Hoofdstuk 7 t/m 11

Beoordeling 5.6
Foto van een scholier
  • Begrippenlijst door een scholier
  • 3e klas vwo | 2312 woorden
  • 12 juni 2011
  • 57 keer beoordeeld
Cijfer 5.6
57 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
De Galaxy Chromebook maakt je (school)leven makkelijker!

Met de Galaxy Chromebook Go kun je de hele dag huiswerk maken, series bingen en online shoppen zonder dat 'ie leeg raakt. Ook kan deze laptop wel tegen een stootje. Dus geen paniek als jij je drinken omstoot, want deze laptop heeft een morsbestendig toetsenbord!

Ontdek de Chromebook!

BEGRIPPEN
Demografie: de wetenschap die de bevolkingsaantallen bestudeert

Bevolkingsdichtheid: het gemiddeld aantal inwoners per km²

Bevolkingsspreiding: grote verschillen in de verdeling van mensen in een land of gebied

Bevolkingconcentratie: een opeenhoping van mensen

Geboorteoverschot: als er in een jaar meer mensen worden geboren dan dat er sterven

Sterfteoverschot: als er in een jaar meer mensen sterven dan dat er worden geboren

Natuurlijke bevolkingsgroei: geboorte en sterfte

Migratie: het verhuizen van het ene woongebeid naar het andere

Vestigingsoverschot: als er zich meer mensen vestigen dan dat er uit een gebied vertrekken

Vertrekoverschot: als er meer mensen uit een gebied vertrekken dan dat zich er vestigen

Migratiesaldo: vestiging en vertrek

Absolute getallen: aantallen of hoeveelheden

Relatieve getallen: percentages of promillages

Geboortecijfer: het aantal geboortes per jaar per 1000 inwoners

Sterftecijfer: het aantal sterftes per jaar per 1000 inwoners

Demografisch transitiemodel: een grafiek die laat zien hoe een samenleving met hoge geboorte- en sterftecijfers in vier fasen overgaat naar een samenleving met lage geboorte- en sterftecijfers

Bevolkingsexplosie: snel dalende sterfte cijfers en hoog blijvende geboortecijfers

Bevolkingsdiagram: een staafdiagram met de leeftijdsopbouw van de bevolking

Vergrijzing: als het aantal 65+ toeneemt

Ontgroening: de afname van het aantal mensen jonger dan 19 jaar

Demografische druk: de verhouding tussen de productieve leeftijdsgroep en de niet-productieve groepen

Groene druk: de verhouding tussen de groep van 0-19 en 20-65 jarigen

Grijze druk: de verhouding tussen mensen ouder dan 65 en het aantal 20-65 jarigen

Levensverwachting: het gemiddeld aantal te verwachten levensjaren op een bepaalde leeftijd

Buitenlandse migratie of Landverhuizing: verhuizen naar een ander land

Emigratie: het verlaten van een land

Immigratie: het binnenkomen van een land

Pushfactoren of Afstotingsfactoren: redenen om te vertrekken

Pullfactoren of Aantrekkingsfactoren: redenen die een ander gebied aantrekkelijk maken

Economische redenen: meer werk, meer verdienen

Economische migranten of Arbeidsmigranten: mensen die hun woongebied verlaten door gebrek aan werk en geld

Politieke redenen: bang zijn voor een vervolging

Vluchtelingen: mensen die wegens hun godsdienst, etnische groep, nationaliteit, of meningsuiting vertrekken

Ontheemden: mensen die op de vlucht zijn in eigen land

Asielzoekers: vluchtelingen die aankomen in een ander land dienen bij de overheid een verzoek in om erkend te worden als vluchteling

Economische vluchtelingen: vluchtelingen die afkomen op een hoger welvaartspeil

Fysische factoren: natuur landschap en milieu (ook natuurrampen)

Gezinsvorming: een migrant haalt zijn/haar toekomstige man of vrouw uit het land van herkomst

Gezinshereniging: een migrant haalt zijn/haar man/vrouw en kinderen naar het nieuwe land komen

Kettingmigratie: als de ene migratie lijdt tot een volgende

Remigratie: een migrant keert terug naar de plek waar hij vandaan kwam

Allochtoon: iemand van wie een of beide ouders in het buitenland zijn geboren

Eerste generatie allochtonen: geboren in het buitenland

Tweede generatie allochtonen: geboren in land waar ze wonen, ouders ergens anders

Autochtonen: allebei de ouders en jijzelf geboren in het land waar je woont

Westerse Autochtonen: mensen uit het cultuurgebied van de westerse wereld

Niet-westerse allochtonen: mensen die afkomstig zijn uit een ander gebied

Vreemdeling: mensen zonder een Nederlands paspoort

Staat: een gebied met 2 kenmerken: het is duidelijk begrensd en de regering is souverein

Natuurlijke grens: een grens langs een natuurlijk obstakel

Kunstmatige grens: een grens die niet te zien is in een landschap maar die is aangegeven met grensbordjes en palen

Volk of Etnische groep: een groep mensen die al eeuwenlang samenwoont en dezelfde cultuur heeft

Cultuur: alles wat je hebt aangeleerd

Cultuurgebieden: gebieden met overeenkomsten in de cultuur

Multicultureel: een maatschappij waarbij mensen met veel verschillende culturen samenleven

Culturele minderheden of Etnische minderheden: de groepen met andere culturen

Maatschappelijke segregatie: als groepen weinig of geen contact met elkaar hebben

Integratie: samen gaan

Assimileren: migranten die steeds meer elementen van de overheersende cultuur overnemen

Bestaansmiddelen: de middelen die de mens nodig heeft

Primaire sector: bestaansmiddelen die hun producten regelrecht uit de natuur halen

Delfstoffen: grondstoffen en brandstoffen die uit de aarde worden gehaald

Secundaire sector: de bedrijfstakken die voor verwerking van Delfstoffen zorgen

Industrie: de verwerking van delfstoffen gebeuren hier

Tertiaire sector of Dienstensector: bedrijven die diensten verlenen

Landbouw: manier waarop mensen voedsel produceren door gewassen te verbouwen of door dieren te houden

Akkerbouw: het verbouwen van voedselgewassen en niet-eetbare gewassen

Tuinbouw: een vorm van akkerbouw maar met speciale tuinbouwgewassen

Grove tuinbouw: een mengvorm van tuinbouw en akkerbouw

Veeteelt: het fokken en houden van dieren voor bepaalde producten

Bosbouw: het kweken van bomen

Massaproductie: van een product worden er heel veel gemaakt

Zware industrie: bedrijven die veel grondstoffen gebruiken

Lichte industrie: bedrijven die werken met halffabricaten

Productiemiddelen: arbeid, kapitaal en natuur

Arbeid: mensen die bij de productie betrokken zijn

Beroepsbevolking: mensen die betaald werk doen of willen doen

Werkloos: mensen die niet werken

Kapitaal: alle gebouwen, machines, hulpmiddelen en voertuigen die nodig zijn bij de productie

Natuur: onderdelen van de natuurlijke omgeving die nodig zijn bij de productie

Grondstoffen: stoffen waarmee een fabriek de productie begint

Ruwe grondstoffen: grondstoffen die nog niet bewerkt zijn

Halffabricaten: grondstoffen die bewerkt zijn

Arbeidsintensief: een bedrijf dat veel arbeid nodig heeft in verhouding tot andere productiemiddelen

Arbeidsextensief: als er weinig arbeid nodig is

Kapitaalintensief: als er dure machines, gebouwen en installaties nodig zijn

Automatisering: vervangen van arbeid door computers en computerprogramma’s

Specialisatie: boeren richten zich op akkerbouw OF veeteelt

Mechanisatie: vervanging van mensen door machines

Intensivering: er wordt geprobeerd de productie per hectare en per dier te vergroten

Intensieve landbouw: het gebruik van veel kapitaal en kennis om een hoge opbrengst per hecater of per dier te halen

Sawa’s: akkers die onder water staan

Natte rijstbouw: rijstbouw op sawa’s

Intensieve veehouderij of bio-industrie: met inzet van kennis en kapitaal probeert een boer een zo hoog mogelijke productie te halen

Biologische landbouw: een speciale vorm van landbouw die zo min mogelijk gebruik maakt van stoffen die het milieu vervuilen

Extensieve landbouw: heel grote bedrijven waar weinig kapitaal per hectare wordt ingezet

Ruilverkaveling: een herinrichting door specialisatie en mechanisatie

Landinrichting: herinrichting met aandacht voor landbouw, natuurbehoud en recreatie

Grondstofgebonden: bedrijven die een locatie zoeken bij de vindplaats van grondstoffen, of waar ze goedkoop aangevoerd kunnen worden

Marktgebonden: bedrijven die een plek zoeken bij de afzetmarkt

Afzetmarkt: mensen of bedrijven die producten willen kopen

Arbeidsmarkt: een plek waar vraag en aanbod bij elkaar komt

Infrastructuur: alles wat er nodig is om goederen, personen en informatie en vervoeren

Agglomeratievoordelen: de voordelen van het bij elkaar zitten van bedrijven

Mobiliteit: de verplaatsing van mensen en goederen met behulp van een vervoermiddel

Massagoederen: bulk, niet los verpakt

Stukgoederen: los verpakte goederen

Containers: laadkisten die in de fabriek worden ingepakt en dan de hele wereld overgaan in containerschepen

Nederzetting: een verzameling woningen en andere gebouwen

Stad: een nederzetting waar de gebouwen dicht op elkaar staan

Dorp: een nederzetting zonder hoge gebouwen maar met veel ruimte om de huizen

Agglomeratie: een stad die helemaal vast zit aan andere plaatsen in de buurt

Stadsgewest: alle steden en dorpen die voor werk en voorzieningen op een centrale stad zijn gericht

Netwerkstad: een netwerk van contacten dat over de plaatsen van een stadsgewest ligt

Stedelijk gebied: stadsgewesten die (bijna) tegen elkaar zijn aangegroeid

Megalopolis: stedelijke gebieden die met elkaar vergroeid zijn

Metropool: een enorm grote agglomeratie

Landelijke gebieden: gebieden met weinig gebouwen en veel open ruimte

Adressendichtheid: het aantal adressen per km²

Verstedelijking of Urbanisatie: de uitbereiding van stedelijke gebieden door de groei van het aantal stadsbewoners

Suburbanisatie: de verstedelijking van het platteland rond een grote stad

Centrale stad: een grote stad waar om heen suburbanisatie voorkomt

Voorsteden: kleine plaatsen die door suburbanisatie enorm gegroeid zijn en zelf ook steden zijn geworden

Urban sprawl: voorsteden die naar alle kanten uitgroeiden

Groeikernen: plaatsen die werden aangewezen waar nieuwe woonwijken gebouwd konden worden

Forensen: mensen die voor werk heen en weer reizen tussen woongemeente en werkgemeente.

Mobiliteit: het aantal verkeersbewegingen van mensen

Automobiliteit: het aantal verkeersbewegingen van mensen in de auto

File: langzaam rijdend of stilstaand verkeer

Woningnood: als de kwaliteit en kwantiteit van het aanbod niet overeenkomt met de vraag naar woningen

Stadsvernieuwing: verouderde woonwijken worden verbeterd

Sloop- en nieuwbouw: een woonwijk gaat tegen de vlakte en er komen nieuwe huizen

Renovatie: het opknappen van oude huizen

Restauratie: het herstel van oude, waardevolle bouwwerken

Woningbezetting: het gemiddeld aantal mensen dat in een woning woont

Woningdichtheid: het gemiddeld aantal woningen per km²

Cityvorming: in de binnensteden worden veel woningen afgebroken, in plaats daarvan komen kantoren en winkels

Compacte stad: het meer en dichter tegen elkaar aanbouwen in de steden

Re-urbanisatie: na jaren van bevolkingsafname het aantal inwoners in de stad weer stijgt

Ruimtelijke segregatie: het apart wonen van bevolkingsgroepen met bepaalde kenmerken in aparte wijken

Etnische wijk: een woonwijk waar vooral mensen uit 1 etnische groep wonen

Getto: heel arm etnische wijken

Probleemwijken of Achterstandswijken: woonwijken met veel problemen

Binnenstad: het oudste deel van de stad

Stadscentrum: het kantoren-, winkel en uitgaancentrum

Centrale Zakenwijk of Central Business District (CBD): het stadscentrum waar kantoren en winkels overheersen

Oude woonwijken: woonwijken die nauw verbonden zijn met de opkomst van de industrie

Streekplannen: een plan waarin in grote plannen staat beschreven waarvoor de grond bestemd is

Bestemmingsplannen: plannen waarin de gemeente nauwkeurig de bestemming van de grond regelt

Deltaplan: met dammen en stormvloedkeringen sluiten zeegaten af waardoor Zuidwest Nederland beschermt wordt

Zuiderzeewerken: de afsluitdijk en vijf grote droogmakerijen in het Ijsselmeer

Ruimte voor de rivier: het plan om rivieroverstromingen te voorkomen door versterking en verhoging van dijken en door verbetering van de waterafvoer

Landaanwinning: vermeerdering van land

Kwelders: buitendijkse begroeide gronden die alleen bij extreem hoog water onder lopen

Opslibbing: na elke overstroming laat de zee een laagje slib achter

Ringdijk: dijken rond een polder

Ringvaart: een brede sloot rond een polder

Dagelijkse voorzieningen: voorzieningen waar je (bijna) dagelijks gebruik van maakt

Gespecialiseerde voorzieningen: voorzieningen waar je (heel) weinig gebruik van maakt

Stedelijke voorzieningen: voorzieningen die een stad heeft die kleine plaatsen niet hebben

Verzorgingsgebied: het gebied rond elke stad dat voor allerlei stedelijke voorzieningen is aangewezen op die stad

Verzorgingscentrum: de centrale stad die een verzorgingsgebied verzorgd

Verzorgingsniveau: het aantal en de hoogte van de voorzieningen van een plaats

Draagvlak: een voldoende aantal mogelijke klanten in een gebied

Drempelwaarde: een minimum aantal klanten dat nodig is om te bestaan

Reikwijdte: de maximale afstand die mensen willen reizen om van een voorziening gebruik te maken

Recreatie: alles wat je doet in je vrije tijd

Vrije tijd: de tijd die overblijft na het werk, eten en slapen

Recreatief medegebruik: recreatie die gebruik maakt van gebieden die voor andere functies zijn ingericht

Toerisme: alles wat te maken heeft met reizen en verblijven buiten je omgeving

Toerist: iedereen die op reis is en ergens anders overnacht

Vakantieparticipatie: het percentage van de bevolking dat op vakantie gaat

Massatoerisme: veel toeristen die op dezelfde plek verblijven

Hoogseizoen: als het massatoerisme pieken heeft, in Juli en Augustus

Verblijfsaccommodatie: voorzieningen voor onderdak

Ontwikkelingspeil: kennis aanwezig bij een groep

Ontwikkelde landen: rijke landen

Ontwikkelingslanden: arme landen

Regionale ongelijkheid: verschillen tussen ontwikkeling tussen gebieden

Bruto nationaal product (BNP): het geld dat alle inwoners in een land samen verdienen

Bruto binnenlands product (BBP): de totale productie van een land, uitgedrukt in geld

Basisbehoefte: iets wat iedereen echt nodig heeft om redelijk te kunnen leven

Analfabeten: mensen die ouder zijn dan 15 jaar en niet kunnen lezen en schrijven

Artsendichtheid: het aantal inwoners per arts

Zuigelingensterfte: het aantal kinderen dat in het eerste levensjaar sterft

Kwalitatieve honger of ondervoeding: als de kwaliteit van voedsel niet goed is

Kwantitatieve honger: als de hoeveelheid eten niet genoeg is

Elitewijken: krottenwijken

Kinderarbeid: werk dat te zwaar is voor kinderen en zoveel tijd kost dat ze niet naar school kunnen gaan

Zelfverzorgend:

Commercieel:

Groene Revolutie:

Commercialisering:

Ambachtelijke bedrijven: bedrijven waar grondstoffen tot eindproduct worden gemaakt met de hand

Vluchtsector: dienstensector of informele sector

Family-planning: geboortebeperking

Urbanisatiegraad: het percentage stedelingen in een land

Ruraal-urbane migratie: de migratie van het platteland naar de stad

Urbanisatietempo: de snelheid waarmee de urbanisatiegraad toeneemt

Krottenwijken of bidonville: wijken waar bewoners zelf illegaal een huis hebben gebouwd

Primate city: een megastad die ver boven alle andere steden uitsteekt

Primacy: het verschil tussen het aantal inwoners van de grootste stad en van de tweede stad

Sociale structuur: de groepen waaruit de samenleving is opgebouwd en de manier waarop die groepen met elkaar omgaan.

Elite: een zeer machtige kleine groep met veel economische en politieke macht

Grootgrondbezit: dat vrijwel alle grond in handen van een handjevol mensen is

Massa: het grote deel van de bevolking

Globalisering of internationalisering of mondialisering: het doorgaande proces van internationale uitwisseling van goederen, mensen, geld en informatie.

Multinationale onderneming of Multinational: bedrijven met vestigingen in verschillende landen

Internationale arbeidsverdeling: Arbeidsverdeling tussen landen, samenhangend met internationale specialisatie

Lagelonenland: een land met lage arbeidskosten

Regionale specialisatie: de specialisatie van een gebied in 1 activiteit

New industrialised countries (NIC’s): een verzamelnaam voor de landen in Azië met een snelgroeiende economie

Tijgerlanden: landen met een snelle economische groei

Exportgerichtheid: een groot deel van de geproduceerde goederen gaat naar het buitenland

Lagelonenlanden: landen waar de lonen het laagst zijn

Kennisintensief: producten waarbij veel vakkennis nodig is

Global shift: het verschuiven van het economische zwaartepunt in de wereld

Koloniën: overzeese gebieden

Plantage: een landbouwonderneming waar op grote schaal 1 bepaald gewas wordt verbouwd

Monocultuur: een landbouwbedrijf dat maar 1 gewas verbouwt

Dekolonisatie: het zelfstandig worden van koloniën

Exploitatiekoloniën: dat de koloniën werden gebruikt door de Europeanen om er zelf voordeel aan te krijgen

Vestigingskoloniën: overzeese gebiedsdelen waar de Europeanen zich blijven gingen vestigen

Ruilvoetverslechtering: het uitwisselen van grondstoffen voor industrieproducten wordt voor de arme landen steeds ongunstiger.

Eenzijdige economie: dat bepaalde ontwikkelingslanden economisch op een kurk drijven

Diversificatie: de economie veelzijdiger maken

Centrum: de rijke, ontwikkelde landen

Periferie: de arme landen

Handelsbalans: de waardeverhouding tussen de totale invoer van een land en de totale uitvoer

Reisverkeersbalans: de waardeverhouding tussen inkomsten van buitenlandse toeristen in een land en uitgaven van toeristen uit dat land in het buitenland

Betalingsbalans: de waardeverhouding tussen al het geld dat een land uitgaat en het geld dat een land binnenkomt

Actieve balans: als er meer geld binnenkomt dan dat er uit gaat

Passieve balans: als er meer geld uitgaat dan dat er binnenkomt

Invoerrechten of tarieven: als er producten uit het buitenland komen, moet je er extra geld voor betalen

Tariefmuur: door invoerrechten staat er dus een denkbeeldige muur waar je geld bij moet betalen

Ontwikkelingssamenwerking: de hulp die ontwikkelingslanden krijgen van rijke landen

Structurele hulp of duurzame hulp: hulp om blijvend verbeteringen aan te brengen zoals wegen aanleggen en waterleidingen

Noodhulp: hulp bij hongersnoden, natuurrampen en oorlogen

Joint venture: als bedrijven uit rijke landen gaan samenwerken met de regering of bedrijven in een ontwikkelingsland, een gedeelde investering.

Bilaterale hulp: hulp waar twee landen bij betrokken zijn; de gever en de nemer

Multilaterale hulp: een ontwikkelingsland wordt geholpen door een groep van rijke landen

Europese Unie (EU): de belangrijkste europese organisatie waarin 27 landen met elkaar samenwerken

Europese integratie: het streven om in Europa tot meer eenheid te komen

Regionale autonomie: de grotere zelfstandigheid van een regio binnen een staat

Buitentarief: een beschermende tariefmuur om de Euromarkt

Economisch machtsblok: de EU (economisch heel sterk)

Politieke systeem: de manier waarop een staat bestuurd wordt

Bondsstaat of Federatie: een vereniging van staten

Economisch systeem: de manier waarop in een staat de productie van goederen is geregeld

Kapitalistisch land: een land waar de productie wordt geleid door particuliere ondernemers

Vrijemarkteconomie: het kapitalistische productiesysteem

Communistisch land: een land waar de productie centraal geleid wordt door de staat

Planeconomie: het communistische productiesysteem

REACTIES

L.

L.

Zuiderzeewerken= de afsluitdijk en vijf grote droogmakerijen.

6 jaar geleden

O.

O.

Is het nou echt zo moeilijk iets op alfabetische volgorde te zetten

4 jaar geleden

C.

C.

blijkbaar wel

2 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.