D-TOETS 1 STICHTING & VERENIGING Punt = score/4,3

Vraag score antwoord

1 2 C

2 2 D

3 2 B

4 2 D

5 2 B

6 2 C

7 2 D + E

8 2 C

9 2 A

10 2 C

11 2 A, C en F

12 2 A

13 2 B

14 2 B

15 2 D

16 2 A

17 2 D

18 2 B

19 2 C

20 2 B + E

21a 1 Pendaflex hoeft zelf geen vermogen te investeren.

21b 1 Operational lease

21c 1 Nee, want de auto’s zijn bij operational lease geen

(economisch) eigendom van Pendaflex

totaal 43 p

D-TOETS 2 STICHTING & VERENIGING Punt = score/4,3

vraag score antwoord

1 3 b, c, d

2 1 d

3 1 c

4 1 c

5 2 c

6 2 b, d

7 3 a, b, d

8 2 a

totaal 15

Opdracht 9 (7 pnt)

1. (5 pnt: 1 fout min 1 punt)

debet Liquiditeitsbalans 31 december 2012 credit

vaste activa:

gebouw

inventaris

muziekinstrumenten

410.000

30.000

78.000

eigen vermogen 54.520

vlottende activa:

barvoorraad

te vorderen contributie

4.560

1.230

lang vreemd vermogen:

hypotheeklening 1

hypotheeklening 2

onderhandse lening

181.000

185.000

95.000

liquide activa:

bank

kas

4.870

1.160

kort vreemd vermogen:

rekening-courantkrediet

te betalen rente

12.400

1.900

totaal 529.820 totaal 529.820

2. totale waarde van de liquide activa is € 6.030 (1 pnt)

3. totale waarde van het lang vreemd vermogen is € 461.000 (1pnt)

Opdracht 10 (totaal 6 punten: per fout antwoord min 1 punt)

1. afschrijving c.q. waardevermindering van het gebouw.

2. instrument(en) erbij gekocht.

3. afgelost c.q. terugbetaald.

4. toename van € 3.200: eerst een schuld en nu een tegoed bij de bank.

Opdracht 11 (4 punten: per fout min 1 punt)

debet Balans per 1 januari 2010 credit

kopieerapparaat

PC 50

voorraad bekers

voorraad inkt/papier

clubbladen

bank

kas

2.300

1.300

642

810

120

1.528

972

eigen vermogen

onderhandse lening

3.672

4.000

totaal 7.672 totaal 7.672

toelichting:

bank + kas per 1 januari 2009: 1.267 + 879 = 2.146

mutatie liquide middelen 2009: + 354

totaal = 2.500

in kas per 31-12-2009 = - 972

bank per 1-1-2010 = 1.528 ,-

Opdracht 12 (7 punten)

1. (5 punten)

2012 1

e

kwartaal 2

e

kwartaal 3

e

kwartaal 4

e

kwartaal

Saldo liquide middelen begin 56.000 - 11.000 - 26.000 68.000

Totale ontvangsten 61.000 147.000 244.000 118.000

Totale uitgaven 128.000 162.000 150.000 169.000

Toe-/afname liquide middelen - 67.000 -15.000 94.000 -51.000

Saldo liquide middelen eind - 11.000 - 26.000 68.000 17.000

Conclusie:

Hoewel in het eerste en in het tweede kwartaal een tekort aan liquide middelen ontstaat, is

alleen in het tweede kwartaal sprake van een liquiditeitsprobleem omdat het tekort van het

tweede kwartaal (€ 26.000 -) niet opgevangen kan worden met het Postbankkrediet van

€ 15.000.

Opmerking 1

Voor de juiste berekening van het saldo liquide middelen op het eind van elk kwartaal

maximaal 3 punten toekennen en voor de juiste conclusie 2 punten.

Opmerking 2

De beantwoording behoeft niet volgens bovenstaand schema plaats te vinden.

2. ( 2 punten) Voorbeelden van juiste antwoorden:

- het betalen van de te betalen rekeningen uitstellen;

- proberen de huur gespreid (er) te gaan betalen;

- de aanschaf van de inventaris uit te stellen (of gespreid te gaan betalen);

- een extra bankkrediet aanvragen.

Opdracht 13 (4 punten: 1 fout = -1 punt)

Debet Balans Straight On per 31 december 2009 Credit

clublokaal

inventaris

bank

kas

60.000

1.800

12.880

1.500

eigen vermogen

hypothecaire lening

vooruit ontvangen contributie

te betalen rente

28.320

46.000

480

1.380

totaal € 76.180 totaal € 76.180

D-TOETS 3 STICHTING & VERENIGING Punt = score/4,8

vraag score antwoord

1 3 a, d, e

2 2 d

3 2 a

4 2 c

5 2 e

6 2 d

7 2 d, e

8 1 b, c, d

9 2 c

10 2 c

totaal 20

Opgave 11 (totaal 11 pnt: per fout min 1 punt)

1. 24.000 x 5% x 1/12 = € 100

2. 8 x € 100 = € 800

3. 4 x € 100 = € 400

8 x € 75 = € 600 (18.000 x 5% x 1/12)

totaal = € 1.000

4. 1.200

5. 900 + € 6.000 = € 6.900

6. 1.200

7. 24.000

8. 4 x 100 = 400 (manden mei t/m augustus)

9. niets

10. 12 x 75 = 900 (interestinkomsten) + 6.000 (terugbetaling lening) = totaal 6.900

11. 8 x 100 + 4 x 75 = 1.100

Opgave 12 (9 punten)

1. Tot de vaste activa want de paardentrailer gaat meerdere productieprocessen mee. (1)

2. - liquide middelen 1 september: 1.200 - 2000 = - 800 (1)

mutatie + 11.360

- liquide middelen 30 september: 10.560 (1)

waarvan in kas 2.000

- dus op bankrekening 8.500 (1)

3.

baten Staat van baten en lasten over september 2013 lasten

Kantine € 2.500 Inkopen kantinevoorraad € 1.000

Sponsoring (1) € 100 Onkostenvergoedingen € 898

Contributie (2) € 1.500 Rente € 62

Saldo Afschrijvingen (1) € 400

Saldo (1) € 1.740

€ 4.100 € 4.100

Contributiebate = (2.000 + 15.000 + 1.000)/12 = 1.500

Opgave 13 (17 pnt)

1. (3 pnt) € 21.750 ( € 10.100 eerste helft en € 11.650 tweede helft)

2. (1 pnt) € 290 x 10 = € 2.900

3. (2 pnt) € 1.000 x 6 + € 1.000 x 1,05 x 6 = € 12.300

4. (1 pnt) afschrijvingslasten € 3.000

5. (2 pnt) (20.000 x 0,06 x 3)/12 + (18.000 x 0,06 x 9)/12 = € 1.110

6. ( 1pnt) 160 x € 20 = € 3.200

7. (1 pnt) 5 x 10 x 150 = € 7.500

8. (1 pnt) 12 x 500 = € 6.000

9. ( 1pnt) 5 x 400 = € 2.000

10. ( 1 pnt) 450 x 10 = € 4.500

11. (2 pnt)

Baten Begroting van baten en lasten over 2013 Lasten

contributies

subsidie

sponsor

barwinst

saldo baten/lasten

21.750

3.200

2.000

4.500

1.360

contributie KNVB

huur

afschrijving

rente

trainers

bestuurslasten

2.900

12.300

3.000

1.110

7.500

6.000

totaal 32.810 totaal 32.810

12. (1 pnt) (290 + 260)/2 = 275 1.360/275 = € 4,95

DE EENMANSZAAK DEEL 1 VWO 7e

druk

D-TOETS 1.1 DE EENMANSZAAK DEEL 1 Punt = score/4,7

Vraag score antwoord Vraag heeft betrekking

op paragraaf

1 1 D 1.1

2 1 C 1.2

3 1 B 1.3

4 1 B 1.5

5 1 A 1.5

6 2 B 1.5

7 1 C 1.5

8 1 D 1.5

9 1 C 1.5

10 1 D 1.5

11 1 D 1.4

12 1 B 1.6

13 2 B 1.6

14 2 A 1.6

15 2 C 1.6

16 1 C 1.7

17 2 D 1.7

18 1 C 1.10

19 2 D 1.10

20 2 D 1.11

21 2 A 1.11

22 3 B 1.12

23 3 B 1.12

24.(1 fout -1)

(3) 1. 18.000 x 1,00548 + 1.500 (1,00547 +………+ 1,005 + 1)

18.000 x 1,00548 = 22.868,80

1.500 (1,00547 +………+ 1,005 + 1) = 81.146,75 (a = 1; n = 48; r = 1,005)

22.868,80 + 81.146,75 = € 104.015,55

(2) 2. 191.946,19 - 188.933,18 + 6% x 191.946,19 = € 14.529,78

(2) 3. Door een aflossing neemt de schuld af, hierdoor hoeft er minder interest betaald te

worden en wel '6% x aflossing' minder. Aflossing = annuïteit - interest. Omdat de

annuïteit een vast bedrag is en de interest met '6% x aflossing' afneemt zal de

aflossing met '6% x aflossing' toenemen.

(2) 4. 6% x 188.933,18 + 7% x 100.000,- = € 18.335,99

(3) 5. aflossing 2005 = 191.946,19 - 188.933,18 = 3.013,01

aflossing 2006 = 3.013,01 x 1,06 = 3.193,79

schuldrest ARA 1-1-2007 = 188.933,18 - 3.193,79 = 185.739,39

schuldrest BORO 1-1-2007 100.000,00

totale schuldrest 285.739,39

boete 1%, dus betalen 285.739,39 x 1,01 = € 288.596,78

D-TOETS 1.2 DE EENMANSZAAK DEEL 1 Punt = score/1,7

Vraag score antwoord Vraag heeft betrekking

op paragraaf

1 1 B 2.2

2 1 B 2.2

3 1 D 2.2

4 2 C 2.3

5 2 D 2.3

6 1 D 2.4

7 1 A 2.4

8 1 C 2.5

9 1 B 2.4/2.6

10 1 B 2.5/2.6

11 1 A 2.5/2.6

12 1 C 2.4/2.6

13 1 D 2.4/2.6

14 1 C 2.2

15 1 A 2.2

totaal 17

D-TOETS 1.3 DE EENMANSZAAK DEEL 1 Punt = score/1,2

Vraag score antwoord Vraag heeft betrekking

op paragraaf

1 1 B 3.1

2 1 C 3.1

3 1 B 3.1

4 1 D 3.1

5 2 B 3.1

6 2 C 3.1

7 2 C 3.1

8 2 B 3.1

totaal 12

D-TOETS 1.4 DE EENMANSZAAK DEEL 1 Punt = score/5,6

Vraag score antwoord Vraag heeft betrekking

op paragraaf

1 1 C 4.2

2 1 C 4.3

3 1 C 4.3

4 1 B 4.3

5 1 A 4.3

6.I 2 C 4.4.1

6.II 2 B 4.4.1

6.III 1 C 4.4.1

6.IV 2 D 4.4.1

7.I 2 D 4.4.1

7.II 2 B 4.4.1

7.III 1 B 4.4.1

7.IV 2 A 4.4.1

8 1 D 4.4.2

9 1 A 4.4.2

10 1 C 4.4.3

11 1 B 4.4.4

12 2 D 4.4.4

13 1 C 4.4.5

14 2 A 4.4.5

15 2 D 4.4.5

16 2 D 4.4.5

17 2 C 4.7

18.I 2 A 4.7

18.II 2 B 4.7

18.III 1 D 4.7

18.IV 2 D 4.7

19 1 C 4.7

20. (1 fout -1)

(1) 1. Direct contact tussen geldnemer en geldgever waarbij er onderhandeld wordt over de

voorwaarden.

(1) 2. De permanence (permanentie)

(2) 3. Interest = (5% x 10.000.000 - 500.000)/2 = 237.500,-

aflossing = 500.000,-

737.500,-

(2) 4. 5 % van (10.000.000 - 2 x 500.000) x 3/12 = € 112.500,-

(1) 5. 28 x 3 x 10.000 = € 840.000,-

(1) 6. 30 x 3 x 10.000 = € 900.000,-

(1) 7. Afnemerskrediet, want de afnemers betalen eerder dan zij de diensten ontvangen.

(3) 8. Inkoopprijs 50% = 2,50

Winstopslag 50%

Verkoopprijs 100% = 100/50 x 2,50 = 5,00

28 x 3 x 100 x 5 = € 42.000,-

(2) 9. (6.000 + 4.500/2 + 3.800/2) x 200 = € 2.030.000,-

D-TOETS 1.5 DE EENMANSZAAK DEEL 1 Punt = score/2,4

Vraag score antwoord Vraag heeft betrekking

op paragraaf

1 1 D 5.2

2 1 C 5.2

3 1 D 5.2/5.3

4.I 1 B 5.2

4.II 1 C 5.3

5.I 2 A 5.2

5.II 2 C 5.2

5.III 1 B 5.3

5.IV 1 B 5.3

6.I 2 D 5.2

6.II 2 A 5.3

7.

(3)1. Inkoopwaarde van de omzet: 60% x 630.000 = € 378.000,-

waarde ingekochte goederen exclusief btw: 378.000 + 72.000 - 90.000 = € 360.000,-

waarde ingekochte goederen inclusief btw: 360.000 x 1,21 = € 435.600,-

(6)2. Liquiditeitsbegroting Dolfaan 2e kwartaal 2014

Ontvangsten:

Debiteuren € 686.700,- (2)

Totaal ontvangsten € 686.700,-

Uitgaven:

Crediteuren € 381.150,-

Afdracht btw € 37.800,- (1)

Aflossing hypotheek € 100.000,- (1)

Interest hypotheek € 12.000,- (1)

Overige uitgaven € 20.000,-

Totaal uitgaven € 550.950,-

Toename liquide middelen € 135.750,- (1)

Toelichting op bedragen

Debiteuren: 2/3 x 630.000 x 1,21 + 178.500

Opmerking: Voor elke ten onrechte opgevoerde post 1 punt in mindering brengen, met

een maximum van 3 punten.

DE EENMANSZAAK DEEL 2 VWO 5e

druk

D-TOETS 2.1 DE EENMANSZAAK DEEL 2 Punt = score/2,3

Vraag score antwoord Vraag heeft betrekking

op paragraaf

1 1 D 1.2

2 1 B 1.2

3 1 B 1.2

4 1 C 1.3

5 2 A 1.4

6 1 A 1.4

7 2 A 1.5

8 2 D 1.5

9 2 C 1.5

10 2 C 1.5

11 2 B 1.5

12 2 C 1.6

13 1 B 1.6

14 2 D 1.7

15 1 D 1.7

totaal 23

D-TOETS 2.2 DE EENMANSZAAK DEEL 2 Punt = score/2,4

Vraag score antwoord Vraag heeft betrekking

op paragraaf

1 1 C 2.2

2 2 D 2.2

3 2 B 2.2

4 2 D 2.2

5 2 B 2.2

6 2 B 2.3

7 2 D 2.3

8 2 A 2.3

9 2 A 2.3

10 2 C 2.3

11.I 1 D 2.3

11.II 1 A 2.3

11.III 1 D 2.3

11.IV 2 C 2.3

totaal 24

D-TOETS 2.3 DE EENMANSZAAK DEEL 2 Punt = score/2,4

Vraag score antwoord Vraag heeft betrekking

op paragraaf

1 2 B 3.1

2 2 B 3.2

3 2 D 3.2

4 2 B 3.2

5 2 B 3.2

6 2 C 3.3

7 2 D 3.3

8 2 D 3.3

9 2 B 3.3

10 2 A 3.3

11 2 D 3.3

12 2 B 3.3

totaal 24

D-TOETS 2.4 DE EENMANSZAAK DEEL 2 Punt = score/3

Vraag score antwoord Vraag heeft betrekking

op paragraaf

1 2 B 4.1

2 2 C 4.2

3 2 C 4.3

4 2 A 4.3

5 2 A 4.3

6 2 D 4.4

7 2 A 4.5/4.6

8 2 B 4.5/4.6

9 2 C 4.5/4.6/4.7

10 2 C 4.5/4.6/4.7

11.1 2 C 4.6

11.2 2 D 4.6

11.3 2 C 4.6

11.4 2 C 4.6

11.5 2 B 4.6/4.7

totaal 30

DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP VWO 5e

druk

D-TOETS 1 DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP Punt = score/2,2

Vraag score antwoord Vraag heeft betrekking

op paragraaf

1 1 D 1.1

2 1 A 1.7

3 1 D 1.7

4 1 D 1.1

5 1 D 1.2

6 1 C 1.2

7 1 C 1.3

8 1 C 1.3

9 2 A 1.3/1.5

10 2 B 1.6

11 2 C 1.7

12 2 B 1.8

13 2 D 1.8

14 2 D 1.8

15 2 A 1.8

totaal 22

D-TOETS 2 DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP Punt = score/2,5

Vraag score antwoord Vraag heeft betrekking

op paragraaf

1.I 1 C 2.1

1.II 1 B 2.2

2 1 A 2.2

3 1 D 2.2

4 1 B 2.2

5 1 C 2.3

6 1 C 2.5

7 1 B 2.5

8 1 C 2.5

9 2 D 2.5

10 2 C 2.5

11 2 C 2.5

12 2 D 2.5

13.I 1 D 2.3

13.II 1 B 2.5

13.III 2 D 2.5

13.IV 2 B 2.5

14 2 D 2.3

totaal 25

D-TOETS 3 DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP Punt = score/1,6

Vraag score antwoord Vraag heeft betrekking

op paragraaf

1 2 C 3.2

2 2 A 3.3

3 1 D 3.3

4 2 D 3.4

5 2 A 3.5

6.I 2 A 3.5

6.II 2 A 3.5

6.III 1 A 3.5

7 1 D 3.5

8 1 C 3.5

totaal 16

D-TOETS 4 DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP Punt = score/1,1

Vraag score antwoord paragraaf

1 2 B 4.0

2 2 C 4.1

3 1 D 4.1

4 2 C 4.1

5 2 B 4.1/4.2

6 2 A 4.1/4.2

totaal 11

D-TOETS 5 DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP Punt = score/1,7

Vraag score antwoord paragraaf

1 1 A 5.1

2 2 C 5.1

3 2 B 5.1

4 2 C 5.1

5 2 C 5.1

6 2 B 5.1

7 2 A 5.1

8 2 A 5.1

9 1 C 5.2

10 1 C 5.2

totaal 17

D-TOETS 6 DE NAAMLOZE VENNOOTSCHAP Punt = score/5,2

Vraag score antwoord paragraaf

1 1 C 6.2

2 1 A 6.1

3 1 B 6.2

4 1 C 6.2

5 1 C 6.3

6 1 B 6.4

7 1 B 6.3

8.I 2 A 6.2/3

8.II 2 A 6.2/3/5

8.III 2 B 6.2/3/5

8.IV 2 D 6.2/3/5

9 1 B 6.6

10.I 1 C 4.1

10.II 2 B 6.6

10.III 2 A 6.6

10.IV 2 A 6.6

10.V 1 C 6.7

10.VI 1 D 6.6

10.VII 1 C 6.8

10.VIII 2 A 6.2

10.IX 2 C 6.3

11 2 C 4.1

12 2 A 6.7/8

13 2 B 6.7

14 2 A 6.7

15 2 A 6.7

16.A 2 A 6.7

16.B 1 B 6.7

16.C 1 B 6.7

17 2 B 6.8

18 2 B 6.9/10

19.I 2 A 6.9

19.II 2 D 6.6/9

totaal 52

DE INDUSTRIE VWO 4e

druk

D-TOETS 1 DE INDUSTRIE Punt = score/4,9

vraag score antwoord vraag heeft

betrekking

op paragraaf

vraag score antwoord vraag heeft

betrekking

op paragraaf

1 1 C 1.1 7 IV 2 B 1.4

2 1 A 1.2 7 V 2 D 1.4

3 1 D 1.3 7 VI 2 B 1.4

4 1 B 1.3 7 VII 2 C 1.4

5 1 A 1.3 7 VIII 2 C 1.4

6 1 D 1.4 8 1 B 1.4/5

7 I 2 B 1.4 9 2 D 1.5

7 II 2 B 1.4 10 I 2 B 1.4/5

7 III 1 D 1.4 10 II 2 C 1.5

11.

(3) 1. Afschrijvingskosten: (3.000.000 + 100.000 - 450.000)/10 = 265.000

Interestkosten: 12% x (3.100.000 + 450.000)/2 = 213.000

Overige constante kosten 222.000

700.000

700.000/1.000 + 600 = € 1.300,-

(2) 2. (4 x 110) + 85 + 75 = € 600,-

(3) 3. Kosten drukpers 1.300,-

Variabele kosten per editie 30.000 x 20 pagina's x 0,02 12.000,-

Kosten drukplaten (20/4 x 600) 3.000,-

Kosten 15 zwart wit foto's x 80 + 8 kleurenfoto's x 500 5.200,-

Winstopslag 30.000 x 0,14 4.200,-

€ 25.700,-

(2) 4. Bp = 305 + 420 + 190 + 80 = 995

Bezettingsresultaat: (995 - 1.000) x 700 = € 3.500,- nadelig

(3) 5. Werkelijke productie = (305 x 16/4) + (420 x 20/4) + (190 x 24/4) + (80 x 28/4) = 5.020

N = 1.000 x 20/4 = 5.000

Bezettingsresultaat: (5.020 - 5.000) x 60 = € 1.200,- voordelig

(2) 6. 1.040.000 + (600 - 400 - 25)q = 700.000 + 600q

1.040.000 = 700.000 + 425q  q = 800

12.

(2) 1. TCK is een horizontale lijn ter hoogte van € 300.000,- van q = 0 tot en met q

=110.000

Bedragen van 4

deelresultaten tck

x € 100.000,-

3 Verkoopresultaat

2  Bezettingsresultaat

1

0 1 2 3 4 q* 5 6 7 8 9 10 11

productie en afzet (x

-1 10.000)

-2

-3

Opmerking. Een punt in mindering brengen als de lijn voorbij de beschikbare

productiecapaciteit is doorgetrokken.

(2) 2. Bij 80.000 stuks is de verkoopwinst € 200.000,-. Dus de winstmarge is € 2,50 per stuk.

De verkoopprijs zonder btw is 8,48 / 1,06 = € 8,- per stuk. De kostprijs is 8 - 2,50= 5,50.

Omdat de constante kosten per product 300.000 / 70.000 = € 4,29 zijn, zijn de variabele

kosten per product 5,50 - 4,29 = € 1,21

(2) 3. Zie grafiek bij vraag 1, daar waar het positieve verkoopresultaat = negatief

bezettingsresultaat.

D-TOETS 2 DE INDUSTRIE Punt = score/4,2

vraag score antwoord paragraaf vraag score antwoord paragraaf

1 1 D 2.1 9.II 2 C 2.2

2 1 A 2.1 9.III 2 B 2.2

3 1 C 2.2 9.IV 2 B 2.2

4 1 D 2.2 9.V 2 C 2.2

5 1 D 2.2 9.VI 2 A 2.2

6 1 C 1.4 9.VII 2 A 2.2

7 1 C 2.4 9.VIII 2 A 2.2

8 1 C 2.4 9.IX 2 B 2.2

9.I 2 A 2.2

10.

(4) 1. grondstoffen: 1.125.000/375.000 x 7,50 = 22,50

direct loon:150.000/375.000 x 37,50 = 15,00

constante kosten: 4.500.000/360.000 = 12,50

standaardkostprijs € 50,00 (2)

verkoopresultaat: 375.000 x (75 - 50) = 9.375.000,- (1)

bezettingsresultaat: (375.000 - 360.000) x 12,50 = 187.500,-

bedrijfsresultaat € 9.562.500,- voordelig (1)

(2) 2. totale opbrengst: 350.000 x 75 26.250.000,-

totale kosten:

- grondstoffen 8.775.000

- direct loon 5.308.125

- constante kosten 4.500.000

18.583.125,-

werkelijk bedrijfsresultaat 7.666.875,- voordelig

(2) 3. bezettingsverschillen, prijsverschillen (op grondstoffen en/of direct

loon),efficiencyverschillen (op grondstoffen en/of direct loon)

11.

(2) 1. werkelijk bezettingsresultaat = (225.000 - 240.000) x 5 = - € 75.000,- nadelig

(2) 2. toegestane hoeveelheid grondstof voor 225.000 producten: 225.000 x 0,4 = 90.000 kg

werkelijk verbruik: 90.000 + 2.250 = 92.250 kg

(2) 3. werkelijke grondstofprijs per kg 553.500/ 92.250 = 6

standaardprijs per kg (100% / 120%) x 6 = € 5,-

(2) 4. totaal resultaat:

efficiencyverschil: 2.250 x 5 11.250,- nadelig

prijsverschil: 92.250 x (6 - 5) 92.250,- nadelig

totaal resultaat grondstoffen € 103.500,- nadelig

D-TOETS 3 DE INDUSTRIE Punt = score/3,3

vraag score antwoord paragraaf vraag score antwoord paragraaf

1 1 D 3.1 5.III 2 D 3.2

2 1 D 3.2 5.IV 2 A 3.2

3 1 A 3.2 5.V 2 A 3.2

4.I 2 C 3.2 6.I 2 D 3.3

4.II 2 C 3.2 6.II 2 B 3.3

4.III 2 B 3.2 6.III 2 C 3.3

5.I 2 A 3.2 6.IV 2 A 3.3

5.II 2 C 3.2

7.

(1) 1. Er is sprake van onderscheid in directe en indirecte kosten omdat Fador N.V.

verschillende soorten producten maakt.

(2) 2. opslagpercentage indirecte kosten in 2013:

2.400.000/(400.000 + 600.000 + 1.200.000 + 800.000) x100% = 80%

(3) 3. directe grondstofkosten 8,-

directe loonkosten 22,-

totale directe kosten 30,-

indirecte kosten:

opslag 80% van 30 24,-

kostprijs 54,-

winstopslag 20/80 x 54 13,50

verkoopprijs exclusief btw 67,50 (2)

de marktprijs exclusief btw is 79,86/ 1,21 = € 66,-

De verkoopprijs die Fador N.V. calculeert voor X-fire ligt boven de marktprijs.

Aangezien deze niet door Fador N.V. is te beïnvloeden kan het product X-fire niet met

een nettowinst van 20% van de verkoopprijs exclusief btw op de markt gebracht

worden. (1)

D-TOETS 4 DE INDUSTRIE Punt = score/0,5

vraag score antwoord paragraaf vraag score antwoord paragraaf

1 1 D 4.1 4 1 B 4.2

2 1 A 4.1 5 1 B 4.2

3 1 A 4.1

D-TOETS 5 DE INDUSTRIE Punt = score/1,8

vraag score antwoord paragraaf vraag score antwoord paragraaf

1 1 C 5.1 3.II 2 C 5.2

2 1 D 5.1 4 2 B 5.3

3.I 2 A 5.2

5.

(1) 1. (3.000.000 - 750.000)/5 = € 450.000,-

(3) 2. Cashflow 1.200.000,-

Afschrijving 450.000,-

Winst na vennootschapsbelasting 750.000,-

Winst voor vennootschapsbelasting: 750.000 x (100 : 60) = 1.250.000

500.000 x (p - 3) = 1.250.000

De verkoopprijs van een nieuwe tennisbal is € 3,- + € 2,50 = € 5,50

(1) 3. 3.000.000/1.200.000x 12 maanden = 30 maanden

(2) 4. Bij de NCW-methode worden alle cashflows betrokken in de berekening, bij de

terugverdienperiode alleen de cashflows tot aan de terugverdienperiode;

Bij de NCW-methode worden de cashflows contant gemaakt naar het moment van de

investering, bij de terugverdienperiode niet;

Bij de NCW-methode wordt geselecteerd op winstgevendheid, bij de

terugverdienperiode alleen op liquide middelen.

(3) 5. NCW XE:

2.400.000/1,081

+ 2.800.000/1,082

+ 3.200.000/1,083

+ 300.000/1,083

- 5.000.000 =

€ 2.401.183,76

NCW XP € 2.200.000,-.

Helios BV kiest voor machine XE, want die heeft de hoogste netto contante waarde.

ORGANISATIE & PERSONEEL VWO 2e

druk

D-TOETS 1 ORGANISATIE & PERSONEEL Punt = score/2,2

1. C 1p

2. A 1p

3. C 1p

4. C 1p

5. D 1p

6. B 1p

7. C 1p

8. Weber: bureaucratiemodel 2p

Taylor: scientific management

Lickert: linking-pin principe

Mayo: human relationsbenadering

Fayol: algemene managementtheorie

9. a Onaantastbaarheid: diensten kunnen niet aangeraakt geproefd of geprobeerd

worden.

Onscheidbaarheid: productie en consumptie van diensten vallen meestal samen.

Vergankelijkheid: diensten kunnen niet in voorraad gehouden worden

3p

b Vooruitzien en plannen, organiseren, coördineren, opdrachten geven en

controleren.

2p

c De contingentietheorie legt juist nadruk op de situationele bepaaldheid van de

organisatie, hetgeen de systeemtheorie in het geheel niet doet.

1p

d Taylor: Hoe kan ik het werk zo structureren dat de productiviteit omhoog gaat.

Fayol: Hoe bouw ik een (efficiënte) bestuurbare organisatie?

2p

10. S.M H.R R. S. C.

1 X

2 X

3 X

4 X

5 X

6 X

7 X

8 X

9 X

10 X

11 X

5p

D-TOETS 2 ORGANISATIE & PERSONEEL Punt = score/4,6

1. C 1p

2. A 1p

3. C 1p

4. D 1p

5. D 1p

6. B 1p

7. A + D 2p

8. A + D 2p

9. B 1p

10. C 1p

11. A 1p

12. A 1p

13. 1. 3p

v: verkoper, M: magazijnbediende

2. Lijnorganisatie 1p

3. Eenhoofdige leiding, iedere medewerker heeft slechts één chef.

Overzichtelijke structuur.

2p

4. Weinig aanleiding om initiatief te tonen, iedereen wacht op orders van de

chef.

Het beleid loopt langs vele schakels.

Lange communicatiekanalen.

2p

14. 1. Lijn- en staforganisatie 1p

2. Neen, er is geen sprake van een gezagsrelatie. E is een adviesorgaan

(staforgaan) van de directeur. De baas van B is de directeur A.

1p

3. Ja, I is slechts verantwoording schuldig aan D (chef verkoop) die op

zijn/haar beurt slechts verantwoording schuldig is aan de directeur (A).

2p

4. - duidelijke gezagsverhoudingen op elk niveau;

- bestuurder/chef hoeft niet alle kennis en vaardigheden te bezitten van de

activiteiten die op zijn afdeling worden uitgevoerd.

2p

5. - staffunctionarissen kunnen op basis van hun deskundigheid op bepaalde

terreinen een overwicht ten opzichte van de bestuurder/chef in de lijn

krijgen. Dit kan leiden tot activiteiten waarvoor hun de bevoegdheden

ontbreken en waarvoor de bestuurder/chef verantwoordelijk is.

- de sterk theoretische instelling van de staf kan leiden tot informatie en

adviezen met weinig oog voor aspecten van de praktische uitvoering.

2p

Directeur Rovers

Filiaalchef Buskes Filiaalchef Frieling

Hoofd verkoop Hoofd magazijn

V V V V M M M

V V M

15. 4p

16. 1. Lijn- en staforganisatie: Dit kun je opmaken door het feit dat er gesproken

wordt over “overige stafafdelingen”.

2p

2. Twee voordelen van de lijn- en staforganisatie:

Eenheid van bevel.

Ontlasting van het management doordat de staf adviezen geeft.

Specialistische kennis is aanwezig

Twee nadelen van de lijn- en staforganisatie:

Staf te theoretisch.

Staf eigent zich bevoegdheden toe en ondermijnt hiermee het gezag van de

leidinggevende.

Voor medewerkers is het soms onduidelijk wie hun baas nu is.

4p

3. P-indeling (productindeling): Soortelijke producten zijn samengevoegd tot

één divisie zoals: reizen, verzekeringen, hulpdienst, etc.

2p

4. Voordelen van P-indeling:

Meer betrokkenheid van de werknemers: overzichtelijker.

Grotere flexibiliteit: managers zijn breder inzetbaar.

Topleiding minder belast.

Kortere communicatielijnen.

Nadelen van P-indeling:

Verlies specialisten.

Divisies voeren soms een eigen beleid.

Men profiteert niet van schaalvoordelen

4p

DIRECTIE

Stafafdeling

Personeel

Stafafdeling

Administratie

Verkoopchef

Boersma

Bedrijfleider

Houtepen

Sing Smit

Stamp Lak Mon Exp Service &

onderhoud

Giet Rec

D-TOETS 3 ORGANISATIE & PERSONEEL Punt = score/1,3

1. B 1p

2. D 1p

3. A 1p

4. D 1p

5. B 1p

6. a. De leidinggevende zal zich participatief (enigszins meelevend) opstellen en

middels een gesprek de ervaren medewerker proberen te motiveren.

1p

b. De leidinggevende zal de medewerker moeten duidelijk maken hoe hij zijn taak

moet verrichten: dus aanwijzend, dirigerend.

1p

7. a. Deze manager verdeelt zijn aandacht over mensen en taken (organisatiedoelen)

en zijn eigen persoonlijke doelen. Geen van de drie heeft echter de volledige

aandacht.

1p

b. Deze manager heeft juist heel veel aandacht voor de mensen maar weinig

aandacht voor de taken.

1p

c. In de contingentiebenadering gaat men er van uit dat er niet één leiderschapsstijl

is die als beste aangeduid kan worden. Het hangt af van de situatie. In sommige

situaties is de taakgerichte leiderschapsstijl de beste en in andere situaties de

mensgerichte leiderschapsstijl.

1p

8. -

-

-

De werknemer moet in staat zijn de opdracht uit te voeren. Dit wil zeggen: hij

moet de capaciteiten bezitten die nodig zijn om die opdracht uit te voeren en hij

moet over voldoende middelen en tijd beschikken.

De opdracht, de bevoegdheden en verantwoordelijkheden moeten duidelijk zijn

voor de werknemer.

De werknemer moet bereid zijn die opdracht te vervullen.

3p

D-TOETS 4 ORGANISATIE & PERSONEEL Punt = score/4,3

1. B 1p

2. A 1p

3. A 1p

4. B 1p

5. B 1p

6. C 1p

7. D 1p

8. D 1p

9. B 1p

10. B 1p

11. A 1p

12. A 1p

13. C 1p

14. A 1p

15. C 1p

16. A 1p

17. B 1p

18. 1. Behoefte aan veiligheid/zekerheid: medewerkers voelen zich onzeker over de

toekomst van hun baan.

1p

2. In een dergelijk gesprek kunnen de plannen voor de toekomst van de

medewerker besproken worden.

1p

19. a. In een personeelsplan moet opgenomen worden wat de personeelsbehoefte naar

kwantiteit en kwaliteit is in de toekomst. Op die manier kan daar tijdig in

worden voorzien door de juist mensen te werven.

1p

b. Deze wervingsbureaus hebben veel meer ervaring met het selecteren van 1p

geschikte medewerkers omdat zij dat dagelijks doen.

c. Een headhunter benadert zeer direct mensen waarvan hij denkt dat ze geschikt

zijn. Een wervingsbureau werft onder een grote groep mensen zonder de

kandidaten zeer direct te benaderen.

1p

20. a. 1. Tijdloon is een beloning per tijdseenheid en dus onafhankelijk van de

geleverde prestatie.

1p

2. Voordeel voor de werkgever is de eenvoud van het systeem. Een prikklok is

voldoende. Nadeel voor de werkgever is dat de prikkel om harder te werken

ontbreekt.

2p

3. Voordeel voor de werknemer is de zekerheid over zijn maandloon. Nadeel

voor de werknemer is dat hij niet beloond wordt als hij zich meer inzet voor de

organisatie.

2p

4. Bij premieloon is er sprake van een vast basissalaris per tijdseenheid met daar

bovenop een vergoeding per prestatie-eenheid. Op het moment dat de

werknemer meer presteert dan een bepaalde standaardprestatie ontvangt hij een

premie/bonus.

1p

5. Voordeel voor de werkgever is dat werknemers meer geneigd zullen zijn

harder te werken en zo een hogere premie te ontvangen. Nadeel voor de

werkgever is dat het meer tijd vergt om alles te registreren.

2p

6. Voordeel voor de werknemer is dat als hij harder werkt er een hogere

beloning tegenover staat. Een nadeel voor de werknemer is dat hij zich meer

opgejaagd kan voelen om de hogere productie te realiseren.

2p

7. In de situatie van Ivo de Wijs zou het premieloon wel eens averechts kunnen

werken omdat als werknemers harder (lees sneller) gaan werken de precisie

minder wordt en zeker bij hoogwaardige arbeid kan dat funest zijn.

1p

b. Bijvoorbeeld het volgen van scholing/cursus.

Bijvoorbeeld door extra aandacht te besteden aan zijn medewerkers.

2p

21. a. Instemmingsrecht 1p

b. Omdat deze geheel onafhankelijk de zaak kan bekijken.

een externe bemiddelaar heeft meer gespecialiseerde kennis.

1p

c. In een functioneringsgesprek, want dan is er sprake van een

tweerichtingengesprek.

2p

22. a. De (Algemene) Wet Gelijke Behandeling 1p

b. Uit kostenoverwegingen.

Een gedwongen ontslag is duurder dan dit formeel vrijwillig ontslag.

Uit pr-overwegingen.

De supermarkt wil uitdragen dat zij een goed personeelsbeleid voert.

2p

c. Vakbonden en werkgevers(organisaties) 1p

D-TOETS 5 ORGANISATIE & PERSONEEL Punt = score/1,1

1. A 1p

2. A 1p

3. a. Instemmingsrecht 1p

b. Adviesrecht 1p

c. Informatierecht 1p

d. Initiatiefrecht 1p

4. 1. Instemmingsrecht en recht op informatie. 2p

2. Het vaststellen welke afdeling het meest heeft bijgedragen in de nettowinst is

zeer moeilijk.

Het resultaat van de ene afdeling is afhankelijk van de andere afdeling.

De verdeling van de kosten over de afdelingen is vaak arbitrair.

2p

3. De directie wil door middel van de winstdelingsregeling de goede prestaties van

afzonderlijke afdelingen extra belonen, in het voorstel van de ondernemingsraad

is dit niet het geval.

1p

MARKETING & LOGISTIEK VWO 2e

druk

D-TOETS 1 MARKETING & LOGISTIEK Punt = score/3

Punten

1. B 1

2. A 1

3. B 1

4. D 1

5. D 1

6. C 1

7. A 1

8. D 1

9. B 1

10. C 1

11. A 1

12 C 1

13. D 1

14. C 1

15. B 1

16. A 1

17. Interpolis: …glashelder 2

Achmea: Ontzorgt

Belastingen: leuker kunnen we het niet maken.

Hans Anders: alleen de prijs is anders.

Pepsi: …a new generation

Kanis & Gunnink: Doe maar gewoon…

Albert Heijn: Let op de kleintjes.

Heineken: Biertje!

18. 1. Zender: Hugo Krotwaar

Medium: spreken via de telefoon (taal)

Boodschap: pech op de weg

Ontvanger: Opel-dealer

2

18. 2. Interne ruis: Hugo heeft moeite om Frans te spreken en kan de boodschap niet

goed overbrengen. Maar ook de ontvanger spreekt geen Nederlands en begrijpt

in eerste instantie niet wat er aan de hand is.

Externe ruis: Door het lawaai van de auto’s langs de autoweg is een en ander

moeilijk te verstaan.

2

18. 3. Hugo zendt een boodschap in het Nederlands (coderen), maar de ontvanger kent

geen Nederlands. Dus in eerste instantie gaat het fout met coderen.

2

18. 4. Er is geen sprake van redundantie bij dit verhaal. 1

18. 5. Er is wel sprake van feedback. De Opel-dealer reageert als volgt: “Sur

l’autoroute du soleil! J’ai compris, je viens dans 30 minutes”.

1

18. 6. De politieman trekt een bedenkelijk gezicht. 1

19. 1. Een beeldmerk of embleem is een symbool dat verwijst naar de activiteiten of

specifieke kenmerken van een organisatie.

1

19. 2. Herkenbaarheid. In een oogopslag weet iedereen dat het hier gaat om Holland

Casino.

1

19. 3. De mensen die Holland Casino bezoeken een gezellige avond te bezorgen. 1

D-TOETS 2 MARKETING & LOGISTIEK Punt = score/5,1

1. C 1 6. C 1 11. A 1 16. C 1

2. C 1 7. D 1 12. D 1 17. D 1

3. D 1 8. B 1 13. B 1 18. C 1

4. C 1 9. A 1 14. B 1 19. B 1

5. C 1 10. A 1 15. C 1 20. B 1

21. V.O.F. JOKA

1. (2) De kosten.

Het soort product.

De afnemers die men wenst te bereiken.

De wijze waarop concurrenten distribueren.

2. (1) Bij directe distributie wordt rechtstreeks aan de consument geleverd en bij indirecte distributie

wordt de tussenhandel ingeschakeld.

3. (1) De beloning voor de desbetreffende handelsfunctie vloeit naar Joka toe, omdat de tussenhandel

wordt uitgeschakeld.

De importeur kan zelf bepalen op welke wijze zijn producten het beste kunnen worden

verkocht; hij is niet afhankelijk van de werkwijze van de tussenhandel.

4. (2) Vervoerskosten. Kosten vertegenwoordigers. Kosten depot (opslag).

5. (2) De vakbekwaamheid van de detaillist.

De samenstelling van het assortiment van de detaillist.

De vestigingsplaats van de detaillist.

6. (2) 15% van 1,0157

x 140.000 = 23.306,74 wordt 23.307.

7. (2) De verkoopprijs van Joka is lager dan de gemiddelde prijs van haar concurrenten.

22. Omo en Robijn Klein en Krachtig

1. (1) Fabrikantenmerk of A-merk

2. (2) Massacommunicatie: er is geen sprake van een directe persoonlijke benadering.

3. (2) Promotiebeleid: er is sprake van communicatie met potentiële afnemers.

4. (2) Doelgroepen zijn groepen waarop de organisatie zich richt (de organisatie kiest de

doelgroepen). Publieksgroepen zijn groepen die op de organisatie reageren (zij worden niet

door de organisatie gekozen, maar dienen zich aan).

23. MEDICAL B.V.

1. (1) De omzetdaling kan ook worden veroorzaakt door dalende prijzen.

2. (1) Het gaat hier om directe levering van de producent aan de detaillist: het groothandelskanaal

wordt gepasseerd.

3. (2) Voordeel: de producent kan meer invloed uitoefenen op de wijze waarop het product aan de

consument wordt verkocht.

Nadeel: het vergt een grotere verkoopinspanning om alle potentiële detaillisten te bereiken.

4. (1) De verkoop via drogisterijen, gezondheidswinkels, etc.

5. (2) Aantal apothekers: 500 + 0,5 x 500 = 750

Aantal bezoeken: 750 x 3 = 2250

Aantal vertegenwoordigers: 2250 : 450 = 5.

6. (3) Basissalaris: 5 x 35.000 = 175.000,-

Provisie: 0,10 x 0,20 x 3.800.000 = 76.000,-

Overige kosten: 5 x 10.000 = 50.000,-

Totaal kosten 301.000,-

7. (1) Door de prijsdaling kan Grippa de status van A-merk verliezen waardoor consumenten op

andere (ook goedkopere) merken overstappen.

8. (1) Het gevaar van prijsbederf. Farmac kan de prijsverlaging volgen waardoor het effect voor

Medical verdwijnt. Dat kan tot verdere prijsaanpassingen leiden, etc.

D-TOETS 3 MARKETING & LOGISTIEK Punt = score/2,3

D-TOETS 3 MARKETING & LOGISTIEK Punt = score/2,3

1. B + C 2 6. A 2

2. A 2 7. A 2

3. A 2 8. D 2

4. D 2 9. B 2

5. B 2 10. A 2

11. Logistieke servicegraad (3 punten)

Voor de beoordeling van de prijzen moeten deze eerst in indexcijfers worden omgezet.

Prijs C (laagste) stellen we op 100

Prijs A { 100 – ((40 - 35)/40) x 100} = 87,5

Prijs B { 100 – ((50 – 35)/50) x 100} = 70

Leveranciers Kwaliteit Service Prijs in indexcijfers

A 80 90 87,50

B 100 85 70

C 90 100 100

Dit levert op:

Leveranciers Kwaliteit (50) Service (30) Prijs (20) Score

A 4.000 2.700 1.750 8.450

B 5.000 2.550 1.400 8.950

C 4.500 3.000 2.000 9.500

De afnemer kiest voor leverancier C.

12. De optimale bestelgrootte

1. 10% × € 40 = € 4,-.

2.

4

(2 x 1.800.000 x 1.000) Q  = 30.000

3. Aantal bestellingen = 1.800.000/30.000 = 60

Gemiddelde voorraad = 30.000/2 = 15.000

bestelkosten + voorraadkosten = 60 × € 1.000 + 15.000 × € 40 × 10% = € 120.000

4. 365/60 = 6 dagen.

5. De gemiddelde levertijd is 3 dagen, dan bedraagt de voorraad dus 30.000/2 = 15.000

blikken.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

N.

N.

Thanks! !!!!!

3 jaar geleden