ADVERTENTIE
Luisterboeken: de makkelijke optie? Lars is niet echt een fan van lezen. Daarom gaat hij op zoek naar de beste manieren om door zijn leeslijst heen te komen. Red je het met alleen maar samenvattingen, of is een e-reader of luisterboek een betere optie? Deze video wordt mede mogelijk gemaakt door Storytel.

Probeer 30 dagen gratis
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 1
Waarom Latijn?
1.
a Een manshoog waterkanaal bevond zich in de bovenste bogenrij.
Het was met stenen platen afgedekt (zie foto).
b Het water moest door heuvelachtig terrein vervoerd worden.
Hoge bouwwerken waren nodig om het verval op te vangen.
c Door middel van een viaduct wordt een weg over een andere weg geleid:
‘wegleiding’ (het Latijnse woord via = weg; het Latijnse werkwoord ducere = leiden, voeren).
2.
a warmwaterbaden
b persoonlijke hygiëne: baden, algemene verzorging (knippen, massage, schoonheidsbehandeling etc.)
sportief: balspelen, gymnastiek, boksen, worstelen etc.
sociale contacten: discussiëren, ‘hapje en drankje’, contacten leggen, etc.
Sommige thermen hadden een slechte reputatie: prostitutie, zwelgpartijen etc.
c De thermen waren een zeer populaire ontmoetingsplaats, waar de Romeinen dagelijks in de namiddag over allerlei zaken spraken. In de tijd van Augustus bezat de stad Rome niet minder dan 170 publieke baden! Ze versterkten de onderlinge banden. In de Italische steden en in de provincies voelden de Romeinen zich in de thermen als het ware thuis. Bovendien konden tijdens een bezoek aan de thermen de banden tussen Romeinen en plaatselijke (gegoede) bevolking worden aangehaald.
3.
De ligging aan de rivier was van belang in verband met watervoorziening en contacten met het binnenland. De zee bood een voedselbron en gaf de gelegenheid handel te drijven.
4.
Mogelijke redenen:
a veroveringsdrang/heerszucht
b economische motieven: behoefte aan landbouw-gronden, overbevolking
c rivaliteit met de buurvolken.
5.
In het westen was de grens: de Atlantische Oceaan: Engeland, Nederland (tot aan de Rijn), België, Frankrijk, Spanje, Portugal.
In het noorden was de grens: Donau en Rijn: Luxemburg, gedeelte van Duitsland, Oostenrijk, Italië, Zwitserland, Bulgarije, Hongarije, voormalig Joegoslavië, Griekenland, Turkije.
In het oosten was de grens: Euphraat en Zwarte Zee: Israël, Syrië, Libanon, Jordanië, Irak.
In het zuiden was de grens: de Sahara en de Arabische woestijn: Marokko, Tunesië, Algerije, Libië, Egypte.
6.
a Twee groepen: 1 Nederlands, Duits, Engels
2 Italiaans, Frans, Latijn
b Groep 1: één taalgroep (de Romaanse talen, direct afstammend van het Latijn), die in de loop der tijd is uitgesplitst in verschillende talen
Groep 2: één taalgroep (de Germaanse talen), die in de loop der tijd is uitgesplitst in verschillende talen
7.
a Vele wegen leiden naar Rome: men kan op verschillende manieren zijn doel bereiken
b Rome is niet op één dag gebouwd: alles vereist tijd
c zo oud als de weg naar Rome: zeer oud
d potjeslatijn: het Latijn dat op apothekerspotjes staat à slecht Latijn
e visserslatijn: overdrijvende taal van vissers à grootspraak, opschepperige taal
f aan het einde van zijn Latijn zijn: niet meer weten wat je moet doen of moet zeggen
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 2
Rome, het nieuwe Troje
1.
Eigen verwerking.
2.
a Op afb. 2.2.
b Op afb. 2.3 als ridder,
op afb. 2.4 (eigen verwerking: pooier / bezoeker bordeel?).
c Afb. 2.2 in de Oudheid: de personages zijn met hun symbolen uit de Oudheid
weergegeven.
Op afb. 2.3 en 2.4 is het verhaal in ieder geval niet in de Oudheid gesitueerd.
Op afb. 2.4 in de eigen tijd.
d Ze hadden dan de gelegenheid naakte vrouwen te schilderen.
3.
Mogelijke oorzaken: handelsbelangen, zucht naar avontuur, zich bedreigd voelen, veroveringszucht en geldingsdrang.
4.
ca. 1000 v. Chr. val van Troje
ca. 750 v. chr. stichting Rome
27 v. Chr. –14 na Chr. Augustus keizer van Rome
(30-19 v. Chr.) Vergilius schrijft de Aeneis
5e eeuw de oudste handschriften van Vergilius’ werk
5.
Bijvoorbeeld: veel West-Europese landen in de koloniale tijd, zoals Duitsland, Engeland, Nederland, Frankrijk; grote mogendheden zoals Amerika en Rusland.
6.
Een werk dat veel moeite en geduld vereist.
Vivat Roma! 1
Vervolg Antwoordmodellen Les 2
Toets bij Les 2
1.
Trojaanse oorlog, ca. 1000 v. Chr.
Stichting Rome, ca. 750 v. Chr.
Vergilius schrijft de Aeneis vanaf 30 v. Chr.
Augustus keizer van Rome, 27 v. Chr. –14 na Chr.
De oudste handschriften van Vergilius’ werk, 5e eeuw.
2.
a De Trojaan Anchises en de godin Venus.
b Door zijn nakomelingen werd Rome gesticht.
3.
a De Trojaanse koning Priamus en zijn vrouw Hecuba
b Hera, (Pallas) Athene, Aphrodite.
c Wie van de drie de mooiste was en dus de gouden appel kreeg.
d Aphrodite.
e Aphrodite beloofde hem de mooiste vrouw ter wereld.
4.
a Grieken en Trojanen.
b Griekse helden: Achilles, Odysseus, Agamemnon, Menelaüs, Ajax
Trojaanse helden: Hector, Aeneas, Paris
c Aeneas en de zijnen.
5.
a Van 27 v. Chr. – 14 na Chr.
b Het keizerrijk werd ingedeeld in provincies, die allemaal op dezelfde manier bestuurd werden.
In het hele rijk kwamen dezelfde wetten. Wegen werden aangelegd.
Een goed georganiseerd leger zorgde voor orde en rust.
6.
a Een heldengedicht; een lang verhalend gedicht over een held.
b Vergilius wilde bereiken dat de mensen geloofden dat de stichting van Rome en de wereldmacht van de Romeinen door de goden gewild was.
Omdat Aeneas het beeld van een ideale Romein was, was zijn werk tevens een les voor de Romeinen van Vergilius’ eigen tijd. Ze konden daaruit leren hoe een echte Romein zich moest gedragen.
c Ja: er hadden voor de keizertijd veel oorlogen gewoed. Nu brak er een periode van rust aan. Daarin was er ook weer aandacht voor cultuur en normen en waarden. Vergilius beschreef Aeneas als iemand die plicht en roeping boven alles stelde. Aeneas kon hun als voorbeeld dienen.
d Dankzij de monniken in de christelijke kloosters, die zijn werk met de hand overschreven.
e Een handschrift; een met de hand geschreven boek.
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 3
Taalblok Les 3
1.
1 senex zelfstandig naamwoord 5 puer zelfstandig naamwoord
2 clamant meervoud 7 timent meervoud
3 timet werkwoord 7 pueri zelfstandig naamwoord
4 clamat enkelvoud 8 bellum zelfstandig naamwoord
2.
a-stam e-stam i-stam mk-stam
clamare timere saevire currere
rogare respondere audire fugere
appropinquare tacere dormire cadere
errare apparere nescire consistere
stare manere pergere
lacrimare parere repetere
dolere quaerere
dicere
ludere
3.
Enkelvoud Meervoud Hele werkwoord
fugit currunt clamare
dicit audiunt timere
est sunt saevire
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 3.A
Opdrachten Tekst 3.A
1.

2.
Anchises (zijn vader), Ascanius (zijn zoon), Creüsa (zijn vrouw)
3.
1e alinea: Aeneas
2e alinea: Anchises
3e alinea: Ascanius
4e alinea: Aeneas, Anchises en Ascanius
Zijn vrouw en zijn moeder.
Vertaling Tekst 3.A Op de vlucht
Aeneas is een Trojaan.
Aeneas rent. Hij vlucht.
Anchises is een Trojaan.
Anchises vlucht.
5 Hij rent niet; hij is immers een oude man.
Ascanius is een Trojaan.
Ascanius vlucht.
Hij rent; hij is immers een jongen.
Aeneas (en) Anchises en Ascanius vluchten. Waarom vluchten zij?
10 Zij zijn bang. De oorlog woedt. Troje is ingenomen.
Vragen Tekst 3.A
4.
Als ‘een Trojaan’.
Er wordt aangegeven wie Aeneas is en dat is nog niet eerder verteld.
5.
Aeneas.
6.
Anchises; hij is verlamd en zijn zoon Aeneas draagt hem op zijn schouders.
7.
In regel 10.
Vivat Roma! 1
Vervolg Antwoordmodellen Les 3.A
Taaloefeningen Tekst 3.A
4.
Groep 1 Groep 2 Groep 3
femina Troianus senex
fuga Graecus navis
umbra servus mare
patria puer
serva bellum
regnum
5.
Enkelvoud Meervoud
navis pueri
senex senes
puer bella
bellum naves
serva
6.
bella: meervoud
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 3.B
Opdrachten Tekst 3.B
1.
Creüsa
2.
Creüsa
3.
Creüsa
Vertaling Tekst 3.B Paniek
De Trojanen vluchten.
Ook de Trojaanse vrouwen vluchten.
Creüsa is een Trojaanse vrouw.
Ook Creüsa rent.
5 Maar, ach, ze valt. Ze roept.
Maar noch de Trojanen, noch de Trojaanse vrouwen horen haar.
Ze rennen allen / Allen rennen.
Aeneas blijft staan. Hij kijkt om zich heen.
Hij vraagt: ‘Waar is Creüsa?’
10 Hij roept: ‘Creüsa, Creüsa!’
De vrouwen blijven staan.
Ze roepen: ‘Creüsa, Creüsa!’
Creüsa antwoordt echter niet.
Opnieuw roepen ze.
15 Dan zwijgen ze en gaan verder.
De Grieken naderen immers.
Aeneas gaat echter niet verder.
Hij gaat terug naar Troje en roept telkens weer: ‘Creüsa!’
Vragen Tekst 3.B
4.
Er is veel onrust en lawaai tijdens de vlucht.
5.
Trojanen en Trojaanse vrouwen
6.
De Grieken komen eraan.
7.
De Trojaanse vrouwen rennen door, Aeneas niet.
8.
consistunt, clamant, tacent, pergunt
9.
a van links naar rechts: Trojaanse vrouwen, Ascanius, Aeneas met Anchises, Creüsa
b helemaal rechts: ze schreeuwt om hulp
Vivat Roma! 1
Vervolg Antwoordmodellen Les 3.B
Taaloefeningen Tekst 3.B
7.
1 Serva consistit. vb
2 Naves appropinquant. v
3 Troiani tacent. v
4 Femina clamat. B
8.
1 Anchises respondet. – Anchises antwoordt.
2 Senex timet. – De oude man is bang.
3 Puer tacet. – De jongen zwijgt.
4 Graeci respondent. – De Grieken antwoorden.
5 Senes timent. – De oude mannen zijn bang.
6 Pueri tacent. – De jongens zwijgen.
9.
1 Feminae fugiunt. – De vrouwen vluchten.
2 Troianus appropinquat. – De Trojaan nadert.
3 Troiani currunt. – De Trojanen rennen.
4 Graecus rogat. – De Griek vraagt.
5 Feminae cadunt. – De vrouwen vallen.
6 Bellum saevit. – De oorlog woedt.
10.
1 De Griek gaat verder. – Graeci pergunt.
2 De slaaf valt. – Servi cadunt.
3 De jongen is bang. – Pueri timent.
4 De Trojaan roept. – Troiani clamant.
5 De Griek antwoordt. – Graeci respondent.
6 De jongen gaat terug. – Pueri repetunt.
11.
1 De jongen valt. Hij roept.
2 De vrouw blijft staan. Ze luistert.
3 De oude man gaat niet verder. Hij blijft staan.
4 De Grieken naderen. Zij roepen.
5 De jongens rennen. Ze zijn bang.
6 De vrouwen antwoorden niet. Ze zwijgen.
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 3.C
Opdrachten Tekst 3.C
1.
regel 5-6 en 9
2.
Fuge!
Vertaling Tekst 3.C De schim van Creüsa
Aeneas dwaalt rond door Troje en zoekt Creüsa.
Creüsa is echter op de vlucht gestorven.
Plotseling verschijnt er een schim.
De schim is van Creüsa. De schim zegt:
5 ‘De oorlog woedt! Troje is ingenomen!
Creüsa is gestorven: vlucht!’
Aeneas vlucht echter niet.
Dan zegt de schim:
‘Vlucht! Een nieuw vaderland en een nieuw koninkrijk staan jou te wachten!’
10 Dan pas gehoorzaamt Aeneas en vlucht.
Vragen Tekst 3.C
3.
Aeneas zoekt Creüsa.
4.
Aeneas zoekt iemand die gestorven is. Hij kan haar dus nooit vinden.
5.
mortua hoort bij het zelfstandig naamwoord woord (eigennaam) Creusa en
past zich hierbij aan: hetzelfde geslacht (v) en hetzelfde getal (ev)
6.
Een schim: de schim is niet eerder genoemd.
7.
De schim: de schim is in regel 3 genoemd.
8.
nova hoort bij het zelfstandig naamwoord woord patria en past zich hierbij aan:
hetzelfde geslacht (v) en hetzelfde getal (ev)
novum hoort bij het zelfstandig naamwoord woord regnum en past zich hierbij aan:
hetzelfde geslacht (o) en hetzelfde getal (ev)
9.
Er wordt hem nu een zinvolle reden gegeven om te vluchten:
hem staan een nieuw vaderland en een nieuw rijk te wachten.
Vivat Roma! 1
Vervolg Antwoordmodellen Les 3.C
Taaloefening Tekst 3.C
12.
1 Trioanus novus est. – De Trojaan is nieuw. / Hij is een nieuwe Trojaan.
2 Serva nova timet. – De nieuwe slavin is bang.
3 Puer novus non respondet. – De nieuwe jongen antwoordt niet.
4 Bellum novum saevit. – Er woedt een nieuwe oorlog.
5 Omnes novi sunt. – Allen zijn nieuw.
6 Umbra nova apparet. – Er verschijnt een nieuwe schim.
7 Servus novus non paret. – De nieuwe slaaf gehoorzaamt niet.
8 Patria nova manet. – Er wacht een nieuw vaderland.
9 Servi novi clamant. – De nieuwe slaven schreeuwen.
10 Regnum novum est. – Het koninkrijk is nieuw. / Er is een nieuw koninkrijk.
11 Graeci novi consistunt. – De nieuwe Grieken blijven staan.
12 Servae novae tacent. – De nieuwe slavinnen zwijgen.
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 3.D
Vertaling Tekst 3.D Op weg
Er is (vaart) een schip op zee.
Op het schip is (bevindt zich) Aeneas.
Hij staat op de achtersteven.
Hij huilt.
5 Troje is immers ver weg.
Op het schip is (bevindt zich) ook Anchises.
Hij slaapt.
Op het schip is (bevindt zich) ook Ascanius.
Hij speelt.
10 Ook (de) andere Trojanen zijn op de schepen.
Ze zijn verdrietig, want ze vluchten.
Waarheen varen de schepen?
De Trojanen weten het niet.
Waar is het / hun nieuwe vaderland,
15 waar het / hun nieuwe koninkrijk?
Vragen Tekst 3.D
1.
Troje is ver weg.
2.
het
3.
est
4.
Creüsa (regel 9 van tekst 3.C)
Vivat Roma! 1
Vervolg Antwoordmodellen Les 3.D
Taaloefeningen Tekst 3.D
13.
1 enim
2 sed
3 cur
4 neque ... neque
5 tum, et
14.
Graeca = Griekse vrouw dea = godin
domina = meesteres puella = meisje
Woorden die mannen aanduiden eindigen op -us, woorden die vrouwen aanduiden eindigen op -a.
15.
1 currere renner, deelnemer aan auto- of motorrace of een wielerwedstrijd
2 senex door ouderdom afgetakeld
3 respondere antwoord, reactie
4 audire muziek- of andere uitvoering, als proef
5 ludere speels, als spel
6 timere bedeesd, verlegen
7 femina het streven naar gelijkwaardige behandeling van vrouwen ten opzichte van mannen
8 repetere herhaalde oefening, proefwerk over behandelde leerstof
9 patria iemand die van zijn vaderland houdt
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 3
Goden
1.
Venus hielp de Trojanan; Juno en Athene steunden de Grieken.
2.
Afb. 2.2: Links staat Minerva (Athena):
achter haar een schild met Medusakop, een borst-harnas en een helm;
in de boom een uiltje.
In het midden staat Venus (Aphrodite):
inks in de hoek (in haar ‘baan’) zit een Cupidootje geknield.
Rechts staat Juno (Hera):
voor haar loopt de pauw.
In de wolken Eris met de gouden appel.
Afb. 3.6: Links Zeus en Hera (voor hen een dienaar met wijnkan en drinkschaal).
In het midden zien we Athena, herkenbaar aan helm en speer.
Rechts zit Poseidon, herkenbaar aan vis en drietand.
Achter hem staat Hermes met gevleugelde schoenen; hij is de bode van de goden.
3.
Jupiter: bliksems in zijn hand, Minerva: wapenrusting en uiltje, Juno: pauw.
4.
Iets doen wat geen zin heeft, wat niets oplevert.
‘Water naar de zee dragen.’
5.
r. 1: d(armen);
r. 3: erb(armen);
r. 4: verw(armen).
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 4.A
Opdracht Tekst 4.A
1.
Aeneas, Anchises, ceteri Troiani, Ascanius
Vertaling Tekst 4.A Verdriet
Aeneas staat op de achtersteven.
Hij ziet Troje.
In gedachten ziet hij zijn huis,
in gedachten ziet hij Creüsa.
5 Creüsa is niet op het schip.
Ze is immers op de vlucht gestorven.
Aeneas huilt weer.
Anchises droomt.
In zijn droom ziet hij een godin. De godin is Venus.
10 Venus is de moeder van Aeneas.
Anchises verlangt naar haar.
Hij eist / verlangt niet een (= geen) nieuw vaderland.
Hij zucht in zijn slaap.
De overige Trojanen zwoegen op de schepen.
15 Intussen denken ze aan hun stad en hun huis.
Ze zijn verdrietig, want ze missen hun vaderland.
Wat doet Ascanius?
Hij slaapt.
Vragen Tekst 4.A
2.
zijn huis
3.
videt
4.
hun stad
5.
Regel 3 en 4 beginnen allebei met hetzelfde woord: animo.
6.
Aeneas lacrimat
Anchises somniat
ceteri Troiani sudant, cogitant, desiderant
Ascanius dormit
Vivat Roma! 1
Vervolg Antwoordmodellen Les 4.A
Taaloefeningen Tekst 4.A
1.
r. 2 videt Troiam
r. 3 videt tectum
r. 4 videt Creusam
r. 9 videt deam
r. 11 desiderat eam
r. 12 postulat patriam novam
r. 15 cogitant urbem et tectum
r. 16 desiderant patriam
r. 17 facit quid
2.
1 videre 2 4 cadere 1 7 respondere 2 10 ludere 1
2 dolere 1 5 cogitare 2 8 lacrimare 1 11 desiderare 2
3 consistere 1 6 dormire 1 9 quaerere 2 12 postulare 2
3.
1 timent 2 quaerit 3 videt 4 fugit 5 currunt
4.
-
5.
Troiani bellum timent.
Aeneas patriam desiderat.
Matres pueros amant.
6.
Groep 1 Groep 2 Groep 3 Stam
dea tectum mater matr-
patria somnus urbs urb-
umbra servus navis nav-
femina regnum senex sen-
Graecus
bellum
puer
Troianus
7.
1 deam: zelfstandig naamwoord
2 regnum: idem
8.
NB. Alternatieven de/een worden niet meer opgegeven.
1 Servus servam videt. – De slaaf ziet een slavin.
2 Anchises deam amat. – Anchises houdt van de godin.
3 Aeneas matrem desiderat. – Aeneas verlangt naar zijn moeder.
4 Serva servum timet. – De slavin is bang voor de slaaf.
5 Troiani bellum non desiderant. – De Trojanen verlangen niet naar de oorlog.
6 Creusa puerum cogitat. – Creüsa denkt aan de jongen.
9.
1 Deus pueros servat.
2 Patria nova procul est.
3 Troiani fugiunt.
4 Pueri ludunt.
Vivat Roma! 1
Vervolg 2 Antwoordmodellen Les 4.A
10.
1 femina bona 3 senex bonus
feminam bonam senem bonum
feminae bonae senes boni / -os
feminas bonas 4 tectum altum
2 servus fidus tecta alta
servum fidum 5 mater bona
servi fidi matrem bonam
servos fidos matres bonae / -as
6 bellum novum 8 navis nova
bella nova navem novam
7 urbs magna naves novae / -as
urbem magnam 9 umbrae multae
urbes magnae / -as umbras multas
11.
De wolf en de zeven geitjes
1 voor met op
2 met
3 zonder in
4 in tussen
5 onder naar
7 door bij
8 achter
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 4.B
Opdrachten Tekst 4.B
1.
omdat de Trojaanse prins Paris haar niet de appel had gegeven
2.
a Eigen verwerking.
b een plotselinge windvlaag: impetus venti (r. 1)
duisternis: sol non iam lucet (r. 2)
wolken: nubes (r. 3)
winden: ventos (r. 4)
bliksems: fulmina (r. 5)
Vertaling Tekst 4.B Storm op zee!
Plotseling voelt Aeneas een windvlaag.
Hij kijkt rond. De zon schijnt niet meer.
Hij ziet wolken.
Hij hoort winden waaien.
5 Hij ziet ook bliksems.
Hij is bang. Meteen roept hij de Trojanen bij elkaar.
Hij beveelt hun de zeilen samen te binden.
De Trojanen gehoorzamen.
Snel binden ze de zeilen samen.
10 Ach. Reeds slingeren de winden het schip heen en weer.
Reeds bedelven de golven het.
Ze brengen de Trojanen in het nauw en dompelen hen onder in de zee.
Aeneas hoort de Trojanen schreeuwen.
Hij strekt zijn handen naar de hemel uit en roept de.
15 god Neptunus aan. De grote god hoort hem en kalmeert de storm.
Zo redt hij de Trojanen.
Vragen Tekst 4.B
3.
-
4.
navem
5.
undae
6.
Neptunus is de god van de zee.
7.
a Aeneas merkt dat er storm op komst is.
Hij beveelt zijn makkers de zeilen samen te binden.
b Een storm barst los.
De storm brengt de vloot in nood.
Aeneas roept Neptunus aan.
Neptunus kalmeert de storm en redt de Trojanen.
Vivat Roma! 1
Vervolg Antwoordmodellen Les 4.B
Taaloefeningen Tekst 4.B
12.
venti r. 1
sol r. 2
nubes r. 3
ventos r. 4
venti r. 10
fulmina r. 5
caelum r. 14
tempestatem r. 15
13.
1 De oude mannen zien wolken.
2 Een rijk staat de Trojaan te wachten.
3 De oude mannen zijn bang voor dromen.
4 De stormen slingeren de schepen heen en weer.
14.
1 Quid Wat zien de Trojanen?
2 nam Anchises rent niet, want hij is een oude man.
3 Cur De vrouwen vluchten. Waarom vluchten ze?
4 et, ubi Aeneas blijft staan en vraagt: ‘Creüsa, waar ben je?’
autem Creüsa antwoordt echter niet.
5 enim, procul Aeneas huilt. Zijn vaderland is immers ver weg.
6 Ita Neptunus brengt de storm tot bedaren. Zo redt hij de Trojanen.
7 Subito, Tum Plotseling hoort Aeneas winden waaien. Dan bindt hij de zeilen samen.
15.
Latijn in het Nederlands
stare houding, uitstalling
videre beeldapparatuur om TV-signalen op te nemen en weer te geven
audire en videre zowel het gehoor als het gezicht betreffend
tendere 1 strekking, bedoeling 2 geneigdheid
amare iemand die iets uit liefhebberij doet
urgere dringend
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 4
Jupiter en Io
1.
De goden gedragen zich als mensen: ze liegen, bedriegen en zijn jaloers.
2.
Iets goed, zelfs een beetje wantrouwig, in de gaten houden.
3.
4.4 a Io (als koe), Mercurius, Argus
b Mercurius doodt Argus.
c ‘Hij grijpt het zwaard …’
4.5 a (Cupidootjes), (Iris), Juno, Argus
b Juno plaatst de ogen van Argus op de veren van de pauw.
c ‘Zij versierde …’
4.6 a Io (koe), Jupiter en Juno
b Juno vraagt Jupiter of ze de koe mag hebben.
c ‘Zo’n koe is nu net …’
4.7 a Jupiter (in de gedaante van een wolk), Io
b Jupiter overmeestert / bemint Io.
c ‘Toen liet Jupiter een nevel opkomen …’
4.8 a Mercurius, Argus, Io (als koe)
b Mercurius speelt zo mooi op zijn fluit dat Argus in slaap valt.
c ‘De hele dag speelde hij er lustig op los en langzaamaan …’
Juiste volgorde: 4.7 4.6 4.8 4.4 4.5
Eigen verwerking
4.
De mensen kregen informatie over de band tussen hemel en aarde, tussen goden en mensen en tussen de mens en de natuur.
5.
Ja, maar in latere perioden van de Oudheid heeft men ze niet altijd letterlijk genomen.
Mythen
Onderzoeksopdracht: Eigen verwerking
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 5.A
Opdracht Tekst 5.A
1.
Eigen verwerking.
Vertaling Tekst 5.A Op verkennning
Aeneas en Achates zijn in het bos.
Daar dwalen / zwerven zij rond, want ze kunnen de weg niet vinden.
Plotseling ziet Aeneas een meisje.
Ze draagt pijlen.
5 Duiven vliegen rond[om] haar hoofd.
Aeneas roept Achates: ‘Kom hierheen, Achates!
Zie je dat meisje? Wie is zij?’
‘Ik zie haar’, antwoordt Achates.
‘Zij lijkt op een godin. Misschien is het Diana.’
10 Het meisje komt dichterbij en zegt.
‘Hallo, jullie, mannen. Waar gaan jullie heen?’
Aeneas antwoordt: ‘Wij dwalen rond in het bos.
We zoeken onze makkers, maar we kunnen hen niet vinden.
Maar [jij], zeg eens: Waar zijn we? Wie bestuurt dit land?’
15 Het meisje antwoordt: ‘Koningin Dido bestuurt dit land.
Jullie zijn in Afrika.
Kunnen jullie je makkers niet vinden?
Vooruit. Ik help jullie. Ik wijs jullie de weg.’
Vragen Tekst 5.A
2.
puella
3.
haar
4.
-
5.
-
6.
Ze draagt pijlen en loopt door het bos.
7.
Het zijn twee korte zinnetjes. Ze beginnen allebei met een vorm van vos.
Het eerste zinnetje bestaat uit twee woorden, het tweede uit drie.
Vivat Roma! 1
Vervolg Antwoordmodellen Les 5.A
Taaloefeningen Tekst 5.A
1.
Zelfst. nw.: socius, somnus, ventus, deus, servus
Werkw.: regimus, iuvamus, venimus, paremus, vocamus, stamus
2.
1 senes: zelfstandig naamwoord
2 vias: zelfstandig naamwoord
3 audi: werkwoord
3.
stam tussenkl. uitg. groep
clamas clama- - -s -a
sentit senti- - -t -i
ludimus lud- -i- -mus mk
iubetis iube- - -tis -e
pergit perg- -i- -t mk
regere reg- -e- -re mk
quaeris quaer- -i- -s mk
audis audi- - -s -i
iactare iacta- - -re -a
monstras monstra- - -s -a
dormiunt dormi- -u- -nt -i
urgetis urge - -tis -e
4.
1 vocas – jij roept curris respondes quaeris vides
2 regitis – jullie regeren monstratis tacetis lacrimatis geritis
3 audio – ik hoor timeo pergo dormio desidero
4 clama – roep! luce erra lude ama
5 timent – zij vrezen postulant parent iuvant sentiunt
5.
sunt estis possumus potestis
6.
vir venit ego iuvo pueri fugiunt vos auditis nos timemus tu appropinquas
7.
potes (5) potest (5)
possum (6 + diagonaal), possumus (6)
potes (8)
posse (c)
potes (h), potest (h), potestis (h)
possunt (diagonaal)
8.
1 sum: Aeneas (ego)
2 sunt: Aeneas et Anchises
3 est: Aeneas
4 estis: Aeneas et Ascanius (vos)
5 es: Aeneas (tu)
6 sumus: Aeneas et Ascanius (nos)

10.
9.
1 dolent De Trojanen zijn weer verdrietig.
2 fugere Waarheen kan ik vluchten?
3 fugere Waarheen kunnen wij vluchten?
4 servant De goden redden de jongens en de meisjes.
5 errant Misschien dwalen de jongemannen in het bos.
6 venimus Wij komen in de stad.
- (hoeft niet!)
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 5.B
Vertaling Tekst 5.B Een ontmoeting
Het meisje wijst de weg en wendt zich vervolgens af.
Een geur van rozen stroomt (komt) van haar haren.
Plotseling herkent Aeneas haar.
Het meisje is zijn moeder Venus!
5 ‘Ach, moeder, waarom verlaat je me?’ roept hij uit.
De godin antwoordt echter niet en gaat weg.
Aeneas en Achates gaan verder.
Ze verlaten het bos en komen aan in een stad.
In de stad zien ze een tempel.
10 Voor de tempel zit een heel mooie vrouw.
Mensen staan rondom haar / om haar heen.
Aeneas en Achates naderen.
De vrouw ziet hen en begroet (hen).
Ze vraagt: ‘Mannen, wie zijn jullie?’
15 Aeneas antwoordt:
‘Ik ben Aeneas. Dit nu / deze hier is Achates.
Wij zijn Trojanen. Maar wie bent u?’
De vrouw antwoordt: ‘Ik ben koningin Dido.’
Vragen Tekst 5.B
1.
puellam
2.
-
3.
feminam
4.
Aeneas en Achates (r. 12)
5.
-
6.
a Een geur van rozen stroomt van haar haar (r. 2).
b Duiven vliegen rond haar hoofd (r. 5).
7.
-
Vivat Roma! 1
Vervolg Antwoordmodellen Les 5.B
Taaloefeningen Tekst 5.A
11.
1 eos Daar komen mensen (aan). Ik zie hen.
2 eum De koningin begroet de man. Want zij kan hem helpen.
3 eam Wij zoeken een nieuw vaderland. Maar wij kunnen het niet vinden.
4 eas De meisjes roepen de jongen. De jongen hoort hen echter niet.
5 ea Wij verlangen niet naar oorlogen. Maar wij vrezen ze.
12.
Tu veni, serve. Consiste et audi, Anchises.
Venite, pueri. Appropinquate, pueri et puellae.
Saluta deam et deum, Graece. Relinquite, patriam, Troiani.
Rege terram, regina. Voca matrem, puer.
13.
1 Quo 4 Cur
2 Ubi 5 Quid
3 -ne 6 quis
14.
dicere (= spreken) — tacere (= zwijgen)
rogare (= vragen) — respondere (= antwoorden)
stare (= staan) — sedere (= zitten)
pergere (= verder gaan) — manere (= wachten)
quaerere (= zoeken) — reperire (= vinden)
15.
Plotseling Redden Echter Droom Intussen Creüsa Al Aankomen Teruggaan
Vivat Roma! 1
Vervolg Antwoordmodellen Les 5
Diana
1.
a Aan de boog en pijlenkoker, aan het maantje in haar haar.
b Op de achtergrond is weergegeven:
– een man met kinderwagen
– een huis met een TV-antenne en garage met auto
– een zwembad
Deze achtergrond past niet bij Diana.
Zij is de godin van de jacht en zwerft rond in bossen en velden.
c Op het schilderij zijn de rollen omgedraaid: de man zorgt voor de kinderen en het huis, de vrouw gaat op jacht (en dat past weer wel bij Diana).
NB: het schilderij is uit 1980.
2.
Diana was de godin van de maagdelijke kuisheid. De suggestie werd zo gewekt dat de afgebeelde jonge vrouw kuis (en maagd) was.
Tempels
1.
a 5.8: zuilen, kapiteel, fries, tympanon
5.9: zuilen, kapiteel, fries, tympanon
5.10: zuilen, kapiteel, fries, tympanon
5.11: zuilen en tympanon.
b De zuilen van afb. 5.11 zijn niet rond.
2.
-
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 6
Taalblok Les 6
1.
Nominativus Dativus Accusativus
urbs sociis hominem
capita terrae capita
terrae somnis nubem
templum silvis templum
iuvenis puellis ventos
templa reginis viam
homines ventis templa
deae tecto homines
matres deae virum
caelo matres
deis tempestatem
2.
venitis: is een werkwoord, geen zelfstandig naamwoord
3.
vento: is een zelfstandig naamwoord, geen werkwoord
4.
dak: tecto – tectis godin: deae – deis slaap: somno – somnis
vlucht: fugae – fugis oorlog: bello – bellis vrouw: feminae – feminis
metgezel: socio – sociis land: terrae – terris man: viro – viris
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 6.A
Opdracht Tekst 6.A
1.
Eigen verwerking.
Vertaling Tekst 6.A Venus grijpt in
Venus bereidt een list voor / bedenkt een list.
Ze roept Amor, haar zoon, en zegt tegen hem:
‘Zoon, ik smeek je, help me!
Ik ben van plan koningin Dido te misleiden.
5 De jongen Ascanius maakt zich klaar om naar Carthago te gaan
en de koningin geschenken te brengen.
Dit draag ik jou nu op:
Jij, neem het uiterlijk van Ascanius aan en ga naar de stad.
Ga naar de koningin en wek liefde voor Aeneas
10 in haar hart op.
Ik bekommer me om de jongen Ascanius.’
Amor gehoorzaamt de godin.
Hij legt zijn vleugels af, neemt het uiterlijk van Ascanius aan en gaat naar de stad.
Reeds nadert hij het paleis.
Intussen brengt Venus Ascanius in een diepe slaap.
15 Dan tilt ze de jongen uit bed en draagt hem naar de bergen.
Daar droomt hij tussen / te midden van geurende bloemen.
Vragen Tekst 6.A
2.
-
3.
-
4.
De handelingen volgen elkaar snel op.
5.
Ascanius
6.
Amor moet in de gedaante van Ascanius ervoor zorgen dat Dido op Aeneas verliefd wordt.
7.
Ze wil er zeker van zijn dat Aeneas en de Trojanen goed ontvangen worden en zich kunnen herstellen van de schipbreuk.
8.
a Ze zal zelf zich om Ascanius bekommeren.
b Tu en mihi
Vivat Roma! 1
Vervolg Antwoordmodellen Les 6.A
Taaloefeningen Tekst 6.A
5.
r. 2 ei: dat.
r. 3 tibi: dat. me: acc.
r. 4 mihi: dat.
r. 7 tibi: dat.
r. 8 tu: nom.
r. 11 mihi: dat.
6.
1 Homines feminis silvam monstrant. De mannen wijzen de vrouwen het bos.
2 Viri, nobis respondete. Mannen, antwoord ons!
3 Subito Graeci templo appropinquant. Plotseling naderen Grieken de tempel.
4 Homines deis non semper parent. De mensen gehoorzamen de goden niet.
5 Regina servis multa mandat. De koningin draagt de slavinnen veel op.
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 6.B
Opdracht Tekst 6.B
1.
a r.1: Amor r.2: Dido r. 3:Troiani en Tyrii
b r. 14: Amor r. 14: reginam r. 16: Dido
Vertaling Tekst 6.B Het feestmaal
Amor gaat in de gedaante van Ascanius de zaal binnen.
Daar zit koningin Dido op een gouden zetel.
De Trojanen en de Tyriërs / Carthagers komen al samen.
Allen gaan op de aanligbedden liggen.
5 De Trojanen kijken rond.
Purperen kleden bedekken de aanligbedden.
Gouden lampen schitteren.
Overal zijn slaven en slavinnen druk bezig.
In de keuken maken vijftig slavinnen de maaltijd klaar.
10 In de zaal ontvangen honderd slaven de gasten.
Sommigen zetten tafels neer voor Aeneas en zijn makkers,
anderen brengen wijn.
Ze vullen de bekers en delen (die) uit aan de Trojanen en Tyriërs.
Amor gaat naar de koningin en geeft haar geschenken.
15 Zowel de geschenken als de jongen ontroeren haar.
Dido neemt de god op haar schoot en geeft (hem) kusjes.
Amor verdrijft langzamerhand de herinnering aan Sychaeus uit het hart van de koningin.
Een nieuwe liefde vult haar hart.
Vragen Tekst 6.B
2.
wat de Trojanen zien
3.
wie ze kusjes geeft: hem
4.
Dido’s vermoorde echtgenoot
5.
purperen kleden (r. 6): purper was heel duur in de Oudheid
gouden lampen (r. 7),
er werken 150 slaven en slavinnen (r. 9 en 10)
6.
atrium (r. 1), in lectis discumbant (r. 4), hospites (r. 10), mensas deponunt (r. 11),
vinum apportant (r. 12), pocula implent et distribuunt (r. 13)
7.
a Venus
b Aan de Oudheid doen denken: de zuilen en de kleding van Aeneas en Achates en de kleding van de slavinnen op de voorgrond, het beeld dat onder de wolk van Venus staat. Aan de tijd van de schilder doen denken: de draperieën, de gedekte ronde tafel.
Vivat Roma! 1
Vervolg Antwoordmodellen Les 6.B
Taaloefeningen Tekst 6.B
7.
1 filio De vrouw smeedt een list voor haar zoon (lett.: maakt klaar).
2 filium De godin bedriegt haar zoon.
3 tecto De vader nadert het huis.
4 reginae De slaven gehoorzamen de koningin.
5 reginae De slavin maakt een maaltijd klaar voor de koningin.
6 curam Ondertussen verdrijven de Grieken hun zorg.
7 puellae De jongen geeft een kleed aan het meisje.
8 puero Het meisje geeft een kleed aan de jongen.
9 silvam De Trojanen zien het bos.
10 viro De slaaf zet de tafel neer voor de man.
8.
1 Hij bereidt voor mij een maaltijd. Nobis cenas parant.
2 De vrouw geeft jou een geschenk. Feminae vobis dona dant.
3 De slaaf gehoorzaamt hem niet. Servi eis non parent.
4 Mijn zoon ontvangt mij. Filii excipiunt nos.
5 Ik begroet jou. Vos salutamus.
6 Jij verlaat hem. Eos relinquitis.
9.
1 eam
2 eos
3 eam
4 ei
5 eis
10.
a Amor, Dido, Troiani, Tyrii, servae, lecti.
b Personen die kennelijk op het feestmaal aanwezig zijn: Amor en Dido, de Trojanen en de Tyriërs; verder gaat het over slavinnen en ligbedden; deze spelen een rol bij de maaltijd.
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 6.C
Opdrachten Tekst 6.C
1.
Dido, want ze is de gastvrouw en koningin
2.
De avonturen van de Trojanen
Vertaling Tekst 6.C Aeneas, vertel!
Na het feestmaal draagt de citerspeler liederen voor de feestgangers voor.
Allen luisteren aandachtig.
De gouden lampen verjagen met hun licht de nacht.
5 De ongelukkige Dido drinkt een nieuwe liefde in en rekt het gesprek.
Ze vraagt veel over Priamus, (en) veel over Hector.
Tenslotte zegt ze:
'Wel aan, gast, vertel ons over de hinderlaag van de Grieken,
10 (en over) de lotgevallen en de zwerftochten van de Trojanen.'
Allen zwijgen en houden hun ogen gespannen / kijken gespannen toe.
Vervolgens begint vader Aeneas als volgt:
'Koningin, u beveelt mij onuitsprekelijk verdriet voor mij en
(voor) de Trojanen te hernieuwen.
15 En reeds gaat de nacht voorbij en raden de sterren slaap aan!
Waarom wenst u onze lotgevallen te leren kennen?
Ik kan (ze) nauwelijks vertellen. Maar toch ... zal ik beginnen.'
Vragen Tekst 6.C
3.
Vier woorden beginnen met een ‘c’.
4.
Eigen verwerking: opnieuw verliefd worden.
5.
a rogat
b omgedraaide woordvolgorde (chiasme)
6.
opnieuw beleven
7.
Eigen verwerking: Het wordt al laat, we kunnen beter gaan slapen.
8.
fata
9.
Allen stoppen hun gesprek en letten op (r. 11).
10.
a Als ik dat ga vertellen, worden de Trojanen en ik opnieuw verdrietig (r. 13-14);
het is al laat (r. 15).
b Dido, de koningin en gastvrouw, vraagt het.
11.
a infelix
b Het zal niet goed met Dido aflopen.
12.
Eigen verwerking.
Vivat Roma! 1
Vervolg Antwoordmodellen Les 6.C
Taaloefeningen Tekst 6.C
11.
Beweging Mondelinge uiting
appropinquare rogare
expellere postulare
fugare recitare
praeterire suadere
petere narrare
12.
r.3 tibi: object
r.6 reginae: indirect object
r.7 tibi: indirect object
r.12 deae: object
r.14 regiae: object
13.
1 parare – klaar, gereed, bereid
2 hospes – leraar in opleiding die proeflessen geeft
3 amor – 1 verliefd 2 betrekking hebbend op de liefde
4 flos – bloeien, in welstand zijn
5 mandare – opdracht, volmacht
6 distribuere – uitdeling, verdeling
7 centum – munt: 1/100 euro
8 accipere – aannemen, aanvaarden
Stilistische middelen
1 alliteratie (s)
2 metafoor/beeldspraak
3 anafoor (animo: r. 3 en 4)
4 alliteratie (c)
5 personificatie + metafoor/beeldspraak
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 6
Huizen
1.
-
2.
De een trekt een gast zijn schoenen uit, de ander reikt hem een beker wijn aan.
De derde slaaf rechts ondersteunt een dronken gast.
3.
Romeinen zaten niet op stoelen, maar lagen op aanligbedden.

Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 7
Taalblok Les 7
1.
De wolf en de zeven geitjes 2
r. 1 waarvandaan / hoe
r. 2 waar / waarvandaan / waarmee
r. 3 wanneer / waar
r. 4 waarvandaan / waarvandaan
r. 5 waar
r. 6 hoe / waarmee
r. 7 waar
r. 9 waarmee
r. 10 waar
r. 11 waar / waarvandaan
r. 12 waar / waar / waar
r. 13 wanneer
r. 14 waar
r. 15 hoe / waarvandaan

Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 7.A
Opdrachten Tekst 7.A
1.
een Griek
2.
a 3e persoon mv
b de Grieken
3.
a 1e persoon mv
b wij, de Trojanen
Vertaling Tekst 7.A De list van Odysseus
In het tiende jaar van de belegering kunnen de Grieken de stad Troje
nog (steeds) niet innemen, daarom bereidt Odysseus een list voor.
Eerst bouwen de Grieken met de hulp van Minerva in het geheim
een houten paard. Het paard is heel / geweldig groot.
5 Vervolgens vullen ze het met mannen.
Tenslotte varen de overige Grieken ’s nachts weg van de kust
en verbergen zich op het eiland Tenedus.
Het paard laten ze op de kust van Troje achter.
De volgende dag kijken wij vanaf de muren (naar beneden).
10 Wij zien noch de schepen, noch het legerkamp.
Waar zijn de Grieken?
Verheugd openen wij de poorten en rennen naar de kust.
We bekijken het paard.
Waarom staat het paard op de kust?
15 Is het een geschenk of een list van de Grieken?
Sommigen willen het paard door vlammen / met vuur verbranden, anderen (willen)
het binnen de muren voeren/brengen. Wij weten (het) niet en twijfelen.
Vragen Tekst 7.A
4.
verwondering
5.
verwondering
6.
equus
7.
cupiunt
8.
Ze haat de Trojanen (Parisoordeel!) en is de godin van de techniek en handvaardigheid.
9.
primo, deinde, postremo
10.
Ze zijn verbaasd (r. 11), blij (r. 12), nieuwsgierig (r. 13) verbaasd (r. 14, 15), twijfelend (r. 17).
11.
De alii die het paard willen verbranden – de eerste alii – denken dat het een list is, de alii die het binnen de muren willen trekken, denken dat het een geschenk is.
Vivat Roma! 1
Vervolg Antwoordmodellen Les 7.A
Taaloefeningen Tekst 7.A
2.
1 ex urbe
2 nocte
3 vino
4 de muris
5 in equo
3.
Zin 5
4.
r. 1 anno decimo: wanneer?
r. 3 primo: wanneer, auxilio: waarmee?
r. 5 viris: waarmee?
r. 6 postremo: wanneer? nocte: wanneer? ab ora: vanwaar?
r. 8 in ora: waar?
r. 9 postero die: wanneer? de muris: waarvandaan?
r. 14 in ora: waar?
r. 16 flammis: waarmee?
5.
ventis – eis – regno – anno – ea – donis – mensa – somno – vobis
6.
1 regiae dat.: appropinquare heeft een object in de dativus
2 flammis abl.: flammis is bijw. bep. (waarmee, hoe)
3 ei dativus van indirect object
4 nobis dativus van indirect object
5 muris abl.: na het voorzetsel de staat een naamwoord in de ablativus
6 lecto abl.: na het voorzetsel e (ex) staat een naamwoord in de ablativus
7.
tecto – tectis dak, huis
vento – ventis wind
unda – undis golf
socio – sociis metgezel
viro – viris man
dono – donis geschenk
nato – natis zoon
lecto – lectis bed
puella – puellis meisje

Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 7.B
Opdrachten Tekst 7.B
1.
regel 3 t/m 8
2.
a donum (an) dolus
b regel 5
Vertaling Tekst 7.B De priester Laocoön waarschuwt
Plotseling komt Laocoön, de priester van Apollo,
met zijn twee zonen uit de stad aanrennen.
Hij roept: ‘Ach, ongelukkige Trojanen!
Jullie moeten de Grieken niet vertrouwen!
5 De geschenken van de Grieken zijn nooit zonder listen.
In het paard zijn misschien soldaten ingesloten.
Het paard is zeker geen geschenk.
Ik vrees zowel de Grieken als de geschenken van de Grieken!’
Vervolgens slingert hij een / zijn lans naar het paard.
10 Trillend blijft deze in het paard vastzitten.
Het paard weerklinkt met een wonderlijk geluid.
Kijk, ver weg / in de verte slepen Trojanen een jongeman
naar koning Priamus. De jongeman is geboeid.
Hij blijft voor Priamus staan en roept uit:
‘Ach, welk land ontvangt mij / neemt mij op?
15 Mijn naam is Sinon. Ik ben een Griek.
Luister(t) naar me! Zonder mij kunnen jullie Troje niet redden!’
Vragen Tekst 7.B
3.
hasta, de lans
4.
de Trojanen: audite is een imperativus mv
5.
a dat de Trojanen het paard als een list van de Grieken beschouwen en niet de stad binnenhalen
b Het is zijn persoonlijke mening (ego r. 8).
c De geschenken van de Grieken zijn nooit zonder listen (r. 5).
6.
Het paard laat een wonderlijke klank horen, als de lans erin blijft steken (r. 11).
7.
Eigen verwerking.
8.
Eigen verwerking.
9.
-
Vivat Roma! 1
Vervolg Antwoordmodellen Les 7.B
Taaloefeningen Tekst 7.B
8.
1 in Troiam
2 in ora
3 in equo
4 in equum
9.
Beide bepalingen zijn te vertalen met het voorzetsel met.
In de eerste zin wordt het voorzetsel cum gebruikt, omdat met betekent in gezelschap van.
In de tweede zin wordt alleen de ablativus gebruikt, omdat met het middel aangeeft.
10.
r. 2 cum duobus filiis: met wie?
ex urbe: waarvandaan?
r. 5 dolis: object bij carere
r. 6 in equo: waar?
r. 10 in equo: waar?
r. 11 miro sono: hoe?
r. 17 sine me: zonder wie?
11.
1 in fuga
2 inter flores
3 in somnio
4 per silvam
5 ante templum
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 7.C
Opdrachten Tekst 7.C
1.
Dido, want ze is de gastvrouw en koningin
2.
De avonturen van de Trojanen
Vertaling Tekst 7.C De dood van Laocoön
Kijk, vanaf het eiland Tenedus naderen twee reusachtige
slangen over de zee.
Reeds komen ze aan bij / bereiken zij de kust.
Hun ogen zijn met bloed doorlopen.
5 Ze bewegen hun gespleten tong(en) aan een stuk door.
Ze gaan regelrecht naar de priester en zijn zonen.
Eerst vallen ze de zonen aan.
Ze slingeren zich om hun lichamen / lichaam.
Ze drukken hun tanden in de jongens en spuwen gif uit.
10 De ongelukkige vader komt aanrennen.
Hij probeert de slangen met een / zijn lans te doden.
Nu vallen de slangen de vader aan.
Ze omwikkelen hem met hun kronkels en proberen hem zo te doden.
Laocoön heft een geschreeuw aan naar de hemel en roept de goden
15 aan. Tevergeefs. Hij sterft. Wij huiveren.
Straffen de goden hun priester op deze manier?
Vragen Tekst 7.C
2.
a De Grieken waren naar Tenedus gevaren om zich te verbergen.
b Zo worden de slangen met de Grieken in verband gebracht.
3.
pater infelix, Laocoön.
4.
r. 11 accusativus, r. 12 nominativus
5.
deos invocat
7.
Hij heeft het paard met een lans geschonden.
8.
Eigen verwerking. (Nee. Ze denken dat de goden de priester inderdaad op deze manier straffen.)
Vivat Roma! 1
Vervolg Antwoordmodellen Les 7.C
Taaloefening Tekst 7.C
12.
Latijn Nederlands
corpus lichaam
credere geloven
annus jaar
porta poort
nomen naam
punire straffen
nox nacht
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 7
Apollo
1.
Zijn houding is die van een jager.
2.
a Apollo zit achter Daphne aan. Om te voorkomen dat de god haar tegen haar zin overmeestert, wordt ze in een laurierboom veranderd.
b Blaadjes (aan haar vingertoppen),
takken uit haar haren,
schors (om haar benen),
wortels (uit haar tenen).
Omgaan met goden
1.
Men steekt een kaars aan of brandt wierook voor een Mariabeeld.
Men schenkt geld aan de kerk om haar of een hulpactie te steunen.
2.
a Venus (eigen verwerking)\
b Minerva (eigen verwerking)
c Neptunus (eigen verwerking)
d Mercurius (eigen verwerking)
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 8
Taalblok Les 8
1.
1 bijv.
2 bijw.
3 bijv.
4 bijw.
5 bijw.
6 bijv.
2.
1 carmen puellae – het lied van het meisje
2 clamor servorum servarumque – het geschreeuw van de slaven en slavinnen
3 sacerdos dei – de priester van de god
4 flamma amoris – liefdesvuur
5 tectum templi – het dak van de tempel
3.
r. 10 naves Graecorum
r. 11 ex utero equi
r. 12 filium Achillis, coniugem Helenae
r. 13 custodes portarum
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 8.A
Opdrachten Tekst 8.A
1.
-
Vertaling Tekst 8.A Het houten paard
Wij breken de muren van Troje open en trekken het paard de stad in.
O vaderland, o Troje, o muren!
Viermaal blijft het paard in de poort steken.
Viermaal geven / maken de wapens der Grieken in de buik van het paard geluid.
5 Wij gaan echter door en plaatsen het paard in de stad.
Cassandra, de dochter van Priamus, openbaart (onthult) ons de lotsbeschikkingen, maar wij geloven haar niet.
We versieren de tempels der goden met kransen.
Deze dag is voor ons een feestdag.
De vochtige nacht rijst op uit de oceaan en bedekt de aarde met een dichte duisternis.
10 Heimelijk naderen de schepen van de Grieken vanaf het eiland Tenedus Troje.
Intussen bevrijdt Sinon de Grieken uit de buik van het paard: de slimme Odysseus,
Pyrrhus, de zoon van Achilles, Menelaüs, de echtgenoot van Helena.
Zij doden de bewakers van de poorten en openen de poorten voor de overige Grieken.
Ach, wij, Trojanen, slapen, door slaap en wijn overmand.
Vragen Tekst 8.A
2.
wij, de Trojanen
3.
-
4.
De Trojanen denken dat het paard een geschenk is dat hun de overwinning zal geven.
Voor hen is het dus een feestdag. Op een feestdag worden de tempels der goden
versierd.
5.
-
6.
Ulixem, Pyrrhum, Menelaum: bijstelling bij Graecos
7.
de Grieken die uit het paard bevrijd zijn
8.
Het paard blijft viermaal in de poort steken (r. 3);
viermaal maken de wapens van de Grieken in de buik van het paard lawaai (r. 4).
9.
De Trojanen denken dat het een feestdag is, in werkelijkheid wordt dit de dag van hun ondergang.
10.
de Grieken die op de schepen vanuit Tenedus teruggekeerd zijn
Vivat Roma! 1
Vervolg Antwoordmodellen Les 8.A
11.
regel 2: driemaal een uitroep die begint met ‘o’
regel 14: Heu, een uitroep van verdriet
12.
a quater, quater (r. 3 en 4)
b regel 9: op een dichterlijke beeldende manier wordt verteld dat het donker wordt
regel 14: de beeldspraak somno et vino victi
c vino victi
13.
a iets binnenhalen dat gevaarlijk voor je is, dat de ondergang voor je betekent
b De mensen hebben, toen ze kernreactoren voor kernenergie bouwden, hun eigen ondergang bewerkstelligd.
Taaloefeningen Tekst 8.A
4.
1 viri de wapens van de man
2 puellarum het gesprek van de meisjes
3 Graecorum de hinderlaag van de Grieken
4 portae de bewaker van de poort
5 feminae het verdriet van de vrouw
6 equi de naam van het paard
5.
1 vader des vaderlands
2 De stem van het volk (is) de stem van God.
3 En in de eeuwen der eeuwen, Amen.
4 de poort van de hemel
5 in het jaar van de Heer / des Heren
6 het lichaam / voorwerp van de overtreding (waarmee het misdrijf is gepleegd)
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 8.B
Opdrachten Tekst 8.B
1.
de zoon van koning Priamus; hij was de dapperste der Trojanen
2
Waarschuwen, net zo als de schim van Creüsa
3
Aeneas: r. 5; Hector: r. 9.
Vertaling Tekst 8.B De verschijning van Hector
Kijk in mijn slaap verschijnt de bedroefde Hector
mij voor ogen. Hij huilt. Ach, wat ziet hij eruit!
Hij draagt / is bedekt met zeer veel wonden. Zijn voeten zijn gezwollen.
Ik begin in mijn droom te huilen en zeg:
5 ‘O Hector, o betrouwbare redding van de Trojanen!
Hoe zie ik jou eindelijk na veel begrafenissen en na
allerlei inspanningen!’
Hij zucht en roept uit:
‘Ach, vlucht, zoon van een godin! Ontruk je aan de vlammen!
10 De vijand heeft de muren (in bezit). Het hoge Troje stort in (elkaar).
Wij kunnen Troje niet meer verdedigen.
Voldoende is er aan het vaderland en Priamus gegeven!
Red de Penaten van Troje!’
Intussen nadert de strijd meer en meer
15 ons huis. Het geluid van wapens en het geschreeuw van
de Trojanen wekken me uit mijn slaap.
Ik ren naar buiten.
Van / aan alle kanten hoor ik geschreeuw.
Overal zie ik bloed.
20 Overal richten de Grieken een bloedbad aan (lett.: maken een bloedbad).
Vragen Tekst 8.B
4.
Aeneas
5.
Achilles haalde leren riemen door zijn voeten en sleepte hem vastgebonden achter
zijn wagen driemaal rond de muren van Troje.
6.
Hector en Aeneas óf wij Trojanen
7.
We hebben genoeg voor Troje gedaan. Het heeft nu geen zin meer te vechten.
8.
De tijd dat Aeneas sliep en droomde
9.
-
10.
a fuge en (te) eripe (flammis) (r. 9); serva (Penates Troiae) (r. 13)
b Wij kunnen Troje niet meer verdedigen (r. 11).
Vivat Roma! 1
Vervolg Antwoordmodellen Les 8.B
11.
a ubique, ubique (r. 19 en 20)
b haast
Laren en Penaten
1.
Met een menselijke gestalte.
2.
Men zet bijvoorbeeld een foto van een overledene neer en zet daar regelmatig verse bloemen bij, of men brandt een kaars.
Vivat Roma! 1
Vervolg 2 Antwoordmodellen Les 8.B
Taaloefeningen Tekst 8.B
6.
Vergilisius eomuleiusta eide Aeneasnea nareorumeumrare idpoteosest.
Vergilius multa de Aenea narrare potest.
Vergilius kan veel over Aeneas vertellen.
7.
1 ei
2 eius
3 Ei
4 eum
5 eam
6 eis
8.
convivii – convivium / convivia
viri – vir / viri
vini – vinum / vina
eorum – is / ei
eius – is/ea/id / ei/eae/ea
armorum – arma (alleen mv)
umbrarum – umbra / umbrae
pugnae – pugna / pugnae
9.
r. 1 Hector maestus
r. 3 plurima vulnera
pedes tumidi
r. 5 fida salus
r. 6 multa funera
varios labores
r. 10 Troia alta
r. 14 tecto nostro
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 8.C
Vragen Tekst 8.C Dappere daden
1.
Aeneas
2.
1 Aeneas en zijn makkers krijgen de raad te vluchten.
2 Ze vluchten niet, maar rennen de stad in.
3 Ze verslaan een groepje Grieken; vermomd als Grieken moeten ze toezien dat de priesteres Cassandra uit de tempel wordt gesleept.
4 Ze gaan naar het paleis van Priamus, waar de strijd hevig woedt.
Taaloefeningen Tekst 8.C
10.
1 senex maestus
2 templum altum
3 femina fida
4 carmen pulchrum
5 coniunx miser / misera
11.
1 labores varios
2 rex fidus
3 regem miserum
4 feminae maestae
5 dono pulchro
12.
1 matres miserae 4 vir Romanus
2 reges fidos 5 donorum pulchrorum
3 mater bona 6 sanguinem multum
13.
De wolf en de zeven geitjes 3
a r. 1 dichte bos, grootmoeders huisje
r. 3 piepklein huisje
r. 4 de ramen van het huisje
r. 5 kleine, ... gezellige kamer gedekte tafel
r. 6 kleine bordjes, kleine lepeltjes
r. 7 dampende kadetjes
r. 8 kleine stoeltjes, de hoek van de kamer
r. 9 groot fornuis, een pan soep
r. 10 mals stukje vlees
b r. 1 weg van: bijw. bep.
r. 4 van het huisje: bijv. bep
r. 10 houden van: werkwoord
14.
zelfst. nw M/V/O ev/mv naamval bijv. nw
milites M mv nom. / acc. fidi / fidos
nox V ev nom. pulchra
umbras V mv acc. maestas
puellarum V mv gen. miserarum
tecta O mv nom. / acc. alta / alta
viri M mv nom. multi
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 8.D
Opdrachten Tekst 8.D
1.
Eigen verwerking.
2.
Hecuba
3.
tela fugere instare gladius percutere vitam fundere sanguis petere
Vertaling Tekst 8.D De dood van Priamus
Midden in het paleis is een groot altaar.
Daar zitten Hecuba en haar bange dochters.
Zij zien de hoogbejaarde Priamus in zijn wapens / gewapend naderen.
Hecuba roept hevig verschrikt uit:
5 ‘Ongelukkige echtgenoot, wat zet jou aan tot de strijd?
Waar ga je heen?
Deze tijd heeft een dergelijke hulp niet nodig. Kom hierheen!’
En ze plaatst/zet hem bij zich op het altaar.
Kijk, één uit / van de zonen van Priamus vlucht door de wapens
10 der Grieken naar het altaar. Pyrrhus zit hem achterna.
Hij grijpt hem, houdt hem vast, doorboort hem met zijn zwaard.
Voor de ogen van Priamus en Hecuba stort hij zijn leven uit tegelijk met
veel bloed. Priamus rijst woedend van het altaar op en
probeert Pyrrhus aan te vallen. Maar tevergeefs.
15 Pyrrhus grijpt ook hem en sleept hem naar het altaar terug.
Daar, in het bloed van zijn zoon, voor de ogen van zijn echtgenote,
slaat hij met zijn zwaard zijn hoofd af van de schouders.
Ik huiver: waar zijn mijn echtgenote / vrouw, mijn zoon, mijn vader?
Vragen Tekst 8.D
4.
-
5.
één van de zonen van Priamus
6.
Ik, Aeneas
7.
Mensen zochten in geval van nood hun toevlucht op een altaar, omdat ze daar onder de bescherming van de goden stonden en niet gepakt/gedood mochten worden.
8.
De hulp die Priamus, een oude man, kan brengen
9.
Eigen verwerking.
10.
Metafoor of beeldspraak
11.
Hij moet, als hij de dood van Priamus en diens zoon ziet, ineens aan zijn eigen familie denken.
Vivat Roma! 1
Vervolg Antwoordmodellen Les 8.D
12.
1 a Jupiter (bliksem in rechterhand)
b Apollo
c de lier in zijn rechterhand
d Venus. Zij toont haar blote borsten (en houdt haar handen in een gebaar, kenmerkend voor Venus).
2 a priester
b offeren
c Hij wordt verrast door het strijdgewoel.
3 a Trojanen
b De kinderen zijn bang en houden zich vast aan hun moeder om bescherming.
Het meisje op de voorgrond houdt uit ontzetting haar hoofd tussen haar handen.
4 a Pyrrhus
b Hij staat op het punt iemand te doden.
c Priamus
d één van de zonen van Priamus, die Pyrrhus zojuist gedood heeft
5 a Hecuba
b ontzetting (de opgeheven armen)
c haar dochters
d Ze proberen hun moeder tegen te houden, die Priamus te hulp wil komen.
6 De Grieken slachten Trojanen af.
7 Eum quoque t/m retrahit (r. 15)
Vivat Roma! 1
Vervolg 2 Antwoordmodellen Les 8.D
Taaloefeningen Tekst 8.D
15.
1 servae is nom., omdat het het subject is van fugiunt
2 puellae is gen., omdat het een bijv. bep. is bij pater
3 servi is nom., omdat het het subject is van deponunt
domini is gen., want het is een bijv. bep. bij tecto
16.
(NB In plaats van met het lidwoord een kun je meestal ook vertalen met het lidwoord de / het en omgekeerd.)
1 zeer veel muren de muren van Troje
2 een mooie dochter de dochter van Priamus
3 hoge tempels de tempels van de goden
4 een groot paard het paard van Troje
5 betrouwbare bewakers de bewakers van de poorten
6 een groot altaar het altaar van de god
7 een goede maaltijd de maaltijd van de koningin
8 zeer veel wapens de wapens van de jongen
9 een woedende vader de vader van het meisje
10 allerlei inspanningen de inspanningen van de slaaf
11 een mooi geschenk het geschenk van de metgezel
12 een blijde echtgenote de echtgenote van de Griek
13 een hoge poort de poort van het paleis
14 een droevige schim de schim van Creüsa
15 mijn hulp de hulp van Minerva
17.
1 De slaven vluchten in het geheim / gaan er stiekem vandoor.
2 De vader van de jongen is een Romein.
3 De meisjes versieren de tempel van de godin met kransen.
4 De mannen zitten in het paard.
Ze zitten in het paard van de man.
5 Wij horen het geluid van wapens en het geschreeuw van de Trojanen.
6 Wij allen kunnen niet alles (doen).
18.
(Vertaling: De priester van de god slingert een nieuwe lans naar het paard van de Grieken)
19.
filia dochter daughter
tenere houden hold
homo man man
vita leven life
De Nederlandse, Engelse en Duitse woorden zijn aan elkaar verwant en niet afkomstig uit het Latijn. De Franse, Italiaanse en Spaanse woorden komen wel uit het Latijn.

Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 9
Vragen Tekst 9.A Helena
1.
Als Aeneas op weg naar huis is, ziet hij Helena.
Vol woede wil hij haar doden.

Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 9

Opdrachten Tekst 9.B
1 Ze wil voorkomen dat haar zoon een onwaardige daad begaat door een vrouw,
Helena, te doden.
Vertaling Tekst 9.B Venus grijpt in
Kijk, plotseling verschijnt de gedaante van mijn moeder mij voor mijn ogen.
Zij straalt door de nacht heen / in de nacht met een helder licht.
Ze grijpt me met haar rechterhand en houdt me tegen.
Met haar rozenmond begint ze (te spreken):
5 ‘Zoon, welk zo groot verdriet wekt onbedwingbare woede bij jou op?
Waarom ga je tekeer?
Waarom zorg je niet voor je vader Anchises en je echtgenote Creüsa
en de jongen Ascanius? De Grieken vallen hen reeds aan.
De gehate Helena en de vrouwengek Paris zijn vrij van / hebben geen schuld:
10 De onbarmhartigheid van de goden richt Troje te gronde.
Ik zal het je laten zien. Kijk!
Hier doet Neptunus met zijn drietand de muren van de stad hevig schudden en
haalt hij Troje omver van zijn fundamenten.
Daar houdt Juno de poorten bezet en roept de Grieken van de schepen.
15 Reeds zit de woeste Minerva boven op de burcht.
De vader van de goden geeft zelf aan de harten der Grieken moed.
Vlucht, zoon, en houd op te/met vechten!’
Vragen Tekst 9.B
2.
te spreken
3.
Helena
4.
Anchises, Creüsa en Ascanius
5.
Dat Troje door de onbarmhartigheid van de goden ondergaat.
6.
-
7.
Verder vechten heeft geen zin meer.
8.
a Dat hij zijn woede niet op Helena afreageert (r. 5-6) en dat hij zich om zijn familie bekommert (r. 7-8).
b De Grieken vallen je familie al aan (r. 8); Helena en Paris hebben geen schuld (r. 9), maar de goden (r. 10).
Taaloefeningen Tekst 9.B
1.
r. 1 matris: gen. ev
r. 2 noctem: acc. ev, luce: abl. ev
r. 4 ore: abl. ev
r. 5 dolor: nom. ev
r. 7 Anchisem: acc. ev, patrem: acc. ev, coniugem: acc. ev
r. 9 Paris: nom. ev
Vivat Roma! 1
Vervolg Antwoordmodellen Les 9.B
r. 10 urbem: acc. ev
r. 12 tridente: abl. ev, urbis: gen. ev
r. 14 Iuno: nom. ev, navibus: abl. mv
r. 15 arce: abl. ev
r. 16 pater: nom. ev, virtutem: acc. ev
2.
wond mens burcht deugd licht
vulnus homo arx virtus lux
vulneris hominis arcis virtutis lucis
vulneri homini arci virtuti luci
vulnus hominem arcem virtutem lucem
vulnere homine arce virtute luce
vulnera homines arces virtutes luces
vulnerum hominum arcium virtutum lucum
vulneribus hominibus arcibus virtutibus lucibus
vulnera homines arces virtutes luces
vulneribus hominibus arcibus virtutibus lucibus
3.
Genitivus: custodum – virtutum – funerum – laborum
slechts – nog niet – fundament – ik kan – rondom – hulp – weer/opnieuw
4.
1 Jij ziet de mannen/mensen.
2 Jij houdt de oude mannen tegen.
3 Jij hebt bewakers.
De uitgangen van het zelfstandig naamwoord en het werkwoord zijn gelijk: -es.
5.
zelfst. naamw.: patres – reges – penates – arces – caedes
werkwoorden: tenes – taces – cares – contines – doles – suades – eges
6.
pater saevus bona coniunx
patris saevi bonae coniugis
patri saevo bonae coniugi
patrem saevum bonam coniugem
patre saevo bona coniuge
patres saevi bonae coniuges
patrum saevorum bonarum coniugum
patribus saevis bonis coniugibus
patres saevos bonas coniuges
patribus saevis bonis coniugibus
7.
1 murus altus
2 coniunx pulchra
3 regnum novum
4 hostis saevus
5 custos fidus
6 corpus tantum
7 virtus magna
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 9
Vragen Tekst 9.C Naar huis
1.
Aeneas wil met zijn familie vluchten, maar zijn vader weigert mee te gaan.
Dan geven de goden een teken: er verschijnen vlammen om het hoofd van Ascanius die niet met vuur te blussen zijn.
2.
Rechts staat Aeneas klaar om weer de strijd in te gaan. Creüsa houdt hem tegen.
In het midden staat Ascanius. Dienaren links en rechts van hem gieten water over de vlammen rond zijn hoofd.
Links staat Anchises en heft zijn handen ten hemel.
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 9
Opdrachten Tekst 9.D
1.
In de tweede alinea.
Vertaling Tekst 9.D De vlucht uit Troje
Maar vader Anchises strekt verheugd zijn handen ten hemel en bidt:
‘Vader van goden en mensen, aanschouw / zie ons en geef opnieuw
een gunstig voorteken.’ En plotseling valt er een ster van de hemel en
blijft boven ons dak staan. Mijn vader roept uit:
5 ‘Nu, nu is er geen uitstel meer.
Dit teken, o goden, is van jullie.
Zoon, niet langer weiger ik met jou (mee) te gaan.’
Te midden van / tussen veel Trojanen vluchten wij.
Ik draag mijn vader op mijn schouders. Vader draagt de Penaten van Troje.
10 Met mijn linkerhand houd ik mijn vader vast, met mijn rechter Ascanius.
De kleine jongen kan het tempo met zijn voeten nauwelijks bijhouden.
Achter ons gaat Creüsa voort.
Plotseling horen we een groot/luid geschreeuw.
Verschrikt vluchten wij allen naar verschillende kanten.
15 Na vele uren komen wij buiten de stad bij een verlaten tempel
samen. Eén van ons ontbreekt! Ach, Creüsa, waar ben je?
Vragen Tekst 9.D
2.
-
3.
teneo
4.
-
5.
Een ster wijst de ‘Wijzen uit het oosten’ de weg naar Bethlehem, de geboorteplaats van Jezus.
De wil van de goden
1.
(Eigen verwerking). Een zwarte kat zien brengt ongeluk.
Vivat Roma! 1
Vervolg Antwoordmodellen Les 9.D
Taaloefeningen Tekst 9.D
8.
pes meus
tecta alta
hominem fidum
puellae pulchrae
labore nostro
pars tua
milites mei
matrem suam
patrum vestrorum
hominibus miseris
9.
1 In de stad Rome zijn mooie tempels van onze goden en godinnen.
2 Onze priesters versieren de altaren met kransen, want mijn volk vreest de toorn van de goden en godinnen.
3 (De) Romeinse mannen en vrouwen doen niets zonder de hulp van de goden.
4 Onze vrouwen roepen Juno aan, maar de mannen Jupiter, de vader van goden en mensen.
5 De goden geven / schenken immers in (tijdens) de gevechten de overwinning, de goden nemen alles waar, de goden bevrijden de ongelukkige mensen van hun zorgen, de goden kunnen de slechten te gronde richten.
10.
1 hominis (gen. ev)
2 partis (gen. ev)
3 amorum (gen. mv)
4 servis (dat./abl. mv)
5 matris (gen. ev)
6 regum (gen. mv)
7 templi (gen. ev onzijdig)
8 regis (gen. ev)
9 audi (imperativus ev)
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 9
Vertaling Tekst 9.E Creüsa
Ik sta versteld, mijn haren staan recht overeind, mijn stem stokt in mijn keel.
Dan begint de schim van Creüsa zo tot mij (te spreken):
‘Lieve echtgenoot, wat helpt het toe te geven aan een onverstandig verdriet?
Niet zonder de wil der goden gebeuren deze dingen.
5 Creüsa kan niet samen met jou weggaan.
De vader der goden verbiedt het.
Na lange zwerftochten/ omzwervingen staan jou een koninklijke echtgenote en een
koninkrijk
in het land Hesperia / Italië te wachten.
Houd op te huilen om Creüsa.
10 Ik zal niet als een slavin van de Grieken naar Griekenland weggaan.
En nu vaarwel en bewaar de liefde voor onze zoon.’
Na deze woorden verlaat ze me.
Driemaal probeer ik mijn armen om haar hals te leggen,
driemaal ontvlucht haar schim (mij).
15 Dan pas zoek ik midden in de nacht mijn makkers weer op.
Over de zee verlaten we Troje zonder Creüsa.
Vragen Tekst 9.D
1.
Dat Creüsa met Aeneas meegaat
2.
Voor onze zoon
3.
a Verdriet dat geen zin heeft
b Nu hoeft ze niet als een slavin van de Grieken mee naar Griekenland te gaan (r. 10).
4.
a Het is de wil van de goden dat zij niet mee kan (r. 4);
Jupiter verbiedt het (r. 6);
Aeneas staan een koninklijke echtgenote en een koninkrijk te wachten in Italë (r. 7).
b Eigen verwerking.
5.
alliteratie: deflere desine (r. 9), collo circumdare (r. 13)
anafoor: Ter, ter (r. 13 en 14)
6.
Aeneas ontmoet straks een nieuwe ‘koninklijke echtgenote’. Hij kan dan beter niet getrouwd zijn.
7.
Eigen verwerking.
8.
Eigen verwerking.
Vivat Roma! 1
Vervolg Antwoordmodellen Les 9.E

Taaloefeningen Tekst 9.E
11.
haec morae hi signi istud servum ille patre
12.
1 hanc horam (acc. v ev)
2 haec omina (nom./acc. o mv )
3 hanc partem (acc. v ev)
4 hoc signum (nom./acc. o ev)
5 haec templa (nom./acc. o mv)
6 hanc virtutem (acc. v ev)
7 de his muris (abl. m mv)
8 huius partis (gen. v ev)
13.
1 De vader ziet zijn dochter en begroet haar.
2 Het meisje huilt. Haar tranen ontroeren haar moeder echter niet.
3 Waar is jouw vader? Ik wil hem een geschenk geven.
4 Daar komt een meisje aan. Haar vader is mijn vriend.
5 Kijk Dido! Die vrouw is de koningin.
Helaas, haar echtgenoot leeft niet meer.
14.
familie/personen gevoelens/emoties mondelinge uitingen
pater dolor clamare
puella maestus vox
filia iratus vocare
coniunx ira orare
mater miser respondere
filius laetus verbum
rogare

Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 10
Opdracht Tekst 10.A
1.
-
Vertaling Tekst 10.A Dido verliefd
Maar de koningin is allang door een nieuwe liefde gewond.
Het gezicht en de woorden van de man blijven in haar borst / hart vastzitten
en geven aan haar ledematen geen (niet een) vredige rust.
Bij het eerste licht zei Dido tegen haar zuster Anna:
5 ‘Zuster Anna, welke / wat voor dromen maken me bang!
Wat voor een ongewone gast is bij onze kusten aangekomen / heeft onze kusten
bereikt!
Over welke oorlogen heeft hij verteld, over hoeveel zeeën heeft hij gezworven!
Hij is zeker van goddelijke afkomst!
Na de dood van mijn man Sychaeus heeft deze als enige mijn hart
10 bewogen / ontroerd. Ik herken de sporen van het vroegere liefdesvuur.
Toch wil ik jou, o Sychaeus, niet kwetsen en mijn trouw aan jou
niet schenden. Jij hebt mij als eerste aan jou verbonden.
Jij hebt nog steeds mijn liefde en bewaart die in je graf.’
Zo sprak zij en ze vulde meteen haar kleed met tranen.
Vragen Tekst 10.A
2.
-
3.
Voor haar gestorven man Sychaeus
4.
metafoor: vultus verbaque viri haerent
alliteratie: vultus verbaque viri
5.
Aeneas heeft zo veel meegemaakt (en is blijven leven), r. 7
6.
Ze wil haar belofte van trouw aan Sychaeus niet breken.
7.
a Ze spreekt niet op rustige toon, maar roept het uit: quae, qui, quae, quot!
b uit de anafoor: (te), tu, tu
8.
Dido is verliefd op Aeneas, maar wil trouw blijven aan Sychaeus.
9.
Ze kan het dilemma niet oplossen.
10.
onrust r. 5
bewondering r. 6-8
verliefdheid r. 9-10
schuld r. 11-13
verwarring r. 14
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 10
Venus, liefde en pijn
1.
In de gedaante van Ascanius liet hij Dido’s hart in liefde voor Aeneas ontvlammen.
2.
Ze werd geboren in de zee bij het eiland Cyprus.
3.
Ze schreeuwt het uit, scheurt haar kleed in stukken en rukt zich de haren uit het hoofd.
4.
Het is de bloem waar Venus zich aan verwondde.
De roos heeft een prachtige geurende bloem, maar ook doorns.
Ze schenkt geluk en pijn, zoals de liefde.
5.
Een heel mooie man, een veroveraar van vrouwenharten.
6.
Adonis leefde ook maar kort en werd geknakt (weliswaar door een wild zwijn).
7.
In ieder geval:
Neptunus: drietand
Mercurius: helm en staf
Apollo: gouden stralenkrans
Jupiter: bliksem in rechterhand, adelaar in linker
8.
anemonen
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 10
Taaloefeningen Les 10.A
1.
r. 4 dixit - dicere
r. 6 pervenit - pervenire
r. 7 narravit - narrare
erravit - errare
r. 10 movit - movere
r. 12 iunxisti - iungere
r. 14 dixit - dicere
implevit - implere
2.
Vorm Persoon Getal Tijd
1 erravit 3 ev pf
2 movet 3 ev praes.
3 donaverunt 3 mv pf
4 iunxistis 2 mv pf
5 movit 3 ev pf
6 dixistis 2 mv pf
7 fuisti 2 ev pf
8 pervenerunt 3 mv pf
9 violamus 1 mv praes.
3.
terruerunt – iunximus – perveni – dixerunt – movit – terruisti – dixisti - fuisse

Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 10
Opdrachten Tekst 10.B
1.
-
2.
Eigen verwerking.
Vertaling Tekst 10.B Anna’s raad
Anna antwoordde haar geliefde zuster:
‘O (mijn) lieve Dido, eeuwig rouwen past jou niet.
Je wenst / verlangt toch niet altijd alleen en zonder kinderen je leven te leiden?
Waarom geef je niet toe aan de liefde?
5 Geen mannen hebben jou ooit op andere gedachten gebracht, noch in Afrika, noch in
de stad van de Tyriërs. Jarbas wilde met je trouwen en
andere koningen van Afrika. Jij hebt echter altijd geweigerd.
In Afrika omringen ons nu vijanden.
Misschien bereidt onze broer voor ons een oorlog voor!
10 De schepen der Trojanen zijn hier zeker / beslist met de hulp der goden
geland. Door een verbintenis van de twee volkeren zal onze stad sterk zijn!
Met verenigde wapens zal de roem van Carthago zich tot de sterren verheffen!
Vraag jij slechts de goden (om) toestemming en verzin redenen voor oponthoud.’
Met deze woorden zette ze het hart van Dido door de liefde in vuur en vlam
15 en gaf ze hoop aan haar weifelende geest en maakte ze haar gevoel van schaamte
los / bevrijdde haar van haar gevoel van schaamte.
Vragen Tekst 10.B
3.
perfectum: -it (praesens: -et!)
4.
te in matrimonium petiverunt: wilden met jou trouwen
5.
de door Dido afgewezen vorsten
6.
-
7.
-
8.
de Tyriërs en de Trojanen
9.
Als de Tyriërs en de Trojanen hun wapens samenvoegen / samen vechten, zal de roem van Carthago oneindig groot zijn.
10.
a -
b voor oponthoud
11.
a Geef toe aan je liefde voor Aeneas. (Dat is goed voor jou en goed voor Carthago.)
b in regel 4
Vivat Roma! 1
Vervolg Antwoordmodellen Les 10.B
12.
1 Altijd maar rouwen is ongepast en slecht. r. 2
2 Je zult anders alleen en zonder kinderen leven. r. 3
3 Niet eerder werd je verliefd op een man. r. 5
4 We zijn in Afrika nu door vijanden omringd. r. 8
5 Er is ook nog een oorlogsdreiging van je broer vanuit Tyrus. r. 9
6 Het is de wil van de goden dat Aeneas hier landde. r. 10
7 Als de twee volkeren tot één volk worden, zal de roem van Carthago oneindig groot zijn. r. 11-12
13.
Met de argumenten 1-3 doet Anna een beroep op Dido’s gevoel,
met de argumenten 4-7 op haar verstand.
14.
1 tympanon
2 godenbeeld (van Juno, de beschermgodin van Carthago)
3 zuil
4 Dido
5 altaar
6 schaap
7 stier
8 de offerdienaar die de offerdieren een harde klap met de bijl geeft om ze bewusteloos te maken (zie pag. 81)
9 offerdienaar met een schaal
Vivat Roma! 1
Vervolg 2 Antwoordmodellen Les 10.B
Taaloefeningen Tekst 10.B
4.
Vorm Persoon Getal Inf. praesens Betekenis
tacuimus 1 mv tacere zwijgen
petivit 3 ev petere gaan naar, opzoeken
vocavistis 2 mv vocare roepen
tenuimus 1 mv tenere (vast)hebben, -houden
vocavisse - - vocare roepen
dixisti 2 ev dicere zeggen
audivit 3 ev audire horen, luisteren
intraverunt 3 mv intrare binnengaan
fuisti 2 ev esse zijn
potuistis 3 mv potesse kunnen
dixisse - - dicere zeggen
horruistis 2 mv horrere huiveren
respondi 1 ev respondere antwoorden
flexisti 2 ev flectere buigen
solvimus 1 mv solvere losmaken, bevrijden
iunxisti 2 ev iungere verbinden
pervenimus 1 mv pervenire aankomen, bereiken
dedi 1 ev dare geven
maeruerunt 3 mv maerere bedroefd zijn, rouwen
violavisti 2 ev violare schenden
defuit 3 ev deesse ontbreken
5.
a Venire, videre, vincere. Vertaling: Ik kwam, ik zag, ik overwon!
(d.w.z. Ik was nog maar nauwelijks op het slagveld, of ik had de vijand al verslagen.)
b Omdat hij zo kort en krachtig is
6.
NAM, ET AT, IAM
ATQUE, AT SEMPER, ENIM
INTER, CLAM SED, TER, QUO
7.
1 dixi
6 solvisti
7 terrui
9 solvit
10 iunxerunt
a iunxi, iunxisti, iunxistis
d movit
h dixi, dixit
i petivi, petivit
j dixi, dixisti
k potuerunt
8.
1 lectus
2 de prijs
3 tempesta
4 stare - statio
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 11
Taalblok Les 11
1.
N T
T I S
M U S
of:
N T
M U S
T I S

Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 11
Opdrachten Tekst 11.A
1.
Ze wilde bereiken dat Aeneas goed zou worden ontvangen door Dido en de Carthagers.
2.
a regel 3
b in de derde alinea
c Dido en Aeneas
d Eigen verwerking.
3.
regel 1-2: handelingen: ð perfectum;
regel 3-8: beschrijvingen ð praesens (behalve regel 7)
Vertaling Tekst 11.A De jachtpartij
Intussen verliet Aurora de oceaan.
Veel Trojanen en Tyriërs haastten zich naar het paleis.
Ze dragen strikken, netten en lansen. Ook honden zijn erbij.
De voornaamsten van de Tyriërs wachten bij de drempel van het paleis
5 op de koningin. Kijk, daar komt ze! Een grote menigte [van] slavinnen
omgeeft haar. Ze aarzelt even. Ze blijft op de drempel staan.
De purperen mantel van Dido is met goud versierd.
Een gouden hoofdband bedekt haar haren.
Aeneas ging naar haar toe en voegde de groepen [van] Trojanen en
10 Tyriërs samen. Zoals in het begin van de lente Apollo over de bergruggen van
het eiland Delus voortschrijdt en de reidansen instudeert, zo ging Aeneas
zelf; een zo grote charme straalde van hem af.
De Tyriërs en Trojanen verlieten de stad en kwamen in de steile
bergen. Kijk hier renden wilde geiten van de bergen
15 naar beneden, daar verlieten herten de dichte bossen en
staken het uitgestrekte veld over. De jongen Ascanius zat op zijn paard
en ging blij nu eens deze, dan weer die (mensen) in galop
voorbij.
Vragen Tekst 11.A
4.
Dido
5.
-
6.
-
7.
praeteribat
8.
a Ze draagt een purperen mantel met gouden zoom, en een gouden hoofdband.
b De schrijver vergelijkt hem met de god Apollo.
9.
a de vlucht uit Troje op de boten
b Dido staat rechts
Vivat Roma! 1
Vervolg Antwoordmodellen Les 11.A
c Aeneas en Ascanius
d Dido, Aeneas, Ascanius
e Dido en Aeneas zullen elkaar beminnen.
f Venus met naast haar twee Cupidootjes; de linker houdt zijn fakkel naar beneden, wat wijst op een ongelukkige liefde
Taaloefeningen Tekst 11.A
2.
Een slang als vriend
Een kleine jongen ving eens een slang en bracht hem (mee) naar huis.
Daar verzorgde hij de slang goed. Hij noemde haar zelfs zijn vriendin.
3 Zijn moeder zei echter vaak tegen de jongen:
‘Pak de slang op en breng hem naar het bos! Het is een slang, geen mens!’
Eindelijk gehoorzaamde de jongen en bracht de slang naar het bos.
6 Kijk! Een tijdje later dwaalde de jongen in het bos.
Plotseling waren er rovers aanwezig.
Toen verscheen de slang. Hij kronkelde zich en bewoog zijn tong.
De slang maakte de rovers bang en verjoeg (hen) uit het bos.
9 Zo bevrijdde de slang de jongen van gevaar.
Imperfecta: curabat, vocabat, dicebat, errabat, se torquebat, movebat.
De imperfecta geven steeds de omstandigheden of de situatie aan;
de handelingen of stappen in het verhaal staan in het perfectum.
3.
perfectum imperfectum
respondit – hij antwoordde donabant – zij gaven
petivistis – jullie gingen naar violabam – ik schond
dedisti – jij gaf eratis – jullie waren
potuimus – wij konden petebas – jij ging naar
solverunt – zij maakten los iungebamus – wij verbonden
venit – hij kwam transiebat – hij trok/stak over
habuerunt – zij hadden
4.
relinquo (d) relinquebam (5) reliqui (g)
do (11) dabam (l) dedi (12)
venio (7) veniebam (9) veni (11)
dico (b) dicebam (10) dixi (2)
sum (a) eram (h) fui (7)
5.
1 reliquit pf: ‘de handeling’ begint: het werd ochtend
2 festinaverunt pf: een stap in het verhaal wordt aangegeven
3 adiit, coniunxit pf: een volgende stap in het verhaal
4 vadebat, nitebat impf: beschrijving
5 reliquerunt, venerunt pf: stappen in het verhaal
6 decurrebant t/m praeteribat impf: beschrijving
Vivat Roma! 1
Vervolg 2 Antwoordmodellen Les 11.A
6.
De wolf en de zeven geitjes 4
r. 1 voorzichtig
r. 2 meteen
r. 3 achter elkaar, leeg, gulzig
r. 5 van buiten
r. 6 voorzichtig, naar buiten
r. 7 in de verte
r. 8 precies eender
r. 10 enthousiast
r. 11 gulzig, tot zijn schrik
r. 12 in hun riem
r. 13 gevaarlijk, in het maanlicht
r. 14 bij zichzelf
r. 15 beter, even
r. 16 vanuit een gunstige positie, gang voor gang, snel
r. 17 veilig

Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 11
Vertaling Tekst 11.B Onweer
Plotseling dondert de hemel met groot gerommel. Regens
storten neer en beken gezwollen door water stromen van de bergen. Een zwarte
nacht bedekt het land. De Tyriërs en Trojanen zoeken hevig verschrikt overal over
de akkers afgelegen huizen op. Dido en de Trojaanse leider
5 komen in dezelfde grot terecht …
Toen gaf Juno een teken: Vuren flitsten en van
de toppen van de bergen riepen de nimfen ‘oehoe’.
Ongelukkige / Arme Dido, deze dag was voor jou de oorzaak van het kwaad en van
jouw dood. Niet meer bekommerde je je om je goede naam, en ook niet meer
10 verborg je je liefde. Je hebt je heimelijke liefde een huwelijk genoemd.
Meteen rende Fama / Gerucht, de / die afschuwelijke godin, door de grote steden
van Afrika. Met allerlei praatjes vulde ze de harten van de mensen
en bezong wat er wel en wat er niet was gebeurd.
Vragen Tekst 11.B
1.
a murmure
b ablativus
2.
a nominativus
b ablativus
3.
Ze hoopt dat Aeneas, als Dido en hij van elkaar houden, in Carthago zal blijven en dat Rome niet gesticht zal worden.
4.
-
5.
Dido en Aeneas hebben elkaar hun liefde bekend.
6.
-
7.
amorem en coniugium
8.
variis rumoribus en infecta cecinit
9.
Ze zal sterven.
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 11
Latona, Apollo en Diana
1.
Ze was jaloers omdat Jupiter Latona bemind had en Latona nu zwanger was.
2.
Apollo is op Delos geboren.
3.
Goden gedragen zich als mensen, hebben menselijke gevoelens (jaloezie, liefde); ze kunnen de mensen straffen.
4.
De boeren stampen met hun voeten in het water en woelen met hun handen het slijk van de bodem om het water troebel te maken en Latona het drinken te beletten. Net als kikkers zijn ze druk in de weer in en bij het water. Bovendien lijkt het gescheld van de boeren op gekwaak.
5.
a een olijfboom
b Juno, herkenbaar aan de pauw
6.
11.4 De boeren maken het water troebel.
11.5 De boeren veranderen in kikkers.
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 11.B
7.
Afgeleid van een bijv naamw. Niet afgeleid van een bijv. naamw.
misere – ongelukkig iterum – weer, opnieuw
male – slecht fortasse – misschien
laete – blij numquam – nooit
alte – hoog satis – genoeg, voldoende
diverse – tegengesteld clam – in het geheim
ardue – steil paulatim – langzamerhand
placide – vredig undique – van / aan alle kanten
tandem – eindelijk
8.
subito – plotseling
postremo – tenslotte
deinde – vervolgens
demum – pas
9.
Tijd Plaats
adhuc – nog steeds ibi – daar
numquam – nooit huc – hierheen
semper – altijd ubique – overal
iterum – opnieuw undique – van alle kanten
10.
1 alta (bijv.)
2 pulchra (bijv.)
3 pulchre (bijw.)
4 diverse (bijw.)
5 fidos (bijv.).
11.
Vorm Persoon Getal Inf. praesens Betekenis
coniunxi 1 ev coniungere samenvoegen, verbinden
adfuerunt 3 mv adesse aanwezig zijn, erbij zijn
curavi 1 ev curare zorgen voor, verzorgen
praeteriisti 2 ev praeterire voorbijgaan, gaan langs
solvimus 1 mv solvere losmaken, bevrijden
dedit 3 ev dare geven
venit 3 ev venire komen
cucurristis 2 mv currere rennen
petiverunt 3 mv petere gaan naar, aanvallen, vragen
flexi 1 ev flectere buigen
adiimus 3 mv adire gaan naar
horruisti 2 ev horrere huiveren
oravit 3 ev orare bidden, smeken
reliquistis 2 mv relinquere verlaten, achterlaten
Vivat Roma! 1
Vervolg Antwoordmodellen Les 11.B
12.
1 hic miles Romanus 7 his equis feris
2 haec conubia bona 8 haec / hac mora longa
3 huius / huic / hae gloriae magnae 9 hos montes altos
4 hunc puerum insanum 10 hi milites Romani
5 huius / hi campi vasti 11 harum puellarum pulchrarum
6 hanc vitam bonam 12 hoc novo signo
13.
1 curator beheerder, iemand die toezicht houdt (curare = verzorgen)
2 divers verschillend (diversus = verschillend)
3 malafide onbetrouwbaar (malus = slecht, fidus = trouw/betrouwbaar)
4 processie plechtige kerkelijke optocht (procedere = voortgaan)
5 totaal helemaal (totus = geheel, helemaal)
6 fameus beroemd, bekend (fama = roem, reputatie)

Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 12
Taalblok Les 12
1.
curaveram – ik had verzorgd
videramus – wij hadden gezien
veneratis – jullie waren gekomen
iunxerant – zij hadden verbonden
fueras – jij was geweest
potuerat – hij had gekund
2.
perfectum plusquamperfectum
movimus – wij bewogen reliquerat – hij had verlaten
fuistis – jullie waren coniunxeras – jij had verbonden
adfui – ik was aanwezig veneram – ik was gekomen
dederunt – zij gaven potueratis – jullie hadden gekund
defuerunt – zij ontbraken cucurrerat – hij had gerend
curavimus – wij verzorgden solverant – zij hadden losgemaakt

Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 12
Opdrachten Tekst 12.A
1.
a Een vorst in Noord-Afrika
b Hij had Dido ten huwelijk gevraagd, maar zij had geweigerd.
2.
Fama begint te spreken in r. 3 en eindigt haar verhaal in r. 12.
3.
a Jarbas
b Eigen verwerking: Jarbas’ reactie op Fama’s verhaal
Vertaling Tekst 12.A Fama bereikt Jarbas
Fama / Gerucht was intussen naar het paleis van Jarbas gegaan. Ze bereikte
de oren van de vorst en vertelde hem het hele verhaal: Aeneas,
de leider van de Trojanen, was met zijn makkers op de kust van Afrika gekomen.
Vervolgens had koningin Dido hen vriendelijk in Carthago ontvangen.
5 Op zekere dag waren de Tyriërs en Trojanen op jacht gegaan.
Toen was er plotseling een storm losgebarsten. De Tyriërs en Trojanen waren
verspreid over de akkers naar afgelegen huizen gegaan. Dido en de leider
van de Trojanen waren in dezelfde grot terecht gekomen. Wat
was er toen in de grot gebeurd? Niemand wist het! Sinds die tijd
10 bekommerde Dido zich niet meer om haar goede naam en ook bedekte / verborg
ze haar liefde niet (meer). Nu verwaarloost ze haar taak en brengt in luxe en
hartstocht de tijd van de winter door. Zo wekte Fama / Gerucht woede op in het hart
van de koning.
Jarbas was een vrome / plichtsgetrouwe koning. Honderd tempels had hij in zijn
15 uitgestrekte rijk ter ere van Jupiter gebouwd. Voor die tempels brandden altijd vuren.
Nooit waren de altaren zonder het bloed van offerdieren.
Jarbas bleef / ging voor de altaren en tussen de beelden der goden staan,
hief smekend zijn armen op / omhoog, (en) bad tot Jupiter.
Vragen Tekst 12.A
4.
-
5.
a Tekst 12.A r. 6-8 (Tyrii … devenerant.) = 11.B r. 3-5 (Tyrii … deveniunt …)
Tekst 12.A r. 9-11 (Ex eo … tegebat) = 11.B r. 9-10 (Nec iam … tegebas.)
b r. 11-12: Nunc … terit.
6.
Eigen verwerking.
7.
a Eigen verwerking.
b Jarbas bidt tot Jupiter (en Mercurius): r. 17-18.
Vivat Roma! 1
Vervolg Antwoordmodellen Les 12.A
Taaloefeningen Tekst 12.A
3.
pr imp pf plqpf
neglegit curabat pervenit petierat
terit tegebat narravit venerat
erat excitavit acceperat
ardebant constitit ierant
erant sustulit eruperat
oravit petierant
devenerant
acciderat
cognoverat
aedificaverat
4.
De wolf en de zeven geitjes 5
Zodra ....., wilde t/m verstoppen.
Hoewel ....., leek het t/m te gaan.
Maar t/m niet goed uit, zodat .....
Toen ....., probeerde t/m nogmaals.
Omdat ....., kroop t/m omhoog.
Hoewel ....., probeerde hij t/m te hijsen.
Terwijl ....., hoorde hij t/m gedronken?
5.
1 postquam – nadat
2 si – als
3 sicut – zoals
4 ut – zodra
5 quia – omdat
6 quod – omdat

Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 12
Opdrachten Tekst 12.B
1.
-
2.
Jarbas
Vertaling Tekst 12.B De smeekbede van Jarbas
‘Almachtige Jupiter, zie je dit? Als je werkelijk
almachtig bent, help me dan! Of huiveren wij
tevergeefs voor je, wanneer je je bliksems slingert, en maken de vuren
in de wolken ons hart tevergeefs bang?
5 Ik heb, nadat Dido met haar Tyriërs uit haar vaderland in Afrika
aangekomen was, haar goed ontvangen. Ik heb, toen ze in ons gebied
rondzwierf, haar een woonplaats gegeven. Door mijn hulp heeft ze
een zeer mooie stad kunnen stichten. Die vrouw heeft een huwelijk
met ons / mij afgewezen en Aeneas als heer en meester in haar rijk
10 ontvangen! En nu heeft híj, zoals Paris / als een Paris, met zijn verwijfde
metgezellen haar hart in vuur en vlam gezet. Een Frygische
muts draagt hij en zijn haren zijn nat van de geurtjes. Toch niet
tevergeefs brachten wij geschenken voor / naar jouw tempels?’
De almachtige hoorde hem en wendde zijn ogen naar de muren
15 van Carthago. Daar zag hij de geliefden, de koningin en haar
gast. Toen riep hij Mercurius en beval hem Aeneas
te waarschuwen.
Vragen Tekst 12.B
3.
-
4.
perfectum
5.
Dido
6.
Dido
7.
huwelijk met ons
8.
ille: Aeneas
eius: Dido
9.
-
10.
-
11.
b
12.
a Hij heeft haar geholpen, toen ze met de Tyriërs in Noord-Afrika aankwam (r. 5-8).
b Eigen verwerking.
Vivat Roma! 1
Vervolg Antwoordmodellen Les 12.B
13.
Paris veroverde Helena, Aeneas veroverde Dido.
14.
do ut des: ik geef om te krijgen / voor wat hoort wat
15.
Eigen verwerking.
Mercurius
1.
Mercurius was de god van de kooplui.
2.
Ze pagina 1 van je boek. Zie antwoord op vraag 1.
Taaloefeningen Tekst 12.B
6.
1 Mater, lacrimavit. HZ
ut liberos miseros vidit, BZ
Zodra de moeder haar ongelukkige kinderen zag, begon ze te huilen.
2 Pueris puellisque de Vergilii fabula narravi, HZ
postquam in ludum veni. BZ
Ik heb de jongens en meisjes [over] het verhaal van Vergilius verteld, nadat ik op school was gekomen.
3 dominus laetus erat. HZ
Quod servae cenam bonam paraverant, BZ
Omdat de slavinnen een goede maaltijd hadden bereid, was de meester blij.
4 liberi multa de urbe cognoscebant. HZ
Postquam pater de Roma narravit, BZ
Nadat de vader over Rome had verteld, wisten zijn kinderen veel over de stad.
5 Matrem video, HZ
nisi oculi me fallunt. BZ
Ik zie mijn moeder, als mijn ogen mij niet bedriegen.
7.
1 Romani ..... neglegebant,
De Romeinen verwaarloosden nooit hun plicht, omdat ze vroom waren.
2 is ..... est.
Omdat een vijand de man met een lans heeft aangevallen, is deze nu dood.
3 Carmen longum ..... non intellego.
Ik begrijp het lange lied niet, omdat ik het niet goed heb gehoord.
4 hospites dolebant.
Nadat Aeneas het verhaal had verteld, waren de gasten verdrietig.
5 Puellae ..... lacrimabant,
De meisjes waren al lang aan het schreeuwen en huilen, toen hun moeder verscheen.
8.
1 quod / quia
2 postquam
3 quod / quia
4 si
5 sicut
6 nisi
Vivat Roma! 1
Vervolg 2 Antwoordmodellen Les 12.B
9.
Vorm Persoon Getal Inf. praesens Betekenis
iusserunt 3 mv iubere bevelen
accidit 3 ev accidere gebeuren
praeteriimus 1 mv praeterire voorbijgaan, gaan langs
horruit 3 ev horrere huiveren
excepistis 2 mv excipere ontvangen
vidimus 1 mv videre zien
potuisti 2 ev posse kunnen
cognovimus 1 mv cognoscere leren kennen
verti 1 ev vertere draaien, wenden
admonuerunt 3 mv admonere waarschuwen, aansporen
advenit 3 ev advenire aankomen
accepisti 2 ev accipere ontvangen, (aan)nemen
10.
1 illa moenia alta 11 istum montem arduum
2 illam culpam magnam 12 istius imaginis parvae
3 illius comitis fidi 13 istis muneribus parvis
4 illas sedes praeclaras 14 isti sorori carae
5 illi fines vasti 15 iste dux dubius
6 illo honore magno 16 istorum maritorum solorum
7 illa hieme longa 17 ista aqua placida
8 illud genus divinum 18 isti / istius campi vasti
9 illos pricipes bonos 19 istud mare vastum
10 illi / illo signo secundo 20 isti / isto auro multo
11.
vixistis vix = nauwelijks
appropinquat pro = voor; in = naar, in; at = maar
sperabam per = door; ab = vanaf
mutas ut = zoals, zodra
cucurri cur = waarom
relinquo in = naar, in; quo = waarheen
risisti si = als
flexerunt ex = uit
quaerere quae = wat, welke
12.
versie wending; lezing (wijze waarop iets verteld wordt) (vertere = draaien, wenden)
ex- als voorvoegsel geeft het aan dat iemand een bepaalde hoedanigheid niet meer heeft (ex = uit)
imago uitstraling (imago = beeld)
visie wijze van zien, opvatting (videre = zien)
exceptioneel uitzonderlijk (excipere = eruit nemen)
accept-giro een overschrijvingsformulier / wissel (middel om geld over te maken) dat je per post ontvangt (accipere = ontvangen)

Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 13

Taalblok Les 13
1.
a b c d e f
1 Q U A M I P
2 C U E Q S C
3 X U I U U Q
4 Q Q I B E U
5 S U U Q U A
6 C O Q U O S
2.
cuius m, v, o
quorum m, o
quo m, o
quem m
quae v, o
quibus m, v, o
quas v
cui m, v, o
quarum v
3.
qui ev, mv
quos mv
quod ev
quae ev, mv
quarum mv
quo ev
quibus mv
quorum mv
4.
1 Een slaaf die (qui) niet vlucht, is onverstandig.
2 De tempel, die (quod) in de stad staat, is van Juppiter.
3 Vergilius, die (quem) alle Romeinen kenden, leefde in de stad Rome.
4 Mensen, die (quos) de goden straffen, zijn ongelukkig.
5 Jupiter, voor wie (cui) Jarbas tempels bouwde, is een goede god.
6 Het lied, waarover (de quo) jullie hebben verteld, ken ik niet.
7 De heer, van wie (cuius) ik de slaaf ben, is beroemd.
8 De tempel, waarin (in quo) het beeld van een god is/staat, is hoog.
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 13
Opdrachten Tekst 13.A
1.
-
2.
Dido en Aeneas moet hun relatie beëindigen.
3.
a Mercurius begint te spreken in r. 6 en eindigt in r. 14.
b -
Vertaling Tekst 13.A Mercurius
Zodra Mercurius met zijn gevleugelde voeten de aarde had aangeraakt, zag hij
Aeneas, die nieuwe huizen aan het bouwen was. Hij droeg het zwaard
dat Dido hem had gegeven. Een purperen mantel, die Dido voor hem
gemaakt had, hing vanaf zijn schouders. Meteen viel Mercurius hem
5 aan met deze woorden:
‘Jij, die nu hoge fundamenten van Carthago plaatst / stort en
een mooie stad voor Dido bouwt, ach, waarom bekommer je je niet
om je eigen rijk? De vader der goden, die hemel
en aarde met zijn goddelijke wil bestuurt, zendt mij vanaf de heldere Olympus [weg].
10 Zelf beveelt hij me deze opdrachten voor jou door de lucht te brengen:
Waar ben je mee bezig? Met welke verwachting breng je de tijd in Afrika door
te midden van je vijanden? Als (dan al) geen enkel verlangen naar een rijk jou
beweegt / beroert, bekommer je dan
tenminste om Ascanius, die in Italië een rijk te wachten staat.
Niet staat het jou vrij in Afrika te blijven. De lotsbeschikkingen staan dat in de weg /
verbieden dat.’
15 Nadat hij deze woorden gezegd had, verdween hij uit zijn ogen
de lucht in. Door / van angst stonden Aeneas’ haren recht overeind en zijn stem
bleef steken in zijn keel. Hij brandt van verlangen om weg te gaan en meteen Afrika
te verlaten.
Vragen Tekst 13.A
4.
Aeneas
5.
Het nieuwe rijk in Italië
6.
Jupiter
7.
Verlangen naar een rijk
8.
want
9.
Hij is bezig huizen te bouwen in Carthago (r. 2) en hij draagt cadeautjes van Dido (r. 2-4).
10.
Bekommer je om je eigen rijk en niet dat van Dido (r. 6-8), denk aan de toekomst van Ascanius, die recht heeft op een eigen rijk (r. 12-13).
Vivat Roma! 1
Vervolg Antwoordmodellen Les 13.A
11.
Haec in r. 10 wijst vooruit naar de inhoud van r. 11-14.
Haec in r. 15 verwijst terug, naar de inhoud van Mercurius’ rede, r. 6-14.
12.
a In tekst 13.A is Aeneas druk bezig met de bouw van nieuwe huizen.
b Aeneas kijkt vol belangstelling naar Mercurius, Dido kijkt weg en doet alsof ze niks hoort.
c door de drie Cupidootjes (en het hondje!)
Taaloefening Tekst 13.A
5.
r. 2 qui nova tecta aedificabat
mannelijk, omdat het antecedent Aeneas mannelijk is
nominativus, omdat qui het subject is van de betrekkelijke bijzin
r. 3 quem Dido ei dederat
mannelijk, omdat het antecedent gladius mannelijk is;
accusativus, omdat quem het object is van de betrekkelijke bijzin
r. 3 quam Dido ei fecerat
vrouwelijk, omdat het antecedent palla vrouwelijk is
accusativus, omdat quam het object is van de betrekkelijke bijzin
r. 6-7 qui nunc … ponis et … construis
mannelijk, omdat het antecedent tu mannelijk is
nominativus, omdat qui het subject is van de betrekkelijke bijzin
r. 8 qui caelum terramque numine regit
mannelijk, omdat het antecedent pater mannelijk is
nominativus, omdat qui het subject is van de betrekkelijke bijzin
r. 13 quem in Italia regnum manet
mannelijk, omdat het antecedent Ascanius mannelijk is
accusativus, omdat quem het object is van de betrekkelijke bijzin

Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 13
Vertaling Tekst 13.B Dido
Intussen had de koningin een voorgevoel van de list van de Trojaanse leider -
wie kan immers iemand die verliefd is, misleiden? Die goddeloze Fama
had immers aan haar het plan van Aeneas overgebracht. In vuur en vlam (zo)als
een Bacchante ging ze tekeer door de hele stad. Tenslotte
5 sprak ze Aeneas uit eigen beweging aan met deze woorden:
‘Trouweloze, heb je ernaar verlangd stiekem van mijn land weg te gaan?
Waarom maak je je klaar om ’s winters over de zee te varen? Vlucht je voor mij?
Houdt / houden noch onze liefde, noch onze rechterhand, noch
de zekere dood van Dido jou vast / tegen? Bij deze tranen, bij
10 jouw rechterhand, bij ons huwelijk smeek ik je:
Heb medelijden met mij en laat dat plan varen!
Wegens jou haten de Afrikaanse volkeren en tirannen mij.
Wegens jou zijn mijn Tyriërs (mij) vijandig geworden.
Wegens jou is mijn goede naam te gronde gegaan.
15 Ik ben aan alle kanten geheel in de steek gelaten: ik heb zelfs niet een baby,
een klein Aeneasje, die met zijn gezicht / gelaatstrekken aan jou doet denken.’
(Zo) sprak ze / (Dit) zei ze.
Vragen Tekst 13.B
1.
De verteller
2.
a -
b Dido
3. t/m 7.
-
8.
Het zijn allemaal vragen.
Taaloefeningen Tekst 13.B
6.
Ruzie!
Op een (zekere) dag zat ik met mijn Griekse vrienden in een kroeg; mijn vrienden
vertelden veel en dronken goede wijn. Ik was zonder / had geen zorgen: ik zweeg en
3 luisterde. Wat gebeurde er toen?
Plotseling vielen mannen de kroeg binnen, met / onder luid geschreeuw vroegen ze
wijn, ze keken naar mij en mijn vrienden. Toen zei één deze / de volgende woorden: ‘Er
6 zitten toch geen Grieken in onze kroeg?’ En tegen mij zei hij: ‘Geef antwoord, man!
Jouw vader was toch geen Griek?’
Terwijl ik aarzelde te antwoorden, kwam één van mijn Griekse vrienden, een
9 reusachtige kerel, dichterbij en vroeg: ‘Zoek je ruzie, mannetje?’
Het mannetje zweeg echter en verliet snel met zijn vrienden de kroeg.
a In alinea 1 wordt de situatie geschilderd: imperfectum.
Vanaf alinea 2 begint het eigenlijke verhaal: perfectum.
b quid: r. 3, num: r. 5 en 7, -ne: r. 9
Vivat Roma! 1
Vervolg Antwoordmodellen Les 13.B
7.
1 O Venus, wie (quis) kan mij van zorgen bevrijden, behalve jij?
2 Wie (quem) kan ik aanroepen, behalve jou?
3 Van wie (a quo) verwachten de mensen hulp, behalve van jou?
4 Dus jou, grote godin, prijs ik, jou roep ik aan.

Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 13
Vertaling Tekst 13.C Aeneas
Maar Aeneas hield zijn ogen onbewogen en drukte zijn liefde(sverdriet) diep weg
in zijn hart. Tenslotte antwoordde hij enkele woorden:
‘Nooit, koningin, zolang als ik leef en deze adem mijn
ledematen bestuurt, zal ik de herinnering aan jou neerleggen / vergeten. Altijd
5 zal ik dankbaar en gedachtig aan onze liefde blijven / en aan onze liefde blijven
denken.
Ik heb niet (ernaar) verlangd deze vlucht te verbergen en ook heb ik nooit jou
een huwelijk beloofd. Nadat Troje door de Grieken ingenomen
was, hebben de lotsbeschikkingen mij en mijn makkers hierheen gevoerd / gebracht.
Dezelfde lotsbeschikkingen dwingen mij nu weg te gaan. Niet kan ik mijn leven leiden
10 zoals het mij bevalt / zoals ik wil. ’s Nachts waarschuwt mij het beeld van mijn vader
Anchises, dat me in mijn slaap verschijnt. Overdag waarschuwt de aanblik
van de kleine jongen Ascanius mij, die ik van (konink)rijk en
stad zal beroven, als ik in Afrika zal blijven. Ook Jupiter
zelf zond me zijn bode Mercurius vanaf de hoge Olympus,
15 die zijn opdrachten door de lucht overbracht en me beval
naar Italië te gaan. Zelf heb ik de god duidelijk in het licht
gezien en met deze oren heb ik zijn stem gehoord. Houd op ons
met klachten in vuur en vlam te zetten. Niet uit eigen beweging ga ik (op weg) naar
Italië!’
Vragen Tekst 13.C
1.
-
2.
genitivus ev
3.
Mercurius
4.
Mercurius
5.
a perfide, r. 6
b regina, r. 3
c Dido roept Aeneas emotioneel ter verantwoording en maakt hem verwijten, maar Aeneas schept bewust afstand door de koningin in haar functie aan te spreken.
6.
a r. 6: clam … cupivisti
b r. 10: per conubium nostrum
Taaloefeningen Tekst 13.C
8.
r. 11 quae mihi in somno apparet
nominativus vrouwelijk, omdat het antecedent imago vrouwelijk is en het betrekkelijk voornaamwoord quae onderwerp is van de betrekkelijke bijzin
r. 12 quem regno et urbe fraudabo
accusativus mannelijk, omdat het antecedent Ascanius mannelijk is en het betrekkelijk voornaamwoord quem object is van de betrekkelijke bijzin
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 13
r. 15 qui mandata per auram detulit et me iussit Italiam petere
nominativus mannelijk, omdat het antecedent Mercurius mannelijk is en het betrekkelijk voornaamwoord qui onderwerp is van de betrekkelijke bijzin
9.
1 Laocoön
2 Tenedus
3 Aeneas
4 Odysseus
5 Africa
6 Priamus
7 Venus
10.
1 Het Gerucht had het plan aan Aeneas overgebracht. Welk (quod) plan had het overgebracht?
2 Ik hoor liederen. Welke (quae) liederen hoor ik?
3 De Trojanen roepen hun aanvoerder met een / bij zijn naam. Met welke (quo) naam roepen zij hun aanvoerder?
4 Daar zie ik mensen. Waar (ubi) zie ik mensen?
5 De goden hebben Aeneas uit het gevaar gered.
Uit welk (quo) gevaar hebben zij hem gered?

Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 13

Vertaling Tekst 13.D De dood van Dido
Intussen had de koningin onder de (blote) hemel een brandstapel opgericht, waarop
ze de kleren van Aeneas had gelegd: [en] het zwaard, dat ze eens
van Aeneas gekregen had, en een afbeelding van de man, en het bed,
waarin ze vaak geslapen hadden. Zenuwachtig beklom ze deze
5 brandstapel. Ze nam het zwaard en zei / sprak haar laatste woorden:
‘Lieve / Zoete resten, ontvang / aanvaard deze ziel. De loop
van het leven, die het lot gegeven had, heb ik voltooid. Nu zal ik
als een schim onder de aarde gaan. Ik heb een zeer mooie stad gesticht,
ik heb mijn muren gezien. Ik zou gelukkig geweest zijn, als de schepen van de
10 Trojanen maar nooit mijn kust hadden aangeraakt. Maar laten we nu
sterven. Zo, zo, bevalt het me onder de schimmen / naar de onderwereld te gaan.’
Zo sprak ze. Vervolgens vervloekte ze Aeneas en doorboorde haar borst
met het zwaard.
Zodra Anna het gehoord had, kwam ze aanrennen. Ze beklom de brandstapel,
15 hield haar zuster op haar schoot, (en) stelpte / droogde het donkere bloed
met haar kleed. Driemaal probeerde Dido zich op te richten, driemaal rolde ze terug
op het bed. Zó brandde de wond onder haar borst.
Toen zocht ze met dwalende ogen in de hemel het licht en,
nadat ze het gevonden had, zuchtte ze. Zo verliet de ziel het lichaam van Dido /
20 de ziel van Dido haar lichaam.
Vragen Tekst 13.D
1. t/m 5.
-
6.
Berusting
7.
Goed: ze heeft een beroemde stad gesticht (r. 8)
Kwaad: dat ze Aeneas ontmoet heeft (r. 10)
8.
Nee, ze vervloekt hem (r. 12)
9.
Dido in gesprek met haar zus Anna (rechtsboven),
de jachtpartij (rechts),
Aeneas verlaat Dido, terwijl deze zichzelf doodt en Anna uit het raam hem nakijkt (linksonder),
de vloot van Aeneas op het punt te vertrekken - onder het toeziend oog van Venus (linksboven).
Taaloefening Tekst 13.D
11.
4 gladium - rogum - anima
Vivat Roma! 1
Ver volg Antwoordmodellen Les 13.D
Met de dood voor ogen
1.
Beide: uit pudor omdat ze zich (met name tegenover Sychaeus) schaamt voor de mislukking van haar relatie;
uit dolor, omdat ze zo’n liefdesverdriet had.
2.
In de Oudheid zag men zelfdoding als een geaccepteerde oplossing; in onze maatschappij wordt zelfdoding vooral gezien als een psychisch probleem en is zelfdoding niet geaccepteerd. Bovendien speelt het in onze tijd geen rol hoe je er na zelfdoding uitziet. Wel komt het voor dat politici en hoge zakenlieden, die bijvoorbeeld beschuldigd zijn van corruptie, zelfmoord plegen vanwege gezichtsverlies (pudor).
Overige Taaloefeningen Tekst 13.D
12.
1 pendule slingeruurwerk (pendere = hangen)
2 respect eerbied, ontzag (respicere = zich bekommeren om)
3 infantiel kinderlijk (infans = klein kind)
4 spontaan uit een opwelling voortkomend, (sponte = van zelf, uit eigen beweging)
vanzelf optredend
5 obstakel hindernis, belemmering (obstare = in de weg staan)
13.
1 Wie ben je?
2 Welke vrouw is op straat?
3 Van welke meester ben jij de slaaf?
4 Aan wie hebben jullie het geschenk gegeven?
5 Aan welke man heb jij het geschenk gegeven?
6 Wat heb jij beloofd?
7 Welk geschenk hebben jullie beloofd?

Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 14
Taalblok Les 14.
1.
De wolf en de zeven geitjes 6
a directe rede: r. 3, 4, 5, 7, 8, 11, 12, 15, 17, 18, 19, 20
indirecte rede: r. 12
b Eigen verwerking.
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 14
Opdrachten Tekst 14.A
1.
Eigen verwerking.
Vertaling Tekst 14.A Ontmoeting met Dido
Plotseling zag Aeneas in een dicht bos de schim van Dido ronddwalen.
Zodra hij haar door de duisternis heen (in de duisternis) herkend had, zei hij huilend:
‘Ongelukkige Dido, eerder had ik al gehoord
dat jij jezelf met het zwaard de dood had aangedaan.
5 Nu pas begrijp ik
dat dit bericht waar is geweest.
Ach, ben ik voor jou de oorzaak van jouw dood geweest?
Bij de sterren zweer ik, o koningin,
dat ik tegen mijn zin van jouw kust ben weggegaan.
10 Maar de bevelen van de goden, die me nu dwingen door deze schimmen
te gaan, dwongen mij toen van uw stad weg te gaan.
Niet geloofde ik
dat mijn vlucht u een zo groot kwaad bracht.
Waar ga je heen? Blijf staan, smeek ik je. Voor wie vlucht je? Vlucht je voor mij?’
15 Met deze woorden probeerde hij haar hart te ontroeren. Dido bleef staan,
maar (zij) hield haar ogen afgewend.
Onbeweeglijk stond ze (daar), zoals een harde eik of een ijskoude rots.
Tenslotte vluchtte ze vijandig weg naar een myrtebosje, waar
haar vroegere echtgenoot Sychaeus haar met grote liefde ontving / opving.
Vragen Tekst 14.A
2.
te
3.
accusativus: fugam meam, infinitivus: ferre
4.
a Dido wil tijdens Aeneas’ woorden weggaan.
b -
5.
De hardheid, onverzoenlijkheid van Dido
6.
a De goden dwongen mij te gaan (r. 10-11).
b In tekst 13.C beroept hij zich op de lotsbeschikkingen (r. 9-10),
daar kwam nog bij dat vader Anchises hem in zijn droom daartoe aanspoort en dat hij Ascanius te kort doet, als hij niet gaat (r. 10-11),
bovendien gaf Jupiter hem via Mercurius te verstaan dat hij moest vertrekken (r. 13-16).
Hij vertrekt niet uit eigen beweging (r. 18).
7.
inimica
Taaloefening Tekst 14.A
2.
r. 1 umbram … errare r. 9 me … decessisse
r. 4 te … intulisse r. 13 fugam … ferre
r. 6 hunc nuntium … fuisse
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 14
Vertaling Tekst 14.B Ontmoeting met Anchises
Zodra vader Anchises Aeneas over het veld zag naderen,
strekte hij blij zijn handen naar hem uit en riep uit:
‘Eindelijk ben je gekomen, mijn allerliefste zoon!
Eindelijk staat het me vrij jouw gezicht te aanschouwen en jouw stem te horen.
5 Vroeger/eerder had ik immers al gehoord
dat jij na veel omzwervingen uiteindelijk in Afrika aangekomen was;
dat koningin Dido jou en de jouwen vriendelijk in haar rijk opgenomen had.
Ook had ik gehoord
dat Jupiter Mercurius naar jou gezonden had;
10 dat deze jou bevolen had de koningin te verlaten en naar Italië te gaan.
Ik verheug me zeer
dat jij aan het bevel van Jupiter gehoorzaamd hebt.’
Zo sprak hij. Aeneas antwoordde:
‘O vader, jouw droeve beeld, dat mij vaak in mijn slaap
15 verscheen, heeft mij gedwongen hierheen af te dalen.
Geef mij je rechterhand. Onttrek je niet aan mijn kussen!’
Driemaal probeerde Aeneas zijn armen om de hals van zijn vader te leggen /
zijn vader te omhelzen,
driemaal ontvluchtte het beeld van Anchises (hem).
Vragen Tekst 14.B
1.
-
2.
audiveram (r. 5)
3.
Mercurius
4.
-
5.
De Tartarus
Zorg voor de doden
1.
In Nederland (+ = overeenkomst, – = verschil)
– wordt het lichaam van de gestorvene meestal niet thuis opgebaard
– wordt het lichaam ook eerder begraven (of gecremeerd)
± wordt het sterven ook vaak in het openbaar afgekondigd, maar dan door middel van een rouwadvertentie
± wordt in de begrafenisstoet geen muziek gemaakt; wel wordt er vaak tijdens een rouwdienst of crematie muziek ten gehore gebracht.
– worden er geen beroepsklaagsters ingehuurd
– worden in de begrafenisstoet geen beelden van gestorven voorouders meegedragen
+ wordt vaak een lijkrede uitgesproken
2.
a Van rechts naar links: drie muzikanten, twee klaagsters, slaven en familieleden
b De rechter klaagster slaat op haar borst, de linker trekt zich de haren uit
Vivat Roma! 1
Vervolg Antwoordmodellen Les 14.B
3.
a 2, b 1, c 7, d 6, e 5, f 3, g 4
Taaloefeningen Tekst 14.B
3.
a afhankelijk van b accusativus c infinitivus
audiveram r. 5 te advenisse
audiveram r. 5 Didonem accepisse
audiveram r. 8 Iovem misisse
audiveram r. 8 hunc iussisse
gaudeo r. 11 te paruisse
d overige acc functie
r. 6 multos errores na voorzetsel post
Africam na voorzetsel in
r. 7 te tuosque object bij accepisse
regnum na voorzetsel in
r. 9 Mercurium object bij misisse
te na voorzetsel ad
r. 10 reginam object bij relinquere
Italiam object bij petere
4.
1 Aeneas dicit iussa deorum Troianos abire coegisse.
2 Putat ea verba cor Didonis movere posse.
3 Dido autem dicit Sychaeum se iam magno cum amore excepissse.
4 Aeneas non gaudet Didonem in silvam effugere / effugisse.
5.
Audivi
1 quodam die paucos Troianos hominem invenisse.
2 eum hominem Graecum esse.
3 Troianos eum ante regem Priamum traxisse.
4 Sinonem de equo ligno narravisse.
5 multos Troianos verbis eius credidisse.
6 itaque Troianos equum in urbem traxisse.
6.
Romanus narrat
1 quodam die amicos Graecos in caupona fuisse.
2 amicos vinum multum bibisse.
3 subito viros Romanos cauponam intravisse.
4 eos magno clamore vinum petivisse.
5 Tum unum e viris haec verba dixisse ......
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 14
Vertaling Tekst 14.C De zielen in de onderwereld
Intussen zag Aeneas in een dal een vredige rivier.
Rondom deze / Hieromheen vlogen ontelbare stammen en volkeren,
zoals bijen in de zomer rond witte lelies vliegen:
het hele veld weerklinkt door / van het gezoem.
5 Aeneas huiverde en vroeg zijn vader over / naar de redenen:
‘Zeg mij, vader: welke rivier is dit? (lett.: Welke is deze rivier?)
Welke mannen vullen in zo'n grote stoet de oever?
Toen antwoordde vader Anchises zijn zoon:
‘Dat is de rivier de Lethe.
10 Dit (lett.: Dezen) zijn geen mannen, maar zielen van gestorven mannen / mensen.
Ik zal je alles uitleggen.’
En vader Anchises leerde zijn zoon
dat de zielen in lichamen opgesloten zijn als in een kerker,
dat zij na de dood naar de onderwereld gaan,
15 dat een god de zielen vervolgens bij de rivier Lethe samenroept,
dat de zielen daar een lange vergetelheid (in)drinken,
dat zij tenslotte in nieuwe lichamen terugkeren.
Vragen Tekst 14.C
1.
fluvium (r. 1)
2.
-
3.
animae (r. 13)
4.
a Het water van de rivier de Lethe.
b Het drinken van het water zorgt ervoor dat de zielen zich niets meer herinneren, dus drinken ze als het ware vergetelheid.
5.
Ze vliegen beiden om iets (dat ze begeren).
6.
Opgesloten als in een kerker
7.
c
8.
a de veerman Charon
b Cerberus
c een koek met verdovende kruiden voor Cerberus
d vader Anchises
Taaloefening Tekst 14.C
7.
r. 13 ‘animae in corporibus inclusae sunt sicut carcere,
r. 14 eae post mortem ad inferos eunt,
r. 15 deus deinde animas ad fluvium Lethaeum convocat,
r. 16 animae ibi longum oblivium potant,
r. 17 eae postremo in nova corpora revertuntur.’ (Deze ww-vorm ken je nog niet!)
Vivat Roma! 1
Antwoordmodellen Les 14
Vertaling Tekst 14.D De voorspelling van vader Anchises
Vader Anchises wees onder de menigte [van] zielen
bepaalde uitstekende mannen met zijn vinger aan en zei:
‘Kijk, hier zie je jouw toekomstig geslacht: (de) Romeinen,
die uit onze wortel geboren zullen worden.’ En hij toonde zijn zoon
5 de stichters van Rome, de trotse koningen, de consuls en
de helden van de republiek (en) de goddelijke Augustus. Toen zei hij:
‘De Grieken zullen [weliswaar] beter standbeelden van marmer
kunnen houwen en processen voeren en met een passer de omwentelingen
van de hemel beschrijven.
10 Maar jouw kunst zal het zijn, Romein, volkeren met je gezag
te besturen, een rechtvaardige vrede op te leggen, de onderworpenen
te sparen en de trotsen te overwinnen.’ Zo zette Anchises
het hart van Aeneas in vuur en vlam met liefde voor zijn toekomstige roem.
Vervolgens liet hij zijn zoon uit de onderwereld gaan. Aeneas ging blij
15 naar de schepen terug, waar zijn makkers en de kleine Ascanius
op hem wachtten. In zijn geest bleven de woorden van zijn vader
altijd / almaar vastzitten: ‘Jouw kunst zal het zijn, Romein, volkeren
met je gezag te besturen, een rechtvaardige vrede op te leggen, de onderworpenen
te sparen en de trotsen te overwinnen.’
Vragen Tekst 14.B
2.
Het is een nadere uitwerking van / bijstelling bij prolem.
4.
poterunt (r. 9)
7.
Monarchie en republiek: reges en consules
8.
Eigen verwerking.
9.
Zijn vader had hem, door de voorspelling van Rome's grootheid, weer zin in zijn opdracht gegeven.
10.
a De overwonnenen staan links, de Romeinen rechts.
Achter de Romeinse aanvoerder zijn nog Romeinse soldaten zichtbaar.
b Zij kussen de hand van de Romeinse aanvoerder.
11.
a Onder de ogen van een Romeinse consul (de hoogste ‘ambtenaar’) (rechts achter) slaat (op de voorgrond) een beul bij een trotse overwonnene het hoofd af. Op de achtergrond staan naast de consul Romeinse soldaten met veldtekens en nog een trotse (maar smekende) overwonnene.
b Op de voorgrond ligt rechts een afgeslagen hoofd, links een kroon van de overwonnene.
Vivat Roma! 1
Vervolg Antwoordmodellen Les 14.D

12.
1 Aeneas arriveert met de Sibylle bij de oever van de Styx, waar de zielen van overledenen zitten te wachten op de overtocht in het bootje van Charon.
2 Aeneas en de Sibylle worden door Charon de Styx overgezet (links),
ze lopen Cerberus tegen het lijf, voeren hem de koek (midden)
en begeven zich naar de schimmen van de te vroeg gestorven mensen (rechts: dit staat niet in onze tekst).
3 Aeneas en de Sibylle komen bij de Tartarus (links).
In het midden, in het Elysium, ontmoeten ze vader Anchises,
rechts zetten ze hun tocht voort.
Pluto en Proserpina
1.
Ceres is de godin van de landbouw. Als ze verdrietig is, zorgt ze niet goed voor de gewassen. Daardoor verkommeren die en lijkt het of ze met haar mee treuren.
2.
Ceres, Mercurius, Proserpina
Taaloefeningen Tekst 14.D
8.
1 kandidaat iemand die in aanmerking komt (of denkt te komen) om benoemd /
verkozen te worden in een bepaalde betrekking
In Rome was iemand die gekozen wilde worden in een bepaalde functie, in een witte toga gekleed. (candidus = wit)
2 intelligent knap, vlug van begrip (intellegere = begrijpen)
3 docent leraar (docere = onderwijzen)
4 signaal teken, sein (signum = teken)
5 tendens neiging, geneigdheid (tendere = uitstrekken)
6 explicatie uitleg (explicare = ontvouwen)
9.
1 Aeneas ging uit / na het gevecht naar zijn vader Anchises.
Hij spoorde hem aan samen met ons Troje te verlaten,
maar Anchises zei dat hij de stad niet kon verlaten.
2 Toen zei Aeneas dat er al veel Trojanen waren gedood.
3 Hij zei: ’O vader, door de vlucht / te vluchten kunnen we ons redden.’
4 Zijn vader antwoordde dat hij niet uit de stad kon vluchten.
10.
1 De Trojanen meenden dat het houten paard een geschenk van de Grieken was.
2 De priester Laocoön zei echter dat het een hinderlaag van de Grieken was.
3 Want hij meende dat in het paard zelf soldaten verborgen waren / zaten.
4 Toen vielen slangen de priester aan en doodden (hem).
5 De Trojanen zeiden dat de goden hem gestraft hadden.
Slotopdracht
1.
VERGILIUS
2.
Vergilius was de schrijver die het epos over Aeneas schreef.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

J.

J.

geweldig!!! ik gebruik het al sinds klas 1! ookal hebben maaike en ray gelijk: het zou fijn zijn als boek 2 er ook was

2 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

R.

R.

hee, hebben jullie hiervan ook vivat roma boek 2???

6 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

M.

M.

heyy, superhandig, dit, maar ik vraag me af: heb je ook van boek 2?

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

S.

S.

Superfijnnnnn yeah

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

L.

L.

lalalaa.
super handig
&
super bedankt
lalalaa.

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

P.

P.

Heel erg bedankt! Ik controleer hier altijd de teksten en opdrachten!

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

L.

L.

supersupersuperbedankt! het is egt supersuperhandig!

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

<.

<.

Thank you so much! Ik kijk er altijd op!
xx

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

D.

D.

GO, Anoniem!!
Haha,
super handig thanx:p
xx

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast