Tekstvragen, Module 3

Beoordeling 5.9
Foto van een scholier
  • Antwoorden door een scholier
  • 4e klas havo | 521 woorden
  • 4 september 2008
  • 8 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.9
  • 8 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!
Geschiedenis SO §2.5 t/m §3.1

1. Welke economische overeenkomsten en verschillen bestonden er tussen de VS en Nederland in de jaren 20?

Overeenkomsten: * Stedelijk levenspatroon was hetzelfde
* Er ontstonden steeds grotere bedrijven
* Arbeidsproductiviteit in de industrie steeg enorm
* In de landbouw ging het niet goed
* Lonen stegen
Verschillen: * Nederlandse massamedia waren verzuild en minder commercieel dan de Amerikaanse
* Industriële ontwikkeling in NL vond veel later plaats dan die in de VS


2. Wat was “het parool van de Nederlandse overheid”?

Zo min mogelijk ingrijpen in de economie: laissez-faire.

3. Om welke redenen was de uitwerking van de regeringspolitiek anders dan in de VS?

* WO I had voor veel werkloosheid gezorgd dus was er al een begin met de steunregeling.
* Regering geschrokken door oproep tot revolutie, men ontwikkelde sociale wetten om de arbeiders rustig te houden.

4. Hoe kwam het dat ook in NL de economie instortte?

NL was economisch sterk afhankelijk van andere landen. Toen daar de economie instortte kon NL minder exporteren.

5. Welke gevolgen had de crisis in NL?

* Stijgende werkloosheid
* Dalende export
* Vlucht van bedrijven naar het buitenland om de importtarieven daar te ontlopen
* Loonsverlaging

* Stakingen

6. Waarom voelden velen er niets voor om de steun te accepteren?

Steun accepteren was erg vernederend.

7. Wat was het criterium voor het geven van steun?

Je moest “van waarde zijn voor het productieapparaat
8. Voor wie had het bovenstaande criterium nadelige gevolgen? Hoe moesten deze groepen dan in leven blijven?
* Jongeren
* Vrouwen
* Ongeorganiseerden
Deze groepen waren afhankelijk van de familie en de kerkelijke armenzorg
9. Hoe reageerde de Nederlandse overheid op de crisis? Noem 3 zaken!
* Bezuinigingen (op ambtenarensalarissen en uitkeringen)
* Vasthouden aan de gouden standaard
* Crisiswetten die vooral gericht waren op hulp aan de landbouw
10. Leg met behulp van een voorbeeld het verband uit tussen de Gouden Standaard en het dalende exportcijfer.
De waarde van de munten veranderde waardoor de export afnam

11. Hoe wilde de SDAP de crisis aanpakken?

Meer overheidsbestedingen werk voor mensen mensen krijgen loon
mensen kunnen Geld uitgeven bedrijven meer produceren enz.

12. Waarom werd het SDAP voorstel niet toegepast? Noem 2 redenen.

* De SDAP werd gewantrouwd vanwege haar oproep tot revolutie in 1918
* Men vond deze ideeën teveel lijken op staatssocialisme

13. Welke gevolgen had de demobilisatie voor de Amerikaanse economie?

* Oorlogsindustrieën schakelden over op de productie van duurzame consumptiegoederen. (men had tijdens de oorlog veel verdiend en gespaard)
* De terugkerende soldaten moesten weer opgenomen worden in het arbeidsproces.

14. In hoeverre is de fair deal geslaagd?

Truman realiseerde * Hoger minimumloon
* Beter sociaal verzekeringsstelsel
* Woningbouwprogramma
* Steun aan de boeren
Verdere uitbreiding van de sociale wetgeving mislukte

15. Leg uit waarom Truman niet al zijn ideeen kon verwezenlijken.

* Hij was een democraat en kreeg te maken met een republikeins congres.
* Hij had zijn handen vol aan de koude oorlog.
16. verklaar de groei van de amerikaanse economie van 1945 tot 1970.
Babyboom zorgde voor stijgende vraag naar producten. Productiviteit
groeide door nieuwe toepassingen

17. Hoe werd gezorgd voor een stabiele economische groei?

* Federale overheid ging een grotere rol spelen: door sociale verzekeringen bleef het inkomen ook tijdens recessies op peil.
* Overheid ging zelf minder besteden

18. Welke groepen profiteerden vooral van de fair deal? En welke niet?

De (blanke) arbeiders en middenklasse wel, armen waaronder veel zwarten niet.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.