per week dat een bedrijf draait.
Beroepsbevolking -> alle mensen die willen, kunnen en mogen werken.
Beroepsgeschikte bevolking -> de beroepsbevolking plus de niet-beroepsbevolking. Het zijn alle mensen tussen de 15 en 65 jaar.
Besloten Vennootschap -> BV. Er is een scheiding tussen het bedrijf en de personen die eigenaar zijn. Het zijn rechtspersonen. Ze zijn juridisch zelfstandig. De eigenaren zijn niet met hun privé-vermogen aansprakelijk voor de schulden. De aandelen van een BV staan op naam.
Bezettingsgraad -> werkelijke productie
Productiecapaciteit x 100 %
Breedte-inverstering -> een investering in dezelfde soort machines waarbij de arbeidsproductiviteit gelijk blijft. Het bedrijf blijft net zo kapitaalintensief en arbeidsintensief
Brutoloon -> het loon van een werknemer, waar de belastingen en premies nog vanaf moeten
Centraal Overleg -> Als tegenwoordigers van werknemers en werkgevers met elkaar praten in de Stichting van Arbeid
Collectieve Arbeidsovereenkomst -> CAO. Hierin staan alle rechten en plichten van de werknemers en werkgevers zwart op wit. Als een werkgever iemand in dienst neemt, geldt voor de werkgever en de werknemer de CAO.
Concrete markt -> Een plek waar vragers en aanbieders van arbeid elkaar in het echt ontmoeten.
Concurrentiepositie -> het vermogen beter en/of goedkoper te kunnen produceren dan concurrenten.
Conjunctuurwerkloosheid -> wanneer de bestedingen laag zijn in relatie tot de productiecapaciteit wordt er weinig geproduceerd en worden mensen ontslagen(de effectieve vraag is kleiner dan de productiecapaciteit)
Consumeren -> Als een gezin goederen of diensten koopt.
Consumptie -> goederen en diensten.
Deelmarkt -> bijv. deelmarkt voor metselaars.
Deelnemingspercentage -> aantal personen in de bevolking(sgroep) dat tot de bevolking hoort totaal aantal personen in de bevolkin(sgroep) x 100%
Deeltijdbetrekking -> minder dan een volledige werkweek, maar wel een vast aantal uren
Deeltijdwerker -> iemand die een vast aantal uren per week werkt, maar minder uren dan een werknemer met een volledige baan.
Dienstverband voor bepaalde tijd -> arbeidscontracten met een bepaalde duur, bijvoorbeeld 1 jaar.
Diepte-investering -> een bedrijf koopt beter machines dan het had. Een arbeidsbesparende investering die tot gevolg heeft dat de arbeidsproductiviteit stijgt.
Directeur-grootaandeelhouder -> eigenaren van een BV. Zij hebben de dagelijkse leiding over het bedrijf.
Eenmanszaak -> Heeft 1 eigenaar. Je bent privé aansprakelijk voor schulden.
Effectieve vraag -> de totale vraag naar alle goederen en diensten die een land produceert bijenkap opgeteld.
Flexibele arbeidsduur -> het aantal uren per week ligt niet vast.
Flexibilisering -> als werknemers ‘flexibeler’ ingezet kunnen worden.
Frictiewerkloosheid -> werkloosheid die ontstaat omdat het tijd kost voor een werknemer om een baan te vinden(en voor een werkgever om een werknemer te vinden.
Geregistreerde werkloosheid -> werkloos zijn mensen van 16 tot en met 64 jaar, die niet of minder dan 12 uur per week werken, en die werk zoeken voor minstens12 uur per week, en die staan ingeschreven bij het arbeidsbureau, en die binnen twee weken aan de slag kunnen als er een geschikte baan voor ze is.
Gezin -> man vrouw en kinderen, student op kamers, alleenstaande, ongehuwde moeder, homoseksueel echtpaar.
Herbezetting -> als voor alle uren dat het personeel minder gaat werken, nieuwe mensen worden aangetrokken.
Incidentele loonstijging -> hierdoor kan een werknemer meer kopen. Dit krijg je door bijvoorbeeld promotie.
Individuele arbeidsovereenkomst -> een arbeidsovereenkomst tussen 1 werkgever en 1 werknemer.
Inflatie -> een stijging van het algemeen prijspijl.
Initiële loonstijging -> een loonstijging die voortvloeit uit een stijging van de arbeidsproductiviteit.
Innovatie -> het ontwikkelen van nieuwe producten en het ontwikkelen en in gebruik nemen van nieuwe productieprocessen.
Investeren -> het kopen van kapitaalgoederen door bedrijven.
Kapitaal -> machines, transportmiddelen, gebouwen en computers.
Kapitaalgoederen -> machines, transportmiddelen, gebouwen en computers.
Kapitaalintensiever -> werknemers worden vervangen door machines, dus van arbeid naar kapitaal.
Kapitaalkosten -> de kosten van kapitaalgoederen.
Koopkracht -> de mogelijkheid om goederen en diensten te betalen.
Krappe arbeidsmarkt -> als er werkloosheid is en werkgevers moeilijk aan werknemers komen. Weinig aanbod, veel vraag.
Kwalitatieve structuurwerkloosheid -> als vraag en aanbod op de arbeidsmarkt niet op elkaar aansluiten. Er worden andere soorten arbeid gevraagd dan er wordt aangeboden. (overschot slagers, tekort chirurgen)
Kwantitatieve structuurwerkloosheid -> er zijn te weinig kapitaalgoederen om de hele beroepsbevolking aan het werk te houden.
Loonkosten -> kosten die een bedrijf maakt aan het loon van werknemers.
Mechanisering -> het gebruik maken van machines.
Miljoenennota -> een soort samenvatting van de Rijksbegroting.
Multinationals -> een onderneming met productievestigingen in twee of meer landen.
Naamloze Vennootschap -> NV. Er is een scheiding tussen het bedrijf en de personen die eigenaar zijn. Het zijn rechtspersonen. Ze zijn juridisch zelfstandig. De eigenaren zijn niet met hun privé-vermogen aansprakelijk voor de schulden. De aandelen van een NV staan niet op naam en zijn vrij verhandelbaar. Ze kunnen in 1 klap heel veel geld binnenhalen.
Nettoloon -> het uiteindelijke loon dat een werknemer krijgt, waar de belastingen en premies al vanaf zijn gehaald
Niet-beroepsbevolking -> mensen tussen de 15 en 65 jaar die niet werken en niet op zoek zijn naar werk.
Officiële werkloosheid -> zie -> geregistreerde werkloosheid
Omzet -> de totale opbrengst van een bedrijf. (afzet keer verkoopprijs)
Onbepaalde tijd -> werknemers die met een vast dienstverband werken. Dit zijn de vaste banen, waarbij de arbeidsovereenkomst in principe een heel arbeidsleven kan duren.
Ondernemingsvorm -> de rechtsvorm van de onderneming.
Ontmoedigingseffect -> door de hoge werkloosheid raken mensen ontmoedigd; ze denken dat ze toch geen baan meer vinden en schrijven zich niet meer in bij het arbeidsbureau.
Organisatiegraad -> het percentage werknemer dat is aangesloten bij een erkende vakbond.
Overspannen arbeidsmarkt -> de vacatures zijn bijna niet meer te vullen.
Participatiegraad -> zie -> deelnemingspercentage.
Potentiële beroepsbevolking -> zie -> beroepsgeschikte bevolking.
Prijscompensatie -> een loonstijging die is bedoeld om het effect van inflatie teniet te doen.
Primaire Arbeidsvoorwaarden -> loon en de normale arbeidstijd. Zie -> arbeidsvoorwaarden.
Productiecapaciteit -> als alle bedrijven op volle toeren werken in een land dat ze dan het maximaal aantal goederen en diensten kunnen produceren.
Rechtsvorm -> een vereniging een organisatievorm is die in de wet voorkomt.
Regionale arbeidsmobiliteit -> de mensen zijn bereid om te reizen of te verhuizen voor een baan.
Resultatenrekening -> hierin staan de omzet, de loonkosten, de overige kosten, de totale kosten en de uiteindelijke winst
Rijksbegroting -> een overzicht van inkomsten en uitgaven van de overheid.
Ruime arbeidsmarkt -> als er werkloosheid is en de werkgevers makkelijk aan werknemers komen.
Schaalvoordelen -> de kosten per product dalen als de productieomvang stijgt.
Secundaire arbeidsvoorwaarden -> vakantieregelingen, duur van middagpauze enz. zie -> arbeidsvoorwaarden.
Seizoenwerkloosheid ontstaat omdat bepaalde bedrijven vooral in bepaalde seizoenen produceren. (bijvoorbeeld een discotheek in Zandvoort)
Sociale partners -> werkgevers en werknemers.
Stichting van de arbeid -> hierin overleggen de vertegenwoordigers van de (vak)centrales.
Substitutie van arbeid door kapitaal -> vervanging van werknemers voor machines.
Uitzendbureau -> een commerciële organisatie die bemiddelt in tijdelijk werk.
Uitzendkrachten -> werknemers die via een uitzendbureau werken: hoeveel dagen, weken of maanden de arbeidsovereenkomst duurt ligt van tevoren vaak niet vast.
Vacature -> een bedrijf is op zoek naar een werknemer voor een bepaalde functie.
Vakbonden -> werkgevers en werknemers onderhandelen over de CAO’s. Namens de werknemers onderhandelen de vakbonden.
Vakcentrale -> de vakbonden en de werkgeversbonden hebben zich verenigd in centrales. (bijv: het FNV)
Vakverenigingen - > zie -> vakbonden.
Vast dienstverband -> een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Zie -> onbepaalde tijd.
Vennootschap onder firma -> VoF. Er zijn meerdere eigenaren die met hun privé-vermogen aansprakelijk zijn voor de schulden. Elke vennoot is hoofdelijk aansprakelijk; de schuldeiser kan het bedrag bij ieder van de eigenaren opeisen.
Verborgen werkloosheid -> mensen die wel willen werken, maar niet staan ingeschreven bij het arbeidsbureau. Zij horen niet tot de geregistreerde werklozen.
Verplaatsen van productie -> het verplaatsen van productie hangt samen met de concurrentiepositie ten opzichte van het buitenland
Volledig dienstverband -> 40, 38 of 36 uur per week werken.
Vraag naar arbeid -> de vraag van bedrijven en de overheid naar arbeidskrachten.
Werkgelegenheid -> het cijfer van werkgelegenheid geeft aan hoeveel mensen er echt werken, dat zijn de werknemers en de zelfstandigen
Werkgelegenheid in arbeidsjaren -> de werkgelegenheid in personen, omgerekend naar volledige banen(2 personen met een baan ven 19 uur tellen samen voor 1 arbeidsjaar)
Werkgelegenheid in personen -> de werkgelegenheid in personen, dus iemand met een halve baan telt voor 1 persoon
Werkgeversbonden -> namens de werkgevers onderhandelen deze bonden.
Werkloze beroepsbevolking -> personen van 15 tot en met 64 jaar, die verklaren tenminste 12 uur per week te willen werken, en die daarvoor beschikbaar zijn, en die activiteiten ontplooien om werk voor tenminste 12 uur per week te vinden.
Werknemers met een volledige baan -> een baan van minstens 36 uur per week(hangt van de CAO af)
Werknemers -> mensen die al een baan hebben.
Werknemersbonden -> zie -> vakbonden.
Werknemerscentrale -> de vakbonden en de werkgeversbonden hebben zich verenigd in centrales. Zie -> vakcentrale
Werkzame beroepsbevolking -> zelfstandigen en werknemers
Wig -> het verschil tussen de loonkosten en het nettoloon.
Winst -> het verschil tussen de omzet en de kosten.
Zelfstandigen -> mensen met een eigen bedrijf.
Zwart werk -> een voorbeeld van verborgen werkloosheid.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

H.

H.

je werkstuk was leuk xxx

15 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

L.

L.

eeeeej je bent een schat, anders hadik alles op moeten zoeken!ik heb overmorgen pw hierover kussss

16 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast