Deugdelijk leven: een inleiding in de deugdethiek



Hoofdstuk 1: Van ethiek naar deugdethiek



Eindtermen

1 Ethiek is een onderdeel van de filosofie. Ethiek is een praktische filosofie, net als de politieke filosofie. Als praktische filosofie onderscheiden de politieke filosofie en de ethiek zich van de theoretische filosofie, zoals de logica, de metafysica en de kenleer. Het gaat in de ethiek niet over de niet- menselijke wereld, maar over de mens als een wezen dat handelend optreed.

Metafysica: Metafysica houdt zich bezig met uitspraken over de aard van de werkelijkheid. Bijvoorbeeld: Is alles één? Is er alleen veelheid?



Samenhang = Zonder ideeën over de aard van de werkelijkheid is het onmogelijk vast te stellen wat het goede leven is.

Antropologie: Antopologie is menskunde.

Samenhang = Je moet een bepaald mensbeeld hebben vastgesteld om te kunnen bepalen wat het goede leven is. Bijvoorbeeld: Is de mens verantwoordelijk voor al zijn daden? (Denk aan ontoerekeningsvatbaarheid)

Sociale filosofie: Houdt zich bezig met omgangsvormen en verhoudingen tussen mensen. Bijvoorbeeld: Wat maakt ons tot een samenleving? En: Mogen daarin ongelijkheden bestaan?

Samenhang = - Alle ethiek is gericht op anderen (omgangsvormen)

- Alle ethiek is gericht op jezelf (ethisch egoïsme)

Godsdienstfilosofie: Zinsgevingsvragen. Bijvoorbeeld: Wat is de zin van het leven?

Samenhang = Stel vast wat de zin van het leven is en dan kan je jezelf daarop instellen qua deugden. Je bent een beter mens naarmate je meer naar de zin van het leven toeleeft.

Epistemologie: Epistemologie is kenleer, dat wil zeggen ideeën over werkelijkheid.

Samenhang = Je hebt ideeën over de werkelijkheid nodig, om een oordeel te kunnen vellen over wat het goede leven precies is.





2 1: Deugdethiek = Een goed leven is een leven waarin een mens zijn deugden ontwikkeld en toont in handelingen.

Casus = Piet ziet dat er een klein jongetje door drie grote jongens in elkaar wordt geslagen. Hij stapt erop af (met het risico dat hij zelf iets oploopt) en zegt er iets van.

Piet beoefend de deugd moed. Ondanks dat hij weet dat hij zelf in elkaar geslagen kan worden, strijd hij toch voor waar hij in gelooft, namelijk dat een strijd tussen 3 grote jongens en 1 kleine niet eerlijk is.

2: Plichtethiek = Handel steeds volgens die maximum waardoor je kunt willen dat zij een algemene wet werd.

Casus = Vegetarisme. Iedereen zou vegetarisch moeten worden, want het zal meewerken aan een betere wereld.

3: Consequentialisme = Een handeling is moreel juist desda die handeling een overwicht van goed over kwaad tot stand brengt voor zoveel mogelijk betrokkenen, meer dan enig beschikbaar alternatief.

Casus = uitbreiding Schiphol ? wat zijn de effecten van deze uitbreiding?



3 De deugdethische benadering houdt in dat je deugden moet ontwikkelen en beoefenen in je leven zodat je een ‘geslaagd persoon’ bent aan het eind van je leven. Geslaagd houdt in moreel juist.

Poièsis = Het doel van de activiteit ligt buiten de activiteit zelf.

Bv. bij het maken van een tafel. De tafel maakt zelf geen deel uit van de activiteiten om de tafel te maken. Als het doel is bereikt (de tafel) dan houden de activiteiten op. Poièsis is een manier van handelen.

Praxis = Menselijk handelen waarvan het doel in de handeling zelf ligt. Bv. voetbal. Doel van het spel is plezier hebben in het spel. Het doel ligt in het spel zelf. Dit doel kan alleen bereikt worden door het spel te spelen. Praxis is een manier van handelen.

Morele praxis = Een handeling is moreel (goed of fout) wanneer en voorzover die deel uitmaakt van de omvattende praxis van het leven, zich voegt naar (of ingaat tegen) de daaraan inherente regels en bijdraagt aan (of afbreuk doet aan) de realisering van het daaraan inherente doel. Morele praxis is het leven van het leven.



Hoofdstuk 2: Waarom deugdethiek?



Eindtermen

1 Normen zijn regels, maatstaven, voorschriften. Objectief. Hebben een negatieve toon, omdat ze vaak expliciet of impliciet verboden zijn.

Waarden hebben een toegekend belang. Het is dat wat je ideaal vind aan een object. Subjectief. Doorgaans positief. Ze formuleren een optimum.

Verband tussen normen en waarden = Het is allebei een beoordeling over een levenswijze. Hoeveel waarde hecht jij aan bepaalde dingen? Vind je ze normaal of juist bijzonder?

De deugdethiek is een bruggetje, want ? als je de deugd beoefend, houdt je je natuurlijk aan de normen en realiseer je je waarden.



2 Pluralisme= veelheid aan opvattingen

Relativisme= de normen en waarden van anderen (meestal culturen) zijn gelijkwaardig aan je eigen normen en waardenstelsel

Verband keuzevrijheid= Individuen maken hun eigen keuzes. Waarden worden niet meer gedeeld door de samenleving. Juist voor eigen keuzes moet je respect hebben.

Manier waarop de deugdethiek gevaren kan afwenden= Je moet andere normen en waarden natuurlijk respecteren, MAAR je moet ook het beste met jezelf voor hebben (kijk naar roken). Relativisme leidt tot nonchalantie en onverschilligheid (kijk naar Islam in Nederland)



3 Waarom zou ik een moreel juist leven willen leiden?

Je wilt het goede voor jezelf, dus zal je voor een ethiek kiezen die in het verlengde van het natuurlijk verlangen ligt. En dat is de deugdethiek. De deugdethiek is gericht op het individu en ligt dus in het verlengde van ons natuurlijke verlangen.

Verschil Kantiaans= Kantiaans = plichtethiek. Handel alleen volgens die maximum waarvan je zou willen dat die een algemene wet werd. Het verschil is dat de deugdethiek je niet dwingt tot het doen van bepaalde handelingen, in tegenstelling tot de plichtethiek. Je hoeft je plicht niet met plezier te doen, als je het maar doet!

Verschil utilistisch= Utilistisch= Voor zoveel mogelijk mensen gunstig. De deugdethiek is een meer individualistische ethiek dan de utilistische manier. Bovendien is een utilistische ethiek niet mogelijk in een pluralistische samenleving.



Hoofdstuk 3: Grondlijnen van een deugdethiek



Eindtermen

1 Teleologie. Telos = doel/ bestemming.

Je moet een doel stellen, een bestemming wat je aan het eind van je leven wil bereiken.

Het goede leven van de mens hangt af van het wezen van de mens. Wat is nou dat wezen? Dat is de rationaliteit.

Om je bestemming te bereiken beschik je over geschiktheid. Je bent zo ingericht dat je dat doel kunt bereiken. Wanneer wordt je geschiktheid een deugd? Op het moment dat jij die geschiktheid toont het juiste midden weet te tonen. Dat maakt de meeste mensen gelukkig.

We moeten streven naar eudaimonia (‘gelukt zijn’) ? een toestand waarin je alle geschiktheid/ deugden hebt weten te ontplooien.



2 Plato Een mens heeft zowel een emotionele lichamelijke kant (dierlijk) als een rationele (menselijke) kant. De rationele kant moet zoveel mogelijk ontwikkeld *** worden. Het doel van menselijk leven lijkt er dan in te bestaan geheel rede te worden, en te worden bevrijd van wat ons aan het dierlijke, aardse, lichamelijke bind.

Nietzsche De rationele kant van de mens belemmert hem een natuurwezen te zijn. Volg je emotionele fysieke kant. Wees een schepper!

*** Aristoteles Aristoteles erkent onze lichamelijke kant en onze rationele kant. Je praktische verstand helpt je het juiste midden te vinden tussen twee extremen.



3 Deugdethiek = zelfverwerkelijking. Een deugdzaam mens is een mens dat is gelukt of beantwoord aan datgene waarvoor hij is bedoeld. De mens heeft een doel waar hij naartoe streeft. De deugden helpen je om dat doel in je leven te verwezenlijken en jezelf te verrijken. Een deugdig persoon is een persoon die zichzelf heeft onplooit en verrijkt. Dit is helemaal niet eenvoudig. Sterker nog het is nog best een kunst om als ‘een goed mens’ te leven.

En daarom is zelfverwerkelijking ook wel een levenskunst. De deugdethiek is een kunst op zich om het leven te leiden.



4 Essentialisme = Dingen, gedragingen en toestanden hebben een doel.

Doelen van menselijke levens wisselen per individu (niet objectief, maar subjectief).

Kritiek = * Doelen zijn subjectief

* De natuur heeft geen doel (behalve misschien overleven)

Geen argument tegen teleologisch denken = * Er zijn enkele doelen die worden geobjectiveerd (voorbeeld vakantie, het doel ligt dan in het begrip opgesloten)

* Het doel is er altijd, alleen de interpretaties verschillen (MacIntyre)



5 Optimistisch = De deugdethiek is een ethiek die ligt in het verlengde van het (natuurlijke) verlangen. Het goede dat we moeten doen is precies dat wat we ook eigenlijk willen, en waarop we dus in feite al zijn gericht. Bovendien zijn we ook van nature geschikt om te realiseren waarop we zijn gericht.

Hoe verhoudt het Christendom zich tot het kwaad? = Het Christendom zegt dat het kwaad een bewuste keuze is. Je doet iets kwaads omdat je het wil. Er is een dualisme van verlangens.

Hoe verhoudt de deugdethiek zich tot het kwaad? = Wie niet deugd is bij Aristoteles/ Plato iemand die zich vergist of nog niet volgroeid is. Vergissingen komen voort uit onwetendheid.



6 Macro (groot) Je ziet eerder structuren en instituties dan menselijke handelingen

Meso (midden) Institutioneel handelen, maar voorzover daarin het individuele handelen duidelijk kan worden herkend.

Micro Het individuele handelen

Hoe moet de verhouding tussen individu en samenleving opgevat worden?

De deugdethiek gaat voornamelijk over het individu. Maar het individu kan zonder anderen niet optimaal verwezenlijkt nodig. Hij heeft dus anderen nodig om deugdelijk te zijn.

Vb. Als je kinderen doodongelukkig zijn, dan kan jij ook niet gelukkig zijn.

De mens moet individueel bijdragen aan de optimalisering van de samenleving. Pas als de samenleving in orde is, zal het individu zich optimaal kunnen verwerkelijken.



7 In de huidige samenleving spelen het pluralisme en het individualisme een veel grotere rol dan in de tijd van Aristoteles. In de tijd van Aristoteles was het ideaal van de samenleving, tegelijk ook het ideaal van het individu. De deugdzame stond dan ook gelijk in aanzien in de samenleving. In onze tijd is dat heel anders. Omdat iedereen verschillende idealen heeft, betekend het begrip ‘deugdzaamheid’ voor iedereen iets anders. Een deugdzame voor de één is misschien een ondeugdzame voor de ander.



Hoofdstuk 4: De deugd



Eindtermen

1 Aristoteles over de deugd:

De deugd is een houding die ons in staat stelt ons handelingen voor te nemen, en die het midden houdt in relatie tot ons, een midden zoals dat bepaald is door een overleg (de rede) en wel zoals een verstandig mens het zou bepalen.’

Uitleg:

De deugd is een houding die met keuze te maken heeft, dat wil zeggen: die voortkomt uit gemaakte keuzes en die disponeert tot het maken van de juiste keuze. De juistheid van die keuze betekend dat ze steeds het midden weet te vinden. Dat midden is weliswaar altijd relatief, maar wordt niettemin door een maat bepaald, een maat die we zien in de verstandige.



2 De juiste keuze is een keuze voor het midden. Aristoteles bedoelt dat je bij een situatie moet kijken naar de extremen (wat zou overdreven zijn hoe je in een bepaalde situatie zou kunnen handelen) en daarna het midden bepalen. Volgens Aristotels, is het midden altijd ‘de gulden middenweg’.

Het juiste midden is niet altijd het ‘precieze midden’ tussen twee extremen. Het hangt altijd af van de situatie. Je moet altijd eerst de situatie analyseren en daarna beslissen wat het juiste midden is. Bijvoorbeeld bij de deugd moed. De twee extremen zijn lafheid en overmoed.

Als er een beer in het bos rondloopt waarin jij logeert, en hij heeft je voedselpakket meegenomen, dan ligt het midden waarschijnlijk dichter bij lafheid dan bij overmoed. Een beer is namelijk gevaarlijk en als je te moedig bent, dan kan je je eigen leven riskeren.



3 Deugd als houding: De deugdethiek is een bepaalde houding die je wederkerig aanneemt. Hierdoor wordt het een gewoonte en kom je bij het deugdzame.

Voorbeeldfunctie: Deze houding is het makkelijkst aan te nemen, door te kijken naar de voorbeeldige, verstandige mensen. Door te kijken naar voorbeeldige mensen, kan je je houding verbeteren.



4 Phronèsis = Het praktische verstand= De phronèsis is een manier van denken, die in het Nederlands vertaald wordt als morele verstandigheid. Het is een intellectuele deugd, maar wordt bij elke karakterdeugd voorondersteld. Met de phronèsis proberen we denkend ons eigen handelen en dat van anderen te sturen. Het inschatten van het juiste midden van bepaalde situaties.

Met de andere manier van denken proberen we denkend te begrijpen hoe de werkelijkheid buiten ons in elkaar zit.

Samengevat: Eerst wordt de situatie geschetst door de ene manier van denken (het theoretische verstand = de sophia) en vervolgens wordt door de phronèsis manier van denken bepaald hoe te handelen in de gegeven situatie. De phronèsis stuurt bij het vinden van het juiste midden. Dit heeft natuurlijk te maken met de karakterdeugden: het inschatten van het juiste midden in een bepaalde situatie.



Hoofdstuk 5: De deugden (verschillende visies)



Eindtermen

1 Inductieve methode = (van specifiek ? algemeen)

Deductieve methode = (van algemeen ? specifiek)

De vier kardinale deugden staan centraal:

- Moed -Matigheid -Verstandigheid -Rechtvaardigheid

De deugden waar het in het dagelijks leven om draait.

Waarom zijn deze 4 nu zo belangrijk, dat ze al zo’n 2000 jaar als de centrale deugden gelden?

1: Plato -> De kardinale deugden vormen een samenvatting van alle deugden die je zou kunnen bedenken: ze vormen het deugdelijk geordende geheel van de deugden van elk van de drie aspecten van de mens: van de lichamelijkheid, van de psychische gesteldheid en van het vermogen om te denken en denkend leiding te geven aan het eigen handelen.

2: Aquino -> Door de 4 kardinale deugden onder te verdelen, krijgen we een schema van zeer vele deugden

SAMENVATTEND OP DE VRAAG: Alle andere deugden kunnen geplaatst worden in het schema van de 4 kardinale deugden.



2 De structuur van Aristoteles

Intellectuele Deugden Karakterdeugden

- Wijsheid ( Sophia)

Theoretische verstand

(kennis, inzicht, wijsheid)

(het bedrijven van de filosofie + wetenschap) Lafheid Moed Roekeloosheid

- Verstandigheid (Phronesis)

Praktische verstand

Het toepassen van het theoretische verstand

Wat moet ik doen? Ongevoeligheid verlangens Matigheid Onmatige bevrediging van bepaalde zintuiglijke verlangens

Gierigheid Vrijgevigheid Verkwistende spilzucht

Bekrompen krenterigheid Royaliteit Vulgair gepronk

Nederige armoede Grootmoedigheid Ijdelheid

Gebrek aan eergevoel Juiste Ambitie Eerzucht

Gelatenheid Bedaardheid Opvliegendheid

Norsheid Vriendelijkheid Overdreven vleierij

Valse bescheidenheid Zelfinschatting/ fierheid Opschepperige grootspraak

Lompe humorloosheid Geestigheid Lolbroekerige grappenmakerij



3 Onrechtvaardigheid Rechtvaardigheid Onrechtvaardigheid



Mens Samenleving





Algemene rechtvaardigheid = Volgens de wet

Speciale rechtvaardigheid = Wat gelijkheid respecteert Distributief (naar verdienste)

Correctief (vergoeding schade)

Waarom is rechtvaardigheid het meest gecompliceerd ? Omdat rechtvaardigheid tal van verschillende opvattingen heeft.



4 Plato gaat ervanuit dat dat wat goed is, wel moet beantwoorden aan de 4 kardinale deugden.

Volgens Plato is er een sterke parallellie tussen de politieke structuur van de samenleving en de psychische structuur van elk mens. Zoals er in de samenleving verschillende groepen mensen zijn, zo kan ook binnen de individuele mens een driedeling worden gemaakt. Een mens bestaat uit drie lagen: de laag van de begeerte (verdeeld in de buik, en als we die ruim genoeg nemen hebben we het domein waarop de deugd van de matigheid vooral van toepassing is : eten, drinken en seks); de laag van het gemoed (verbeeld in het hart, het domein waar de verontwaardiging haar oorsprong vindt- waaraan de deugd van de moed de juiste vorm geeft); en de laag van het verstand (verbeeld in het hoofd- en waarmee verwezen wordt naar de deugd van de verstandigheid, zonder welke de andere deugden niet weten wat ze moeten doen).

De rechtvaardigheid wordt de hoogste deugd genoemd omdat zij ervoor zorgt dat alle onderdelen hun juiste plaats hebben. Een samenleving is rechtvaardig als daarin iedereen zijn plaats weet en accepteerd. En een mens is rechtvaardig als in hem de drie lagen op de juiste manier geordend zijn. Wanneer het hoofd niet meer boven de buik staat maar daaraan onderworpen wordt, is die mens niet in orde!

De kardinale deugden vormen met andere woorden een samenvatting van alle deugden die je maar zou kunnen bedenken: ze vormen het deugdelijk gordende geheel van de deugden van elk van de drie aspecten van de mens: van de lichamelijkheid, van de psychische gesteldheid en van het vermogen om te denken en denkend leiding te geven aan het eigen handelen.



5

Christendom geìnspireerde ethiek van Augustinus Intellectualisme van Plato en Aristoteles

Hoewel iemand inziet wat hij moet doen, maar het toch niet doet is te verklaren door een derde kracht die in opstand kon komen tegen het denken. Het Christendom zag dit als het kwaad van de zonde : opstand of verzet tegen het goede. Augustinus geloofde dat de wil van de mens werd bepaald door God. `Als je goed leert inzien wat echt goed voor je is, zul je daarnaar streven en dus goed zijn.`

Je hebt `denken` en je hebt `streven`, maar `willen` speelt geen hoofdrol.

Alles wat er goed kan zijn aan een mens, kan ook slecht zijn, behalve de goede wil. De goede wil blijkt het enige wat niet ook slecht gebruikt kan worden. De kern van de deugd ligt dus ind de wil. Deugdzaam zijn betekend vanaf nu principieel :van goede wil zijn.



6 Voorbeelden ervan staan in het schuingedrukt.

MAAT MOED RECHTVAARDIGHEID WIJSHEID

Bestanddelen Schaamte Zulke die nodig zijn om te handelen Vermijden van kwaad en het doen van het goede Ervaring en Inzicht

Soorten Onthouding Vertrouwen en Grootmoedigheid Distributief (kijk eindterm 3) Politieke kwesties

Uitwerkingen / Toepassingen Zelfbeheersing Toepassing op meer of minder grote gevaren Eerbied (afhankelijk van de persoon) Oordeelsvermogen

Bestanddelen zijn de fundamenten: Wat is ervoor nodig om deze deugd te hebben?

Soorten: Welke soorten bestaan ervan? (Zoals paarden, koeien)

Uitwerkingen: Welke uitwerkingen zijn er bij het toepassen van deze deugd?

De rechtvaardigheid blijkt de meeste onderverdelingen te hebben, zodat opnieuw haar status als hoogste deugd bevestigd wordt.



7 Theologale deugden : - Geloof (kennis God)

- Hoop (Vertrouwen in God)

- Liefde (het beminnen van God’



Theologale deugden Karakterdeugden en intellectuele deugden

Geloof = Wijsheid bij Aristoteles

Liefde = Vriendschap bij Aristoteles

Theologale deugden zijn deugden die betrekking hebben op het geloof van het individu.

Karakterdeugden en intellectuele deugden hebben betrekking op het leven van het individu.



8 Generositeit = een zekere mildheid over jezelf ervaart die je verteld dat het goed is als je wat goed gedaan hebt.

Echte kennisuitspraken waren clair et obscur ?helder en onderscheiden.

Alleen die passies die zuiver en welonderscheiden zijn, zijn deugdelijk. Er mag niets van zelfbelang inzitten Alleen dat is nastrevenswaardig.

Het moet ook haalbaar zijn (in mijn macht ).

Generositeit als centrale deugd, omdat : welwillendheid tegenover jezelf als een wezen dat zijn wil ten goede inzet. Je moet dingen met opzet doen.



9 De deugdethiek van Aristoteles= De mens is een exemplaar van een soort van 0 naar tèlos.

Tèlos = eudaimonia= ‘human flourishing’ , qua intellectuele en karakterdeugden ‘gelukt’.

De deugden helpen je om het eudaimonia te bereiken.

De kritiek van Kant = Het draait in het leven niet om deugden, maar op plichten. Elk mens, elk redelijk wezen, weet dat hij onder een morele verplichting staat. Met dit weten- het geweten- begint de moraal. Alleen de mens is rationeel en heeft een geweten. Hiermee onderscheidt het zich van de natuur. Het geweten is dus tegennatuurlijk.



10 Geluk is door tijd en plaats bepaalt, maar een plichtethiek is transcendentaal (altijd en overal geldig). Geluk is wisselvallig, dat hangt namelijk af van wie zijn gelijk, wanneer en welke plaats.

Plicht is standvastig. De redelijkheid staat centraal. En humaniteit is redelijkheid, daarom staan wij vast aan de plicht.



Hoofdstuk 6: Enkele meer of minder gebruikelijke deugden



Eindtermen

1 1: Intrinsieke waarde: De natuur is niet alleen utilitair, maar heeft ook intrinsieke waarde (een waarde die in haarzelf ligt). Daarom heeft de natuur ook rechten en mogen wij niet zomaar met haar doen wat wij willen.

De kritiek: Op grond waarvan kan de natuur aanspraak maken op een recht? Mens= redelijk en heeft dus oorspronkelijke rechten. De natuur is niet redelijk en heeft dus geen oorspronkelijke rechten.

2: Duurzame ontwikkeling: Wij moeten zorgen dat de natuur er ook nog is voor toekomstige generaties.

De kritiek: Waarom? Jij hebt toch niets te maken met toekomstige generaties> Het gaat alleen om het hier en nu.

3: Het nut van de natuur: De juiste maat van menselijk leven is de maat van de natuur en dus moeten wij de natuur in stand houden. Zonder de natuur kan de mens geen maat meer houden.

De kritiek: De mens kan de natuur naar zijn hand zetten. De grenzen van de natuur zijn de grenzen die wij de natuur opleggen en niet andersom.



2 Het verschil: De deugdethische benadering plaats de mens temidden van de natuur, in plaats van erboven te staan.

De deugd is de naam voor de optimale gedaante, de beste maat die de menselijke natuur zichzelf kan geven. De mens is een natuurwezen, dus maakt deel uit van de natuur en zal hij haar alleen al daarom bij zijn zelfverwerkelijking moeten betrekken.

De deugd is de manier om te verwerkelijken wat de mens natuurlijkerwijze nastreeft. De deugd van de maat en matigheid is nodig omdat met de vervolmaking van de mens, dit zal bijdragen aan de optimalisering van het milieu. Omdat de bepaling van wat voor zijn eigen natuur het beste is, uiteraard ook met zijn natuurlijke condities rekening moet houden.

Je moet in de deugden van het genot en de tastzin het juiste midden zien te vinden om de het milieu (en daarmee jezelf) in stand te houden.



3

Niet- Westerse ethiek Westerse deugdethiek

- Om het geluk te bereiken moeten de mensen om je heen ook gelukkig zijn

- Het onderscheiden van 4 verschillende beginselen/ uitgangspunten(menselijkheid, plichtsbesef, gedragscodes en inzicht)

- De ethiek gaat er ook vanuit dat de mens temidden van de natuur staat - Overeenkomstig met de deugdetheik



- Overeenkomstig met de 4 kardinale deugden/ de uitgangspunten (moed, matigheid, verstandigheid en rechtvaardigheid)



-Overeenkomstig



4 Schaamte= de lofwaardige passie van vrees voor een slechte of schandelijke daad. Deugdzaam is degene die niet slechts weet wat wel en niet mag, maar die echt vrees voelt voor een wijze van handelen die verkeerd is en zich daar dus als het ware op een natuurlijke manier van afwendt. Hierdoor zal men meer rekening houden met bepaalde handelingen die een slechte invloed hebben op het milieu. Want…de mens is een deel van het milieu en het beschadigen van het milieu betekend het beschadigen van de mens.

Eervolheid= de deugdzame houdt zich verre van dierlijke wellust. Wie zichzelf verliest in zintuiglijk genot is geen voorbeeldig mens. Men moet de juiste maat kunnen houden, ook wat betreft het milieu. Gebruik niet teveel hout of eet niet elke dag vlees.

Onthouding= niet alles zomaar eten. Als je jezelf bepaalde dingen (zoals eten) kunt onthouden, zal dit beter zijn voor het milieu. Dan hoeft er bv. minder bio-industrie te zijn en hoeven er minder bomen gekapt te worden. Onthoud: een instandhouding van het milieu= een instandhouding van de mens.



5 Impliciet= Een milieubeweging richt zich alleen op 1 kant van het milieu. Daarbij houdt het absoluut geen rekening met andere problemen.

Expliciet= Radicale daden hebben meestal geen nut. Bv. het loslaten van dieren. Waar moeten die dieren dan heen? Ze kunnen nergens heen en worden alsnog afgeslacht.



6 De mens is één met de natuur. De mens staat ertussenin en daarom is het belangrijk om ons in evenwicht te houden, want dit betekend als de natuur eraan gaat, dat de mens zelf ook zal sterven. Om de natuur (en dus onszelf) in evenwicht te houden is de deugd van de matigheid van groot belang. De natuur heeft tijd nodig om te herstellen, dus zullen wij ons moeten matigen zodat de natuur die tijd ook krijgt. Op die manier zullen wij in evenwicht blijven.



7



8 Al deze kwesties hebben te maken met het verlangen ‘hebzucht’. De mens wil steeds maar meer; hierdoor hebben wij ontzettend veel afvalproductie, putten wij de grondstoffen uit en verspillen wij water. Als wij een innerlijke maat in ons zouden vinden (de deugd van de matigheid) zouden deze problemen en stuk minder worden. Wij zouden dan met minder genoegen kunnen nemen omdat we onszelf een deugdzame houding aanmeten.



9 Men kan het juiste midden proberen te vinden in het gebruik van een auto. Heeft ook weer te maken met de deugd van de matigheid. Men kan een afweging maken tussen momenten waar een auto een overdosis van gemak, geluk over moeite, afzien geniet en wanneer het gebruik van een auto eigenlijk overbodig is. Men staat dan precies tussen gemakzucht en afzien in en dat is volgens Aristoteles deugdelijk. Als wij het autogebruik deugdelijk toepassen, zal het milieu verbeteren en de mens dus ook, aangezien men temidden van de natuur staat.



10 Kan alleen negatief helpen bij de zelfverwerkelijking van het individu. Doordat reclame dikwijls de tastzin overvloedig aftast kan het individu de juiste maat niet meer vinden. Reclame zorgt voor een overvloed en dat is zeker niet deugdelijk. Het individu zal zichzelf verwerkelijken aan de hand van reclame en is op die manier niet in staat de juiste maat te vinden. De hebzucht zal de deugd matigheid dan overwinnen.



11 Elementen: Jongeren moeten bijgebracht worden maat te houden bij alles wat ze doen. Ze moeten leren dat het midden ‘de gulden middenweg’ is. Als zij maat weten te houden, zal dit een positief effect hebben op hun zelfverwerkelijking en zullen ze deugdzaam worden. Dit heeft niet alleen positief effect op henzelf, maar ook op hun omgeving.

Wenselijkheid: Dit is heel erg wenselijk. ‘Een goed begin, begint bij jezelf’ zal bijdragen aan een betere wereld waarin veel mensen gelukkig zijn en waarin de natuur in stand wordt gehouden.



12 A: - Tolerantie als draagkracht. De kracht en moed die nodig zijn een last op je te nemen en te verdragen.

- Tolerantie als het verdragen van verschillende groepen mensen (qua geloofsovertuiging of seksuele geaardheid)

B: In het huidige concours: Tolerantie jegens datgene wat ons last bezorgd. Huidige tolerantie uit onvermogen om te verhinderen wat men dan maar tolereert.

Huichelarij: - Wordt het spreken over ‘onze’ tolerantie niet een subtiele manier om mijn eigen overtuiging toch boven die van een ander te plaatsen, zij het zonder die laatste daarmee te elimineren?

- Zijn we er niet heimelijk van overtuigt dat precies de verdraagzaamheid die onze levenswijze en overtuiging kenmerkt de grotere waarheid of superioriteit daarmee aanwijst?

Cynisme: Cynisme is de houding van degene die erkent hoe oneerlijk hij onvermijdelijk is. De cynicus beschouwt de tolerantie als een soort masker, omdat hij toch wel weet dat het eigenlijk oneerlijke tolerantie is. Hij werpt het masker af en erkent gewoon hoe oneerlijk hij is.

C: Vroeger: ‘draagkracht’ (tolerare): degene die tolerant is heeft een last opgelegd gekregen en weet die te dragen. In alle gevallen is kracht en moed vereist om dat wat men niet wenst toch toe te laten. Aanvankelijk is ‘tolerantie’ vooral een polemisch begrip waarmee religieuze minderheden hun rechten opeisten.

D:

Premoderne opvatting Moderne opvatting

- Maximale interesse in andere personen

- Moed + Kracht (Draagkracht van lasten) - Onverschilligheid (Wat maakt het ook allemaal uit?)

- Onvermogen te verhinderen (? Niet verhinderen, dan maar tolereren)

E: Het begrip tolerantie is in de loop der jaren flink verandert. Hoewel het eerst vooral ging om het dragen van de lasten van anderen (waarvoor moed en kracht nodig is) is het nu meer een vorm van onverschilligheid ? Weer is het verschil van de samenleving en het individu herkenbaar. Ik vind dat tolerantie in huidige tijden niet echt meer een deugd is. Vroeger wel.



13 Kwestie moslimcultuur ? Wij kunnen naast elkaar bestaan, omdat wij elkaar cultuur bestuderen en tolereren. (Wij kunnen objectief naar elkaars culturen kijken en negatieve en positieve kenmerken toekennen, zonder dat wij de cultuur zwartmaken)



14 Kwestie moslimcultuur:

In de gangbare zin: In de gangbare zin tolereren wij de moslimcultuur meer in de vorm van onverschilligheid. Wij hebben een minimale interesse in de cultuur en we hebben een houding van: ‘Je doet maar wat je wilt’.

In de opvatting van de deugdethiek: Er is juist een maximale interesse in de cultuur, omdat wij mee willen denken met de opvattingen en de problemen van die cultuur. Wij krijgen stof om na te denken en zullen ons daarom meer interesseren in de moslimcultuur.

Dit leidt absoluut tot een fundamenteel ander resultaat, omdat er in de gangbare zin meer een vorm van geslotenheid optreedt omtrent de moslimcultuur en in de opvatting van de deugdethiek juist een hele openheid.



15 Begripsanalyse vriendschap:

- Betrouwbaarheid/ Vertrouwen

- Wederzijds (je moet allebei vrienden met elkaar willen zijn)

- Vriendschap is houden van op een manier die persé wederkerig is.

- Je wilt het beste voor elkaar

- Vriendschap is elkaar het goede toewensen en dat van elkaar weten.



16 Vriendschap vereisten: - wederkerigheid

- welwillendheid

- bewustzijn

Vriendschap om morele kwaliteit is de hoogste vorm (hoger dan om nut en genot).

Ligt erg dichtbij de begripsanalyse van eindterm 15.



17 Frank en Frey: Disney tekenfilm over een vosje en een jachthond, die ondanks hun verschillen toch vrienden zijn. Het gaat zelfs boven de ‘functie’ die ze moeten vervullen.

Waarom is vriendschap de optimale deugd?:

- Vriendschap is nodig om jezelf te verrijken.

- Het nastreven van ‘het goede’ (je zoekt het goede in een vriend, dit betekend dat je van het goede houdt en de wil hebt om goed te zijn)



18 Wat is nodig om te vergeven?

De dader moet schuld bekennen en berouw hebben voor de schade die hij heeft aangericht bij het slachtoffer. Ook moet hij zich schamen voor zijn daden, zodat hij weet dat hij fout is bezig geweest en het niet nog een keer in zijn hoofd zal halen om te doen.

- Bij vergeving moet je een brug zien te vinden tussen normen en waarden

- Je moet het midden zien te vinden tussen geven en nemen

- Vergeving is een midden tussen wrok die niet kan vergeten en oppervlakkigheid zonder geheugen.



19 Als voorbeeld neem ik maar: Polen tegen Duitsland. De holocaust.

Ik vind dat Polen na een aantal jaren moet kunnen zeggen: We zullen dit nooit vergeten, maar we zullen de huidige generatie er niet meer op aanvallen wat zij hebben gedaan. Op een gegeven moment is de generatie van toen ook weg en dan zal Polen geen wrok meer moeten hebben tegen Duitsland. Ik denk dat op een gegeven moment vergeving wel nodig is. Als je niet vergeeft zal de wrok tegen iets zich alleen maar opbouwen en dan wringt het zich in je lichaam. Je bouwt telkens meer wrok op, waardoor je niet openstaat voor nieuwe tijden en nieuwe visies.



20 Ik vind dat de deugdethiek een grote bijdrage kan leveren aan de praktijk van opvoeding en onderwijs. Het juiste midden is natuurlijk nooit weg. Ik denk dat je doormiddel van de deugdethiek echt een beter mens kan worden, vol zelfvertrouwen. Iemand die veel voor zijn medemens over heeft, maar toch niet over zich heen laat lopen.


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

D.

D.

relaxte uitwerking! andere notes altijd welkom :) laters

15 jaar geleden

K.

K.

heb je misschien ook de vragen waarop je de antwoorden hebt geschreven, dat maakt het makkelijker om het te leren

alvast bedankt,

kees

15 jaar geleden