Module 8: hoofdstuk 1 t/m 3

Beoordeling 7.7
Foto van een scholier
  • Antwoorden door een scholier
  • 5e klas havo | 7392 woorden
  • 14 augustus 2015
  • 9 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.7
  • 9 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
De Galaxy Chromebook maakt je (school)leven makkelijker!

Met de Galaxy Chromebook Go kun je de hele dag huiswerk maken, series bingen en online shoppen zonder dat 'ie leeg raakt. Ook kan deze laptop wel tegen een stootje. Dus geen paniek als jij je drinken omstoot, want deze laptop heeft een morsbestendig toetsenbord!

Ontdek de Chromebook!

Hoofdstuk 1 De conjunctuurbeweging



Verkenning



1     a  ‘Veel families zaten rond de keukentafel en probeerden erachter te komen hoe ze konden besparen. Veel bedrijven doen hetzelfde.’ C en I nemen beide af.



b  De overheid moet de plaats innemen van gezinnen en bedrijven; zij moet dus



(tijdelijk) extra besteden.



c  De fout was dat zij te veel consumeerden, te weinig spaarden en te veel leenden. De



Amerikanen hebben te lang op te grote voet geleefd.



d  Minder consumeren, meer sparen en investeren, meer exporteren.



2     Bedrijven en gezinnen gingen snijden in hun uitgaven. Op zich verstandig, want in onzekere tijden moet je reserves opbouwen. Maar door het gebrek aan bestedingen kan de economie als geheel in de problemen komen.



3     Misschien het weer. Het verhaal speelt op de markt en dat is in de open lucht. Een meer economische oorzaak kan zijn dat het slecht gaat met de economie en dat mensen geen geld meer overhebben voor een cadeau voor hun moeder.



4    A



5    Ongeveer 2,7% (af te lezen als de trend).



6    B, C, D en E





7     a  Een macro-economische variabele die een indicatie geeft over de ontwikkeling van het (toekomstig) bbp.



b  Als er minder bouwvergunningen worden afgegeven, wordt er in de toekomst dus minder gebouwd: minder woningen, minder kantoren, minder wegen en minder fabrieken. Dit zegt dus wel iets over de ontwikkeling van het toekomstige bbp.



c  Faillissementen komen elke week voor en kunnen worden veroorzaakt door uiteenlopende oorzaken (inclusief mismanagement of sterke concurrentie). Maar als het aantal faillissementen duidelijk toeneemt, ligt de oorzaak daarvan waarschijnlijk in een economische terugval. Bedrijven krijgen waarschijnlijk te weinig omzet binnen en kunnen hun kosten niet meer betalen. Door deze faillissementen zullen andere bedrijven ook in moeilijkheden kunnen komen, bijvoorbeeld doordat de vraag naar hun producten



wegvalt of omdat bepaalde rekeningen niet betaald zullen worden. In die zin is het aantal faillissementen ook een conjunctuurindicator.





8     Bedrijven produceren niet voor het magazijn, maar voor de verkoop. Als de voorraden eindproduct toenemen, is dat dus omdat de verkoop terugvalt. Er is dus sprake van laagconjunctuur.





9    B en D





10  a  De curve van de groei van bedrijfsinvesteringen vertoont hetzelfde patroon als die van de groei van het bbp.





b  Het verloop van het bbp is het resultaat van het verloop van de vijf verschillende bestedingscomponenten (C + I + O + E M). Het is dus een soort gemiddelde van deze vijf componenten. Alleen al om deze reden zal het meestal dus minder grillig zijn dan het verloop van I. Daarnaast hebben ondernemers de eigenschap om te overreageren; als de vraag naar hun producten terugloopt, snijden ze stevig in hun investeringen. Ze gaan flink in de kosten snijden. En als de vraag weer aantrekt, gaan ze juist weer heel stevig investeren. Ze maken dan een soort inhaalslag.



11  a  1983/84



b  In de twee jaar daarvoor (1981, 1982) daalde het bbp.



c  Als het bbp daalt (of weinig stijgt), stijgt de werkloosheid; als het bbp sterk toeneemt, neemt de werkloosheid juist af. Een omgekeerd evenredig verband wordt dat genoemd.



12  2 – 4 – 3 – 1



13  a  1974 en 1993



b  A



c  Toename van het aanbod van arbeid (de beroepsbevolking).



14  B



15  a  Wanneer mensen werkloos worden, gaan zij er in inkomen op achteruit. Dus betalen zij ook minder inkomstenbelasting. De belastingontvangsten van de overheid nemen af. bDoordat veel mensen werkloos worden en er in inkomen op achteruit gaan, zullen de uitgaven van de overheid aan sociale zekerheid (bijstand, huursubsidie) toenemen.



c  Bij afnemende inkomsten en toenemende uitgaven komt de overheid financieel in de problemen. Er ontstaat een begrotingstekort. Om de grootte van dit tekort te beperken zal de overheid proberen te bezuinigen, bijvoorbeeld op de sociale uitkeringen.



16  B en C



17 a  Welvaartsvast betekent gekoppeld aan de loonontwikkeling; dus 1,024 × € 1.353,15 =



€ 1.385,63.



b  Nee, want waardevast betekent gekoppeld aan de inflatie. En de inflatie was minder dan de loonontwikkeling.



18  2 – 4 – 3 – 1



19  B en D



20  a  1/1,39 = 0,72



b  Hoger, want als de koers euro/dollar daalt, stijgt de koers dollar/euro.



21  A en D



22  Verschijnsel 2.



23  a  Het aanbod van euro’s neemt toe dus de koers euro/dollar gaat omlaag. De euro wordt goedkoper, in dollars uitgedrukt.



b  D





24  Omdat vraag en aanbod van/naar valuta constant veranderen.



25  A en C



26  a  De grafiek van de wisselkoers lats/euro is een horizontale lijn. De koers ligt immers vast.



b  Deze heeft precies hetzelfde verloop als de wisselkoers euro/dollar (alleen de waarden links zijn anders).





27  a  Transactie 1, 2, 8 en 11.



b  Transactie 5, 6, 7, 9 en 10.



d  Uitgaven betekent vraag naar yens en aanbod van euro’s; inkomsten betekent aanbod van yens en vraag naar euro’s.



28  2 – 4 – 3 – 8 – 1 – 6 – 9 – 7 – 5





29  Zekerheid voor importerende en exporterende bedrijven. Zij hebben geen last meer van heftige schommelingen in aankoop- en verkoopprijzen, voor zover die worden veroorzaakt door koersfluctuaties.





Toepassing



1     a  Nee, onjuist. Het bericht suggereert dat het vierde kwartaal van 2008 het eerste krimpkwartaal was. In het handboek wordt gesproken van een recessie wanneer de economie twee kwartalen of meer achter elkaar krimpt.



b  De export bepaalt wel mede de conjunctuur (C + I + O + E M bepalen Y), maar andersom is de export niet afhankelijk van de binnenlandse conjunctuur maar van de buitenlandse conjunctuur.





2     a  Een anticyclische variabele: als de bbp-groei afneemt, neemt het aantal faillissementen toe.



b  Eenmanszaken zijn heel kleine bedrijven die makkelijk kunnen worden opgericht, maar vaak ook weer even makkelijk failliet gaan. Daardoor kan het faillissementscijfer te sterk fluctueren en geeft het minder informatie over de conjunctuur.



c  Mismanagement, moordende concurrentie.





3    a  De consumentenuitgaven (C), de wereldhandel. Deze nemen allebei af.



b  Het begrotingstekort (gaat omhoog) en de werkloosheid (stijgt).



c  Een procyclische variabele: als het slecht gaat met de economie, wordt er minder geconsumeerd en geïnvesteerd en (dus) ook minder geïmporteerd.





4    a  De goederenproducenten. Veel van dit soort goederen zijn bestemd voor de export.



En juist die export zakte sterk in.



b  Supermarkten; mensen blijven eten en drinken. Horeca is toch een beetje luxe, dus mensen zullen daar wel op bezuinigen.



c  Uitzendbureaus hebben flink last van de recessie omdat bedrijven als eerste hun uitzendkrachten ontslaan, als het economisch een beetje tegenzit.



d  De zorg in Nederland vertoont al jaren een stabiele groei. De oorzaak is de vergrijzing.





5     a  Een deel van de omzet van Ahold vindt plaats in de VS en is dus in dollars. Indien de koers dollar/euro daalt, wordt de in de VS gemaakte omzet in euro’s gemeten minder waard. Daardoor neemt de totale omzet van Ahold af.



b  Variabele wisselkoersen zorgen ervoor dat de waarde van de in het buitenland behaalde omzet en winst van een bedrijf kan fluctueren. Dit vergroot de risico’s van grensoverschrijdende handel en investeringen.





6    a  Het saldo verbetert, doordat de Britse import hierdoor indirect ook afneemt.



b  De rente moet dalen. Hierdoor wordt lenen gestimuleerd en sparen ontmoedigd. De investeringen en de consumptieve bestedingen zullen dan toenemen.



c  De wisselkoers pond/euro moet dalen. Daardoor wordt het pond voor Europeanen uit eurolanden goedkoper en daarmee ook de producten uit het Verenigd Koninkrijk. De Britse export zal hierdoor toenemen.





7    a  De kapitaalrekening.



b  De VS is een netto-importeur van aardolie. Het tekort op de goederenrekening wordt immers groter door de prijsstijging van olie. Hieruit kun je opmaken dat de VS meer aardolie importeren dan exporteren.



c  Een hoogconjunctuur in de VS leidt tot een stijging van de import door de VS naar andere landen. Deze landen gaan meer exporteren, hun bbp neemt flink toe en zij belanden in een hoogconjunctuur.



d  Een toename van het aanbod van dollars. Amerikanen kopen met hun dollars buitenlandse valuta om daarmee de importen te betalen.



e  Het tekort op de goederenrekening wordt waarschijnlijk gecompenseerd door een overschot op een andere rekening, bijvoorbeeld de kapitaalrekening. Blijkbaar wordt er flink in de VS geïnvesteerd door buitenlandse beleggers.



f   De dollar blijft relatief duur en de Amerikanen kunnen relatief goedkoop blijven importeren, oftewel vraag uitoefenen in andere landen.





8     a  Een gemeenschappelijke munt bevordert de onderlinge handel tussen de deelnemende landen.



b  Een vaste wisselkoers kan veranderen door een ingreep van de centrale bank.



c  1 = goedkoper; 2 = duurder



d  De CFA-landen importeren veel uit Frankrijk. Door de ‘goedkope’ euro blijft deze import voor Afrikanen goedkoop en dus aantrekkelijk. Franse exporteurs profiteren.





Hoofdstuk 2 De verklaring voor de conjunctuurbeweging



Verkenning



1     De vraag is of de werknemers bereid zijn loon in te leveren. Blijkbaar kan alleen op die manier worden voorkomen dat er gedwongen ontslagen vallen. Het gaat dus om de solidariteit van het voltallige personeel met diegenen die hun baan kwijtraken.



2     De geaggregeerde vraag is de totale vraag in een economie in alle markten samen. De collectieve vraag is de totale vraag binnen een markt, bijvoorbeeld de markt voor perssinaasappelen.



3    Invullen in M × V = P × Y geeft 80 × V = 10 × 40. V = 5.



4    M × V = P × Y, dus M = (P × Y) / V = 480 miljard / 8 = 60 miljard



5    M × V = P × Y; M nam meer toe dan Y; V bleef constant. Dus moet P zijn gestegen.



6    Het geld dat mensen op de bank zetten wordt door de banken weer uitgeleend, dus



weer teruggepompt in de economie. Het wordt dan nog steeds gebruikt voor transacties. Als mensen het thuis bewaren wordt het echt onttrokken aan de economie; het wordt



niet gebruikt voor transacties. V daalt.





7     a  Bij een lage rente zullen consumenten en bedrijven meer gaan lenen. M gaat omhoog.



b  Zolang er niet dusdanig gekke dingen gebeuren dat huishoudens hun geld gaan oppotten (dat wil zeggen thuis gaan bewaren, zonder het uit te geven), of een bepaalde hoeveelheid chartaal geld in hun portemonnee houden, blijft V min of meer constant.



c  M × V = P × Y: door de verlaging van de rente neemt M toe (vraag a). Dit kan leiden tot hetzij een stijging van de productie, hetzij een stijging van de prijzen.





8    a  prijsniveau op de korte termijn



b  korte termijn geaggregeerd aanbod



c  productieniveau vóór de stijging van M



d  productieniveau ná de stijging van M





9    B





10  a  1: Het veranderen van prijzen brengt veel kosten met zich mee, bijvoorbeeld het veranderen van prijzen in catalogi, menu’s enzovoort. 2: Bij bepaalde producten zouden consumenten het niet op prijs stellen wanneer de prijzen regelmatig zouden veranderen.



3: Soms zijn er leveringscontracten afgesloten met een bepaalde looptijd. Dan kan men niet zomaar tussentijds de prijzen veranderen.



b  M × V = P × Y: indien P en V op korte termijn niet veranderen, moet een toename van



M dus leiden tot een toename van Y. Meer productie dus.





11  a  M × V = P × Y: indien P en V op korte termijn niet veranderen, moet een afname van



M dus leiden tot een afname van Y. Minder productie dus.





b  Minder productie betekent bij een gelijkblijvende arbeidsproductiviteit een afname van de werkgelegenheid.



c  Grote schommelingen van M leiden tot grote schommelingen van Y.





12  C, D, E en G





13  Theo en de overige werknemers willen geen loonsverlaging, en ook de vakbonden zijn tegen. De bedrijven kampen echter met een terugvallende vraag naar hun producten. Zij zullen dus op een andere manier in de kosten gaan snijden en mensen gaan ontslaan.





14  a  Bedrijven worden geconfronteerd met een stevige toename van de vraag naar hun producten. Zij willen meer arbeid inschakelen. Maar een vraagoverschot betekent dat de vraag naar arbeid groter is dan het aanbod. Bedrijven kunnen dus niet of moeilijk aan voldoende werknemers komen. Hun productie neemt onvoldoende toe.



b  Normaal gesproken leidt een vraagoverschot van arbeid tot een stijging van het loonniveau. Door deze stijging zal het aanbod van arbeid toenemen en het vraagoverschot worden ‘opgelost’.



c  Door loonstarheid kunnen de lonen niet gemakkelijk stijgen, dat wil zeggen zich niet gemakkelijk aanpassen aan de nieuwe schaarsteverhoudingen.



15  B



16  1: De beschikbare hoeveelheid arbeid neemt af, dus de natuurlijke productieomvang neemt af. 2: De kwaliteit van de beschikbare hoeveelheid arbeid neemt toe, dus de natuurlijke productieomvang neemt toe. 3: De beschikbare hoeveelheid arbeid neemt toe, dus de natuurlijke productieomvang neemt toe. 4: De natuurlijke productieomvang blijft gelijk. Het kan natuurlijk wel zijn dat de productie tijdelijk daalt omdat door het faillissement een deel van de beschikbare productiefactoren tijdelijk niet wordt ingeschakeld in de productie. 5: De natuurlijke productieomvang neemt toe.



17  A



18  a  De computerchip zorgde voor grote veranderingen van productietechnieken (computers, robots, enz.). Hierdoor kon met de beschikbare hoeveelheid productiefactoren een veel grotere productie worden gerealiseerd.



b  Ten tijde van de industriële revolutie was dat bijvoorbeeld de stoommachine. Deze werd in fabrieken ingeschakeld bij de mechanisering van productieprocessen als spinnen en weven (in de textielindustrie) of zagen (in de houtindustrie). In het transport werd de stoommachine ingezet in de vorm van de stoomlocomotief. Al deze toepassingen zorgden voor een toename van de productiecapaciteit.





19  a  Consumenten stappen over op substituten zoals appels.



b  De geaggregeerde vraagcurve toont het omgekeerde evenredige verband tussen P en Y: als P toeneemt, daalt Y (en omgekeerd). En dat is logisch: als goederen en diensten duurder worden, kun je er minder van kopen.



c  M × V = P × Y: we gaan ervan uit dat M en V niet veranderen (constant zijn). Uit de vergelijking volgt dan direct dat een stijging van P leidt tot een daling van Y (en omgekeerd).







20  a  Monetaire expansie betekent een toename van M, bijvoorbeeld doordat de centrale bank de maatschappelijke geldhoeveelheid verhoogt.



b  stuks – langs – minder – van – meer



21  1 = meer; 2 = meer; 3 = natuurlijke; 4 = prijzen



22  B



23  a  600 hamburgers



b  M × V = P × Y, dus € 100 × V = € 3 × 400. V = 12.



c  De prijs kan niet tegelijk veranderd worden, omdat dan alle folders, billboards en dergelijke aangepast moeten worden.



d  M × V = P × Y, dus € 150 × 12 = € 3 × Y. Y stijgt tot 600, dus tot op het niveau van de natuurlijke productieomvang.



e  M × V = P × Y: Y zit al op het niveau van de natuurlijke productieomvang en kan dus voorlopig niet toenemen. P zal stijgen. Inflatie dus.





24  Ja, zolang de feitelijke productie (Y) onder het niveau van de natuurlijke productieomvang zit, zal een toename van M leiden tot een toename van Y.



25  Nee, Y zit al op het niveau van de natuurlijke productieomvang (volledige werkgelegenheid!) en kan dus voorlopig niet toenemen. P zal stijgen. Inflatie dus.



26  a  P1985 < P1995 < P2005 (< betekent ‘kleiner dan’)



b  Y1985 < Y1995 < Y2005



27  B



28  A



29  A



30  B



31  Neutraliteit van geld.



32  A



33  2 – 4 – 1 – 6 – 5 – 3



34  D



35  3 – 8 – 1 – 4 – 2 – 7 – 6 – 9 – 5





Toepassing



1     a  Het hangt ervan af of het geld op een betaalrekening wordt bewaard of op een spaarrekening. In het eerste geval behoort spaargeld tot de girale geldhoeveelheid. In het tweede geval tot geen van beide geldvormen.





b  Het voorzorgsmotief. Consumenten verkeren in onzekerheid over de toekomst en houden dus graag wat geld achter de hand.



c  V neemt af (indien geld op een girorekening wordt aangehouden) of M neemt af



(indien geld op een spaarrekening wordt gezet).



d  M × V = P × Y: V neemt af (indien geld op een girorekening wordt aangehouden) of M neemt af (indien geld op een spaarrekening wordt gezet); beide gevallen leiden tot een daling van Y (door prijsrigiditeit blijft P constant).





2     a  Zolang er niet dusdanig gekke dingen gebeuren dat huishoudens hun geld gaan oppotten (dat wil zeggen thuis gaan bewaren, zonder het uit te geven), of een bepaalde hoeveelheid chartaal in hun portemonnee houden, blijft V min of meer constant.



b  M gaat omhoog. c  M gaat omlaag. d  V gaat omlaag.



e  M × V = P × Y: als M en V beide omlaag gaan (M daalt omdat banken minder krediet verlenen), zal in een situatie van prijsrigiditeit Y dus gaan dalen. De economie komt in een recessie.





3     Het zit er een beetje tussenin. Het is niet de vraag naar een product (bijvoorbeeld het bouwen van eengezinswoningen), maar ook niet de vraag in de economie als geheel (van alle markten samen).





4     De verkoop van nieuwbouwwoningen is met 60% ingezakt. Dat is een relatief grote vraagdaling. De economie als geheel is in dat kwartaal immers maar een paar procenten gedaald. De sector is dus conjunctuurgevoelig.





5     In de bouw is sprake van een zekere traagheid, doordat er een bepaalde tijd zit tussen een bouworder en de uiteindelijke oplevering van een bouwproject (bijvoorbeeld een woning). Dit wordt in de tekst ‘lange doorlooptijd’ genoemd. De bouw krijgt geen nieuwe orders meer (‘de orderportefeuille droogt op’), maar de bouwvakkers zijn nu nog aan het werk om de bestaande orders (‘van anderhalf jaar geleden’, zegt de bron) uit te voeren. De feitelijke daling van de productie vindt dus pas jaren na de feitelijke vraagterugval plaats.





6     a  ‘Ontwikkelaars zullen de prijzen moeten verlagen en de plannen moeten aanpassen, anders komt de nieuwbouwmarkt niet in beweging.’



b  ‘Slechts 35% van de onderzochte gemeenten heeft de grondprijs aangepast aan de huidige omstandigheden.’



c  Door prijsrigiditeit is de vraaguitval naar nieuwbouwwoningen veel groter uitgevallen dan anders het geval zou zijn geweest. Er zijn veel onverkochte nieuwbouwwoningen en daarom zijn er geen investeerders die nieuwe woningen willen laten bouwen. De bouwsector heeft daarom niets meer te doen.



d  De vraaguitval (van A naar B) wordt veroorzaakt door prijsrigiditeit op grond en woningmarkt.





7    a  (132 – 114) / 114 × 100% = 15,79%



b  Van (114 × 122) naar (132 × 148) = 40,5%.



c  Y is gedaald ten opzichte van 2010 (van 132 naar 128).



d  Door een daling van het algehele prijs- en loonniveau (bijvoorbeeld P is gedaald van



148 naar 138).







8     a  De Nederlandse bouwsector bevond zich in 2009 in een crisissituatie. Er was weinig vraag naar nieuwbouwwoningen en daardoor dus ook weinig vraag naar arbeidskrachten in de bouw. Normaal gesproken dienen de lonen zich aan te passen aan de nieuwe schaarsteverhouding. De cao voor 2009 spreekt echter niet van loondalingen maar van loonstijgingen.



b  ‘Het vasthouden van vakmensen tijdens de economische crisis’ (in bron 7 van het opdrachtenboek en in bron 14 van het leeropdrachtenkatern).





9    a  Omdat je geen gegevens hebt over het verloop van de conjunctuur.



b  Cao’s hebben een bepaalde looptijd (meestal twee jaar). Vakbonden zijn niet altijd doordrongen van de noodzaak om lonen te matigen.



c  De Jager stelt voor een deel van de beloning van werknemers te koppelen aan de omzet en winstgevendheid van bedrijven en dus aan de conjunctuur. Op deze manier vermindert de loonstarheid (lonen passen zich sneller aan aan de conjuncturele situatie). Voor zover werkloosheid veroorzaakt wordt door loonstarheid, neemt de werkloosheid



af.



d  De beloning van werknemers wordt dan minder stabiel maar schommelt met de conjunctuur mee. De consumptieve uitgaven (Y = C + B + S) schommelen met Y mee. De conjunctuur wordt versterkt.





10  a  Een feit is iets wat objectief vast te stellen is. ‘Het verkeer neemt toe’ is een feit. Door auto’s te tellen, kan dit feit worden gecontroleerd. Een mening kan niet objectief worden vastgesteld. Een mening komt voort uit de waarden en normen van diegene die zijn mening geeft. Mensen hebben verschillende waarden en normen, en dus ook verschillende meningen.



b  De Jager wijst op de invloed van loonstarheid op werkloosheid. Warmerdam wijst op de invloed van schommelingen van inkomen op schommelingen in de bestedingen. Beide relaties zijn moeilijk te bewijzen. Bovendien spreken ze elkaar tegen. De voorgestelde oplossing en de kritiek daarop kunnen (mede) ingegeven zijn door een politiek-economische visie.





11  De glasvezelkabel biedt bedrijven nieuwe mogelijkheden om hun productie op een meer efficiënte manier te organiseren, bijvoorbeeld door arbeidsintensieve dienstverlenende activiteiten naar India te verplaatsen. Hierdoor worden productiefactoren op een betere manier ingezet en nemen de gemiddelde arbeidsproductiviteit en de productiviteit van natuur en kapitaal toe. De natuurlijke productieomvang gaat omhoog; de LTGA gaat



naar rechts.





Hoofdstuk 3 Conjunctuurpolitiek



Verkenning



1     a  Een groot deel van de in/door Nederland geproduceerde goederen is bestemd voor buitenlandse afnemers.



b  Tijdens een recessie nemen de (belasting)inkomsten van de overheid af.



c  De maatregelen versterken zowel de aanbodzijde als de vraagzijde. Investeringen in infrastructuur vergroten de bestedingen maar versterken tegelijkertijd de economische structuur van Nederland. Werkzoekenden bijstaan en de concurrentiepositie verstevigen horen vooral bij de aanbodzijde van de economie.





d  Op de extra investeringen na, zijn de andere maatregelen niet (op korte termijn)



geschikt om de vraaguitval te compenseren.



2    C, E, G en H





3     a  Het wegenonderhoud was al gepland, maar wordt versneld zodat het wordt uitgevoerd tijdens de laagconjunctuur. Overheidsbestedingen worden dus geconcentreerd in een periode dat de bestedingen in het algemeen terugvallen. Hiermee wordt de terugval verzacht.



b  De belastinginkomsten zijn te laag om de extra bestedingen te kunnen financieren. Een verhoging van de belastingen zou het anticyclische effect van de vergroting van de overheidsbestedingen grotendeels tenietdoen. Bij leningen is dit veel minder het geval. c   In tijden van hoogconjunctuur nemen de bestedingen en de productie sterk toe en dus ook de belastinginkomsten van de overheid. Ook nemen de uitgaven aan bijstandsuitkeringen en huurtoeslag af.



4    D



5     Stel dat de lonen in Nederland minder snel toenemen dan de lonen in concurrerende landen. In dat geval kan loonmatiging ertoe bijdragen dat de productiekosten in Nederland minder toenemen dan in andere landen. Onze concurrentiepositie verbetert.





6    € 90 / 18 = € 5 per paar





7    € 8 / 16 = € 0,50 per bal





8     Het gaat niet alleen om de loonkosten. Ook de arbeidsproductiviteit is belangrijk. Samen bepalen zij de loonkosten per product en daarmee (deels) de concurrentiepositie.





9     a  In Nederland: € 36.000 / 12 = € 3.000. In Mexico: € 12.000 / 3 = € 4.000. In Mexico dus.



b  Loonkosten per werknemer verlagen of arbeidsproductiviteit verhogen.





10  a  103 / 102 × 100 = 100,98; dus de verandering bedraagt 0,98%. b  106 / 105 × 100 = 100,95; dus de verandering bedraagt 0,95%. c  Verslechterd, de loonkosten per product zijn meer gestegen.



d  Overige kosten per product (bijvoorbeeld kapitaalkosten). Of: de kwaliteit van het product.





11  a  Als de lonen dalen of weinig toenemen zal dit ten koste gaan van de consumptie (C)



en dus van EV.



b  Loonmatiging kan leiden tot lagere loonkosten per product en daarmee tot een versterking van de concurrentiepositie. E gaat omhoog en dus gaat EV omhoog.





12  Nederland is een open economie. Een groot deel van onze (consumptieve) bestedingen vindt plaats in het buitenland (M). Dit wordt het importlek genoemd (‘bestedingen lekken weg naar het buitenland’). Loonmatiging gaat in dat geval grotendeels ten koste van M en niet van C. In de VS is sprake van een gesloten economie. Het importlek is klein. Loonmatiging leidt tot een sterke afname van C.











13  a  Mensen hebben recht op een uitkering wanneer zij werkloos raken. Een toename van de werkloosheid leidt dus automatisch tot een toename van de overheidsuitgaven.



b  Bij deze investeringen is geen sprake van een automatisme. De overheid moet de (politieke) beslissing nemen om de uitgaven te verhogen (of om het niet te doen natuurlijk).





14  Eerst het voorbeeld van de sociale zekerheid. Wanneer er een goed ontwikkeld socialezekerheidsstelsel is, is de inkomensachteruitgang van mensen die werkloos worden relatief klein. Dit werkt als een automatische stabilisator. Maar andersom geldt natuurlijk ook dat als die mensen weer aan het werk gaan, de inkomensvooruitgang ook relatief klein is. En daardoor zal de toename van de bestedingen ten gevolge van die inkomensvooruitgang ook relatief klein zijn. Voor het progressieve belastingsysteem geldt ongeveer hetzelfde. In een hoogconjunctuur neemt het inkomen van mensen sterk



toe. Maar een groot deel van die inkomenstoename moeten ze aan de belasting afstaan. Deze hoge belastingafdracht remt de toename van de consumptieve bestedingen. Landen met een minder progressief belastingstelsel hebben hier geen last van en



groeien daardoor sneller. Automatische stabilisatoren werken dus twee kanten op; zij vertragen/dempen de krimp, maar zij vertragen/dempen ook de groei.





15  a  Meer. Door de progressiviteit fluctueren de belastinginkomsten meer dan de economie als geheel.



b  Het aanpassen van de ambtenarensalarissen aan de ontwikkelingen in de marktsector betekent in geval van hoogconjunctuur dat deze salarissen sterk stijgen. De overheidsuitgaven nemen sterk toe. In een laagconjunctuur geldt het tegenovergestelde. Procyclisch dus.



c  Uitgaven aan bijstand en huursubsidie.





16  a  De lonen stijgen niet of nauwelijks of dalen zelfs. De winsten dalen. De belastingen (in box 1) zullen relatief nog sterker dalen, door de progressiviteit van het stelsel. Immers, een kleiner deel van het inkomen van mensen valt in de hoogste schijf.



b  In een laagconjunctuur neemt de werkloosheid snel toe. De uitgaven aan bijstand en huursubsidie zullen snel toenemen.



c  Automatische stabilisatoren zorgen dat de vraaguitval tijdens een laagconjunctuur wordt gedempt. Tegelijkertijd nemen de inkomsten van de overheid sterk af en de uitgaven sterk toe. Er ontstaat een begrotingstekort. In tijden van hoogconjunctuur is het precies andersom. De overheidsbegroting is niet stabiel.





17  A





18  2 – 4 – 5 – 1 – 3





19  Mensen gaan meer sparen. S gaat omhoog. Uitgaande van de veronderstelling dat Y en



B gelijk blijven, neemt C dus af.





Toepassing





1    a  In alle jaren behalve in 2004 en 2005.



b  Hoge arbeidskosten per product leiden tot een hogere kostprijs. Wanneer in andere landen de kosten niet zo sterk stijgen, zal de concurrentiepositie van ons land verslechteren. De (groei van de) export neemt af.







c  Eigenlijk wel. De sterke toename van de arbeidskosten per eenheid product in 2001 en 2002 ging gepaard met een lage exportgroei.



d  De binnenlandse arbeidskosten zijn niet de enige factor die de concurrentiepositie en de export bepalen. Andere factoren zijn de mate van economische groei in de landen waar onze export heen gaat, en de ontwikkeling van arbeidskosten per eenheid product bij onze concurrenten (de landen die vergelijkbare producten exporteren).





2    a  1: ‘een periode waarin bedrijven moeite hebben het hoofd boven water te houden’; 2:



‘dat de werkloosheid kan stijgen tot 6,5% in 2010’; en eventueel 3: ‘economische tegenwind’.



b  ‘… de koopkracht wordt al beter dan verwacht’ staat er in de tekst. De inflatie is dus lager dan verwacht.



c  1: Het gaat slecht met de winstgevendheid van bedrijven (‘een periode waarin bedrijven moeite hebben het hoofd boven water te houden’) en 2: in tijden van hoge werkloosheid is het niet slim om hoge looneisen te stellen (‘dat de werkloosheid kan stijgen tot 6,5% in 2010’).



d  Exporterende bedrijven. Zij hebben voordeel van lagere loonkosten, omdat hun concurrentiepositie verbetert.



e  Bedrijven die produceren voor de binnenlandse markt (bijvoorbeeld kappers, restaurants). Zij krijgen te maken met lagere consumptieve bestedingen.





3     a  ‘Als mensen meer te besteden hebben, kopen ze meer en is dat goed voor de economie, stelt de bond.’ Ofwel: Y = C + B + S (als Y toeneemt, neemt C toe).



b  EV = C + I + O + E M. Een deel van de effectieve vraag zal in een open economie weglekken naar het buitenland.





4    a  2003, 2007, 2008, 2009



b  106,2 / 103,3 × 100 = 102,8; de verandering bedraagt dus 2,8%.



c  Een toename van de arbeidskosten per eenheid product leidt tot een hogere kostprijs. De export zal daardoor kunnen afnemen.



d  Gegevens over de ontwikkeling van de arbeidskosten per eenheid product bij concurrerende landen.





5    a  Een boost wil zeggen dat hij de economische groei wil stimuleren.



b  Door een belastingteruggave hoopt de president de consumptieve bestedingen aan de jagen (Y = C + B + S; B omlaag, C omhoog).



c  De VS is een gesloten economie. Nederland is een open economie. In Nederland zou een groot deel van de belastingteruggave naar het buitenland weglekken in de vorm van verhoogde importen.





6    a  Het verminderen van de overheidsuitgaven.



b  Omdat het begrotingstekort (eigenlijk: financieringstekort) snel oploopt en daarmee de staatsschuld.



c  Teulings is bang voor negatieve effecten op de bestedingen en daarmee op de economie als geheel.



d  Procyclisch: bezuinigingen verlagen de bestedingen en daarmee de economische activiteit. De laagconjunctuur verdiept zich.





7     a  Wanneer mensen werkloos worden, raken zij een looninkomen kwijt. De verstrekking van WW-uitkeringen zorgt ervoor dat deze inkomensachteruitgang beperkt blijft. Hierdoor blijven ook de consumptieve bestedingen enigszins op peil.



b  Deze maatregel werkt procyclisch. Een verhoging van de WW-premie verlaagt het netto-inkomen van werknemers. Hun bestedingen zullen afnemen (Y = C + B + S).



c  Als de economie aantrekt, neemt de werkloosheid af en het aantal werkenden toe. De uitgaven aan WW-uitkeringen zullen dan dalen, terwijl de premie-inkomsten toenemen. De fondsen worden weer ‘rijker’.





8     a  Vermeer denkt dat een verhoging van de WW-premie voor werknemers leidt tot een lager netto loon voor de werknemers en daarmee tot een daling van de consumptieve bestedingen. De Heer zal wijzen op het procyclische karakter van de maatregel. Het is niet slim om in tijden van laagconjunctuur maatregelen te nemen die de bestedingen verder doen afnemen.



b  Verburg weet dat indien werkgevers de premie moeten betalen, dit zal leiden tot hogere loonkosten en eventueel hogere loonkosten per product. Hierdoor kan de concurrentiepositie verslechteren.





9    3 – 1 – 4 – 2 – 6 – 5





10  a  Reporente.



b  Laag. Indien de inflatie hoog was geweest, zou het niet verstandig zijn geweest om door middel van een renteverlaging de bestedingen aan te wakkeren.





11  a  In de tekst gaat het om een verlaging van de reporente, de rente die de FED rekent aan de banken. Deze lagere rente wordt door de banken doorberekend zodat bedrijven en huishoudens ook met een lagere rente te maken hebben wanneer zij willen lenen/sparen. Door de lagere rente zal er meer geleend worden en minder gespaard worden. Huishoudens gaan meer consumeren. Bedrijven gaan meer investeren, omdat meer investeren nu meer rendement oplevert (de kosten van investeren zijn immers laag).



b  Door de kredietcrisis nam de omloopsnelheid af. Uit Fishers vergelijking is af te leiden dat dan P × Y ook zal dalen. Door prijsrigiditeit blijft P min of meer constant waardoor Y moet dalen; het bbp (reële productie) nam af. In combinatie met loonstarheid neemt de werkloosheid toe.



c  (1) aandelen; (2) 5,04% (11,8 / 234,2 × 100%); (3) verhoogd.



d  Cartoon 2. Die gaat over kuddegedrag. Mensen schrikken ergens van en gaan massaal elkaars gedrag kopiëren.





Herhaling



1    A, D, E, G, H, J en K



2    kop 2, 3, 4 en 6



3    a  2 – 4 – 1 – 3 – 5



b  (1) verlaagt; (2), verhoogt



c  Verlagen. Een renteverlaging leidt tot minder sparen en meer lenen, en dus tot meer bestedingen.





d  Een daling voor de koers betekent dat de exportproducten van het betreffende land goedkoper zullen worden voor importeurs in andere landen. De export zal dan toenemen. Om dezelfde reden zal ook de import van het betreffende land afnemen; buitenlandse producten worden te duur en consumenten en bedrijven zullen overstappen op lokaal geproduceerde producten. De economie trekt weer aan en de gevraagde begrotingsmaatregelen zijn dan overbodig.



4    3 – 5 – 2 – 6 – 7 – 1 – 4



5    B



6    De loonkosten per product zijn in land A afgenomen met 3,9%. Berekening:



98 / 102 × 100 = 96,1. De loonkosten per product zijn in land B afgenomen met 2,9%. Berekening: 102 / 105 × 100 = 97,1. De concurrentiepositie van land A is verbeterd ten opzichte van land B.





7    a  Twee kwartalen achter elkaar economische krimp (daling van bbp).



b  Door de toename van de uitgaven aan bijstand en huursubsidie.



c  Zowel de indirecte belastingen (zoals btw) als de directe belastingen (vennootschapsbelasting, inkomstenbelasting) nemen af. Dat komt doordat mensen minder besteden en ook minder inkomen hebben (bijvoorbeeld indien zij werkloos worden).



d  Tijdens een laagconjunctuur neemt de productie af of groeit heel weinig. De vraag naar aardolie en aardgas neemt dan ook af. De prijs van aardolie neemt af net als de prijs van aardgas. De aardgasbaten zullen teruglopen door een combinatie van een verminderde afzet en lagere prijzen.



e  De lasten van de bevolking stijgen, bijvoorbeeld omdat de overheid de belastingtarieven verhoogd.



f   Als de overheid bezuinigt of de lasten verzwaart, zal de conjunctuur nog verder verslechteren.





8     a  M (import) en I (investeringen). Deze veranderen in dezelfde richting als het bbp. Als het bbp daalt, dalen zij ook. Als het bbp stijgt, stijgen zij ook.



b  Werkloosheid (of eventueel overheidsbestedingen).



c  De overheid past haar bestedingen niet aan aan haar inkomsten; de bestedingen nemen zelfs licht toe, bijvoorbeeld omdat de overheid geplande bestedingen naar voren haalt. Het gaat hier overigens niet om overdrachtsuitgaven als bijstand en huursubsidie, want die worden niet tot de overheidsbestedingen gerekend.





9     a  Zo wordt voorkomen dat vakkrachten worden ontslagen, die straks bij een aantrekkende vraag weer nodig zijn. Hier wordt dus gewezen op het belang en de kwaliteit (scholing, knowhow, ervaring) van de productiefactor arbeid. Dit is een structurele factor.



b  Bedrijven zullen misschien deeltijd-WW aanvragen voor werknemers die gewoon aan het werk blijven. Op deze manier proberen bedrijven hun loonkosten te verlagen door de overheid ‘mee te laten betalen’. Er is dan ook sprake van asymmetrische informatie: de overheid weet natuurlijk niet precies hoe slecht het met de bedrijven gaat. Overigens controleert de overheid actief of de aanvragen terecht zijn. Bij misbruik volgt terugbetaling en eventueel boetes. Zo probeert zij moreel wangedrag tegen te gaan.





c  Het bestaan van de WW-uitkering heeft een stabiliserende functie. Het stabiliserende ervan is dat in slechte tijden veel uitkeringen worden verstrekt en weinig premie wordt betaald. In goede tijden is het juist andersom. Zo worden de inkomens van werknemers en daarmee hun bestedingen (en daarmee de economie) gestabiliseerd. Indien werknemers midden in de laagconjunctuur meer WW-premie moeten betalen, en dus netto minder overhouden, wordt de stabiliserende functie van de WW ondergraven.



10  C



11  a  In de bron staat: gecorrigeerd voor inflatie.



b  Toegevoegde waarde: eigenlijk is dat hetzelfde als de waarde van de totale productie en dus het bbp.



c  De verandering van de toegevoegde waarde is continu positief.



d  De arbeidsproductiviteit steeg sterker dan de toegevoegde waarde, zodat er minder arbeid nodig is.





12  a  Wanneer de toegevoegde waarde (= bbp) sterk toeneemt, neemt ook de arbeidsproductiviteit sterk toe (en omgekeerd).



b  B en D



13  a  M × V = P × Y. Y (het productieniveau) wordt op de zeer lange termijn bepaald door de ontwikkeling van de productiefactoren en de stand van de technologie. Op de lange termijn (ongeveer twee jaar) verandert Y niet. M leidt daardoor tot een stijging van P.



b  Banken hebben goedkoop geld (lage rente!) van de centrale banken gekregen. Dit geld gebruikten zij echter niet ter dekking van nieuwe kredietverlening aan bedrijven en consumenten. Zij versterkten er alleen hun balans mee; met andere woorden zij vergrootten de dekking van de al uitstaande kredieten. Dit is op zich verstandig, omdat banken tijdens de kredietcrisis veel geld hadden verloren.



c  Indien consumenten verwachten dat de deflatie zal aanhouden, zullen zij bestedingen gaan uitstellen. Over een paar maanden kunnen immers dezelfde auto, wasmachine, spijkerbroek enzovoort goedkoper zijn.



d  Deze werkt procyclisch. Deflatie vindt plaats in een periode van laagconjunctuur. Indien consumenten bestedingen gaan uitstellen, wordt deze conjuncturele ontwikkeling versterkt.





14  a  Wanneer de economie van de EU gaat groeien, zal ook de import van de EU



toenemen, en daarmee dus ook de export van de VS (en die van China, Japan enz.).



b  ‘De regering wijst er bovendien op dat EU-landen veel geld in de economie pompen via het sociale vangnet, dat veel sterker is dan in de VS.’



c  Conjunctureel: door de extra uitgaven van € 5 miljard zullen de bestedingen toenemen. Structureel: door de extra uitgaven zal de welvaart op langere termijn kunnen toenemen, bijvoorbeeld wanneer de investeringen leiden tot technologische ontwikkeling op het gebied van ICT en duurzame en efficiënte energieopwekking.





15  a  Door een stijging. Europese producten worden door de koersstijging duurder voor niet-Europese afnemers (eigenlijk: niet-EMU-afnemers).



b  B en E (ervan uitgaande dat een verlaging van de vennootschapsbelasting ertoe leidt dat producenten lagere exportprijzen zullen berekenen).





c  Indin deze buitenlandse werknemers goed geschoold zijn, kunnen zij de arbeidsproductiviteit in Nederland verhogen. Verder zal hun komst leiden tot een afname van het loonniveau, omdat het aanbod van arbeid toeneemt.



16  a  C en I.



b  Waarschijnlijk afgeremd. Het consumentenvertrouwen is immers afgenomen, en waarschijnlijk dus ook de consumptieve uitgaven (C). Deze maken deel uit van de totale bestedingen.



c  Door de groei van de totale bestedingen schiet de productiecapaciteit tekort waardoor er (bestedings)inflatie ontstaat. Of: door de groei van de werkgelegenheid verkrapt de arbeidsmarkt waardoor de lonen stijgen en er (kosten)inflatie ontstaat.



17  a  (1) gestegen; (2) groter



b  Uitspraken 1 en 2 zijn juist.



18  a  Hoogconjunctuur.



b  Spanningen op de arbeidsmarkt houdt in dat de vraag naar arbeid groter is dan het aanbod. De lonen stijgen. Bedrijven gaan deze loonstijgingen doorberekenen in hun prijzen. De inflatie neemt toe. Vakbonden gaan hogere looneisen stellen om de koopkracht van het looninkomen veilig te stellen. Met als gevolg een loon-prijsspiraal. c   Een renteverlaging stimuleert lenen en ontmoedigt sparen. De bestedingen nemen



toe. Maar de bedrijven kunnen de vraag nu al nauwelijks aan. Grote kans op inflatie dus.





Verplichte context



1     a  In 1999 elf landen: België, Nederland, Luxemburg, Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje, Portugal, Oostenrijk, Ierland en Finland.



b  In 2001 Griekenland, in 2007 Slovenië, in 2008 Cyprus en Malta, in 2009 Slowakije.



c  Unie van landen die dezelfde muntsoort hebben.



2    A



3    Dollar (VS), yen (Japan), yuan (China), Britse pond (VK).



4     a  Hoge inflatie zorgt voor een stijging van de prijzen van exportproducten. De export neemt af en dus ook de vraag naar en dus de koers van de euro.



b  Wanneer de eurokoers daalt, worden de valuta van andere landen (VS, VK, Japan, China) in verhouding duurder. Goederen die de eurolanden importeert uit die landen, worden dus ook duurder. Dit leidt tot een toename van de inflatie binnen het eurogebied.



5    Alle uitspraken zijn juist.



6    De ECB is bang voor deflatie en probeert dus weg te blijven van de 0%.



7    a  Nominale productie gecorrigeerd voor inflatie.



b  Ja, dit wordt verwoord in uitgangspunt 1.



c  Omdat de ECB ervan uitgaat dat een verandering van M op de lange termijn geen invloed heeft op Y, maar wel op P. Wil je P reguleren (dat wil zeggen inflatie onder de



2% houden), dan moet je dus M reguleren.





8    4 – 1 – 3 – 2 – 5



9    a  inflatie



b  deflatie



c  verhogen



d  De hoogconjunctuur wordt gedempt.



e  verlagen



f   In tijden van hoogconjunctuur wordt de rente verhoogd om de bestedingen af te remmen. In tijden van laagconjunctuur wordt de rente verlaagd om de bestedingen te stimuleren. In beide gevallen wordt de conjunctuurbeweging afgezwakt.



10  a  Bij het ontstaan van de EMU was er nog maar één munt (de euro) en nog maar één maatschappelijke geldhoeveelheid, namelijk de maatschappelijke geldhoeveelheid in de EMU als geheel. Deze M moet door een centrale organisatie worden gecontroleerd: de ECB.



b  Omdat landen economisch gezien naar elkaar toegroeien (steeds minder verschil wat betreft inflatie, rente, begrotingstekort enz.).



11  a  De hoge inflatie leidt tot een dalende export van dat land (en dus van het eurogebied als geheel) en dus tot een daling van de koers van de euro.



b  Een dalende koers van de euro betekent een stijgende koers van de dollar (yen, yuan enz.). Import uit de VS, China en Japan wordt duurder. De CPI gaat omhoog: inflatie.



c  Alle landen moeten hun inflatie terugbrengen tot een laag niveau. De inflatiecijfers komen dan dichter bij elkaar te liggen. Convergentie dus.



12  a  Een hoge rente heeft een negatief effect op de bestedingen in het algemeen en op de investeringen in het bijzonder. Investeringen zijn belangrijk voor technologische ontwikkeling en het verhogen van de productiecapaciteit (natuurlijke productieomvang). Dalende investeringen verminderen de economische groei op langere termijn.



b  Landen zijn met elkaar verbonden via import en export. Wanneer Duitsland een lage groei heeft, zal dat te merken zijn in de Nederlandse exportsector. De voortplanting van de conjunctuurgolf van lidstaat naar lidstaat wordt niet afgezwakt door vrij zwevende wisselkoersen. We hebben immers allemaal dezelfde euro.



c  De rente is in de loop van de jaren negentig geconvergeerd en eigenlijk sinds het jaar



2000 in alle landen gelijk geworden.



d  Indien landen zich aan het stabiliteitspact houden, zal de rente zich stabiliseren op een laag niveau en zullen conjuncturele schommelingen dus afnemen.



13  3 – 1 – 4 – 2



14  3 – 1 – 2



15  a  Finland, Luxemburg en Zweden.



b  Ja, de overheidstekorten zijn vrijwel overal gedaald tot onder de 3%.



c  Begrotingtekorten kunnen leiden tot overbesteding, omdat de overheid meer uitgeeft dan dat zij aan belasting binnenhaalt. Het beperken van begrotingstekorten draagt dus bij aan de bestrijding van inflatie.



16  a  De overheidsinkomsten (belastingen) dalen en de overheidsuitgaven (met name aan sociale zekerheid) stijgen. Oplopende tekorten dus.




b  Bezuinigingen zouden leiden tot verder afnemende bestedingen. Dat is niet wenselijk in een situatie van laagconjunctuur.



c  Overheden willen misschien de economie stimuleren door middel van overheidsbestedingen of belastingverlagingen. Door deze maatregelen kan het overheidstekort oplopen tot meer dan 3%. Vanwege het stabiliteitspact is dat niet toegestaan.



17  1: Hierbij moet gedacht worden aan het belang van het stabiliteitspact voor het onder controle houden van inflatie en de rente. Hoge inflatie en hoge rente hebben beide een negatieve invloed op de economische groei. Verder draagt een lage inflatie bij aan het sterk houden van de euro.



2: Een sterke munt draagt bij aan prijsstabiliteit omdat de prijsschommeling van import



(bijvoorbeeld olie) uit niet-eurolanden beperkt blijft. Minder geïmporteerde inflatie dus.



3: Anticyclisch beleid leidt in de praktijk tot hoge overheidsschulden en hoge rentelasten, die zwaar drukken op de begroting. In de praktijk blijkt het afbouwen van deze schuld in tijden van hoogconjunctuur niet altijd te gebeuren. Toekomstige generaties worden bemoeilijkt in het bereiken van economische groei en welvaart. De zaak ligt wat genuanceerder wanneer de extra overheidsinvesteringen daadwerkelijk leiden tot een versterking van de economische structuur van de euro-economie (‘kenniseconomie’). In dat geval staat tegenover de schuldenlast ook een zekere kapitaalopbouw.


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.