Alleen vmbo'ers gezocht! Waar denk jij aan bij duurzaamheid? Vul de vragenlijst in en maak kans op een Bol.com bon van 15 euro

Meedoen

Klassieke economische theorie

Beoordeling 0
Foto van een scholier
  • Aantekening door een scholier
  • Klas onbekend | 3292 woorden
  • 31 mei 2016
  • nog niet beoordeeld
  • Cijfer
  • nog niet beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak

Themacollege ESG samenvatting hoorcollegestof



Hoorcollege 1



Sociologie: analyseert menselijk leven in groepsverband; mechanismen en elementen die dit verband stabiliseren:




  • Sociale structuren: vaste relaties tussen mensen (regels, afspraken, verwachtingen)

  • Instituties: niet-relationele elementen die de samenleving stabiliteit verlenen zoals religie, onderwijs en ‘eigendom’.



Fasen van de sociologie in relatie tot het verleden:
















































































1800-1850



Pre-sociologen



Geen verschil tussen geschiedenis en sociologie, encyclopedisch en teleologisch.



1798-1857



Auguste Comte



Cours de philosophie positive: begrip ‘sociologie’. Wetmatigheden op empirische grondslag. Positivisme in zijn werk aanwezig. Zocht naar alomvattende wetten op basis van waarnemingen.



1850-1930



Klassieke sociologie



De drie ‘founding fathers’ van de sociologie.



1818-1883



Karl Marx



Klassenmaatschappij: proletarische revolutie. Maakte ook geen onderscheid tussen geschiedenis en sociologie



1864-1920



Max Weber



Gebruikte ideaaltypen in zijn methode. Voorbeeld van zijn studies: wortels kapitalisme te vinden in de protestantse ethiek (die protestantse ethik und der geist des kapitalismus). Hij verkent relatie economie en maatschappij in empirie en theorie.



1858-1917



Emile Durkheim



Eerste hoogleraar sociologie. Studeerde functies en een sociaal fenomeen (zelfmoord wordt bepaald door maatschappelijke structuren en niet alleen door individuele keuzes)



Moderne sociologie (Amerikaanse founding fathers)



1930-1965



Structureel functionisme



Interactionisme: mensen spelen rol als actoren.



Gericht op de status quo dus ahistorisch. Kijkt erna of instituten functioneel of dysfunctioneel zijn.



1965-1980



Kritische sociologie



Kritiek op het structureel functionalisme, dat op de status quo gericht is. Ze richten zich vooral op middelgrote vraagstellingen



1916-1962



C. Wright Mills



Had kritiek op structureel functionisme en onderzocht de relatie tussen de status quo en macht door conflict als drijvende factor te onderzoeken.



1980-nu



Poststructuralisme



Terug naar de klassiekers en onderzoeken van grote verbanden door middel van empirie. Ook focus op de talige structuur van de wetenschap



1897-1990



Norbert Elias



Figuratieve sociologie: samenleving bestaat uit vervlechtingen van ongelijke menselijke relaties en hun praktijken. Verder schreef hij uber den prozess der zivilisation: beschavingsprocessen.



1930-2002



Pierre Bourdieu



Economisch, sociaal en cultureel kapitaal. Was een onderwijs socioloog en kwam met het begrip habitus (omgeving heeft invloed op je doen en laten).



1929-2008



Charles Tilly



Staatsvorming en de rol van belastingen en sociale bewegingen.



1938-..



Anthony Giddens



Structuration theory: sociale identiteit en moderniteit en de relatie tussen structuur, actor en agency. Wat betekend dat individuen voor verandering kunnen zorgen.




Social science history: combinatie van historisch sociologie en sociale geschiedenis gericht op sociale groepen (gender en generaties in ruimte en tijd).



Hoorcollege 2: sociale ongelijkheid



Sociale ongelijkheid is de oorsprong van veel maatschappelijke debatten. Er zijn verschillende verklaringen voor sociale ongelijkheid:































Natuurlijke orde



God bracht onderscheid aan tussen man en vrouw en de beschaafde en de wilde. Privileges werden verdeeld naar standen. Dus volgens urbaan en landelijk en daarnaast speelden geloof, gender en etniciteit mee. Vanaf het ancient regime werden de standen in de samenleving ook het Juridische uitgangspunt waar de moderne maatschappij op werd gebouwd.



Marx: Klassen



Ongelijkheid ontstaat door ongelijke verdeling van de beschikbare productiemiddelen in de samenleving. Zo ontstaat er in de 19e eeuw een klassenstrijd tussen arbeiders en kapitalisten. Het klassenbegrip is op economische macht gebaseerd.



Weber: meer dimensies



Sociale stratificatie is gebaseerd op 3 factoren: 1. Klasse (economische positie op de arbeidsmarkt) 2. Stand (status van je positie en je levensstijl) 3. Partij (politieke positie en macht die voortkomt uit talent en charisma)



Functionalistische ordening



Redenering van deze tjappies: mensen vervullen rollen in de samenleving die bijdragen aan voortbestaan samenleving > voor goede uitvoering van deze rollen is talent nodig > talent is schaars > hogere functies vereisen meer talent, die dus schaars is > wet van vraag en aanbod geld schaarste



Figuratie sociologie



Elias: figuraties



Mensen hebben bepaalde positie in netwerken: of in het centrum (gevestigden) of in de periferie (outsiders) werkte die uit in established and outsiders (1965) > label van ‘us’ en ‘them’.



Bourdieu: sociaal kapitaal



Elk individu heeft een bepaald habitus (politiekveld, sportveld, universitair veld, kunstveld) en hieruit volgen: economisch kapitaal, sociaal kapitaal en cultureel kapitaal die je een bepaalde positie geven. Ouders geven deel van habitus over aan kinderen. nurture vs. nature






Moderniseringsthese over sociale ongelijkheid: van een geboorte status naar een vererfde status (acribed naar achieved) en van een gesloten naar een open samenleving > roept de vraag op of er in pre-industriële samenlevingen wel sociale mobiliteit was. Ongelijkheidstoenamen tijdens de eerste fase van industrialisatie, waarna er meer gelijkheid komt.



Soorten verticale sociale mobiliteit:




  • Intergenerationele mobiliteit: in een generatie

  • Intergenerationele mobiliteit: tussen meerdere generaties

  • Bepaalde beroepen hebben ook een sociale status en hebben invloed op je sociale mobiliteit

  • Hoeveel plekken er op een bepaald beroep vrij zijn draag bij aan de kans die je hebt op een goede baan (statistisch gezien).



Sociale mobiliteit voor 1800



Sociale mobiliteit was verborgen maar wel mogelijk door bepaalde omstandigheden. Voor de 18e eeuw de ‘homines novi’ (nieuwkomer) > kon door verschillende zaken stijgen op ladder:




  • Huwelijk: trouwen in steden om het burgerschap te krijgen. Ook meer sociale toegang door trouwen

  • Kerk: binnen kerk zat een maatschappelijke hiërarchie. Richelieu was een arm kind maar klom door de kerkelijke ladder op.

  • Demografie: door veel sterfte werd de kans op sociale stijging groter

  • Clientelisme: bescherming door iemand met een hogere sociale status zorgt voor meer sociale kansen

  • Levensstijl moet aangepast worden aan de nieuwe sociale klasse.



Sociale mobiliteit na 1800



Veel nieuwe beroepen door industrialisatie. ‘durf kapitalisten’ zijn succesvol in het begin en hebben aanvangstwinst. In het begin van de industrialisatie neemt de ongelijkheid toe en in het midden van de industrialisatie neemt de ongelijkheid af. Komt volgens de Kuznets inverted u-curve door een verschuiving van sectoren. Minder landbouw en meer arbeiders, waardoor de lonen lager zijn. na de transitie is er meer behoefte aan geschoolde arbeid en meer gelijkheid dus de lonen nemen toe. Paul Krugman zegt hierover dat de lonen ook hoger worden door bemoeienis van de vakbonden.



Gevolgen van sociale ongelijkheid



Wilkinson en picket zeggen dat mensen gelukkiger zijn in een meer gelijke samenleving omdat 1. Het meer een ‘civil society’ is > meer organisaties en gezelschappen. Robert Putnam brengt onderscheid aan tussen binding (bond tussen gelijkgestemden) en bridging (band tussen verschillende mensen van sociale status). Dat eerste gebeurt meer in niet-gelijke samenlevingen. Als er meer bridging is zegt dit iets over de gelijkheid in een samenleving. 2. Argument van Paul Krugman die zegt dat vakbonden voor meer gelijkheid zorgen.



Onderwijs is de sleutel voor intragenerationele mobiliteit > beurzen kunnen toegang onderwijs vergroten voor mensen met minder financiële middelen.



Hoorcollege 3: historische demografie



Historische demografie integreert aspecten van de geschiedenis en omvat biologische, sociale en economische variabelen



Malthusiaanse val houdt bevolking stationarr door preventieve en positieve checks. Armen moesten minder fucken, want anders groeide de bevolking te erg. Homeostase: wankel evenwicht van bevolking ten opzichten met voedsel. Door de agrarische revolutie einde aan de homeostase. Kritiek op Mathus: hij zag het aspect van technologische innovatie over het hoofd.

















Ester Boserup (1965)



Malthus (1798)



Niet-westerse agrarische samenlevingen die marginale gronden gebruiken. Ze intensiveren nieuwe technieken en bevolkingsdruk maakt volgens haar innovatief



Vergat de rol van techniek en dacht dat productie linea en bevolking exponentieel groeide. Armen moesten niet huwen, maar laat huwen en niet teveel baby’s maken.






Duurzaamheid



Club van Rome publiceerde in 1972 een boek, the limits to growth waarin ze stelden dat er duurzaamheid nodig was omdat: er een grens is aan fossiele brandstof en hoeveelheid cultiveerbare grond. Intensivering leidt tot meer vervuiling. Het klimaatpanel van de UN (IPCC) zegt sinds 1994 dat het broeikaseffect het zeeniveau verhoogd, groeiseizoenen veranderd en hoeveelheid cultiveer baar land minder wordt.



Anthony Giddens, met zijn structuration theory, schreef ook over klimaatveranderingen en wat voor dingen daar voor nodig zijn om het broeikaseffect tegen te gaan: sociale structuren moeten informatie bieden en individuen moeten vervolgens handelen. Politieke en bestuurlijke daadkracht nodig en klimaatpolitiek zit vast in mondiale economische en politieke structuren.



Demografische transitie



In industriële landen groeit de bevolking langzamer dan in pre-industriële landen. Te verklaren door demografische transitie. Eerst een lager sterftecijfer door beter voeding(aardappel, grondproductiviteit)  en beter hygiëne (scheiding afvalwater en drinkwater, meer medische zorg). Daarna lager geboortecijfer door: nieuw perspectief op kinderen, betere opleiding van vrouwen [> vooral invloed op urbane omgeving] en onthouding door voorbehoedsmiddelen.



            Historische demografie ontstond toen historici in Frankrijk vergelijkend wetenschappelijk onderzoek gingen doen. Vrouwen zijn het meest vruchtbaar als ze jong zijn, als ze later huwen krijgen ze dus ook minder kinderen.



Aantekeningen toevoegen simone



Mensen migreren door push en pull factoren. Daarnaast speelt mee of het permanente of temporele migratie is en of er bijvoorbeeld sprake is van kolonialisme en een geboorteoverschot waardoor mensen uit een bepaald land wegtrekken. Centrale vraag is hoe met beperkte middelen onbeperkte materiële behoeften worden bevredigd, op zowel micro als macro niveau.





Hoorcollege 4: de verhouding tussen economie en geschiedenis



Economische wetenschap



Omvat de maatschappij als geheel, levensstadaard, individueel gedrag van mensen om dingen te kopen, arbeid e.t.c. Verschillende economische methode




  • Beschrijven en verklaren

  • Positivisme: objectief kennis is mogelijk, methode van de natuurwetenschappen. Zoeken naar algemene wetmatigheden, die dus objectieve kennis zijn

  • Vereenvoudigen weergave van de werkelijkheid in de vorm van een modern

  • Deductieve aanpak: door veronderstellingen



De economie verondersteld dat de mens een homo economicus is: rationeel wezen, eigenbelang staat centraal en het heeft onbeperkte materiële behoeften, maar beperkte middelen. De onzichtbare hand zorgt in een vrije markt voor een perfecte afstemming van vraag en aanbod.



Historische school: de ‘methodenstreit’ beschrijving vs. Modellen (positivisme)



Dikke battle in de tweede helft van de 19e eeuw tussen sexy economen           































Neo-klassieken



Historische school



De navolgers van de ‘klassieke’ economen: Adam Smith, Thomas Malthus e.t.c.





Positivisme: objectieve kennis is mogelijk



Historisme: alle kennis is subjectief



Deductief: van een bepaalde theorie uitgaan en die aan de hand van kennis bevestigen



Inductief: op basis van verzamelende gegevens tot een bepaald theorie komen



Algemene wetmatigheden die voor elke historische periode gelden



Zoeken naar algemene patronen in het verleden



Bouwen van theoretische modellen die dus voor elke periode gelden



Wetmatigheden zijn plaats en tijd gebonden en er bestaat geen ‘universeel model’






Traditionele economische geschiedenis



Het verzamelen van veel data uit het verleden, die vooral als illustratie gelden. Het gaat vooral om het beschrijven van historische gebeurtenissen en ontwikkelingen. Verklaringen worden vaak buiten de economie gezocht en er is geen modelmatige aanpak.



‘Ecole des annales’



Richt zich op maatschappelijke ontwikkelingsprocessen in plaats van gebeurtenissen. Het gaat vooral om sociale groepen in de maatschappij en de rol van het individu wordt verkleind. Het concept van natiestaat werd willekeurige door het toeval bepaald dus fysisch en economisch samenhangende regio’s waren eerder een structurele basis voor dit onderzoek. Daarnaast werden veel methoden van andere wetenschappen geleend en werden de ontwikkelingen in een eenvoudige oorzaak-gevolg model beschreven.



Neoklassieken



Visie op economie: markt werkt perfect en onzichtbare hand is optimaal door het nastreven van eigenbelang. Werkloosheid zorgt voor meer vraag naar arbeid (door loondaling). Markt lost vanzelf de economische crisis op. De overheid moet het verzekeren van de openbare orde en eigendomsrechten en contracten garanderen (betrouwbaar juridisch systeem)



.           Door volledige concurrentie daalt de prijs en stijgt de kwaliteit. Er moeten dan geen kartels of monopolies zijn. Vooral korte termijn belang staat voorop. De vrije markt kan zich op korte termijn goed aanpassen aan gewijzigde omstandigheden.



Keynesianen



Geen perfecte werking markt. En als de arbeidsmarkt inflexibel is, is de werkloosheid hardnekkig. Als mensen gaan sparen komt er vraaguitval, waardoor de economie krimpt. Economische crisis wordt niet door de markt zelf opgelost, maar de overheid moet economie stimuleren. Naar het werk van John Maynard Keynes (1883-1946).



Econometrie: sinds jaren ‘30



Probeert in plaats van te verklaren ook voorspellen door ingewikkelde modellen aan de hand van het verleden. Keynesianisme heeft zin.



New economic history: sinds jaren ‘50



Neemt neoklassieke gedachtengoed over met gebruik van econometrische methoden voor historische vraagstukken. Gaat vooral uit van de vraag en niet van de beschikbare bronnen. Gebruik van economische theorie en veel concepten en modellen hieruit. Voorbeelden:




  • Robert Fogel liet zien dat de aanleg van de spoorwegen in de VS niet essentieel was voor de economische groei, door het te vergelijken met een imaginair botenstelsel. Counterfactual-analyse.

  • Conrad en Meyer lieten zien dat de slavenplantages in het zuiden van het land winstgevend was, een argument dat tijdens de onafhankelijkheid oorlog door het noorden juist werd afgewezen. Ze creëerden ook een imaginaire boerderij.



Hoorcollege 5: nationaal inkomen, economische groei en welvaart



Kenmerken van economische ontwikkeling die door Kuznets zijn bedacht:




  1. Grotere productieomvang

  2. Verbeterde productiestructuur, waardoor de industrie grote is dan de landbouw

  3. Verschuivende consumptie, ook minder groenten en meer goud

  4. Technologische ontwikkeling

  5. Betere organisatie van de productie: zowel specialisatie als grootschaligere productie

  6. Kapitaalintensievere productie: meer geld in het productieproces stoppen

  7. Economisch efficiëntere instituties, zodat de rest van de maatschappij kan functioneren



Economische groei en andere economische begrippen



Economische welvaart is de hoeveelheid welvaart per hoofd.



Nationaal product: opbrengt van productiefactoren eigendom van de inwoners in het land



Binnenlands product: opbrengst productiefactoren aanwezig in een land



Toegevoegde waarde: productiewaarde min kosten van grondstoffen



Productiewaarde: hoeveelheid keer de prijs (dus gewoon de omzet)



Productiefactoren en de beloningen hiervan: Als je werkt, dan verricht je arbeid dus krijg je loon. Als je zelf al geld hebt, heb je kapitaal als je dit uitleent krijg je hier rente op. Als je grond hebt en je verpacht dit dan krijg je hier huur voor. Als je een ondernemer bent, dat heb je ondernemerschap en als je dit goed doet krijg je winst.



Onderzoeken economische groei



Historische nationale rekeningen: doel is om jaarlijkse schattingen te maken voor macro-economische grootheden. Onderzoek naar de 19e en de 20ste eeuw naar de economische omstandigheden in dit land. Methode: iedere bedrijfsklasse wordt apart onderzocht. Input-output model: hoeveel gaat er in de economie en uit de economie (hoeveel wordt er geproduceerd > output, en waaraan wordt de productie geleverd > input).





















Berekenen binnenlands product



Optellen van de toegevoegde waarden van alle bedrijfsklassen



Berekenen nationaal inkomen



Alle inkomsens uit productiefactoren optellen



Berekenen totaal consumptie



Consumptie van alle producten bij elkaar optellen, inclusief investeringen en overheidsbestedingen.




Moderne economische groei: productie groei sneller dan de bevolking > gaat oneindig lang door



Neoklassieke groeitheorie: de groei van de productie is afhankelijk van de groei van de hoeveelheid arbeid, kapitaal en grond.



Extensieve economische groei: productiegroei door toename hoeveelheid productiefactoren



Intensieve economische groei: productie groei door technologische vernieuwing



Rostow-these: moderne economische groei ontstaat door een take-off die tot technologische vernieuwing leidt waardoor de hele economie groeit. (dus ieder land industrialiseert volgens deze manier).



Er zijn meerdere redenen waarom de winst uit de productiefactoren (arbeid, kapitaal, ondernemerschap en grond) kan groeien;




  • Technologische verbeteringen

  • Vergroting ‘human capital’ (verbeterde scholing)

  • Betere organisatie/specialisatie van productieproces

  • Schaalvoordelen in de productie (op grotere schaal produceren)

  • Natuurlijke omstandigheden > klimaatverandering en gewasziektes.

  • Economische groei laat de stijging in welvaart zien. Dit is de mate waarin kan worden voorzien in materiële behoeftes, dus in goederen. Dus hoeveel iPad je kan kopen. Welzijn is de mate waarin mensen gelukkig worden van die ipads. Het begrip levensstandaard omvat beide begrippen enigszins.



Hoorcollege 6: groei en stagnatie in arme en rijken landen en welke rol instituties hierop hebben



Economische groei



De neoklassieke groeitheorie is door Cobb en Douglas uitgewerkt tot de Cobb-douglas productiefunctie. Dit is Q= B + B1*L + B2*k + B3*G. lijkt heel ingewikkeld, is niet zo. Q is gewoon het totale groei van de economie. Dit krijg je door de groei in L (loon) plus de groei in K (Kapitaal) plus de groei in grond. Die “b’s “ zijn allemaal willekeurige variabelen (want de hoeveelheid arbeid is bijvoorbeeld belangrijk dan de groei in cultiveerbare grond). Als je die allemaal bij elkaar optelt krijg je dus de groei in de gehele economie (omdat dat alle productiefactoren zijn). Volgens deze functie zijn er drie bronnen voor lange termijn economische groei:




  • Stijging totale factorproductiviteit

  • Deel van inkomen sparen

  • Verhoging van de arbeid door te investeren in human capital.



De eerste ‘b’ in die formule staat voor de totale factorproductiviteit. Dit kan veranderen door: technologische verbetering, vergroting human capital, organisatorische verbeteringen in het productieproces, schaalvoordelen in de productie en verandering omstandigheden.



Technologische ontwikkeling en catching-up



Technologische ontwikkeling bestaat uit twee factoren: de basis van de vernieuwing zijn nieuwe uitvindingen. De toepassingen van deze uitvindingen worden vervolgens de innovaties genoemd. Joel Mokyr heeft een mening over innovaties: Macro-inventions zijn revolutionair nieuwe ideeën en het gevolg zijn micro-inventions die kleine verbeteringen op het productieproces hebben. Uitvindingen bouwen voort op eerder uitvindingen ze zijn pad-afhankelijk het is een evolutionair proces van ontwikkeling. Schaarste is een stimulans voor innovatie waardoor er macro-inventions komen (schumpeter)



Rol van markt in economische groei: door handel wordt specialisatie mogelijk, waardoor er schaalvoordelen ontstaan. Economische groei is het sterkst in landen met een goed functionerende vrije markt.



Catching-up: snelle economische groei door het overnemen van de technologie van de productiefste landen. Belemmering voor dit zijn:




  • Economische omstandigheden die innovaties tegenhouden > niet alles werkt in hetzelfde land even efficiënt

  • Sociaal-cultureel: land kan conservatisme zijn en het ontbreken van een middenstand zorgt voor stagnatie van de handel

  • Politiek-cultureel: groepsbelang boven eigenbelang. Overheid garandeert eigendomsrechten niet waardoor sparen niet geprikkeld wordt

  • Politie-bestuurlijk: overheid belemmert overdracht van technologie naar elders.



Daron Acemogly en James Robinson hebben de belangrijkste factor voor economisch succes proberen te voorspellen. Dit zijn volgens hen politieke en de economische instituties. Ze onderscheiden extractive(kleine groep heeft invloed op deze instituties) en inclusive(veel mensen hebben invloed op het overheidsbeleid waardoor de overheid met een grote groep mensen rekening houdt) economische en politieke instituties.



De homo economicus



Macro-economie is afhankelijk van beslissingen van individuen op micro-economische niveau. In gezinsverband vinden de belangrijkste economische beslissingen plaats. Cultuur heeft invloed op de gemaakte keuzes van gezinnen (hoe is het werk verdeeld, keuze tussen productie en reproductie).



Internationale handel



Theorie van Heckscher-Ohlin: een gebied specialiseert zich in de productie en uitvoer van arbeidsintensieve goederen als het beschikt over relatief veel arbeid (hetzelfde geldt voor kapitaal-, en grond-, human capital-intensieve producten) > comparatieve kostenvoordelen.



Theorie van Wallerstein: centrum dat rijk is en de periferie die politiek zwak is en overheerst wordt. Zwaktepunt van dit model is, is dat er ook een semi-periferie is. En er is geen verklaring voor welke gebieden in het centrum liggen en welke inde periferie. Ook geen volledige pad-afhankelijkheid want er zijn verschuivingen van de semi-periferie naar de periferie te zien op de zeer lange termijn (dus geen statisch model).



Instituties en transactiekosten



Instituties: verzameling van impliciete en explicite regels voor de wijze waarop mensen met elkaar omgaan en de systemen gericht op de navolgen van die wetten. Oftewel systemen die het menselijk handelen, en leven in het algemeen organiseren. Douglas north zegt dat instituties nodig zijn om mensen eigendomsrechten toe te wijzen en ervoor te zorgen dat mensen deze niet kwijtraken. Als eigendomsrechten beter zijn gedefinieerd is er meer mogelijkheden voor economische ontwikkeling. Door deze zekerheid gaan mensen investeren zodat de economische groeit.



            Bij markttransacties zjin kosten: onderhandelingskosten (neeee, ik wil een appel), zoekkosten (waar is die fucking appel te vinden), informatiekosten (is deze appel goedkoper bij de Lidl dan bij de appie?), kosten van afdwingen van het nakomen van het contract (ik sluit een zorgverzekering af zodat ik als ik ziek wordt van deze appel, niet dood ga). Door efficiënte instituties verminderen de transactiekosten.



            De overheid moet dus eigendomsrechten beschermen. North heeft een instituut model ontwikkeld. Aantekeningen simone fixen


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.