Eindexamens 2024

Wij helpen je er doorheen ›

Ontleding

Beoordeling 6.1
Foto van een scholier
  • Antwoorden door een scholier
  • 2e klas havo | 1421 woorden
  • 30 april 2010
  • 14 keer beoordeeld
Cijfer 6.1
14 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Durf jij de uitdaging aan?

Ben jij tussen de 17-30 jaar en wil je kennismaken met Defensie en een bijdrage leveren aan de samenleving? Tijdens de MDT Missie van het Ministerie van Defensie en Stichting TijdVoorActie zet je jezelf 80 uur in voor zelfontwikkeling, maatschappelijke impact én teamwork. Meer weten? 

Check de video
Taalkundig ontleden;

Lidwoorden;

Een lidwoord hoort altijd bij een zelfstandig naamwoord. Soms staat tussen het lidwoord en het zelfstandig naamwoord nog een ander woord: het oude boek. De en het zijn bepaalde lidwoorden; een is een onbepaald lidwoord.

Zelfstandig naamwoord;
Zelfstandige naamwoorden zijn woorden waar je altijd een lidwoord voor kunt zetten: (het) boek, (de) ijspret
Infinitieven kunnen voorkomen als zelfstandige naamwoorden:
Hardlopen is goed voor je. Schaatsen is erg populair.

Eigennamen zijn ook zelfstandige naamwoorden. Je schrijft ze met een hoofdletter: Frits, Zaltbommel, Hema, Nokia enz
Het bijvoeglijke naamwoord;

Bijvoeglijke naamwoorden kun je voor een zelfstandig naamwoord zetten. Ze noemen een eigenschap van het zelfstadig naamwoord.
Bijvoeglijke naamwoorden krijgen in principe de uitgang -e:
Het goede boek. De moeilijke oefening. Onhandige jongen.

Er zijn vier situaties waarin een bijvoeglijk naamwoord niet de uitgang -e krijgt:
1. Wanneer het zelfstandige naamwoord onzijdig is, krijgt het bijvoeglijk naamwoord bij de onbepaalde vorm géén uitgang. Bij de bepaalde vorm krijgt het echter gewoon de uitgang -e: Een mooi kind - Het mooie kind

2. Wanneer het bijvoeglijk naamwoord een materiaal aanduidt, krijgt het de uitgang -en: De houten lepel, de koperen bel

3.Wanneer het bijvoeglijk naamwoord een essentieel deel is van de combinatie met het zelfstandig naamwoord, krijgt het geen -e. Bijvoorbeeld: Het meewerkend voorwerp, het openbaar onderwijs

4. Soms wordt tussen een onbepaald lidwoord en het zelfstandig naamwoord een bijvoeglijk naamwoord zonder -e gebruikt. In dat geval hebben ze een bijzondere betekenis: Een groot staatsman, een talentvol dichter


Het zelfstandig ww;

Het allerbelangrijkste werkwoord in een zin. Als er een HWW in de zin staat is het laatste werkwoord het zelfstandig ww.


Het koppelwerkwoord;
koppelwerkwoorden zijn werkwoorden die een naamwoordelijk gezegde helpen vormen.
Koppelwerkwoorden kunnen zijn: zijn, worden, heten, blijven, schijnen, lijken en blijken.
Hij wordt leraar. Hij is oud. Hij blijft vervelend


Het hulp ww;

Het hulp werkwoord helpt een ww of nw gezegde vormen, ze komen nooit alleen voor
Je moet hem opbellen. Moet = hulpww Opbellen= zelfs. Ww


Voorzetsels;

Voorzetsels komen nooit alleen voor. Ze staan aan het begin van een zinsdeel met een zelfstandig naamwoord of een voornaamwoord: Zij gaan met vakantie naar Noorwegen. Geef het maar aan haar. Ook op, naast, onder enz.

Telwoorden;
Bepaalde hoofdtelwoorden geven een getal aan dat precies vaststaat: twee, elf, drie zestiende, miljoen enz.
Bepaalde rangtelwoorden zijn afgeleid van bepaalde hoofdtelwoorden: tweede(van twee), honderdste (van honderd), enz.
Onbepaalde hoofdtelwoorden geven een hoeveelheid aan die niet precies vaststaat: veel, zoveel, sommige, alle, enz.

Onbepaalde rangtelwoorden zijn meestal afgeleid van onbepaalde hoofdtelwoorden: hoeveelste (van hoeveel), zoveelste (van zoveel)
Pers vnw;

Altijd zelfstandig gebruikt, kunnen na een voorzetsel staan (na ons, voor mij),
verwijzen naar:
de persoon van de spreker = 1e pers,
de aangesprokene = 2e pers
de persoon of zaak waarover gesproken wordt = 3e pers


Bez.vnw;

Geven bezit aan, kunnen bijvoeglijk ( mijn jas, je auto) en zelfstandig gebruikt (jouw mixer en de mijne) worden. Als de laatste het geval is krijgt het een –e , in het meervoud -en


Wederkerend vnw;

Hoort bij een ww. Ik haast me, Hij verveelt zich, Wij verbazen ons. Het slaat terug op iemand dat al is geweest.
Vb; ik haast me niet; ik-me


Wederkerig vnw:

Elkaar, mekaar, elkander
Verwijst naar een zelfstandig element en komt uitsluitend voor in niet-onderwerpsposities
Kan ook bijvoeglijke vorm zijn zij beoordelen elkaars werk



Vragende vnw;

Luiden een vraag in – wie, wat, welke
Directe vragen - wie ben jij indirecte vragen – ik vraag me af wie er gebeld heeft
Wie – vraagt naar personen – uitsluitend zelfstandig
Wat – vraagt naar zaken – uitsluitend zelfstandig
Welke – vraagt naar zaken , komt bijvoeglijk voor en zelfstandig
( hoe, waar, wanneer, waarom, waarbij - vragende betekenis maar door functie bij bijwoorden gerekend)

Aanw.vnw:

Wijzen personen of zaken aan, zowel bijvoeglijk (functie van lidwoord = die tafel) als zelfstandig voor (functie van persvnw)
Deze/dit – dichtbij
Die/dat – veraf (hoeft niet perse letterlijk)
Andere aanw. vnw – dergelijke, zulke, zelf (wijst persoon of zaak versterkt aan, alleen bijvoeglijk gebruikt), degene, datgene (zelfstandig gevolgd door die)


Betrekkelijk vnw;

Die, dat, wie, wat, welk(e), hetgeen en hetwelk - aparte zinsverbindende functie – de film die ik gisteren gezien heb, was mooi. – die ik gisteren gezien heb = bijvoeglijke bijzin, betr vnw staan altijd ah begin van een bijvoeglijke bijzin. De persoon of zaak waarnaar ze verwijzen gaat er meestal direct aan vooraf en noemen we het antecedent (de film)
die – antecedent de-woord of mrv

wie – meewvw en na een voorzetsel
dat – antecedent het-woord in het enkelvoud
wat – na dat, iets, niets, veel, alles, als het antecedent een absolute betekenis heeft (het beste, het enige), als het antecedent een hele zin is (ook hetgeen)

soms is het antecedent samengesmolten met het betrvnw = ingesloten antecedent
Wie met pek omgaat, wordt ermee besmet (Hij, die..)
Wat je me nu vertelt, is grote onzin. (Dat, wat..)


Onbep vnw;

Verwijzen naar onbep personen en zaken uit de werkelijkheid, ook het hoort erbij, sommige altijd zelfst iemand, niemand, iets, niets, iedereen, alles
Andere zijn bijvoeglijk en zelfst – elk, ieder, alle, menig, enig


Redekundige ontleding;

1. Het gezegde;

Werkwoordelijk gezegde
Een werkwoordelijk gezegde bestaat uit alle werkwoordsvormen in de zin (soms met zich of te)

De buurvrouw is door een hond in haar been gebeten.
Piet verslikte zich in de cake.

Zij zat het koekje in de keuken te eten.

Naamwoordelijk gezegde
Het naamwoordelijk gezegde bestaat uit een werkwoordelijk en een naamwoordelijk deel.
Door middel van een koppelww wordt het naamwoordelijk deel ‘gekoppeld’ aan het onderwerp.
- Het naamwoordelijk deel zegt altijd iets over het onderwerp en bestaat uit bijvoeglijk(e) en/of zelfstandig(e) naamwoord(en).
- Het werkwoordelijk deel bestaat altijd uit een koppelww en eventueel uit andere werkwoorden
- Het koppelww. moet je kunnen vervangen door een ander koppelww.

Wegens Aziatische griep is Ankie beroerd geweest.
De jongens worden echte vogelliefhebbers.

De koppelww zijn geen koppelww als:
- zijn – geen koppelww als het betekent zich bevinden
- blijven – geen koppelww als - Ik blijf thuis. We zijn de hele dag thuisgebleven
- Schijnen – geen koppelww als - De zon schijnt. De zon heeft de hele dag geschenen
- Lijken – geen koppelww als - De jongen lijkt op zijn vader

Controle ww/nw gezegde
1 Staat er een mogelijk koppelww in de zin

2 Staat er in de zin een naamwoord dat mogelijk het nw deel van het nw gezegde is
3 Zegt dat nw iets over het gezegde
4 Is er sprake van een handeling (ww gezegde) of van een eigenschap, kenmerk of invulling van het onderwerp (nw gezegde)


2. Het onderwerp;

Het onderwerp is te vinden door ‘wie/ wat’ met de persoonsvorm te combineren. (wie of wat + gezegde)

Vb: Heleen kwam gisteravond laat thuis. (Wie kwam gisteravond laat thuis?)

Het onderwerp van een zin kan ook een heel uitgebreid zinsdeel zijn.

Vb: Het bericht dat we een warme zomer zouden krijgen, viel goed bij ons.(Wat viel goed bij ons?)


3. Het lijdend voorwerp;

Het lijdend voorwerp is te vinden door te vragen ‘wie/ wat’ wordt ge…., de zin wordt zo in de lijdende vorm gezet.

Vb: Hij geeft een bos bloemen aan zijn moeder. (Wie/ wat wordt gegeven?)

Je kunt de in de zin ook het lijdend voorwerp vinden door in een zin te vragen:
wie/wat +gezegde +onderwerp


4. Het meewerkend voorwerp;
Een meewerkend voorwerp kan met aan of voor beginnen. Als deze woorden er niet voor staan, kun je ze er voor zetten of weg laten. In zinnen met een meewerkend voorwerp staat vaak een lijdend voorwerp.

Als je aan of voor weglaat of toevoegt moeten meewerkend voorwerp en lijdend voorwerp soms wel van plaats veranderen om een goede zin te krijgen.
Je vindt het meewerkend voorwerp door te vragen:
Aan (voor) wie + gezegde+onderwerp+lijdend voorwerp? (Je moet wel controleren of je aan of voor kunt toevoegen of weglaten.)

5. Het voorzetsel voorwerp;
Een voorzetselvoorwerp begint altijd met een vast voorzetsel. Een voorzetselvoorwerp komt voor bij werkwoorden met een vast voorzetsel. Het voorzetsel verbindt het voorzetselvoorwerp met het gezegde. Als het voorzetsel een plaats aangeeft dan is het een bijwoordelijke bepaling!

6. De bijwoordelijke bepaling;
Een bijwoordelijke bepaling zegt iets over het gezegde. Een bijwoordelijke bepaling geeft antwoord op vragen als: waarom, wanneer, hoelang, waar, hoe.
Niet elke zin bevat een bijwoordelijke bepaling en sommige zinnen hebben meer dan één bijwoordelijke bepaling.
Soms zijn bijwoordelijke bepalingen niet zo makkelijk te vinden omdat je vragen als waar?, wanneer? etc. niet kan stellen. Maar als je de zinnen op de juist manier ontleedt, blijven ze vanzelf over.

7. Het voorzetsel voorwerp
Een bijvoeglijke bepaling zegt iets over een zelfstandig naamwoord. Een bijvoeglijke bepaling vind je door te vragen welk/wat voor + het zelfstandige naamwoord?
Het is een deel van een ander zinsdeel!!


8. De bijstelling;
De bijstelling is gemakkelijk te vinden. Het is een deel van een ander zinsdeel. En het staat tussen 2 komma’s.

REACTIES

J.

J.

hi,
bedankt voor deze mooie samenvatting over zinnen ontleden en alle woordsoorten (-;
x

13 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.