Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

De Geo (2 VWO) Ak Begrippen 7.1 t/m 7.4

Beoordeling 0
Foto van Jan
  • Begrippenlijst door Jan
  • 3e klas vwo | 1223 woorden
  • 24 september 2021
  • nog niet beoordeeld
  • Cijfer
  • nog niet beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!

1. middelgebergte = Gebied waar de meeste bergtoppen tussen de 500 en 1.500 m hoog zijn.


2. oud gebergte = Gebergte met afgeronde toppen en ondiepe dalen; ouder dan 65 miljoen jaar.


3. hooggebergte = Gebied met bergen die hoger zijn dan 1.500 m.


4. jong gebergte = Gebergte met hoge toppen, scherpe bergkammen en diepe dalen; minder dan 65 miljoen jaar oud.


5. eeuwige sneeuw = Gebied waar altijd sneeuw ligt.



6. reliëf = Hoogteverschillen in het landschap.


7. laagvlakte = Gebied zonder hoogteverschillen, dat lager ligt dan 500 m.


8. hoogvlakte = Vlak of zachtgolvend gebied dat meer dan 500 m hoog ligt.



9. steppe = Droog gebied waar net genoeg regen valt voor de groei van grassen en lage struikjes.



10. irrigatie = Het kunstmatig nathouden van landbouwgronden.



11. extensieve veeteelt = Veeteelt met weinig vee per hectare.



12. regenschaduw = De lijzijde van een berg, waar de dalende en warme lucht weinig of geen neerslag brengt.



13. jaaramplitude = Het verschil tussen de gemiddelde temperatuur in de warmste en de koudste maand van het jaar.



14. breedteligging = De afstand van een plaats tot de evenaar.



15. aanlandige wind = Wind vanaf zee. Heet ook zeewind.



16. loefzijde = De windkant van een gebergte met veel neerslag.



17. stuwingsregen = Neerslag die ontstaat door stijgende lucht tegen een gebergte.



18. lijzijde = De kant van de berg die uit de wind ligt; er valt weinig neerslag.



19. temperatuur = Hoe koud of warm het is uitgedrukt in graden Celsius of Fahrenheit.



20. temperatuurfactor = Factor die invloed heeft op de temperatuur in een gebied.



21. evenaar = De lijn die de aardbol in twee helften verdeelt: het noordelijk halfrond en het zuidelijk halfrond.



22. wind = Bewegende luchtmassa.



23. zeestroom = Stroming van zeewater die ontstaat doordat de wind langdurig uit één richting waait.



24. landwind = Wind vanaf land. Heet ook aflandige wind.



25. zeewind = Wind vanaf zee. Heet ook aanlandige wind.



26. aflandige wind = Wind vanaf land. Heet ook landwind.



27. Golfstroom = Zeestroom die warm water van de Golf van Mexico naar de westkust van Europa brengt.



28. luchtsoort = Grote hoeveelheden lucht met een bepaalde temperatuur en vochtigheid, bijvoorbeeld warme lucht uit de tropen of koude lucht uit de poolstreken.



29. hogedrukgebied = Gebied met een teveel aan lucht. Heet ook maximum.



30. lagedrukgebied = Gebied met een tekort aan lucht. Heet ook minimum of depressie.



31. zeeklimaat = Klimaat met een matigende invloed van de zee op de temperatuur (de zomers koeler, de winters zachter) en het hele jaar neerslag.



32. Middellandse Zeeklimaat = Klimaat met warme, droge zomers en milde winters met neerslag. Heet ook wel mediterraan klimaat.



33. landklimaat = Klimaat met in de winter een gemiddelde dagtemperatuur die lager is dan −3 °C, en in de zomer hoger dan 10 °C.



34. depressie = Gebied met een tekort aan lucht. Heet ook lagedrukgebied.



35. tornado = Zeer krachtige wervelwind. Heet ook twister, wervelwind of windhoos.



36. front = De scheiding tussen twee luchtsoorten, bijvoorbeeld koude droge poollucht en warme vochtige lucht uit de subtropen.



37. tropische storm = Storm in de tropen met een windkracht van 8 tot 11 op de schaal van Beaufort.



38. orkaan = Tropische storm met minimaal windkracht 12 op de schaal van Beaufort. Andere namen zijn tyfoon, cycloon en hurricane.



39. hurricane = Naam voor orkaan in Amerika.



40. Saffir-Simpsonschaal = Schaal waarmee de kracht van een orkaan wordt aangegeven.



41. oog van de orkaan = Wolkeloos en windvrij gebied in het midden van een orkaan.



42. modderstroom = Kolkende, modderige brij die met hoge snelheid van een helling af stroomt.



43. luchtdruk = De druk die het gewicht van de lucht uitoefent op het aardoppervlak.



44. dampkring = De lucht om ons heen. Heet ook atmosfeer.



45. maximum = Gebied met een teveel aan lucht. Heet ook hogedrukgebied.



46. minimum = Gebied met een tekort aan lucht. Heet ook lagedrukgebied of depressie.



47. corioliseffect = Door de draaiing van de aarde krijgt de wind een afwijking. Met de wind in de rug, krijgt de wind op het noordelijk halfrond een afwijking naar rechts en op het zuidelijk halfrond naar links. Het ... is sterker op lage breedte.



48. schaal van Beaufort = Schaal om de kracht van de wind aan te duiden.



49. tropen = Warme luchtstreek rond de evenaar tussen 23½° N.B. en 23½° Z.B.



50. keerkring = De breedtecirkel van 23 1/2 ° N.B. en 23 1/2 °Z.B.; grens van de tropen.



51. cycloon = Naam voor orkaan in Zuid-Azië en Australië.



52. tyfoon = Naam voor orkaan in Azië (ook wel geschreven als taifoen).



53. weer = De temperatuur, de neerslag en de wind op een bepaalde plaats, op een bepaald moment.



54. isobaar = Lijn met dezelfde luchtdruk.



55. klimaat = Het gemiddelde weer in een bepaald gebied over dertig of veertig jaar.



56. cornbelt = maisgordel; maiszone



57. wheatbelt = tarwegordel; tarwezone



58. northerns = blizzards; cold waves



59. southerns = hot waves


60. Temperatuurfactoren: Hoogteligging, Breedteligging, Ligging ten opzichte van de zee, Aanvoer van koude of warmte van elders door wind of zeestromen, Ligging van gebergten



61. minder warm, minder koud = Bij een aanlandige wind wordt het in de zomer ... en in de winter ...



62. warmer, kouder = Bij een aflandige wind wordt het in de zomer ... en in de winter ....



63. tropische regenwouden = Dicht, ondoordringbaar bos in de warme en vochtige tropen.



64. savanne = Landschap in de tropen met lange grassen, afgewisseld met groepjes bomen en struiken.



65. moesson = Halfjaarlijks van richting wisselende wind.



66. zuidwestmoesson = Vochtige, tropische zeewind vanaf de Indische Oceaan.



67. moessonklimaat = Tropisch klimaat met een kort droog seizoen.



68. stroomgebied = Het gebied dat afwatert op de hoofdrivier van een stroomstelsel (bijvoorbeeld de Rijn of de Maas).



69. delta = Een gebied vlak voor de monding, waar de rivier zich vertakt in vele rivierlopen.



70. natuurramp = Ramp veroorzaakt door de natuur met veel slachtoffers en grote schade.



71. ontbossing = Het kappen van bossen.



72. bodemerosie = Het verdwijnen van de bovenste vruchtbare bodemlaag. Dat gebeurt door wegspoelen door water of wegwaaien door wind van de bodem.



73. aardverschuiving = Het plotseling naar beneden schuiven van grote hoeveelheden aarde.



74. evacueren = Een gebied verlaten, omdat het er niet meer veilig is.
75. kaart = Een verkleinde tekening van een gebied.



76. legenda = Uitleg van de betekenis van de kleuren en de symbolen op een kaart.



77. luchtstreek = Temperatuurzone op aarde; tropen, gematigde zone en poolstreken.



78. breedtecirkel = Cirkel die plaatsen van gelijke breedteligging verbindt. Ander woord: parallel.



79. gematigde zone = Het gebied tussen de breedtecirkels van 23½ en 66½° N.B. en 23½ en 66½° Z.B. Gematigd wil zeggen: niet te warm en niet te koud.



80. subtropen = Deel van de gematigde zone dat het dichtst bij de tropen ligt (sub = onder). Het is er minder warm dan in de tropen, maar warmer dan in de rest van de gematigde zone.



81. poolstreken = Het gebied ten noorden van 66½° N.B. en ten zuiden van 66½° Z.B.



82. poolcirkel = De breedtecirkel van 66½° N.B. en 66½° Z.B.



83. midzomernacht = Periode in de zomer in de poolstreken waarin de zon niet ondergaat.



84. poolnacht = Periode in de winter waarin in de poolstreken de zon niet opkomt.



85. tropisch minimum = Minimum bij de evenaar.



86. polair maximum = Maximum bij de polen.



87. subtropisch maximum = Hogedrukgebied (maximum) rond 30° breedte.



88. subpolair minimum = Minimum bij 60° breedte.


89. passaat = Wind die waait tussen 30° breedte en de evenaar.



90. winderosie = Bodemerosie door wind.



91. overbeweiding = Als de begroeiing achteruitgaat doordat er te veel vee graast op te weinig grond.



92. herbebossing = Het opnieuw aanplanten van jonge bomen na een houtkap.



93. fysisch milieu = Natuurlijke omgeving zoals klimaat, natuurlandschap, reliëf en grond- en delfstoffen.



94. milieuramp = Door mensen veroorzaakte ramp met veel schade in de natuurlijke omgeving.



95. milieuvervuiling = Verontreiniging van bodem, water of lucht door uitstoot van schadelijke stoffen door de mens.



96. milieu-uitputting = Opraken van natuurlijke voorraden door gebruik van de mens. Voorbeelden zijn het gebruik van fossiele brandstoffen zoals steenkool, aardolie en aardgas.



97. milieuaantasting = Meestal niet-herstelbare ingrepen in de natuur en het landschap door menselijke activiteiten.



98. verwoestijning = Uitbreiding van de woestijn.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.