Hoe kies jij een studie?

Daar zijn wij benieuwd naar. Vul onze vragenlijst in en bepaal zelf wat voor beloning je daarvoor wilt krijgen! Meedoen duurt ongeveer 7 minuten.

Meedoen

Basistof 1 t/m 12

Beoordeling 7
Foto van een scholier
  • Antwoorden door een scholier
  • Klas onbekend | 2888 woorden
  • 4 augustus 2007
  • 104 keer beoordeeld
Cijfer 7
104 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Overweeg jij om Politicologie te gaan studeren? Meld je nu aan vóór 1 mei!

Misschien is de studie Politicologie wel wat voor jou! Tijdens deze bachelor ga je aan de slag met grote en kleine vraagstukken en bestudeer je politieke machtsverhoudingen. Wil jij erachter komen of deze studie bij je past? Stel al je vragen aan student Wouter. 

Meer informatie
Basisstof 1 Genotype en fenotype Opdracht 1 1. In de chromosomen bevinden zich de eigenschappen van een organisme. 2. Het fenotype is het uitzien van de buitenkant.(uiterlijk) 3. Het genotype is het gene wat van binnen wordt bepaald voor de erfelijke eigenschappen. 4. Ja, het fenotype is op de afbeelding zichtbaar. 5. Nee, op de afbeelding zie je het genotype niet. 6. De bewering is onjuist omdat alleen van je ouders eigenschappen kunt erven. Opdracht 2 1. Nee, niet alle eigenschappen zijn erfelijk. 2. Ja, door de eelt op zijn handen verandert het uiterlijk. 3. Nee, van binnen verandert er bij de jongen niets. 4. Nee, de kinderen erven dit niet van hun vader. 5. Nee, want de bomen groeien scheef door het milieu. 6. Door het genotype en door het invloeden op het milieu komen die 2 factors in stand.
Opdracht 3 Basisstof 2 Geslachtschromosomen Opdracht 4 1. Niet allemaal de chromosomenparen bij een man bestaan uit twee gelijke chromosomen. 2. Niet allemaal de chromosomenparen bij een man bestaan uit twee gelijke chromosomen. 3. Omdat het chromosomenpaar uit de 2 geslachtschromosomen bestaat. 4. In een spiercel komen 2 geslachtschromosomen voor. 5. In een levercel van een man komen 2 geslachtchromosomen voor. 6. In de huidcel van een vrouw komen 2 geslachtschromosomen voor. Opdracht 5 1. In een lichaamscel komen 46 chromosomen voor. 2. In een lichaamscel van een man komen 2 geslachtschromosomen voor. 3. In een geslachtcel komen 23 chromosomen voor. 4. Er komt 1 geslachtschromosoom voor in een geslachtscel. 5. Ja, er kan een X-chromosoom in een eicel voorkomen. 6. Nee, er kan geen Y-chromosoom in een eicel voorkomen. 7. Ja, er kan een X-chromosoom in een zaadcel voorkomen. 8. Ja, er kan een Y-chromosoom in een zaadcel voorkomen. 9. Deze geslachtcel moet een zaadcel zijn. 10. Deze kan een eicel of een zaadcel zijn. Opdracht 6 1. Chromosomenpaar 3, omdat die verschillen van vorm
2. Lichaamscel 2 is afkomstig van een man. 3. Lichaamscel 1 is afkomstig van een vrouw. 4. Er is een eicel ontstaan bij de reductiedeling van lichaamscel 1. 5. Deze cel bevat een X-chromosoom. 6. Tekening schematische geslachtscel
7. Hierdoor zijn spermacellen ontstaan. 8. Deze kunnen de Y of het X-chromosoom bevatten. Opdracht 7 1. Een bevruchte eicel heeft 46 chromosomen. 2. Een bevruchte eicel heeft 2 geslachtschromosomen. 3. In stadium 2. 4. Het geslacht ligt niet in stadium 1 vast. 5. Het geslacht ligt in stadium 4 vast. 6. Door de spermacel wordt het geslacht gekozen. 7. De bevruchte eicel heeft 2 geslachtschromosomen. 8. De eicel heeft een X-chromosoom. 9. De zaadcel heeft een X-chromosoom. 10.De geslachtschromosomen van dat kind zijn XY. 11. De bevruchte eicel heeft een X-chromosoom en het Y-chromosoom. 12. De eicel heeft een X-chromosoom. 13. De zaadcel heeft een Y-chromosoom Basisstof 3 Tweelingen Opdracht 8 1 Uit 2 eicellen bestaat een twee-eiige tweeling. 2 Uit 1 eicel bestaat een eeneiige tweeling. 3 2 zaadcellen zijn bij de bevruchting van een twee-eiige tweeling betrokken. 4 Uit een zaadcel ontstaat een eeneiige tweeling.
Opdracht 9 1. De cellen 3,6 en 9 zijn bevruchte eicellen. 2. De cellen 1,2,5 en 8 zijn geslachtcellen. 3. De cellen 3, 6 en 9 bevatten 46 chromosomen. 4. De cellen 1,2,4,5,7 en 8 bevat maar een geslachtshormoon. 5. De kinderen R en S zijn een eeneiige tweeling. 6. Er zijn twee zaadcellen bij de bevruchting betrokken. 7. Cel 3 bevat de geslachtchromosomen X en Y. 8. Cel 2 bevat het geslachtschromosoom Y . 9. Cel 6 bevat de geslachtschromosomen X en X. 10. Cel 4 bevat het geslachtschromosoom X. 11. Cel 10 bevat de geslachtschromosomen X en Y. 12. Cel 9 bevat de geslachtschromosomen X en Y. 13. Cel 11 bevat de geslachtschromosomen X en Y. 14. Cel 8 bevat het geslachtchromosoom X. 15. Kind S is een jongen en geen meisje. Opdracht 10 1. De tweeling is twee-eiig. 2. Jos kan een jongen zijn. 3. De tweeling is twee-eiig. 4. Mardjan kan een meisje zijn. 5. De tweeling is eeneiig. 6. Ze kunnen beide een meisje zijn. 7. De tweeling is eeneiig. 8. Nee, Archie kan geen jongen zijn en Hans geen meisje. Basisstof 4 chromosomen en genen Opdracht 11 1.Een gen is een stukje chromosoom die voor erfelijke eigenschappen informatie bevat. 2. Ieder chromosoom bevat meerdere genen. 3. 2 genen per erfelijke eigenschap. 4. 1 gen voor een erfelijke eigenschap. 5. Genen komen in paren voor. 6. Deze genen zijn het zelfde. 7. Door middel van gewone celdeling. 8. Deze genen zijn gelijk. 9. Nee, dat verandert niet. 10. Bij bevruchting.(tijdens de bevruchting) Opdracht 12 1 .De chromosomen 1 en 4 vormen een chromosomenpaar, omdat op de zelfde plaats de zelfde eigenschap hebben. 2. In cel 3, omdat er twee chromosomenparen in zitten. Basisstof 5 Genenparen Opdracht 14 1. Als er twee de zelfde eigenschappen zijn die bestaan uit gelijke genen is een organisme homozygoot. 2. Als er twee verschillende eigenschappen zijn bestaan uit twee ongelijke genen is het organisme heterozygoot. 3. Een gen dat sterker is dan de ander, je ziet het ook in het fenotype. 4. Een gen dat slapper is dan de ander, en die alleen wordt gezien als het sterke gen niet aanwezig is. 5. Nee, want het zijn twee verschillende dieren dus je kunt het niet ui de vraag afleiden. Opdracht 15 1. Het fenotype is gave bladrand. 2. Deze plant is heterozygoot voor de bladrand. 3. Het gen voor een gave bladrand is dominant. 4. Het gen voor de ingesneden bladrand is recessief.
Opdracht 16 Koe 1
Koe 2
Koe 3 Opdracht 17 1. Een verschillend genotype is er mogelijk bij erwtenplanten met witte bloemen. 2. Er zijn 2 verschillende genotype mogelijk bij erwtenplanten met rode bloemen. 3. Rode bloemen: 2 donkeren en 1 donker, 1 wit • Witte bloemen: 2 witten
4. Het fenotype is witte haarkleur van het konijn. 5. Het fenotype is zwarte haarkleur van het konijn. 6. Het fenotype is zwarte haarkleur van het konijn. Opdracht 18 1. Er zijn steeds 42 chromosomen weggelaten
2. Marloes is homozygoot voor linkshandig. 3. Marloes en Rachel zijn hetrozygoot voor de oogkleur. 4. Erwin is homozygoot voor de oogkleur. 5. Jos: Rechtshandig
Marloes: Linkshandig
Rachel: Rechtshandig
Erwin: Rechtshandig
6. Het gen is recessief voor blauwe ogen. 7. Jos: Blauw
Marloes: Bruin
Rachel: Bruin
Erwin: Bruin
8. De vader is homozygoot. 9. Nee, dit kun je niet afleiden. Opdracht 19 1. Het recessieve gen kan voorgesteld worden als b. 2. Een persoon met dwerggroei kan voorgesteld worden met Bb. 3. Het genotype is: bb met normale groei. 4. Het genotype is: HH. 5. Het genotype is : hh. 6. Nee, die cavia’s bestaan niet.
Basisstof 6 Kruisingen Opdracht 20 1. Met P wordende ouders aangegeven. 2. Met F1 worden de nakomelingen van ouders aangegeven. 3. Door de kruising van de F1 ontstaat F2. Opdracht 21 1 Het fenotype van de runderen van de F1 is zwart. 2 Het genotype van de runderen in de F1 is Aa. 3 Onderlinge voortplanting van dieren in de F1 wordt weergegeven door Aa×Aa. 4 Een koe in de F1 kan twee typen eicellen produceren: eicellen met het gen A en eicellen met het gen a. 5 Een stier in de F1 kan twee typen zaadcellen produceren: zaadcellen met het gen A en met het gen a. Opdracht 22 1. De kans dat een kalf in de f2 het genotype AA heeft is, is 25 %. Het fenotype van het kalf is zwartharig. 2. De kans dat een kalf in de F2 het genotype aa heeft is,is 25 %. Het fenotype van dit kalf is roodharig. 3. De kans dat een kalf in de F2 het genotype Aa heeft is, is 50%. Het Fenotype van dit kalf is zwartharig. 4. De kans dat een kalf in de F2 zwartharig is, is 75%. De kans dat een kalf in de F2 roodharig is, is 25% Opdracht 23 1. Het genotype van de ouders van de cavia is hh en HH. 2. De geslachtscellen van de zwarte cavia bevatten H. De geslachtcellen van de witte cavia bevatten h. 3. De mogelijkheid om de versmelting van de eicelkern en de zaadcel bestaat door Hh. Opdracht 24 1. Een zwarte vacht heeft de nakomeling van de F1. 2. Een zwarte en witte vacht hebben de nakomelingen van de F2. 3. 0% kans dat de nakomelingen homozygoot zijn van de F1. 4. 100% kans dat de nakomelingen van de F1 heterozygoot zijn. 5. 50% kans dat de nakomelingen van de F2 hetrozygoot zijn. 6. 50% kans dat de nakomelingen van de F2 homozygoot zijn. 7. 100% kans dat de eerste nakomelingen van de F1 zwartharig is. 8. 0% kans dat de eerste nakomeling van de F1 witharig is. 9. 75% kans dat de eerste nakomeling van de F1 zwartharig is. 10. 25% dat de eerste nakomeling van de F2 witharig is. 11. Ja, deze kans is even groot voor de tweede nakomeling in de F2
12. Zwart: 30 van deze dieren zullen zwart worden geboren

Wit: 10 van deze dieren zullen wit worden geboren. 13. De verhouding van de F2 is dan 1:2:1 (HH:Hh:hh) 14. De verhouding van de F2 is dan 3:1 (zwartharig: witharig) Opdracht 25 1. Het genotype van de ouders zijn: Bb x bb. 2. De eicellen bevatten Bb
De zaadcellen bevatten bb
3. De mogelijkheid bestaat er dan dan Bb of bb versmelden. 5. De kans op nakomelingen met normale vleugels is 50 %. 6. Nee, de kans op een nakomeling is even groot. 7. 50% kan dat de eerste nakomeling stompenvleugeltjes heeft. 8. Ja,de kans is geven groot dat de tweede nakomeling ook stompenvleugeltjes krijgt. 9. Allebei ongeveer 48 nakomelingen. Normale vleugels : 48 nakomelingen die er worden geboren. Stompen vleugels: 48 nakomelingen die er worden geboren. 10. De verhouding is normale vleugels : vleugelstompjes = 1:1 Opdracht 26 2. De kans dat de eerste erwtenplant ontkiemt als een rode plant is 75%. 3. De kans dat de eerste erwtenplant ontkiemt als witte plant is 25%. 4. 1500 planten zullen naar verwachting rood zijn. (bloemen) 5. 500 planten zullen naar verwachting witte zijn. (bloemen) 6. in de verhouding witte en rode bloemen is 3 voor rood en 1 voor wit dus : 3:1. Opdracht 27 1. De verhouding van de kruising van het fenotype is 1:1. 2. 3 verschillende genotypen treffen zich na de nakomelingen. 3. Het genotype van allebei de ouderen dieren is Aa x Aa. 4. De genotype van de ouders zijn Aa x aa. 5. 50% van de nakomelingen is hetrozygoot. 6. 50% van de nakomelingen is hetrozygoot als de ouders beide Aa hebben. 7. 100% Van de nakomelingen is hetrozygoot als beide ouders AA en aa hebben. 8. nee, er is te weinig aan informatie om het te kunnen zeggen. Opdracht 28 1. De verhouding 204:187 is ongeveer gelijk aan 1 : 1

2. Het genotype van de ouderen planten zijn Aa x aa
3. Nee, dat kun je niet afleiden. Opdracht 29 1. De verhouding 28 :11 is ongeveer gelijk aan 3 : 1. 2. Het genotype van beide ouders is Rr x Rr
3. De ruwharige gen is dominant, dat die je aan de hoofdletter . 4. Gladharig en ruwharig zijn de fenotypes van de ouders. 5. Ja, het ligt aan het genotype van binnen. 6. aa is de kruising van de gladharige cavia’s
7. In de eicel : gen a
In de zaadcel: ook gen a
8. De jonge cavia’s zullen als genotype aa hebben. 9. Gladharig zullen de jonge cavia’s als fenotype hebben. 10.Nee, dan kunnen de cavia’s niet gladharig worden. Basisstof 7 Stambomen Opdracht 30 1. De nummers die vrouwtjeshonden zijn: 1/3/5/7. 2. De nummers 2/4 geven ruwharige mannetjeshonden aan. 3. Het gen voor gladharig komt uit de kruising. 4. De honden 1/6 zijn homozygoot recessief. 6. Hond drie krijg van haar moeder gen Aa. 7. Het genotype van hond 3 is Aa. 8. Het genotype van hond 6 is a geeft van zijn vader. 9. Van hond 4 is het genotype Aa. 10. Het genotype van hond 5 Aa. 11. Van de honden 2 en 7 kun je het niet zeker vaststellen. Opdracht 32 1. De verhouding van de nakomelingen is : 1:3:1. 2. Bij 50% kunne ze nakomelingen met een korte stengel vinden. 3. 0% kans dat het kind sikkelcelanemie. 4. het genotype van de ouders zijn gg x Gg. 5. 3:1 is de verhouding van de planten in het genotype. 6. Stamboom 1 en 3 hebben het genotype Rr. 7. De oogkleur blauw is RR. 8. 25% kans op een nakomeling van witharig.
Basisstof 8 Geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting Opdracht 33 1. Nee,ze hebben verschillende genotypen bij reductiedeling van een dochtercel. 2. Ja, ze hebben bij gewone celdeling het zelfde genotype. 3. Ja, alle levercellen van een vrouw hebben de zelfde genotype. 4. Verschillende genotypen. 5. Hierbij is spraken van geslachtelijke voortplanting. 6. Door middel van mitose vind onslachtelijke celdeling plaats. 7. Bij kunstmatige selectie stellen mensen de eigenschappen samen. 8. Bij veredeling kruis je om een beter ras te krijgen. 9. Hier zijn drie voorbeelden van voortplanting bij planten onslachtelijke: 1. stekken
2. knollen. 3. weefselkweek. 10. Omdat ze dan zeker de goeie eigenschappen krijgen, gebruiken ze vaak onslachtelijke voortplanting in de landbouw. 11. Ja, deze planten hebben hetzelfde genotype. 12. Nee, want er kunnen invloeden van buitenaf bij te pas komen en de fenotypes veranderen. 13. Nee, hierbij vind geen reductiedeling plaats. 14. In alle lichaamscellen zit de zelfde informatie. 15. Nee,want ze kunnen ook heterozygoot zijn en dan wordt 25% een andere kleur. 16. Ja, dan is het altijd dat hij dezelfde kleur planten krijgt. Basisstof 9 Mutaties Opdracht 34 1.Een mutatie is een verandering van het genotype. 2. De grootste uitwerking van mutatie kan voorkomen in de geslachtscellen. 3. Een mutant is een geen die tot uiting in het fenotype komt. 4. Mutagenen hebben invloed op het milieu door : Straling van zon
Stoffen die vervuiling op brengen
5. In deze twee landen neemt de mutatie sterk toe : • Japan • Tsjernobiel
6. Als de straling hoog is kan de straling door de voortplantingsorganen heen fotograferen en dan heb je alleen het bot. 7. In het laboratorium kijken ze of ze blootgesteld kunnen worden aan die stralingen. 8. Bij nummer 21 zijn in plaats van 2 chromosomen 3 chromosomen en dan heb je alles bij elkaar geteld 1 chromosoom te veel en dan krijg je een ongelukkig kind, in dit geval met de ziekte ‘syndroom van down’. Door nummer 21 is dit kind zo,, bij de geboorte geworden. Opdracht 35 1. Een gezwel ontstaat doordat er lichaamscellen zich te snel gaan delen. 2. Kanker ontstaat doordat cellen te dicht op elkaar zitten. 3. Bij uitzaaiing hebben de cellen zich door het lichaam verspreidt. 4. Het is van belang dat een gezwel woord bedekt omdat, ze het niet kunnen behandelen als het is uitgezaaid. 5. Het gezwel komt op een andere plaats terug als ze opereren want het heeft zich dan al gespreid. 6. Door langdurige zonnebaden woord huidkanker vooral veroorzaakt.. 7. Door roken wordt al snel longkanker veroorzaakt.
Opdracht 37 1.Bij aangetaste sperma van de vader is aangetoond volgens het artikel dat kinderen sneller kans maken op leukemie. 2. Hier wordt het mutagenen genoemd dat rode bloed cellen te weinig zijn in het lichaam. 3. In deze zin staat de bewering dat personen mutaties hebben veroorzaakt: sommige employés van de atoomfabrieken zouden aan zoveel straling hebben blootgestaan dat veranderingen in hun sperma zouden zijn opgetreden. 4. Ja, want ze hebben het van hun vader gekregen is uit de testen gebleken. Basisstof 10 Erfelijkheidsonderzoek Opdracht 38 1. Borstkanker is erfelijk en zij kan het ook hebben en dan kun je beter zekerheid hebben.. 2. Ze kan het beste een van deze twee maatregelen nemen: • Amputatie ondergaan van haar borsten • Controle laten doen om de 2 weken/ 4 weken. 3. Bij een genetisch advies wordt onderzocht of je een bepaalde erfelijke genen hebt. 4. Als iemand in de familie een erfelijke ziekte heeft en er kan dan zijn dat het kind het ook krijgt. 5. Zij kunnen een mutatie hebben in de geslachtscellen. Opdracht 39 1. Een echoscoop werkt door over de buik te wrijven met een apartje zodat je echo’s kunt maken zodat de stralen van je kindje ziet. 2. Bij een vlokkentest wordt een stukje weefsel van de placenta weggehaald en onderzocht. 3. Bij een vruchtwaterpunctie wordt een beetje vruchtwater weggezogen en onderzocht. 4. Bij de vlokkentest bestuderen ze een ongeboren kind. 5. Met een vlokkentest kan het geslacht van een kunt worden bepaald. 6. Nee, omdat het de kans op een miskraam groter wordt en mensen willen het niet. 7. Als moeder 43 is is de kans op een ongelukkig kind 7% groot. 8. Als de moeder 39 is de kans op het syndroom van down maar 3% groot. 9. Dit uitstel is niet verstandig,want hoe ouder je wordt hoe meer kans op een chromosoomafwijking. 10. Fenna wil te weten komen of de baby van haar ook besmet is. 11. Fenna wil ook zo snel mogelijk weten of haar kind een jongen of een meisje is want, bij jongens komt het sneller voor. 12. Het kindje van Fenna kan een ziekte hebben daarom kan ze of: • Abortus laten plegen. • Het kind houden Basisstof 11 Biotechnologie Opdracht 40 1. Het gebruiken van organismen om het voedsel beter te maken is biotechnologie. 2. Wijn, brood en bier worden met behulp van gisten gemaakt. 3. Zuurkool en yoghurt worden met behulp van goeden bacteriën gemaakt. 4. Biotechnologie is de laatste jaren sterk opkomst,doordat we er meer over weten. 5. Recombinant-DNA-technieken zij veranderingen van DNA om een bepaalde eigenschap te krijgen. 6. We spreken over genetische modificatie als het genotype verander is. 7. We noemen een organisme transgeen als het genotype niet veranderd is. 8. Een voorbeeld van genetische modificatie is: meer en beter voedsel. 9. Sommige mensen zijn tegen genetische modificatie doordat: • Veranderen van de natuur • Dieren voor proeven nodig zijn • Het recht niet hebben om de natuur te beschadigen. Opdracht 41 1. Deze bevatten veel plantaardige eiwitten net als bij vlees daardoor worden ze vervangen in plaats van vlees (sojaplanten). 2. De planten met het genotype AA zijn dominant dus die zullen beslist als nakomelingen het zelfde zijn. 3. Van een voorstander is het kweken van soja bonen zo goed mogelijk. 4. Van een voorstander is het kweken van transgene sojabonen.
Opdracht 42 1. Van cel P van de superkoe is de celkern van cel R afkomstig. 2. Als een cel zich een paar keer deelt is het gewone celdelingen. 3. Cel P heeft 60 chromosomen ( een koe heeft sowieso 60 chromosomen.) 4. Cel R heeft 60 chromosomen ( in een koe zitten altijd 60 chromosomen dus ook nu weer het antwoord 60.) 5. Nee ,want de chromosomen worden eruit verwijderd. 6. Nee ,want het genotype is al bepaald voordat het in de draagkoe wordt geplaatst. 7. Ze hebben de zelfde chromosomen daarom noemen ze de kalveren een eeneiige meerderheid. 8. Deze kalveren hebben het zelfde geslacht van de afbeelding in heb leesboek(afbeelding53). Opdracht 43 1. Vinger afdrukken worden tot het fenotype. 2. Aan de hand van zijn fenotype is de misdadiger opgespoord. 3. Verdachte nr. 11 is als de dader ontmaskerd. Basisstof 12 leren werken. Opdracht 44 1. Door meer goeie koeien te maken die veel melk maken heb je meer geld te verdienen. 2. Als Jaco de koe die goed was laat onder zoeken welk gen die vele melk maakt dan kan meer en betere melk maken als hij gaat kloneren. 3. Als een koe niet tegen een bepaalde ziekte kan, kunnen ze er allemaal niet tegen die ziekte dus er is kans op veel zieke koeien. 4. Met deze kennis kunnen de zieke genen verwijderd worden, dan moet dat bij heel veel koeien gedaan worden en niet bij 1. 5. Dat de kwaliteit goed is en dat de prijs laag is, dat is goed voor de kopers. 6. Het beroep van veehouder lijkt me niks omdat je veel geld er in moet steken en veel moet werken en je verdient er dus niet veel aan.

REACTIES

N.

N.

bij opdracht 24 van par.6 wordt er gesproken over een witte vacht, deze moet roodharig zijn

13 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.