LIVE Q&A's

Deze en volgende week elke dag Q&A's met studenten van verschillende studies

 


Bekijk de planning Alles over studiekeuze


Biologie Thema Regeling



Zenuwstelsel: bestaat uit een centraal en een perifere zenuwstelsel

Centraal zenuwstelsel: bestaat uit grote hersenen, kleine hersenen, hersenstam en ruggenmerg

Perifere zenuwstelsel: bestaat uit zenuwen die alle delen van het lichaam verbinden met de centrale zenuwstelsel.

Prikkels: is de invloed uit het milieu op een organisme.

Impulsen: ontstaan onder invloed van prikkels, zijn een soort elektrische signalen

Receptoren: zo worden zintuigcellen genoemd, ook wel ontvangers



Conductoren: zo worden zenuwcellen genoemd, ook wel voortleiders

Effectoren: zo worden spiercellen en kliercellen genoemd, ook wel uitvoerders

Zenuwcellen: is opgebouwd uit een uitloper en een cellichaam, ook wel neuronen, liggen in of vlakbij het centrale zenuwstelsel.

Axon: geleiden de impulsen, eromheen zit de myelineschede

Cellen van Schwann: deze zitten om de myelineschede

Insnoering: zitten tussen de cellen van Schwann

Sensorische zenuwcellen: (gevoelszenuwcellen, geleiden impulsen van receptoren naar het centrale zenuwstelsel

Motorische zenuwcellen: ontvangen impulsen van schakelcellen en geven die door aan de effectoren

Schakelcellen: krijgen impulsen van sensorische zenuwcellen en sturen die via de hersenen door naar de motorische zenuwcellen

Synapsen: de plaats waar de impulsen van de ene cel naar de andere door worden gegeven



Impulsgeleiding: de manier waarop de impuls wordt voorgeleid

Actiefase: de fase waarin de impuls word doorgestuurd

Herstelfase: de korte tijd waarin er geen impulsen worden voorgeleid

Impulssterkte: de sterkte van van de reflex

Sprongsgewijs: van insnoering naar insnoering, zo gaan de impulsen nog sneller

Impulsfrequentie: aantal impulsen per tijdseenheid

Mechanisch prikkelen: zenuwcel aanraken met een micronaald

Elektrisch prikkelen: zenuw prikkelen met een elektrische stroomstoot

Prikkeldrempel: de maximale sterkte van een prikkel om er een impuls uit te leiden

Gewenning: als je iets op een gegeven moment niet meer voelt omdat je er aan gewent bent.

Verslaving: je wil bepaalde dingen alsmaar doen en je komt er moeilijk vanaf

Ruggenmergzenuwen: zenuwen die uit het ruggenmerg lopen

Witte stof: buitenste laag van het ruggenmerg., liggen de uitlopers van schakelcellen

Grijze stof: binnenste laag, liggen de cellichamen van de schakelcellen

Ganglion: ophoping van zenuwcellichamen buiten het centrale zenuwstelsel

Ruggenmergvliezen: hierdoor wordt het ruggenmerg van bloed voorzien het geeft bescherming. Zijn er drie

Centrale kanaal: een holte in het midden van het ruggenmerg die in verbinding staan met de hersenholtes. Het is gevuld met vocht.

Hersenzenuwen: zijn er twaalf, verbinden de voornamelijk hersenstam met de receptoren en effectoren in hoofd en hals.

Merg: het binnenste gedeelte van de hersenen

Grijze stof: ligt aan de buitenkant van de hersenen, hierin zitten de cellichamen van de schakelcellen

Witte stof: ligt aan binnenkant van de hersenen, bevat de uitlopers van de cellichamen

Sensorische centra: liggen bij elkaar in de hersenschors achter de centrale groeve, is voor binnenkomende impulsen

Motorische centra: liggen bij elkaar in de hersenschors, voor de centrale groeve, hier gaan impulsen uit, Deze veroorzaken bewegingen die je bewust maakt.

Kleine hersenen: coördineren alle bewegingen die je maakt, ook zorgen ze ervoor dat je je evenwicht kan handhaven

Hersenvliezen: zijn er drie, hersenen worden beschermd en van bloed voorzien

Hersenvocht: bevind zich in de hersenholtes.

Hersenholtes: staan in verbinding met het centrale kanaal in het ruggenmerg

Reflex: is een vaste, snelle, onbewuste reactie op een bepaalde prikkel

Reflexboog: de weg die impulsen bij een reflex afleggen, wordt een reflexboog genoemd

Animale zenuwstelsel: regelt vooral de bewuste reacties en de reflexen, hierbij zijn zintuigen en skeletspieren betrokken.

Autonome zenuwstelsel: regelt vooral de werking van de van inwendige organen, het werkt nauw samen met het hormonenstelsel

Orthosympatische deel: Deel van het autonome zenuwstelsel, zorgt o.a. voor een hogere hartslagfrequentie, verwijding van de bloedvaten naar de skeletspieren, een hogere ademfrequentie, het remt de organen van het verteringsstelsel en de nieren in hun werking.

Parasympathische deel: beïnvloed de organen zodanig dat het lichaam in een toestand van rust en herstel kan komen, het ps deel bevordert de assimilatie.

Assimilatie: worden de organische stoffen gevormd waaruit je lichaam bestaat. Hiervoor is energie nodig

Dissimilatie: alle processen waarbij energie vrij komt

Zwervende zenuw: deze zenuwen ontspringen in de hersenstam, vertakkingen ervan lopen naar de organen

Grensstrengen: zijn twee reeksen van ganglia links en rechts van de wervelkolom, vanuit deze ganglia lopen zenuwen naar de organen

Doelwitorgaan: een orgaan dat door een bepaald deel van het centrale zenuwstelsel wordt beïnvloed

Innervatie: de voorziening van een orgaan met zenuwen, elk orgaan wordt geinnerveerd door twee zenuwen van het autonome zenuwstelsel, een Orthosympatische en een parasympathische zenuw.

Dubbele innervatie: dit noemen we dubbele innervatie

Glad spierweefsel: bestaat uit langwerpige spiercellen, elk met een celkern. Komt vooral voor in de huid en in de wand van buisvormige of holle organen. Wordt geinnerveerd door het autonome zenuwstelsel

Dwarsgestreept spierweefsel: bestaan uit spiervezels, elke spiervezel is ontstaan uit versmelting van vele spiercellen. Een spiervezel bevat dan ook vele celkernen, vooral skeletspieren en huidspieren, geinnerveerd door het animale zenuwstelsel, samenwerking verloopt snel maal spiervezels raken snel vermoeid.

Skeletspieren: spieren die aan het skelet zitten

Huidspieren: spieren die vastzitten aan de huid

Spierschede: bindweefsel dat om een spierbundel heen zit

Spierbundel: een bundel van spiervezels

Spiervezel: bestaat uit spierfibril

Motorisch eindplaatje: zit aan het einde van een motorische zenuwcel

Motorische eenheid: alle spiervezels die via motorische eindplaatjes in verbinding staan met een motorische zenuwcel vormen samen een motorische zenuwcel

Glycogeenkorrels: hierin is de reservestof glycogeen opgeslagen

Filamenten: daar bestaat een spierfibril uit, het zijn eiwitdraden

Actine: daar bestaan de dunne filamenten uit

Myosine: daar bestaan de dikke filamenten uit.

Spierspanning: een lichte kracht op de aanhechtingsplaatsen van de pezen

Reflexen: spelen een grote rol bij het handhaven van het lichaamshouding

Antagonisten: zijn spieren waarvan het samentrekken een tegengesteld effect heeft.

Geblesseerd: dat is als de spieren zich niet in de normale toestand bevinden

Training: hierdoor kunnen de skeletspieren betere prestaties leveren.

Doping: dit wordt gebruikt om prestaties te verbeteren

Anabole steroïden dat zijn stoffen die ongeveer de zelfde werking hebben als het mannelijk geslachtshormoon testosteron.

Hormoonklieren: dat zijn klieren die hormonen produceren, ook wel endocriene klieren genoemd

Endocriene klieren: andere naam voor hormonenklieren

Hormoonspiegel: de concentratie van hormonen in het bloed

Hypofyse: ligt tussen de beide hersenhelften in, het bestaat uit twee helften; voorkwab en achterkwab, produceert enkele hormonen FSH en LH en TSH en ADH en GH en oxytocine

Groeihormoon: regelt de groei en ontwikkeling

Antidiuretisch hormoon: regelt de urine in de nieren

Schildklier: produceert het hormoon thyroxine

Thyroxine: beïnvloed de stofwisseling en de groei en ontwikkeling

Stimuleert: hypofyse stimuleert de vorming van schildklierweefsel en de secretie van thyroxine, thyroxine remt de secretie van TSH, het houd elkaar in evenwicht.

Negatieve terugkoppeling: doordat de concentratie van TSH in het bloed stijgt, wordt de secretie van thyroxine gestimuleerd. Daardoor stijgt de concentratie van thyroxine in het bloed weer. Dit regelmechanisme noemen we negatieve terugkoppeling

Eilandjes van langerhans: produceren de hormonen insuline en glucagon

Insuline en glucagon: regelen het glucose gehalte van het bloed. Onder invloed van insuline wordt in de lever en in de spieren glucose omgezet in glycogeen. Glycogeen wordt in deze organen opgeslagen.

Bloedsuikerspiegel: het glucosegehalte van het bloed

Suikerziekte: als er een tekort insuline is en een overschot aan glucagon

Bijniermerg: het binnenste gedeelte van de nieren, hierin wordt het hormoon adrenaline geproduceerd

Adrenaline: onder invloed van adrenaline wordt glucagon omgezet in glucose. Hierdoor verhoogd het glucosegehalte in het bloed en je hartklopping en je ademfrequentie verhoogd. Adrenaline stelt het lichaam in staat in situaties van grote spanning snel te handelen.


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

N.

N.

you are the best of the world

16 jaar geleden