Eindexamens 2024

Wij helpen je er doorheen ›

Woordenlijst H3

Beoordeling 4.6
Foto van een scholier
  • Antwoorden door een scholier
  • 3e klas vwo | 609 woorden
  • 10 februari 2009
  • 69 keer beoordeeld
Cijfer 4.6
69 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
3 redenen waarom je echt never nooit niet in het buitenland moet studeren

Studeren in het buitenland, de ultieme droom van veel mensen, toch? Nou,
vergeet het maar! Waarom zou je jezelf onderdompelen in nieuwe culturen,
talen en ervaringen als je ook gewoon thuis in je onesie op de bank kunt
blijven zitten?

Check het hier
Lernliste
A
der Urlaub = de vakantie
der Brief (Briefe) = de brief (brieven)
die Geschichte = de geschiedenis
der Campingplatz = de camping
Wir hatten zwei Zelte dabei = Wij hadden twee tenten bij ons
passieren - passiert = gebeuren - gebeurd
Hat es dir gefallen? = Is het jou bevallen?
Wie war dein Urlaub? = Wie waren deine Ferien?
ein großes Zelt = ein kleines Zelt
zu Hause sein = nach Hause fahren
B
Wo warst du? = Waar was jij?
in den Weihnachtsferien = in de kerstvakantie

Wir sind in Österreich gewesen = Wij zijn in Oostenrijk geweest
Wart ihr in der Schweiz? = Waren jullie in Zwitserland?
durch die Schweiz = door Zwitserland
Ich hatte einen Helm auf = Ik had een helm op
im Internet = op internet
schicken = sturen
mit freundlichen Grüßen = met vriendelijke groeten
C
Hallo, hier Schmidt = Hallo, met Schmidt
Es geht mir ganz gut = Het gaat heel goed
Wann fährst du in Urlaub? = Wanneer ga jij op vakantie?
Hast du schon gebucht? = Heb jij al geboekt?
Ich habe ein Doppelzimmer reserviert = Ik heb een tweepersoonskamer gereserveerd
seit einem Monat = sinds een maand
der Februar, der März = februari, maart
der Mai, der August = mei, augustus
Wohin fährst du? = waar ga je heen?
Ich gehe zu meinem deutschen Freund = Ik ga naar mijn Duitse vriend

In die Türkei fliegen = naar Turkije vliegen
nach Frankreich fahren = naar Frankrijk gaan
der Zug = de trein
Wir sind mit dem Zug gefahren = Wij zijn met de trein gegaan
das Flugzeug = het vliegtuig
Bist du geflogen? = Heb je gevlogen?
das Boot = de boot
Was habt ihr in Spanien gemacht?= Wat hebben jullie in Spanje gedaan?
Ich habe geschwommen = Ik heb gezwommen
Hast du ein Auto gemietet? = Heb jij een auto gehuurd?
Wo hat sie übernachtet? = Waar heeft zij geslapen?
das Foto (Fotos) = das Bild (Bilder)
I
da drüben = daarginds
Dreimal Innsbruck, einfach = Drie enkeltjes Innsbruck
eine Rückfahrkarte = een retourtje
in 20 Minuten = over 20 minuten
umsteigen - umgestiegen = overstappen - overgestapt
Von welchem Gleis? = Van welk perron?

Wann fährt der Bus ab? = Wanneer vertrekt de bus?
Es dauert 3 Stunden = Het duurt 3 uur
fast = bijna
Gute Fahrt! = goede reis!
aussteigen - ausgestiegen = einsteigen - eingestiegen
J
der Wetterbericht = het weerbericht
das Wetter = het weer
die Sonne = de zon
Es ist heiter = Het is mooi weer
Hat es geregnet? = Heeft het geregend?
der Schauer = de regenbui
das Gewitter = het onweer
Es friert jetzt! = Het vriest nu!
Es hat gefroren = Het heeft gevroren
der Nebel = de mist
Der Wind kommt aus dem Süden = De wind komt uit het zuiden
wehen = waaien
Wenn ein starker Wind weht, dann... = Als het hart waait, dan...
weil = omdat
denn = want
bleiben = blijven

geblieben = gebleven
minus 5 Grad = min 5 graden
5 Grad unter Null = 5 graden onder nul
bewölkt = bewolkt
wolkig = bewolkt
trocken = droog
nass = nat
werden = zullen, worden
Wann wirst du 16? = Wanneer word jij 16?
Es wird Schnee geben = Het zal gaan sneeuwen
Wann wird es endlich schneien? = Wanneer gaat het eindelijk sneeuwen?
kaum = nauwelijks
Es ist viel los = Er is veel te doen
das Schwimmbad = het zwembad
wandern = wandelen
Ich hoffe, das es schneit! = Ik hoop, dat het sneeuwt!
der Prospekt (Prospekte) = de folder
der Stadtplan = de plattegrond
die Information = de informatie
die Auskunft = de informatie

kalt = koud
warm = warm
heiß = heet
Grüß dich = Gegroet
Wie geht es dir? = Hoe gaat het met jou?
vor einer Woche = een week geleden
Vom 1. Dezember bis zum 3. Januar = Van de 1e december t/m de 3e januari
Schreibst du bald zurück? = Schrijf je gauw terug?
gute Laune haben = een goed humeur hebben
Zum Glück ist nichts passiert = Gelukkig is er niets gebeurd
die Straßenbahn = de tram
die Pension = het pension
obwohl = hoewel
sogar = zelfs
Bekomme ich Ermäßigung? = Krijg ik korting?
sich etwas ausleihen = iets huren
übrigens = overigens
die Notbremse = de noodrem
Was hast du erlebt? = Wat heb jij meegemaakt?
Gibt es da einen Campingplatz? = Is er daar een camping?

zelten = kamperen
der Ort = de plaats
Das gehört mir! = Dat is van mij!
der Lift (Lifte)= de lift
in 3000 m Höhe = op 3000 m hoogte
die Stimmung = de stemming
sportlich = sportief
der Fahrkartenautomat = de kaartjesautomaat
Ich sage dir Bescheid = Ik zeg het je
irgendwo = ergens
sofort = direkt
direct = direkt
darum = daarom
deshalb = daarom
Stimmt das? = Klopt dat?
Ist das richtig? = Klopt dat?

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.