Hoofdstuk 2

Beoordeling 5.6
Foto van een scholier
  • Begrippenlijst door een scholier
  • 2e klas vwo | 412 woorden
  • 14 november 2007
  • 43 keer beoordeeld
Cijfer 5.6
43 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
De Galaxy Chromebook maakt je (school)leven makkelijker!

Met de Galaxy Chromebook Go kun je de hele dag huiswerk maken, series bingen en online shoppen zonder dat 'ie leeg raakt. Ook kan deze laptop wel tegen een stootje. Dus geen paniek als jij je drinken omstoot, want deze laptop heeft een morsbestendig toetsenbord!

Ontdek de Chromebook!

Begrippenlijst aardrijkskunde hoofdstuk 2 landschap.

Buitendijks - gebied buiten de dijken dat niet beschermd wordt tegen water.
Bodemerosie  - het van een helling afspoelen van de grond na een regenbui.
Cultuurlandschap - landschap dat door de mens is ingericht.
Dallandschap  - landschap dat ontstaan is door insnijden van rivieren.
Delta  - nieuw land in zee waar rivier in zee uitkomt.
Erosie  - het wegschuren van materiaal door water, wind en ijs.
Fossiel  - afdruk of overblijfsel van dieren of planten.
Gemaal  - pompstation dat water uit polder pompt.
Geplooide lagen - lagen sedimentgesteente die verbogen zijn.
Gesteentekringloop - eeuwig durend proces van ontstaan en afbraak van gesteente.
Graniet  - veelvoorkomend stollingsgesteente.
Grind  - afgeronde stenen die ontstaan op bodem rivier.
Intensieve veehouderij - veehouderij waarbij veel dieren op elkaar zitten.
Jong gebergte  - een hooggebergte met veel reliëf.
Kalksteen  - sedimentgesteente dat ontstaat uit samengeperste schelpresten.
Klei - kleinste korreltjes gesteente, ontstaan door verwering.
Koude tijden - langdurige perioden waarin zomertemperatuur niet boven 10 C komt.
Kunstmest  - mest uit de fabriek.
Kwelder  - gebroeid deel van de waddenzee boven vloedstand.
Magma  - vloeibaar gesteente onder de aardkorst.
Meander  - bocht in rivier.
Mergel  - soort kalksteen dat voorkomt in Limburg.
Mest  - uitwerpselen van dieren die gebruikt worden om grond vruchtbaar te maken.
Natuurlandschap - landschap die niet of nauwelijks door de mens is beïnvloed.
Oud gebergte  - middelgebergte of heuvelland met weinig reliëf.
Polder  - gebied waar waterstand kunstmatig geregeld wordt.
Reliëf  - hoogteverschillen in landschap.
Schalie  - sedimentgesteente dat ontstaat door uit samengeperste kleikorrels.
Sedimentatie - neerleggen van materiaal als snelheid van water, wind of ijs afneemt.
Sedimentgesteente - gesteente dat ontstaat uit samengeperste korrels.
Strand  - zandvlakte die overgang vormt tussen zee en land.
Stollingsgesteente - gesteente dat ontstaat doordat lava of magma stolt.
Verhang  - gemiddelde verval van rivier per kilometer.
Verkaveling - verdeling van grond in aparte akkers en weilanden.
Verval  - het hoogteverschil dat een rivier moet overbruggen.
Verwering - uiteenvallen van hard gesteente onder invloed van weer/werking van planten.
Vuursteen  - gesteente met scherpe kanten dat prehistorische mens als werktuig had.
Wadden  - onbegroeide delen van waddenzee die twee keer per dag droogvallen.
Warme tijden - langdurige perioden waarin zomertemperatuur boven 10 C komt.
Zand  - kleine korreltjes die je nog kunt zien ontstaan door verwering.
Zandbank - ondiepe plaatsen in zee.
Zandsteen  - sedimentgesteente dat ontstaat door samengeperste zandkorrels.
Zwerfstenen - grote en zware rotsblokken die op het ijs vervoert zijn.

REACTIES

M.

M.

dit is niet de goede jammer dat je niet alles hebt.. maar dat zal er vast ooit nog wel komen toch .. ?

11 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.